Vívamús
mea Lésbia_átque amémus
Sóles
óccidere_ét redíre póssunt;
nóbis
cúm semel óccidít brevís
lux,
nóx
est pérpetua_úna dórmiénda.
Dá
mi básia mílle, déinde céntum,
déin
mille_áltera, déin secúnda céntum,
déinde_usque_áltera mílle, déinde céntum,
déin,
cum mília múlta fécerímus,
cónturbábimus
ílla, né sciámus
áut
ne quís malus ínvidére póssit,
1 vivamus: pregnante betekenis: "van het leven genieten" - de scansie maakt dat het woord erg nadrukkelijk klinkt
mea Lesbia: hoewel in poëzie de regels van de woordorde minder strikt toegepast worden, heeft mea toch een zekere nadruk: "mijn liefste"
atque: duidt een gradatie aan, het expliciteert: "ik bedoel..."
amemus: amare heeft steeds een lichamelijke bijklank: fysiek liefhebben; als het om een platonische liefde gaat, gebruikt Catullus liever diligere, cf. c.72,3 voor diligere en c. 72,8 voor amare
2 rumor: gerucht > gemompel, gebrom, hier "afkeurend gebrom"
senum: Catullus is jong, ongebreideld en vol passie: dat zijn eigenschappen waarmee de Romeinen het wat moeilijk hadden: voor jongelui wilde men ze nog wel door de viingers zien, maar vanaf een zekere leeftijd (en zeker vanaf de dag van het huwelijk) konden ze echt niet meer getolereerd worden
severiorum: die oude, mopperende knarren die niet kunnen verdragen dat de zon in het water schijnt
3 omnes - unius: merk het oxymoron!, dit wordt nog nadrukkelijker door de verkorting van unīus tot unĭus, want zodoende komt in beide woorden de ictus op de eerste lettergreep
aestimare: schatten, waard achten, iets een zekere waarde of prijs toekennen
unius assis: gen. onbepaalde waarde - dat lijkt in tegenspraak met het concrete en bepaalde unius, maar die uitspraak schijnt de betekenis te hebben van "geen rooie duit"
4 soles: het meervoud suggereert dat dit elke dag opnieuw gebeurt, in een eindeloze reeks, en niet dat er meer dan 1 zon zou bestaan natuurlijk!
occidere: "óndergaan", want het gaat over soles
5 semel: een keer, éénmaal
occidit: "doven, uitgaan", want hier wordt het gezegd van lux: licht > daglicht > levenslicht
brevis lux: het behoort tot de topiek in de ganse wereldliteratuur dat het leven van de mens (te) kort is
6 nox: nom. ond. van dormienda est - dormire is als activum onovergankelijk, de accus. in noctem dormire is een inwendige accus. De uitdrukking hier passief maken, is een vrij gedurfde taalvernieuwing
De voorgaande verzen klonken als een zwaarmoedige overpeinzing, die nog vroeg om een conclusie of een reflectie. In plaats daarvan krijgen we echter een kanteling te zien: Catullus gaat niet verder op reflecterende toon, maar gaat over op emotionaliteit.
7 basia: een echt neologisme van Catullus: vóór hem kende de literatuur het woord osculum voor "kus"; basium is wellicht een Keltisch woord en herinnert aan Catullus' afkomst uit de Po-vlakte, waar Keltisch de voertaal was en het Latijn slechts een geïmporteerde cultuurtaal. Mogelijk had het woord basium in Romeinse oren een wat schokkende klank en is het dus een vrij gewaagd woord: het maakt in dat geval wel duidelijk dat Catullus zich heel wat kon permitteren wanneer hij over zijn Lesbia sprak!
deinde: in proza een drielettergrepig woord, maar hier is er een synizese: [dèjnde]
7 8 9 hoewel de verzen evenveel lettergrepen tellen, is er toch een voelbaar crescendo in ieder nieuw vers: Catullus raakt als het ware in een roes, een draaikolk van onstuitbare passie. Hoe bereikt hij dit effect: door een toenemend aantal woorden ?: 6-6-6 :neen dus; door een toenemend aantal elisies?: 0-1-2: ja! - door een parallelle bouw van de verzen: ja!
9 usque: "ononderbroken, zonder pauze"
10 cum...fecerimus: fut.ex; in een louter tijdbepalende bijzin
facere: eigenlijk een term uit de bankwereld, uit de financiële sector: summam facere = de som realiseren
11 conturbabimus: ook een financiële term: "de boekhouding zodanig in de war gooien dat niemand er nog wijs uit wordt"; lange woorden zoals hier worden eigenlijk het liefst uit de poëzie geweerd, en toch gebruikt Catullus ze hier wél, en nog wel op een heel nadrukkelijke plaats
ne sciamus: negatieve doelzin; in een vertaling zou de toevoeging "zelf" niet misstaan
12 ne quis: ne aliquis - Catullus gebruikt de vorm aliquis, dus de zelfstandige vorm, i.p.v. aliqui, die bijvoeglijk zou zijn bij (het gesubstantiveerde) malus; voor de betekenis geeft dat het volgendeonderscheid:
(ali)qui malus = een of andere ons slecht gezinde; iemand die ons kwaad wil doen
(ali)quis malus = iemand, in een vlaag van kwaadwilligheid
Het eerste geval betreft dus iemand die ons altijd kwaad gezind is, iemand die jaloers is op ons, en dat ook altijd is; het tweede geval neemt een nóg ruimere betekenis: het kan om het even wie zijn, in een moment van kwade bedoelingen: dit kan dus over meer mensen gaan, over iedereen eigenlijk, terwijl het eerste zich meer concreet richt naar (reeds bekende) jaloerse lui.
13 cum sciat:de conjunctief is te verklaren als attractio modalis, onder invloed van al die conjunctieven in de doelconstructies
basiorum: partitieve gen. bij tantum