CATVLLI CARMINA 

 

                                                                                     carmen 8

 

wil je dit gedichtje horen voorlezen?  klik hier

Misér Catúlle désinás inéptíre

et quód vidés perísse pérditúm dúcas.

Fulsére quóndam cándidí tibí sóles

cum véntitábas quó puélla dúcébat

amáta nóbis quántum_amábitúr núlla.         5

Ibi_ílla múlta túm iocósa fíébant

quae tú volébas néc puélla nólébat.

Fulsére vére cándidí tibí sóles.

Nunc iam_ílla nón vult tú quoque_ínpoténs <nóli>   

nec quáe fugít sectáre néc misér víve         10

sed óbstináta ménte pérfer óbdúra.

Valé puélla.  Iám Catúllus óbdúrat

nec té requíret néc rogábit ínvítam

at tú dolébis cúm rogáberís núlla.

Scelésta, váe te!  Quáe tibí manét víta?     15

Quis núnc te_adíbit?  Cuí vidéberís bélla?

Quem núnc amábis?  Cúius ésse dícéris?

Quem básiábis?  Cuí labélla mórdébis?

At tú, Catúlle, déstinátus óbdúra! 

 

ga naar index

 

metrum: choliambus of hinkjambe:

˘ ˉ ˘ ˉ | ˘ // ˉ ˘ / ˉ | ˘ ˉ ˉ ˘

dus een jambische trimeter, die eindigt met een trochee of spondee, wat zorgt voor een hinkend tegenritme.

cesuur normaal na de vijfde halve voet, soms na de zevende halve

 

1    miser Catulle: de dichter spreekt zichzelf toe: hij pompt zich, blijkbaar na een breuk met Lesbia, moed in om vol te houden, ook al wordt hij door tegenstrijdige gevoelens heen en weer geslingerd; miser: wordt vaak gebruikt voor een ongelukkige minnaar

        desinas: aansporende conj., die klinkt heel wat zachter dan de imperatief: "zou je niet..."

        ineptire: uit in + aptus: "zich niet aanpassen, zich aanstellen"; Cicero omschrijft het (in De Oratore 2,4,17) als zich op geen enkele manier aanpassen aan het gezelschap waarin men verkeert.  Dit weinig frequente werkwoord is voor mensen uit de hogere kringen een zware blaam

2    perire: eigenlijk het passivum van perdere: "verloren gaan"

        ducere: "beschouwen als, menen, vinden"

Meteen is het duidelijk: de relatie is gedaan en Catullus moet zich in die situatie maar schikken: hij heeft het er echter wel moeilijk mee en heeft zich tot hier toe blijkbaar niet echt gedragen zoals dat in de betere kringen feitelijk hoort.  maar hij spreekt het besef uit dat hij zich moét herpakken en de feiten moét aanvaarden zoals ze zijn.

ga naar tekst

3    fulsere: staat heel nadrukkelijk vooraan: het perfectum zegt ook dat het nu voorgoed voorbij is

        quondam: "ooit" - een onbepaald moment in het verleden

        candidi soles: meervoudige betekenis:

            1) sol: "zon", die helder schijnt en warm en aangenaam is (cf. candidus: stralend wit) = een metafoor voor de dagen van groot liefdesgenot

            2) sol: "levenslicht" > "leven" (levenskwaliteit, levensvreugde, ...)

        dus zegt het vers zo ongeveer: "ooit heb je stralende dagen gekend"

4    quo puella ducebat: het initiatief ging dus kennelijk van Lesbia uit, begrijpelijk, want zij was gehuwd

5    nobis: = mihi: datief (!) HV bij amata ; in de geest van dit gedichtje, waarin Catullus tot zichzelf praat, zouden we eerder 'vobis' verwachten, maar het gaat dus blijkbaar om een reflectie van de dichter.  Sommigen stellen voor om tantum te lezen, analoog aan carmen 37,12, maar dat is niet echt nodig: de dichter kan zichzelf best herhalen met kleine wijzigingen

ga naar tekst

6    illa: maakt de uitspraak des te aangrijpender: "al die speelse dingené - ze roept een levendige herinnering wakker aan het plezier van weleer: "daar gebeurden toen al die pretiige dingen"

        tum: dit is de lezing van een Romanus-handschrift en wordt door sommige moderne uitgevers gevolgd; de andere manuscripten lezen cum; twee redenen pro tum:

- cum in het midden van een vers komt bij Catullus heel zelden voor

- tum impliceert dat het vers stopt na nolebat.  Dat ondersteunt beter het hortende ritme, en op die manier vormt vers 7 een keervers, dat een reflectie geeft op het voorafgaande

twee argumenten pro cum:

- ook vers 4 bevat een cum temporale

- met cum ontstaat een chiasme:

fulsere...soles, cum vetitabas quo...ducebat

cum fiebant, quae volebas, fulsere...soles

ga naar tekst

7    nec nolebat: litotes

8    nunc: antwoordt op de quondam uit vers 3

9    vere: zoals de cesuur suggereert, sluit vere aan bij fulsere en niet bij candidi

10    nec sectare: et ne sectare ; in proza wordt een imperatief nooit door ne ingeleid!

        quae: als relativum beschouwd is dit onderwerp van fugit - uitgewerkt komt dit neer op eam, quae fugit - inhoudelijk komt dit vers neer op het tegengestelde van vers 4: nu zou Catullus de jager zijn en Lesbia het wild dat hem ontvlucht (?!); in feite is het vers echter een navolging van Theocritus (11): ti ton pheugonta diokeis;

11    obstinata mente: abl. hoedanigheid of losse abl?

        perfer, obdura: niet alleen de woordkeuze, ook de vorm (imperatief) is nu erg hard, zeker in vergelijking met verzen 1 en 2: hij hamert zijn voornemen in!  Die hardheid moet zijn gekwetst gemoed verdoezelen.

ga naar tekst

12    iam: "voortaan, van nu af aan"

13    requiret / rogabit: de futura onderstrepen de grote stelligheid van zijn voornemens

        rogare: in liefdespoëzie is dit "verlangen naar"

        invitam: liefst voorwaardelijk interpreteren (niet redengevend), want dat laat de mogelijkheid open voor een verzoening

14    cum rogaberis: weer een cum temporale!

        nulla: misschien zit hier de betekenis achter 'a nullo', maar liever zien we het als een sterk non - nullus i.p.v. non is bekend als een element uit de omgangstaal (bv. Plautus gebruikt het vaak in zijn komedies)

15    scelesta: hier niet in zijn gewone zin van "misdadig", maar echt synoniem met misera

        vae te: bevat een echo van de vale uit vers 12 (normaliter staat vae met de datief)

        tibi: datief voor-/nadeel of gewoon MV

manere tibi: "er blijft nog over voor jou"

manere te: "er staat jou nog te wachten"

ga naar tekst

16    adire: synoniem voor rogare (vers 13): "raad vragen, gunsten vragen, benaderen" (merk op hoe de rol van Lesbia vanaf hier passief wordt: zij wordt benaderd; ze gaat niet zélf op zoek)

        nunc: enigszins benadrukt, mede door de herhaling in vers 17

17    quem amabis: zet Lesbia opnieuw in een actieve rol

        dicēris: passief indic. fut.sim.

        cuius: gen. van bezit - duidt dus de relatie aan.  Als antwoord zou je kunnen verwachten "niemand" ofwel "van half Rome" en dit laatste is ook het meest waarschijnlijke, zoals blijkt uit Cicero (Pro Caelio, 38): Lesbia had de reputatie om nooit lang zonder minnaar te zitten.  Toch klinkt hier geen jaloezie in door: het antwoord waarop de dichter zinspeelt is: non Catulli diceris.

7 korte, bitsige vragen (met traductio): ze klinken heftig en gaan steeds meer in detail, zodat ze zelfs uit de hand dreigen te lopen, ware het niet dat Catullus zich tijdig herpakt.

18    cui: datief van nadeel bij mordebis

19   destinatus: hier synoniem met obstinatus (normaal betekent het "bestemd voor...")

ga naar tekst

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Nihil iam in istam mulierem dico; sed, si esset aliqua dissimilis istius, quae se omnibus pervolgaret, quae haberet palam decretum semper aliquem, cuius in hortos, domum, Baias iure suo libidines omnium commearent, quae etiam aleret adulescentes et parsimoniam patrum suis sumptibus sustentaret; si vidua libere, proterva petulanter, dives effuse, libidinosa meretricio more viveret, adulterum ego putarem, si quis hanc paulo liberius salutasset?