Omdat ge Mij gezien hebt, Thomas, hebt ge geloofd; zalig die niet gezien en toch geloven

Een preek van de H. Augustinus.

De verdienste der gelovigen zou niet groot zijn, en hun gelukzaligheid niet roemvol, wanneer de Heer zich steeds in zijn verrezen Lichaam aan hun ogen openbaarde. De Heilige Geest heeft dus aan hen die zouden geloven, dit grote geschenk gebracht, dat ze naar Hem, die ze niet met lichamelijke ogen aanschouwden, mochten verzuchten met een geest, die vrij was van zinnelijke begeerte, en dronken van geestelijke verlangens.

    Daarom heeft de Heer dan ook tot die leerling - die, zoals hij zei, niet zou geloven indien hij niet de lidtekens in 's Heren hand had aangeraakt, en die bij de aanraking van Christus' lichaam uitriep, alsof hij uit zijn slaap ontwaakte: "Mijn Heer, mijn God!" -gesproken: "Omdat ge mij gezien hebt, Thomas, hebt ge geloofd; zalig die niet gezien en toch geloven."

    Aan de Trooster, de Heilige Geest, danken we nu deze zaligheid, dat de scherpzinnigheid van een gezuiverde geest, - nadat de knechtsgestalte, die Christus in de schoot der Maagd had aangenomen, uit de stoffelijke ogen is verdwenen -  zich op de gestalte van God zelf mag richten, waarin de Gelijke des Vaders zich ook in de dagen van zijn Vlees gewaardigd heeft te blijven: zodoende kan de apostel, met diezelfde Geest vervuld, zeggen: "Wanneer ge belijdt met uw mond, dat Jezus de Heer is, en gelooft met uw hart, dat God hem uit de doden heeft opgewekt, dan zult ge worden gered, want men gelooft met het hart ter rechtvaardiging, en men belijdt met de mond ter redding."

- H. Augustinus