Broederschap van Onze-Lieve-Vrouw van de Heilige Rozenkrans Sint-Paulusparochie - Antwerpen Kapel van Onze-Lieve-Vrouw van de Heilige Rozenkrans Onder deze titel proberen we benamingen zoals Kapel van Onze-Lieve-Vrouw van de Heilige Rozenkrans, kapelheer en dienende meester uit te leggen. Deze termen zijn woorden die vrij alledaags klinken maar die toch niet direct zo eenvoudig te verklaren zijn. Niet zozeer wie, maar wat doen die mannen en vrouwen in hun lange zwarte jassen, en hoe is dat alles ontstaan? KAPEL  Beginnen we met het woord kapel zelf. Dit woord is afgeleid van het Latijnse cappa = mantel, verkleinwoord capella. Het verwijst naar de mantel van Sint-Maarten (Martinus), bisschop van Tours (° Savaria-Hongarije 316 - † Candes-Frankrijk, 8 november 397, feestdag 11 november). Sint-Maarten gaf zijn halve mantel weg aan een bedelaar. De reden dat Sint-Maarten slechts een halve mantel schonk is dat een Romeinse officier zelf de helft moest betalen, de andere helft werd door de keizer betaald. De mantel werd een relikwie en de ruimte waarin deze mantel werd bewaard ging capella of kapel heten. Van relikwiebewaarplaats werd kapel een naam voor een bedehuis. Kapellen werden ook vaak gebouwd als er een wonder was gebeurd. In latere tijden groeiden vele van die kapellen ook uit tot kerken. Vele kapellen vindt men terug aan een kruispunt van wegen. Betekenissen van het woord kapel: Kapel (gebouw), een klein bedehuis die geen parochiekerk is, al dan niet als onderdeel van een klooster, school, ziekenhuis gevangenis of andere instelling. Kapel (kerkdeel), een van een altaar voorzien gedeelte van een groter kerkgebouw, ook straalkapel. Kapelletje, een op een huisje of kerkje lijkend kastje voor een beeld. Muziekkapel, een (klein) orkest. Hofkapel, de geestelijken en/of muzikanten aan het hof van een vorst. Dakkapel, een uitbouw van een dak. Een oud-Nederlandse benaming voor vlinders. Joodse jongensnaam die bezetter of vertegenwoordiger betekent. In het geval van onze Broederschap is een Kapel een groep van personen die, binnen deze Broederschap, een leidinggevende en/of dienende taak uitoefenen. Een Broederschap is dan weer een vereniging van leken met een godvruchtig doel, zoals het beoefenen van bijzondere werken van vroomheid en naastenliefde. In 1348 werd de eerste Onze-Lieve- Vrouwebroederschap in Antwerpen gesticht. Zo een broederschap was een devotie-uiting van de gewone man, dit in tegenstelling tot de Lievevrouwekapelaniën, waarbij één persoon de volledige financiering op zich nam. De eerste werd in 1275 vernoemd en is hier door Kanunnik Jan van Beveren gesticht. Van een broederschap van Onze-Lieve-Vrouw kon iedereen, tegen een kleine vergoeding, deel uitmaken, dit in tegenstelling tot de kapelaniën, die een devotie-uiting waren van de hogere burgerij en die een betrekkelijk groot kapitaal vereisten bij stichting. KAPELHEER Kapelheer is een woord dat men niet veel tegenkomt al oogt het vrij alledaags. Het is trouwens een typisch Antwerps fenomeen. Buiten de agglomeratie komt het weinig of niet voor. Als men op de internet-zoekmachine Google kapelheer intikt, krijgt men 241 resultaten (27 oktober 2011). Het gaat dan hoofdzakelijk over het verhaal van de bloedende hostie, activiteiten in Sint- Paulus- en Sint-Jorisparochie, de aanstelling van een nieuwe kapelheer in de Friezenkerk in Rome en genealogische gegevens van mensen die in Antwerpen kapelheer geweest zijn. Kapelheer (vroeger werd ook wel kapelmeester gebruikt), is een vertaling van het Latijnse cappellanus, wat ook kan vertaald worden als kapelaan. De Nederlandse term kapelaan voor de functie van de Vlaamse onderpastoor, is gangbaar sinds de napoleontische tijd (1799-1815). Voor die tijd was een kapelaan (of rector) uitsluitend een aan een kapel verbonden priester. Met dit laatste gegeven komen we dichter bij de eigenlijke betekenis. Broederschappen, maar ook sommige gilden, hadden in de middeleeuwen dikwijls een eigen altaar, al dan niet in een kapelgebouw. Deze werd bediend door een geestelijk: een kapelaan. Voor de wereldlijke zaken was er een kapelheer. Het was een leek die belast was met het financieel- en materieel beheer van de Broederschap. Men spreekt ook van een altaarmeester, vooral als enkel gaat over de bediening van een altaar. Het waren gereputeerde mensen uit de stad; ambachts- en kooplui, schepenen, burgemeesters en edelen. Uit het ledenboek: NAEMEN VANDE HEEREN CAPPELMEESTERS Vant’ Broederschap van den H. ROOSENKRANS, Naert’ overgaen der Stadt door den Prins van Parma Anno 1585 UYTGETROCKEN Uyt den ouden volgeschreven boeck, en in desen Nieuw begost in het Iaer 1688 DIENENDE MEESTER Zoals in het welkomstwoord al vermeld is, vormen de dienende meesters, binnen de Broederschap, de Kapel van Onze-Lieve-Vrouw van de Heilige Rozenkrans. Sommigen hebben het misschien moeilijk met de woorden dienend en meester als die samen worden gebruikt, en terecht. Meester slaat al vlug op ‘wat meer zijn’, ‘meer bijzonder zijn’, ‘voornamer zijn’, ‘meer aanzien hebben’, ‘intelligenter zijn’. Dit staat dan weer in contrast met het woord dienend. Maar meester is ook een titel voor een persoon die zekere graad van kennis of ambtsbekwaamheid heeft. In die zin is dienende meester  een omschrijving die van toepassing is op wat een kapelheer zou moeten zijn in deze tijd; zijn of haar capaciteiten (daar waar men meester in is of iets wat men meester is) aanwenden om anderen te helpen, zich dienstbaar op te stellen. Met dit in gedachte komt het verhaal van de voetwassing naar boven. Jezus wast de voeten van zijn leerlingen. Hij vereenzelvigt zich met de allerminsten, is minder dan een slaaf, bijna een voetveeg. Jezus laat, met deze symbolische daad, aan zijn leerlingen en aan ons zien, dat de dienst aan elkaar en de onderlinge solidariteit, één van de kernen is van het geloven. Het gaat er om dat de Mensenzoon is gekomen om te dienen en dienen wil zeggen: de minste willen zijn.