Psychoanalytisch Studiecentrum Diest

Archief Argumenten Atelier

Terug naar Atelier

Home

1996-1997

v Een Studie van de Hysterie

1997-1998

v Praktijk van de Overdracht

1998-1999

v Het Talige van de Psychoanalyse

1999-2000

v Fallus, fantasma en Naam-van-de-Vader.

2000-2001

v Analytisch discours, fantasma en vrouwelijkheid.

2001-2002

v Symbolisering en het seksuele onbewuste

2002-2003

v Ethiek van de psychoanalyse

2003-2004

v Het verlangen en zijn interpretatie. Een studie van de ‘graphe van het verlangen’: Lacan interpreteert een casus van Ella Sharpe.

2004-2005

v Het begint met liefde. Lacan over de overdracht.

2005-2006

v Fantasma, verlangen en genot

2006-2007

v Het gezin, zijn banden

2007-2008

v Het inaugurale van de psychoanalytische ervaring. Drie studies.

2008-2009

v Ontwaken en Verbannen. Wat de psychoanalyse ons leert over de meest delicate overgang: de adolescentie.

2009-2010

v Lectuur en commentaar van Lacans: De instantie van de letter in het onbewuste of de rede sinds Freud. Over de betekenende functie van het spreken.

2010-2011

v Lectuur en commentaar van De instantie van de letter in het onbewuste of de rede sinds Freud.

2011-2012

v De instantie van de letter in het onbewuste. De incompatibiliteit van Het verlangen met het gesproken woord”

 

1996-1997

Een Studie van de Hysterie

 

In de kliniek gaat de hysterie schuil onder aardig wat ziektebeelden zoals borderline, anorexie, slachtoffer van mishandeling of seksueel misbruik, depressie, relatiestoornis, seksuele dysfunctie, angsten en fobieën, hallucinatorische verwarring of psychose, automutilatie enz. naast de conversies, die niet als zodanig onderkend symptomatisch worden behandeld (hyperventilatie bv.).

Paul Verhaeghe

TUSSEN HYSTERIE EN VROUW.

Van Freud tot Lacan :

Een weg door honderd jaar psychoanalyse.

Met dit werk beschikken we in het Nederlandse taalgebied over een uitmuntende verhandeling met betrekking tot de hysterie, helder geconcipieerd, waarin de weg van Freud wordt gevolgd, vanaf het begin met de Studies over Hysterie  tot de impasse waarin Freud aan het eind van zijn oeuvre was aanbeland. Steunend op de schouders van Freud, heeft Lacan de draad weer opgenomen en de Freudiaanse impasse open gebroken. Met Lacan wordt Freud dan ook anders gelezen.

In elke analytische kuur of psychotherapie wordt dit parcours —  geheel of gedeeltelijk — opnieuw doorlopen.

Het boek is zeker geen inleiding, veeleer een studieboek waarin de auteur constant refereert naar het werk van Freud en Lacan. In het atelier zullen de belangrijkste van deze verwijzingen worden toegelicht zodat men zich in de theorie kan oriënteren én onderzoeken naar zijn klinische relevantie. Een atelier biedt immers ruim de mogelijkheid voor de inbreng vanuit de praktijk, om misverstanden en vulgarisaties ter sprake te brengen, om interpretaties te toetsen.

 

Het atelier is bedoeld voor elkeen die vertrouwd wil raken met de hysterische positie, zowel zij die hiermee hun eerste stappen zetten in het domein van de psychoanalyse, als zij die reeds een weg hebben afgelegd. 

I. De eerste theorie

In het eerste gedeelte (o.l.v. Guido Laforce) volgen we de ontwikkeling van de eerste psychoanalytische theorie, met de ontdekking van het onbewuste verlangen, met de overgang van de traumatheorie naar het fantasme, …  waarin de verdringing en de weerstand een centrale plaats krijgen toebedeeld. Deze voert Freud naar het meesterdiscours, en leidt tot een mislukken van de behandeling van de casus princeps : Dora.

Het is precies deze theorie die na Freud als weerstandsanalyse algemeen ingang heeft gevonden. Bij een nauwkeuriger lezing blijkt evenwel dat deze de achtergrond vormt van waaruit de verdere ontwikkelingen, de vergeten Freud, pas kan begrepen worden.

Paul Verhaeghe sluit dit gedeelte af met de behandeling van Freuds overstap van zijn eerste naar een tweede verdringingstheorie.

II. De vergeten Freud

Nogal wat patiënten zijn best tevreden wanneer ze het eerste deel van het parcours hebben kunnen doorlopen, maar niet de hysterie die de meester, Freud, verder gaat uitdagen «voorbij het lustprincipe» : negatieve therapeutische reactie, primaire ziektewinst, primair masochisme, primair … : ‘de oerfenomenen’.

In het tweede deel (o.l.v. Paul Verhaeghe) blijven we dan stilstaan bij 1) de consequenties van deze kanteling en 2) de impasse bij Freud : de rots van de castratie.

(G.L.)

 

Top

---

 

1997-1998

Praktijk van de Overdracht

 

In het atelier willen we belangrijke invalshoeken uit de psychoanalyse met betrekking tot het thema van de overdracht introduceren en kaderen in functie van de praktijk, niet alleen de kuur, maar ook het belendende veld van de psychotherapie.

I. Sinds Breuer voor het eerst geconfronteerd werd met een geërotiseerde positieve overdracht en geen andere uitweg zag dan de behandeling met Anna O. af te breken, is er in de psychoanalyse een enorme weg afgelegd.

Vooreerst was er het genie én het verlangen nodig van Freud om in de liefde van Anna O. voor haar arts het onontkoombare fenomeen van de overdracht te herkennen. Zijn eerste conceptualisering is deze van een valse verknoping: een ongeoorloofde wens die opduikt uit het verleden en die verbannen werd, wordt gekoppeld aan de persoon van de arts. Met het mislukken van de behandeling van Dora, onderkent Freud dat de overdracht niet alleen de ‘grootste hindernis’ vormt voor de psychoanalyse, maar tevens ‘haar machtigste hulpmiddel’ is.

Tussen 1911 en 1915 publiceert Freud een aantal geschriften met betrekking tot de psychoanalytische techniek waarin de overdracht een centrale plaats is toebedeeld. Meestal worden ze in hun geheel beschouwd als ‘Freuds technische geschriften’, terwijl Freud er een niet onbelangrijke kanteling maakt : overdracht wordt overdrachtsneurose; herhaling verglijdt tot herhalingsdwang die de overdracht als speelplaats zal gebruiken; het Durcharbeiten doet zijn intrede; i.v.m. de verborgen en verboden liefdesimpulsen die goeddeels terug te voeren zijn naar het verleden (c.f. valse verknoping), beweert Freud nu dat men deze het karakter van ‘echte’ liefde niet kan ontzeggen.

Freuds teksten zijn doortrokken van een ethiek (te onderscheiden van een moraal), waarin de waarheid van het subject (niet het dogma of de doctrine) centraal staat.

Het opzet van het eerste gedeelte van het atelier bestaat erin dat men vertrouwd raakt met dit conceptuele kader van Freud.

 II. In Les écrits techniques de Freud, seminarie I, heeft Lacan Freuds psychoanalytische techniek uitgewerkt aan de hand van zijn befaamde registers. Het thema van de overdracht biedt de geschikte gelegenheid om te blijven stilstaan bij deze registers, meer speciaal het symbolische en het imaginaire, – het gesproken woord & het ego – precies omdat Lacan hiermee de werking van de overdracht in een verfrissend daglicht heeft geplaatst. Voor het atelier vormt dit ons tweede platform, door Lacan opgetrokken op de fundamenten van Freud en met de «medewerking» o.a. van M. Klein.

III. Dit is bij Lacan het vertrekpunt geweest van een herconceptualisering van de overdracht culminerend in het fameuze XIe seminarie waarin hij uitvoerig ingegaan is op de overdracht als één van de vier fundamentele concepten van de psychoanalyse, naast het onbewuste, de repetitie en de pulsie. In zijn verdere seminaries heeft hij er nog weinig aan veranderd.

In het fenomeen van de overdracht zijn zowel het subject als de analyticus besloten. Dit verdelen in termen van overdracht en tegenoverdracht’ waarbij de klemtoon meestal komt te liggen op het affect (positieve en negatieve overdracht), is nooit maar uitwissen waar het om gaat.’– ‘De overdracht kan niet helemaal herleid worden tot de repetitie. En als de overdracht niet meer zou zijn dan repetitie, dan gaat het om een repetitie van steeds dezelfde mislukking.’ Hiermee komt het reële als derde register op zijn plaats, waarmee Lacan een stap zet voorbij Freud. Dit verschilt niet weinig van een behandeling van de overdracht als een illusie of irreële misvorming, courant geworden na Freud.

In dit derde deel van het atelier worden accenten en gezichtspunten uit Lacans conceptualisering aangebracht die richtinggevend zijn als bakens voor de praktijk : het verondersteld-wetend-subject, de betekenaar van de overdracht, de plaats van de liefde in zijn relatie tot het verlangen binnen de dynamiek van de overdracht, de aanwezigheid van de analyticus, enz.

Het atelier richt zich tot elkeen die werkend met patiënten geconfronteerd wordt met overdrachtsfenomenen en zich hierin beter wil kunnen oriënteren.

(G.L).

 

Top

---

 

1998-1999

Het Talige van de Psychoanalyse

In het Woord, zoals het oorspronkelijk door den mens werd gesproken, ligt de beheersing van zijn ontmoeting met de dingen, het schept hem een nieuwe wereld.

G. Van der Leeuw (1940)

 

Met het atelier willen we de deelnemers initiëren in Lacans onderwijs aangaande de plaats en de functie van het gesproken woord en het talige in de psychoanalyse.

Voor zijn onderwijs is Lacan uitgegaan van de vraag hoe de psychoanalyse, als talking-cure, effekten kan ressorteren aangezien het onbewuste niets vergeet. Aldus komt het spreken en de taal centraal te staan. Dit is een heel debat geworden, op de achterzijde van Ecritsdébat de lumière’ genoemd, waarin het subject en de opbouw van de psychische werkelijkheid aan de orde wordt gesteld. Met Lacan zijn we voorbij de gangbare opvatting van de taal als een instrument waarmee we ons uitdrukken, kenbaar maken, communiceren, relaties opbouwen. – Het subject is effect van de betekenaar met alles wat dit impliceert qua verlangen, seksualiteit, angst, schuld, genot, identificaties, kortom op het plan van de struktuur. Met Lacan zijn we voorbij de traditionele opvatting dat de psychische werkelijkheid een perceptuele oorsprong zou hebben met voorstellingen als een afdruk van de waarneming van de werkelijkheid en dan ook door de werkelijkheid zou zijn veroorzaakt. – Het onbewuste merkt (in de zin van bemerken én markeren), tekens die verder worden ontcijferd, geinterpreteerd en vertaald tegen de achtergrond van een object dat verloren is als oorzaak van het verlangen.

Om dit op een degelijke en herkenbare wijze uit te werken en om het terrein af te bakenen, worden twee magistrale teksten van Lacan als referentie genomen.

I. Om Lacan te kunnen volgen dienen we met hem eerst terug te gaan naar de ‘canonieke’ geschriften van Freud aangaande het onbewuste: De Droomduiding, Der Witz (De grap) en Psychopathologie van het dagelijks leven. In het eerste gedeelte van het atelier zal dit exemplarisch gebeuren : Freuds droom over de botanische monografie en het vergeten van de naam van een Italiaanse Frescoschilder Signorelli met de analyse van Freud en de verdere commentaren van Lacan.

II. In L’instance de la lettre dans l’inconscient begeeft Lacan zich als analyticus op het terrein van de linguistiek. de Saussure’s algoritme van het teken (beteke­naar als klankbeeld/het betekende als concept) gaat hij omsmeden vanuit het diacritische van de betekenaar, hij behandelt er de metafoor en de metonymie om ze vervolgens te betrekken op Freuds verschuiving en verdichting van de onbewuste denkprocessen, hij spreekt er over de diachronie en de synchronie van de taal met de capitone-

ringspunten, … elementen van de taal die meespelen bij het tot stand komen, het creëren van betekenis. In het tweede gedeelte van het atelier wordt deze taaltheorie aangebracht, waarvoor de respektievelijke medewerkers niet alleen zullen putten uit de psychoanalytische ervaring maar ook uit de literatuur en de literatuurwetenschappen, zodat het geen «dode letter» wordt.instance de la lettreblijkt in het parcours van Lacan de ontwikkeling van een eerste taaltheorie af te sluiten. Na en naast ‘Lacan van de betekenaar’ zal een ‘Lacan van het object’ naar voor komen met de pulsie of de drift, wat op zijn minst dient gesitueerd te worden.

TALIGPSY Logo

III. Tot slot van het atelier zullen de cruciale elementen van Lacans fameuze ‘graphe van het verlangen’ worden uit- en toegelicht. Ontwikkeld in zijn Ve en VIe seminarie, wordt de graphe in Subversion du sujet et dialectique du désir gecomprimeerd aangebracht. De graphe heeft twee niveaus: het ‘sujet de l’énoncé’ (dat wat gezegd wordt) en het ‘sujet de l’énonciation’ (de wijze waarop iets gezegd wordt). Op elk niveau tekent Lacan het symbolische en het imaginaire uit; de ruimte tussen de ‘énoncé’ en de ‘énoncia­tion’ laat plaats voor het verlangen; er is de ontmoeting met het verlangen van de Ander: Che vuoi? wat wilt gij?, een vraag die terugvalt op het subject en brengt tot bij zijn verlangen; het fantasma, het object a, de Jouissance, ze krijgen er elk hun plaats. De ‘graphe’ is een hoeksteen geworden van de hedendaagse psychoanalyse, en behandelt – niet ontwikkelingspsychologisch, maar struktureel – de wijze waarop het subject zich constitueert in de taal.

                                                       (G.L.)

 

 

Top

 

---

 

1999-2000

Fallus, fantasma en Naam-van-de-Vader.

In het vijfde seminarie Les formations de l’inconscient (1957-1958) introduceert Lacan de vaderlijke metafoor. De Naam-van-de-Vader wordt een sleutelbetekenaar in het denken van Lacan.

1. In de psychose ontbreekt met de forclusie van de Naam-van-de-Vader een basale betekenisverlening die niet zonder repercussie is voor het genot. De betekening (la signifiance) gaat wel van start in de fobie, waar de fobische Nachtmerriebetekenaar er in slaagt de angst te binden en een verdere bewerking mogelijk maakt. Het subject is gedetermineerd door zijn positie in de-taal, waarmee Lacan het onderscheid grondt tussen neurose en psychose.

Lacan bouwt voort op Freud en bedient zich hierbij van de structurele antropologie, op haar beurt mogelijk gemaakt door de opkomst van de linguïstiek. Terwijl de geïdealiseerde, imaginaire vader garant staat voor liefde, veiligheid en zekerheid, maar gebouwd is op zand (ofwel te streng, ofwel te slap, blijkt hij nooit te voldoen), is de symbolische (dode) vader grondend voor het subject, zijn identiteit en zijn verlangen. Vanuit de kliniek waarin de karakterstoornis met de perverse trek aan gewicht toenam, was verder duidelijk geworden dat bij «afwezigheid van de vader», het kind overgelaten werd aan de almacht of willekeur van een «onverzadigbare moeder». De symbolische vader installeert de wet in een metaforisering van wat het meest verdrongen is, m.n. het verlangen van de Moeder. Zie dan de drie tijden van de Oedipus, waarbij de geslotenheid van het (post-) Freudiaanse Oedipuscomplex wordt opengebroken, ‘l’empire du corps maternel’ van M. Klein doorstoken en de vroege moeder-kind-relatie in de lijn van M. Klein haar plaats krijgt.

In het atelier, worden deze drie tijden eerst gesitueerd aan de hand van een casus waarin het traumatisch Reële zijn tol eist. In Les Complexes Famillaux (1938) heeft Lacan de bakens uitgezet. Zo wordt de eerste helft van het atelier besteed aan de vaderfunctie, lectuur van de cruciale hoofdstukken uit het vijfde seminarie inbegrepen.

2. De vaderlijke metafoor wordt door Lacan onlosmakelijk verbonden met een ondervraging van het statuut van de fallus die hij onttrekt aan de biologie, als zou fallus = penis. ‘C’est en raison de leur extraordinaire embarras à donner un tel privilège à un organe particulier, que les auteurs en sont venus à ne plus en parler du tout, alors qu’il est quasiment dans toute l’analyse.’ (p.388) De fallus wordt een betekenaar waarmee het genitale plan onderscheiden wordt van het fallische (verlangen, tekort, angst, schuld, genot). De mens staat in een andere verhouding tot de (eigen) natuur als zou hij de immanente drager zijn van het leven. Wanneer iets belangrijk wordt in het leven en een persoonlijke betekenis krijgt, is de fallus geïmpliceerd.

3.  Deze inrichting brengt Lacan tot bij het fantasma waarvan Freud het prototype heeft opgetekend in Ein kind werd geschlagen. Zijn dochter Anna Freud blijkt één van de casussen te zijn waarop hij zich heeft gebaseerd. Het fantasma is geen vlucht uit de werkelijkheid. Gevat in een grammaticale structuur, opent de kastijdingfantasie (moreel masochisme) voor de Ander, appelleert tot een ex-isteren voorbij de spiegelrelaties. Dit zal Lacan nog verruimen om uit te komen bij het basisfantasma als het stramien voor de totaliteit van de perceptie en de beleving van het subject en zo ook van zijn acties. Het subject leeft in het fantasma, een boute uitspraak, die geïllustreerd wordt voor de hysterie en de dwangneurose.

4.  Lacan heeft vleugels gekregen. Het instinct met zijn voorstelling wordt omgesmeed in de dialectiek van vraag, behoefte en verlangen. De frustratie, dierbaar thema voor de objectrelatie, wordt één van de drie modaliteiten van het tekort.

De aandacht voor de Moeder neigt ertoe het onbewuste verlangen buiten spel te zetten. Tegen de stroming in, zet Lacan de puntjes op de i. Datzelfde vijfde seminarie bevat de eerste versie van de ‘graphe’, die een meesterlijke synthese zal worden van de afgelegde weg. In het atelier van dit jaar gaan we naar zijn fundamenten uit de kliniek.

Voor wie zich wil inwerken in het Freudiaans-Lacaniaanse veld.

                                                       (G.L.)

 

Top

 

---

 

2000-2001

Analytisch discours, fantasma en vrouwelijkheid.

Wanneer Tiresias, die zeven jaar vrouw was geweest, op vraag van Zeus en Hera verklapte dat een vrouw tien keer meer geniet van de liefde dan een man, sloeg Hera Tiresias met blindheid. Wilde Hera in een jaloerse opwelling het geheim van haar genot bewaren, de versluiering veilig stellen die het mateloze van haar lust, in vergelijking met de man, afboordt? Of treft ze Tiresias omdat hij het vrouwelijk genieten kwantitatief op één lijn plaatst met dat van een man?


In zijn XXe seminarie Encore wordt het vrouwelijke, in feite radicaal Ander genieten naar voor gebracht als derde modaliteit van het genot naast het fallische genieten (de fallus F als herinneringssymbool van het tekort) en het genot van de eerste of oorspronkelijke Ander, de Moeder. Met ‘D/e Vrouw’ als notatie, of de snedige uitspraak ‘D/e Vrouw bestaat niet’, heeft Lacan een beslissende stap gezet voor de psychoanalyse in een kwestie die van bij haar begin aan de orde was.

Als eerste heeft Freud het aangedurfd om zich voor de ontcijfering van de symptomen te oriënteren op het discours van zijn patiënten. Terwijl vrouwen de twee eerste decennia leidinggevend zijn geweest voor de ontwikkeling van de psychoanalyse, bleef het specifieke van de vrouw aan de theorie ontsnappen. Pas naar het einde toe, m.n. in zijn grote teksten van 1931 Over vrouwelijke seksualiteit en 1932 De vrouwelijkheid, wordt de onzekerheid verheven tot een axioma. In de weigering het ‘raadsel van de vrouw’ te willen oplossen, spreekt Freud over de vrouwwording. Hij ontdekt dat het meisje evenmin om het fallische heen kan, ook voor haar geldt het primaat van de fallus, al zal zij er zich anders tegenover situeren. Terwijl onder meer vanuit feministische hoek Freud een fallocentrisme wordt verweten, is hij juist voor de vrouw een uitzondering aan het maken. Maar hij raakt niet voorbij de mannelijke structuur van de hysterie, door Freud penisnijd genaamd. Dit is het punt waar Lacan de fakkel gaat overnemen.

In het vijfde seminarie heeft hij de vaderlijke metafoor en de fallus als betekenaar weten te destilleren vanuit de autonomie van het symbolische. Dit is behandeld in het atelier van vorig jaar. In Propos directifs pour un Congrès sur la sexualité féminine (1958) stelt hij vast dat de heftigheid van het debat over de fallische fase bij het meisje omgeslagen is in een stilzwijgen. Un Congrès sur la sexualité féminine n’est pas près de faire peser sur nous la menace du sort de Tirésias.’

Alsof angsten, remmingen en symptomen zouden te herleiden zijn tot affectieve tekortkomingen, hetzij door de repressie of afwezigheid van de vader, hetzij door een gebrekkige bemoedering.

Aan de hand van drie eminente teksten wordt in het atelier vooreerst de ‘status questionis’ opgemaakt.

 ( I ) S. Freud, College 33. De vrouwelijkheid [1932]. I. P. 3, Ned. Vert. Boom.

( II ) J. Quackelbeen, Met welk recht spreekt de analyticus over de liefde? Psychoanalytische Perspectieven, N° 23, 1994.

( III ) C. Soler, Qu’est-ce que l’inconscient sait des femmes. Psychoanalytische Perspectieven, N° 23, 1994.

In het XXe seminarie vindt Lacan in de mystiek waaronder Hadewich van Antwerpen een anker om het vrouwelijk genieten af te bakenen. Het ‘niet-gans fallisch’ verdeelt een vrouw tussen het mannelijk fallisch en dus betekend genieten, en het vrouwelijke dat aan de betekening ontsnapt [S(A/)]. In Feminine Masquerade van 1929 had Joan Rivière de deling reeds aan de orde gesteld.

J. Rivière, La féminité en tant que mascerade. In: M.C. Hamon, Féminité Mascerade. Seuil, 1974. Franse vertaling van Womanliness as a Mascerade. Int. J. of Psycho-anal., X, 1929.

Daarnaast bedient Lacan zich van de topologie en de wiskundige logica om het Reële van het genot te bevatten. (Cf. de ‘letter van de liefde’ op de frontpagina van de folder) En hij gaat uitvoerig in op de ethiek en filosofie van Aristoteles, in contrast met de Über-Ich moraal.

‘Je n’en veux rien savoir’ aan het begin van het seminarie geeft aan dat hetgeen hij zal behandelen het weten overstijgt, verschijnt als een tekort in het weten. Tegelijk kunnen we als ‘par-être’ – een kritiek op de zijnsfilosofie – niet om de ‘semblant’ heen. Lacan fixeert een opening door te wijzen op een werkzame onmogelijkheid, een wezenlijke dissymmetrie in de verhouding tussen man en vrouw, waarvan de gemiste kansen in het liefdeleven de aanwijzingen zijn. De onmogelijkheid creëert de opening voor een ont-moeting, voor poëzie. La jouissance de l’Autre, du corps de l’Autre qui le symbolise, n’est pas le signe de l’amour.’ Liefde die de ander in zijn of haar zijn viseert, c.q. zijnstekort, is een antwoord op die structurele onmogelijkheid: ‘encore, of ‘ne cesse pas de ne pas s’écrire’.

Verre van de vrouwelijkheid te miskennen of te devalueren, staat ze in het centrum van het psychoanalytisch dispositief. Naast de fallus blijkt de vrouwelijke uitzondering een scharnier te zijn in de overgang van lot en repetitiedwang naar een existeren. Freuds castratiecomplex dekt de angst voor het dodelijk exces van het originele genot af, Lacans onbevredigde Moeder, een figuur die telkens opduikt wanneer de vrouwelijkheid en het tekort in het symbolische zich aandienen als ondraaglijk.

De S(A/) wordt dan verder toegelicht en uitgewerkt vanuit het fallisch genot (en perversie) bij de man, en vanuit het genot in de hysterie.

(G.L.)

 

 

Top

 

---

 

2001-2002

Symbolisering en het seksuele onbewuste

Image34

De oordeelsfunctie kan pas werken doordat de schepping van het ontkenningssymbool het denken in staat heeft gesteld een eerste stap te zetten op weg naar onafhankelijkheid van de gevolgen der verdringing en dus ook van de dwang van het lustprincipe. (S. Freud, De ontkenning)1

Wanneer Lacan het symbolische introduceert als onafhankelijk van en extiem t.o.v. het imaginaire met de lichamelijkheid, is de subjectwording meteen dialectisch opgevat.

Lacan heeft het over de dialectiek van het spreken, over de betekenaar die het subject representeert voor een andere betekenaar, over de scandering van het verlangen in het spreken, een ontwikkeling die rond ‘70 zijn neerslag vindt in de discourstheorie. Dat hij hierbij vertrokken is van het werk van Hegel en meer speciaal het onderwijs van Kojève over diens Phänomenologie des Geistes, is bekend.

Het plan om met Kojève een boek te schrijven over Freud en Hegel, is bij een ontwerp gebleven. De idee heeft doorgang gevonden in de terugkeer naar Freud. In zijn kritiek op de egopsychologie heeft Lacan overvloedig aangetoond dat ze blijft steken in een meester slaaf dialectiek. Het commentaar door de franse Hegel specialist J. Hyppolite van Freud’s artikel over de ontkenning, met de inleiding en het antwoord van Lacan, behandelt het hart van de symbolisering.1 Volgens J. Kristeva, door niemand totnogtoe geëvenaard. De studie van deze teksten vormt het eerste deel van het atelier.

Geïnspireerd door het werk van Hegel, treft Lacan evenzeer de analytische psychologie die maar niet uit het Aristotelische denkkader raakt met opposities als lichaam en ziel, affectief en intellectueel, drift en rede. Een zijnsleer wil de essentie vatten, het (hoogste) Goede staat gelijk met de optimale zelfverwerkelijking, de zijnsvoltooiing. Het zich goed voelen – zo wordt het lustprincipe geïnterpreteerd – is de aanwijzing dat men in de goede richting zit. Lacans onbeschaamdheid (impudence) veroorzaakte in psychoanalytische kringen een ware schokgolf. Alsof hij alles wat te maken heeft met seksualiteit, lichamelijkheid, drift en affect, naar de ‘prullenmand’ zou hebben verwezen. Het debat maakt duidelijk dat Lacan de fundamenten raakt van de psychoanalytische ervaring. Het subject is een gedeeld subject. Het seminarie Encore kan gelezen worden als zijn antwoord op de eeuwenoude impasse: de zijnsgrond van het ‘wezen van de betekening’ ligt in de Jouissance.

In het verdere gedeelte van het atelier zullen we ons exemplarisch oriënteren in dit debat dat deel is van de geschiedenis van het onbewuste en waarvan de draagwijdte elke dag opnieuw aan de orde komt in de spreekkamer.

Het onderzoek van de verbinding (la jonction) van het symbolische met het imaginaire register dwingt Lacan te onderkennen dat iets van het imaginaire aan het symbolische ontsnapt. Niet alles van wat er zich aandient vanuit het lichaam en het lichaamsbeeld is in het woord te brengen.

Freud sprak vrij vroeg reeds van een organische verdringing, die later de oerverdringing werd met de terugkeer van het verdrongene als de wortel van de infantiele driften. Het partiële en perverse (lees subversieve) karakter van deze laatste noodzaakte hem zijn aanvankelijk homeostatisch lustprincipe verder uit te werken, Jenzeits, waar hij op de repetitiedwang stootte alsook op een wreed en obsceen Über-Ich. In de seksualiteitsbeleving lijkt er wel iets te zijn dat een harmonische wederkerige verhouding tussen man en vrouw onmogelijk maakt en zijn wortels heeft in het driftleven. De maatschappelijke of opvoedkundige onderdrukking is een effect hiervan, niet omgekeerd. Freud’s antwoord blijft echter steken bij het ‘castratiecomplex’.

Dit vraagstuk uit de kliniek gaan we in het tweede gedeelte van het atelier opnemen aan de hand van drie teksten van Freud die hij samengebracht heeft onder de noemer: Beitragen zur Psychologie des Liebeslebens.

De kwestie van de lust en zijn Jenzeits, gaat Lacan hernemen met het reële als derde register. Dit zal leiden tot een hele ommekeer in zijn denken, net zoals men een handschoen binnenste buiten keert. Ce n'est pas à sa conscience que le sujet est condamné, c'est à son corps.’³. De destitutie van het subject. Hiertoe gaat hij verder zijn concepten ontwikkelen, waaronder de Jouissance, homoloog maar niet wederkerig zo stelt hij, met het fallisch genieten. Vorig jaar hebben we dit benaderd langs de weg van de vrouwelijkheid en het niet gans fallisch vrouwelijk genieten. In het derde gedeelte van het atelier nemen we dit jaar de ethiek van de psychoanalyse als invalshoek, seminarie waarin Lacan zijn object a aan het smeden is door het te demarqueren van het Ding (Freud, Kant). De fantasieën van De Sade demonstreren dat het subject in zijn streven naar een onbeperkt genot op een limiet stuit, niettegenstaande hij of zij in totale vrijheid elke wet hardnekkig voor verbeurd verklaart. De Sades waarheid maakt Lacan tot de kern van Kant’s plichtsethiek, du sollst. Freud’s incestverbod (de moeder is verboden) is een onmogelijkheid die het ongedetermineerde als oorzaak introduceert (tuchè naast automaton), voorbij de goede bedoelingen, de welwillendheid of ‘er zich goed bij voelen’.

En wat leert ons Antigone aangaande het verlangen?

Dit alles om te laten oplichten dat niets niet zonder meer niets is, maar een grenslijn, le vide n’est pas le rien, die het reële herbergt en op afstand houdt. (G.L.)

 

1 S. Freud, Die Verneinung (1925) S.A. Bd. III, pp. 373-377. Ned. Vert.: De ontkenning, P.T. 3, pp. 117-122.

² Inleiding, commentaar en antwoord uit het eerste seminarie werden opgenomen in J. Lacan, Ecrits, 1966, pp. 369-380, 879-887, 381-399.

A. Kojève, Introduction à la lecture de Hegel. Tel Gaillimard, 1947. En guise d’introduction, pp. 11-34.

³ Geciteerd in: P. Verhaeghe, Subject and body. Lacan's struggle with the Real. The Letter. Lacanian Perspectives on Psychoanalysis. Dublin, Autumn 1999, N° 17, pp. 79-119.

 

 

Top

 

---

 

2002-2003

Ethiek van de psychoanalyse

Freud met Lacan

Juist in verband met de overdrachtsliefde schrijft Freud ‘dat de psychoanalytische behandeling op waarachtigheid is gebaseerd. Hierin schuilt een flink deel van haar opvoedende werking en ethische waarde. Het is gevaarlijk dit fundament te verlaten.’ Dit stellen op het vlak van de liefde waar de misleiding van de eigenliefde met de passie, de fascinatie of de verleiding zo gemakkelijk de bovenhand neemt, accentueert het gewicht van zijn standpunt. Paradoxaal, maar even ethisch voegt hij eraan toe dat niets ons toelaat deze liefde niet als “echte” liefde te beschouwen.

Ethiek%20Combinatie

Lacan heeft het aangedurfd, niet zonder vrees zei hij zelf, een volledig seminarie te wijden aan de ethiek van de psychoanalyse. Hij stelde vast dat tot dan toe niemand de ethiek had behandeld, niettegenstaande de psychoanalyse baadt in problemen die te maken hebben met wat Hesnard l’Univers morbide de la faute had genoemd. Het gaat niet enkel om de sociale sanctionering of een gevoel van verplichting die uitgaat van één of ander vertolkte wet. Bij de mens is er een tendens om zijn handelen af te stemmen op het goede dat hij appelleert, wat leidt tot de installatie van een ideaal dat zijn gedrag zal richten. Maar dit heeft zijn keerzijde, die ondermeer ook door Nietsche is opgemerkt, Voorbij goed en kwaad, en in de psychoanalyse het gezicht zal krijgen van een wreed en obsceen Über-Ich. – “Geniet!” als een categorische imperatief. (Kant met de Sade)

Het is geenszins zo dat de psychoanalyse het gevoel van verplichting naar de achtergrond zou dringen, de angst en de schuld gaat verzachten tot opheffen vanuit de idee het verlangen te bevrijden. Dat is de psychotherapeutische fictie. Eens het subject toegang heeft gekregen tot het weefsel van betekenaars dat daarmee gedecanteerd wordt, een cathartisch effect heeft, zag Freud zich genoodzaakt zijn eenvoudig lustprincipe te herzien en Jenseitz ontdekte hij de duistere doodspulsie. De partiële en polymorf perverse (infantiele) driften die zich aandienen in de symptomen dienen zich ook aan in de repetitiedwang. Ce n’est pas à sa conscience que le sujet est condamné, c’est à son corps qui résiste de bien des façons à réaliser la division du sujet.’ [Autres écrits, p. 206]

…de bien des façons. Eens zo ver, komt Freud tot de ontdekking van een ‘onbewust schuldgevoel’ dat bovendien en zeer merkwaardig iets aantrekkelijks heeft. Freud gaat spreken over een behoefte aan straf, en verder over een primair masochisme voorbij en genesteld binnenin het morele masochisme. Dit betekent dat hij voorbij de schuld is aanbeland die hij in zijn zelf gecreëerde mythe gekoppeld had aan de vadermoord. Ter herinnering: in de mythische overgang van natuur naar cultuur, van oerhorde naar oprichting van de totem die precies vanuit het schuldgevoel sacraal wordt, wordt het universele incestverbod en het gebod op exogamie geïnstalleerd. Maar van waar dit schuldgevoel?

De wet uit Totem en taboe heeft niets van doen met een sociale noodzaak, alsof het zou gaan om een soort afspraak van mekaars vrouwen met rust te laten en elkaar niet te vermoorden. Cultuur is niet te verwarren met maatschappij. Het primair masochisme wijst in de richting van een transformatie of metamorfose op het niveau van de

driftbevrediging, op het plan van de pulsie dus, want die is onverwoestbaar. Het is in die context dat de Jouissance bij Lacan een concept wordt, een Jouissance die iets toxisch heeft en dwars staat op de lust.

Voorbij de idealiserende identificatie

De ethiek van Aristoteles is nog steeds toonaangevend in de gangbare waarden in onze cultuur. Het subject stelt zich ten dienste van het goede, het Soevereine Goede. Dit geldt ook voor de waarden en idealen die naar voor werden gebracht als uitkomst van de analyse. Lacan noemt er drie op. 1) De idee van een voltooide psychoseksuele ontwikkeling met het genitale karakter. Inmiddels is het objectconstantie geworden. 2) De authenticiteit, die behandeld wordt binnen een naïeve oppositie van schijn en zijn. 3) De profylaxis van de afhankelijkheid die dwars staat op de ascese bij Freud: ‘Wo Es war, soll Ich werden’. Lacaniaans: ‘Le sujet est appelé à lex‑istence.’ Wars van elke ontologie of zijnsleer, wijst Lacan op de deling en aankomst van het subject.Eens Lacan zijn concepten ontwikkeld heeft en aan het opnemen is in de ‘graphe van het verlangen’, ziet hij zich genoodzaakt een ethiek te formuleren voor de psychoanalyse als een scheermes van Ockham voor de moraliserende idealen die besloten liggen in de ‘dienst van het goede’. De polariteit en oppositie vindt hij terug in de tragedie van Sophocles met Creon die de gemeenschap vertegenwoordigt en Antigone die, ‘entre-les-deux-mortsCreons wet trotseert. ‘Ik ben reeds dood’, zegt ze aan Ismène, terwijl ze er staat in heel haar schoonheid. Een triomf van het Sein-zum-Tote waarin de schoonheid zijn functie heeft.

Ethiek van de psychoanalyse

In de laatste drie hoofdstukken gaat hij over naar de ethiek van de psychoanalyse. De psychoanalytische ervaring leert dat de schuld nauwelijks te verzachten, te temperen noch terug te dringen is. Ze krijgt het karakter van een onontkoombaar lot. Klinisch is dit heel herkenbaar. Het vormt ook een obstakel voor het beëindigen van de kuur. [Jones, Fear, guilt and hate. Int. J. Psychoanal., 1929] ‘Beter ware het niet geboren te zijn’, verzucht Oedipus nadat hij zich de ogen uitgestoken had en in ballingschap is gaan leven. Lacan laat duidelijk verstaan dat deze doorgang de psychoanalyse maakt tot een niet eerder uitgegeven, singuliere ervaring voor het subject.

Als er geen ‘Soeverein Goede’ is dat de lust garandeert, heeft het subject de kwestie van het genot op zich te nemen. Het Onbehagen in de Cultuur [Freud, 1922] die door psychoanalytici beschouwd werd als een filosofische nabeschouwing is hier essentieel. Langs de andere kant geeft l’Univers morbide de la faute aan dat er een oordeel wordt geveld over de relatie van de handeling tot het verlangen, een Laatste Oordeel. Dit biedt een fundament voor de ethiek. Het morbide demonstreert, bewijst, argumenteert dat er zowel een boekhouding wordt bijgehouden als dat er een prijs te betalen is, wil het subject toegang krijgen tot zijn verlangen.

Het Ding uit Freuds Ontwerp, het onbekende waar M. Klein het mythische moederlichaam had neergezet, en het object a, gepuurd uit het transitioneel object van Winnicott, vormen het scharnier. Het is de lust die de Jouissance tempert of bedaart, niet de identificatie met de analyticus. Zo komt Lacan tot de uitspraak die nooit eerder werd geformuleerd in de geschiedenis van de morele reflectie. La seule chose dont on puisse être coupable, c’est d’avoir cédé sur son désir.’

Dit staat haaks op het actuele streven naar welzijn voor iedereen, waarbij de verdeling van het goede een politieke zaak is geworden waarvoor leiders zich te pletter werken. De vloedgolf aan psychotherapieën en medicijnen dient het reële af te dekken.

(G.L.)

 

Top

 

---

 

2003-2004

Het verlangen en zijn interpretatie.

Een studie van de ‘graphe van het verlangen’:
Lacan
interpreteert een casus van Ella Sharpe.

Atelier%20graphe%20web

 

 

 

Een andere topologie is nodig opdat we ons niet zouden vergissen aangaande de plaats van het verlangen.

(Jacques Lacan, Écrits, p.601)

 

 

 

Lacan’s schema’s krijgen slechts hun betekenis vanuit het commentaar en wat hij er mee doet. Dit geldt ook voor de ‘graphe van het verlangen’ die we in het atelier gaan bestuderen aan de hand van Lacan’s lezing van een zeer heldere en gedetailleerd uitgewerkte casus van Ella Sharpe.

Deze schema’s zijn topologisch. Zij tekenen de ankerpunten uit waarnaar het verlangen zich oriënteert en bakenen een domein af waarbinnen dat verlangen zijn waarheid tegelijk verdringt en zoekt. Dit maakt dat de waarheid van het subject niet kan gesanctioneerd worden met een ja of een neen, laat staan illusie of realiteit. De waarheid ontvouwt zich, licht op in een discours dat van de orde is van de ‘semblant’.

De ‘graphe van het verlangen’, een fundament voor de psychoanalyse, werd voor het eerst naar voor gebracht in de loop van het vijfde seminarie. Zijn definitieve vorm vinden we in de Écrits !1966), meer speciaal in de tekst ‘Subversion du sujet et dialectique du désir’. In de ‘graphe’ wordt uitgezet hoe het (lacaniaanse) subject zich constitueert in de taal, zich als verlangend subject of als spreekwezen verhoudt tot de betekenaar en de symbolische orde. Alle belangrijke concepten die Lacan tot dan toe ontwikkeld heeft zijn er in opgenomen.

Cruciaal in de ‘graphe’ is dat er met het onderscheid tussen het ‘subject van de uitspraak’ en het ‘subject dat zich uitspreekt’, twee verdiepingen ontstaan. Het onderscheid heeft Lacan ontleend aan Jakobson. Aldus wordt er een ruimte gecreëerd, op vier punten verankerd, waarbinnen het verlangen zich een weg baant. Vergeten we niet dat het verlangen incompatibel is, niet te herleiden is tot het woord. Het vormt een gaping of een gat in de betekenisverlening die daarmee nooit af is. Zeggen is steeds een ‘half zeggen’ [mi-dire]. Lacan sluit aan bij wat Freud geschreven heeft met betrekking tot ‘de navel van de droom’, de plaats waar de droom ‘vastzit aan het onbekende’: op deze dichtere plaats in de netvormige verstrengeling van onze gedachtewereld ‘rijst dan de droomwens op als de paddestoel uit het mycelium.’

Het boek Dream Analysis (1935) van Ella Sharpe, ‘une des meilleures analystes, une des plus intuitives et pénétrantes qui ait existé’ zegt Lacan, is een praktische handleiding geschreven voor de collega’s. In de analytische zitting worden dromen niet meer ‘afgepeld’ zoals Freud dit voorgesteld heeft in zijn meesterwerk. (*) Droom en droommededeling maken deel uit van het analytische discours in zijn geheel. Ze houden een boodschap in die op de eerste plaats gericht is tot de analyticus. Dit illustreert Ella Sharpe in het Ve hoofdstuk met de gevalsstudie die Lacan in het VIe seminarie van 1958-1959 Le désir et son interprétation (les VIII tot les XII) gaat commentariëren.

Als advocaat wordt de analysant in zijn werk ernstig gehinderd omdat hij niet kan pleiten, vanuit de vrees al te succesvol te zijn. Ella Sharpe onderzoekt een keerpunt in deze analyse waarin de man in een soort steriliseren van de zittingen alles zegt wat hij denkt maar nooit wat hij voelt. Geen haar op het hoofd van Ella Sharpe noch van Lacan dat eraan denkt om de man te vragen wat hij voelt. Wat Ella Sharpe aangeeft expliciteert Lacan door er op te wijzen dat het affect gekoppeld ligt aan de positie van het subject ten overstaan van het zijn (l’être). De analysant is op zijn hoede, en de vraag is, waarvoor? Meteen krijgen we een idee over de richting van de psychoanalytische behandeling.

De gevalsstudie wordt door Ella Sharpe uitgewerkt en voorgesteld als een voorbeeld van een vruchtbare en bevredigende interpretatie, ondanks enkele verrassende effecten. Lacan zal de casus kritisch lezen met de vraag of de intersubjectieve topologie die hij in de loop van zijn seminaries ontwikkeld heeft, ons niet beter kunnen oriënteren. ‘…quelle sorte de pas supplémentaire est à faire sur la position ordinaire de l’analyste pour apprécier ce qu’il en est spécialement dans ce cas.’

Uitwijdingen en toelichtingen laten ons toe het spoor van Ella Sharpe enerzijds, dat van Lacan anderzijds op de voet te volgen. Zo komt Lacan er toe de fallus en wat hij eronder verstaat [de fallus wordt onderscheiden van het mannelijke geslachtsorgaan; wordt ontdubbeld in ‘hebben’ en ‘zijn’], in deze casus precies te situeren. Meteen wordt de overdracht helder. Ella Sharpe begint haar gevalsstudie waar de analysant vooraleer de spreekkamer binnen te gaan, eventjes moest hoesten en zich afvraagt wat dit te betekenen heeft. Het materiaal van de casus centreert zich op het fantasma dat Lacan ingeschreven heeft op het tweede niveau van zijn ‘graphe’.

(G.L.)

 

(*) ‘Traumdeutung’ is door Lacan vertaald met ‘la signifiance du rêve’. Het gaat om een betekening. Zie ook de voetnoot die Freud in 1925 aan ‘De Droomduiding’ heeft toegevoegd. (Ned. Vert., PD 2/3, p. 588)

 

Top

 

---

2004-2005

Het begint met liefde.
Lacan over de overdracht

Lacan zegt zelf gewacht te hebben tot het VIIIe seminarie om ‘Le transfert’ (1960-1961) te behandelen als de kern van de psychoanalytische ervaring. Het seminarie is een kapitale meander geworden in het parcours waardoorheen hij de overdracht radicaal herdenkt, de puntjes op de i heeft gezet. La cellule analytique (…) n’est rien de moins qu’un lit d’amour.(SVIII, p.24) Is de psychoanalyse niet ontstaan uit de ‘vonk’ die insloeg tussen Anna O. en Breuer, en die Breuer, samen met Freud, op het spoor van het (onbewuste) verlangen bracht? Maakt die ‘vonk’ niet dat het ‘klikt’ tussen analysant en analyticus, dat er plaats is voor wantrouwen of om een strijd aan te gaan? Die vonk is de kern van de overdracht, en bevat in een notendop alles waar het in een kuur om draait: verlangen, zijnstekort, fantasma ... Merkwaardig toch dat de overdracht de meest opaak gebleven notie van de psychoanalyse is.

De waaier van de overdrachtstheorieën1 wijzen op een centraal probleem, zo stelde Lacan nog in 1958. Ze blijven aanleunen bij de discutabele opvatting van de overdracht als ‘de reeks of de som van de positieve en negatieve gevoelens t.o.v. de therapeut’ (Écrits, p. 602-603). Vanuit zijn intersubjectieve topologie, uitgezet in de ‘graphe’ (SVI, Le désir et son interprétation), zet Lacan zich af tegen de opvatting van de analytische relatie als een intermenselijke relatie juist omdat deze met de overdracht wordt opengebroken. Zo ook de tegenoverdracht, een oneigenlijk concept om de vraag hoe de analyticus geïmpliceerd is in de overdracht te behandelen. De overdracht is dan ook geen illusie, geen heruitgave van vroegere objectkeuzes, net zo min als de analyticus binnen de analytische situatie zou fungeren als maatstaf voor de realiteit.

De eerste helft van zijn seminarie over Le transfert leest en interpreteert Lacan Plato’s grappige, speelse, maar ronduit monumentale tekst over de liefde, Het Symposium.

Nog niet bekomen van de kater van de vorige nacht, beslist het ‘Symposium’-gezelschap wat minder te drinken en elk om beurt een lofrede uit te spreken over de liefde. Onder hen, Socrates, die beweert helemaal niets te weten, behalve over de liefde. De climax wordt voorbereid wanneer Socrates aan de beurt komt en in antwoord op Agathon, zijn geliefde, vertelt wat hij geleerd heeft van Diotima. Wat men altijd als een grappige ‘coda’ gezien heeft, is voor Lacan hoogtepunt en kern van Het Symposium. Onverwacht komt aan het einde van het verhaal, de stomdronken Alcibiades binnenvallen, op dat moment Athene’s succesgeneraal en enkele jaren terug nog Socrates’ (pederaste) liefje. De dubieuze lofrede op Socrates die dan uit Alcibiades dronken, maar eloquente mond rolt, bevat, zo legt Lacan uit, de kern van de overdracht. Een moderne analyticus/therapeut/hulpverlener heeft hier van de antieke Socrates nog alles te leren.

In zijn commentaar toont Lacan minutieus aan hoe Plato met deze dialoog het spel uittekent van een minnaar (έραστής, érastès) die niet weet wat hij mankeert, en een geliefde (έρώμενος, érômenos) die niet weet wat hij heeft. Alleen maar onwetendheid? Of de ‘inscience’ (Lacan smeedt een nieuwe term) van het (onbewuste) weten eens het zich heeft geconstitueerd? La sous-jacence de l’inscience, où déjà se situe, dans une antériorité voilée, la dignité de l’érôménos pour chacun des partenaires, c’est là qu’est tout le mystère de la signification d’amour que prend la révélation de leur désir.(SVIII, p.191)

In Het Symposium laat Plato de functie van de liefde oplichten waarzonder de liefde-haat effecten in de psychoanalyse (de overdrachtsfenomenen) onbegrijpelijk zijn, en die al bij al het meest diepgaande, het meest radicale, het meest mysterieuze is van de band tussen menselijke subjecten.

Freud heeft zich in dienst gesteld van die geduchte kleine god, om er net zoals Socrates gebruik van te maken. Maar precies met dit laatste beginnen de problemen: het domein van Eros reikt oneindig veel verder dan wat gevat kan worden “in dienst van het Goede”.

Als cultureel antropoloog gaat Prof. René Devisch dit uitwerken met de hekserij in Midden-Afrika.

 

                                          (G.L. en M.D.)

_____________________________

1 Lacan commentarieert de goed gedocumenteerde studie van Daniël Lagache, Le problème du transfert. Rev. franç. Psychan., XVI, 1952.

In haar studie The development of transference (The P.Q., XIX, n° 4, oct. 1950) noteerde Ida Malcapine dat een ware kritiek op deze voor de psychoanalyse fundamentele notie ontbreekt.

 

 

Top

---

 

2005-2006

Fantasme, verlangen en genot

 

De vragen omtrent het fantasma, genot en verlangen dienen we te behandelen in hun relatie tot het subversieve van het onbewuste. Daarom wil ik vooraf het thema plaatsen binnen Lacans invalshoek van de psychoanalyse.

1. Van de psychoanalyse heeft Lacan een dialectische ervaring gemaakt waarin de waarheid centraal komt te staan. ‘Het subject komt tot stand in een discours dat enkel door de aanwezigheid van de analyticus, vóór elke interventie, de dimensie krijgt van dialoog.’ [Écrits, p. 216] Zijn referentie naar de taal, zo stelde hij, is de vrucht van de enige onvoorzichtigheid (la seule imprudence): van op niets anders te vertrouwen dan de ervaring van het subject die de unieke materie is van het analytisch werk.’ [Écrits, p. 67]

In Fonction et champ de la parole et du langage (1953) krijgt de taal meteen een creatieve functie toebedeeld. ‘La fonction du langage (dans la parole) n’est pas d’informer mais d’évoquer’. [Écrits, p. 299] Er Duchamp Fontainewordt iets opgeroepen zonder dat het als zodanig gezegd wordt. Neem een geestigheid. Of poëzie.

Het is de verantwoordelijkheid van de analyticus om het spreken te onderhouden als een act die het subject engageert. Vanuit het appel van het subject op het zijn (l’être du sujet), brengt de analytische ervaring het spreken tot in het veld van de act, de spreekact (énonciation). De moeilijkheden hierbij zijn deze die iemand net in analyse hebben gebracht: remming, symptoom en angst. Zo kon Lacan de plaats van het verlangen als de terugkeer van het verdrongene (Freud) – het verlangen als verlangen van de Ander (Lacan) – in de psychoanalyse en in het spoor van Freud strakker aanhalen.

Waarheid kan nooit in zijn geheel gezegd worden. Spreken is steeds een half-spreken (mi-dire). Daarom is de psychoanalyse vooral gekend omwille van zijn waarheidseffecten. Bewustwording is een Tekstvak: Fontein
Duchamp
schrale aanduiding hiervan. « Ce n’est pas à la conscience que le sujet est condamné », antwoordde Lacan aan de studenten filosofie, « c’est à son corps qui résiste de bien des façons à réaliser la division du sujet. » [Autres Écrits, p.206] De psychoanalyse kan niet tot een dialectiek van de waarheid worden herleidt, zoniet blijft ze hangen in het domein van de zin en de betekenisverlening.

2. In La direction de la cure et les principes de son pouvoir van 1958 wijst Lacan op de incompatibiliteit van het verlangen en het woord. Een duur woord om te zeggen dat ze niet te synthetiseren zijn. Hoezeer iemand in de neurose wil weten wat hij verlangt, het verlangen is niet te noemen. Het verlangen licht op in en doorheen het spel van de betekenaars (niet langer eenduidig) die gearticuleerd, gescandeerd worden in de vraag. Vergelijk met Freuds Droomduiding. Nadat Lacan de mogelijkheden van de taal om zo te zeggen heeft uitgeput, verschijnt er een limiet aan de machten van het woord.

Hij zal hierop verschillende antwoorden formuleren, uitdiepend wat er zich aandient vanuit de psychoanalytische ervaring: (…) à son corps qui résiste de bien des façons

Ter situering geef ik hier enkel het eerste en het laatste station aan van dit parcours.

In eerste instantie leunde hij aan bij Freud om deze limiet bij middel van de fallus en het castratiecomplex te kunnen vatten. Het nodale punt is de vraag van de Ander c.q. de Moeder. Haar vraag dekt haar verlangen en dus ook haar tekort af die verwijzen naar de Vader. Kwestie blijft evenwel de vrouwwording: « Un Congrès sur la sexualité féminine n’est pas près de faire peser sur nous la menace du sort de Tirésias » schrijft Lacan in 1958. [Écrits, p.728] Er is de vrouwelijke uitzondering (l’exception féminine).

Deze laatste doet zijn intrede in het XXe seminarie Encore (1972-1973) waarin hij de verhouding van de betekenaar en de jouissance nogmaals herschikt. In zijn colleges heeft J.-A. Miller dit gelezen als de aanzet van ‘Lacans laatste onderwijs’. De ware traumatische kern is de verhouding tot de taal. De wijze waarop James Joyce in zijn literair oeuvre knutselt met de taal maakt dit duidelijk. De draagwijdte voor de behandeling van de psychose en voor de eigentijdse kliniek met tal van subjecten bij wie het genot – te veel of te weinig – los is komen te staan van het gesubjectiveerde verlangen (eetstoornissen, verslaving, depressie, passages à l'acte, uitzinnige liefdes) zijn psychoanalytici volop aan het onderzoeken. De limiet aan de dialectiek van de waarheid kan niet uitsluitend gedacht worden in termen van de fallische wet en de castratie. Freuds bevinding vanuit de neurose is door Lacan vanuit de psychose verder uitgediept.

3. Zonder Lacans parcours te moeten schetsen of doorlopen, kunnen we in het atelier deze limiet aftasten en benaderen vanuit de vraag wat de inzet is van dit traject bij Lacan. Trouw blijvend aan het symptoom ‘dat het ware spoor is van de kliniek’ [Écrits, p. 66] en in zijn continue bevraging, zo niet expliciet dan wel impliciet, van de overdracht, merken we dat Lacan inzoomt op het fantasma. Wat is dat beeld dat als een vreemd lichaam (Fremdkörper) in het hart van het onbewuste zijn intrek heeft genomen? Welke functie heeft het als het verplicht ‘om altijd opnieuw op dezelfde miezerige wijze te genieten, om altijd opnieuw in dezelfde miezerige realiteiten verzeild te geraken’ zoals L. Jonckheere schrijft. De nieuwe wijkagent vroeg me waarom sommige mensen in hun leven op een soort carrousel lijken te zitten. Ze hebben er maar af te stappen en ze doen het niet. Psychotherapeuten, Freud rond 1920 als eerste, merken dat een behandeling die tot dan toe goed verlopen is, niet kan afgesloten worden. Iets blijft haperen. Het noodzaakte Freud om de Oedipus een nieuwe invulling te geven en het bracht hem tot bij het gedeeld subject.

 

                                                                                                                  (G.L.)

 

Programma

Als handboek voor onze studie nemen we Het seksuele fantasma voorbij. Zeven psychoanalytische gevalsstudies (Acco, 2003) van Lieven Jonckheere. Het fantasma vergelijkt de auteur met een tang die de jouissance (het genot) in een ijzeren greep houdt. Dan stelt zich de vraag wat Lacans hapax: ‘traversering van het fantasma’ betekent? De gevalsstudies bieden het levendige materiaal. De wijze waarop Lieven Jonckheere ze brengt laten de impact en de draagwijdte van de wederwaardigheden van het seksuele fantasma voor het subject waarlijk proeven. Hij neemt zijn lezer mee in de wereld van Anna Freud en Kleine Hans, Van Leopold von Sacher-Masoch die zijn naam uitgeleend heeft aan het masochisme en van de nog niet zo lang overleden Luikse psychoanalyticus Serge André. Het boek bevat een vrij uitgebreide en boeiende studie van het kunstoeuvre van Marcel Duchamp die langs deze weg zijn fantasme heeft getraverseerd.

Deze studie zal ons toelaten om in te gaan op de concepten en de coördinaten van Lacans invalshoek in de psychoanalyse, om de vragen te stellen die oprijzen, om toelichtingen te geven, om interpretaties naast elkaar te leggen, zodat de deelnemers zich een eigen idee kunnen vormen van dit boek. Diegene die enigszins vertrouwd zijn met het denken van Lacan kunnen hun begrip verder uitdiepen en toetsen. Voor nieuwe deelnemers kan de lectuur en het commentaar een inleiding worden die een nog onbekende of weinig bekende wereld opent.

 

 

Top

 

---

2006-2007

Het gezin, zijn banden

 

Clint Eastwood  Bij de studie van ‘Het seksuele fantasme voorbij’’ (Lieven Jonckheere) zijn we vorig jaar uitgekomen bij het paradoxale van dit voorbij. Immers, er is geen voorbij zoals het gras groener zou zijn aan de andere kant van de heuvel. Met het onderscheid tussen het imaginaire en het symbolische had Lacan net als Mozes de zee in tweeën gedeeld. Dit onderscheid moest antwoord bieden op de vraag wat maakt dat de talking cure werkt. Lacan ondervraagt de werkzaamheid van het symbolische, aanleunend bij de linguistic turn en het opkomende structuralisme (L’efficacité symbolique) als antwoord en kritiek op de weerstandsanalyse en de analyse van de defensies. In 1960 kwam hij uit op de limiet van het woord en de betekenisverlening. Het subject als effect van de betekenaar, wordt gedragen door de taal maar is er niet in opgenomen. Al naargelang de periode spreekt Lacan over de fading, de eclips of de destitutie van het subject. 1°) De fading als de onderwerping van het subject aan de betekenaar. 2°) De eclips. Naast de aliënatie maakt de separatie zijn intrede. Tussen het gesproken woord en het (onbewuste) verlangen is geen synthese mogelijk. Zowel langs de kant van het subject als langs de kant van de Ander is er een gebrek aan zijn. 3°) De destitutie van het subject met de articulatie van de jouis-sens en de ontwikkeling van de discourstheorie. Uit de psychoanalytische ervaring blijkt de autonomie (van het Ik) uiterst problematisch te zijn. Vandaar, het on-bewuste als onmogelijkheid. Hoe ver men er ook in afdaalt, altijd is er iets dat ontsnapt, steeds is er dat wijkende punt van het niet gedetermineerd zijn. Automaton en tuchè. Het toeval, het gebeurlijke, wat niet te voorzien is, participeert in de noodzaak van het automaton. Dit is precies de particulariteit van elk subject.

  Dit particuliere heeft niets van doen met vrijheid. Het is een kwestie van toestemmen (consentement). Alleen de psychoticus is vrij doordat hij gedesabonneerd is op het onbewuste. Het gaat evenmin om het respect of de menselijke waardigheid die berusten op het universaliteitsbeginsel. Met die voortschrijdende articulatie wordt de Ander als plaats van de betekenaar en de code onvolledig en daarmee inconsistent. De garant valt weg, er verschijnt een gat in de Ander, we noteren A/     .. Nog later zal Lacan het primaat zelf van het symbolische laten varen. Er is geen Ander van de Ander, er is geen discours buiten de semblant om. Het on-bewuste werkt in functie van het genot, om er een zin aan te geven, de jouis-sens te produceren, doch strandt op de sens-jouis, de dode en dodelijke letter waar het subject telkens opnieuw op terugvalt. Het reële komt altijd op dezelfde plaats terug.

Hilary Swank  In de jaren 50 stond de betekenisverlening in dienst van de erkenning van het verlangen. Het spoor van Hegel was onmiskenbaar. Van waar die breuklijn bij Lacan? Is dit niet analoog aan Freud? Opnieuw kunnen we aansluiten bij vorig jaar. Op het tekort in het symbolische antwoordt het subject met zijn genot dat in eerste instantie gevangen wordt in de burcht van het fantasme. In het kielzog hiervan vinden we de herhalingsdwang, de carrousel waar men niet van afstapt, altijd weer datzelfde miezerige genieten, schrijft Lieven Jonckheere. Doch onder overdracht en vlottend gehouden door de interpretatie en de analytische act, komen analysant en analyticus nachträglich de betekenaars op het spoor waarop de pulsie en het verlangen gericht zijn, gefixeerd waren. Moment van waarheid! Doch waarheid is ‘aletheia’ (Heidegger), ze licht op om opnieuw te verdwijnen. ‘Dat weet ik nu, maar daarmee verandert het niet.’ Op dit punt aangekomen spreekt Freud van Durcharbeiten. Lacan vertaalt: ‘travailler le transfert’. Dit hebben we verder te onderzoeken. Uit de kliniek blijkt dat het subject met zijn insisterende betekenaars vat wil krijgen op datgene wat hem ontsnapt, de betekenaarsketen werkt als een fuik. Dit zet het subject op weg naar het object oorzaak van zijn verlangen, dat wat ontsnapt, het afvalobject, de slak in de as, het residu. Onderweg wordt in de analyse het fantasme geconstrueerd, het fantasme dat de drager is van het verlangen. Verbannen door de taal, leeft het subject op in zijn fantasme. Dit geraamte dienen we verder aan te kleden, van een body te voorzien. Freud wist beweging te krijgen in het onbewuste, in het fantasme veel minder. Door het object (a) te smeden – Marcel Duchamp heeft er ready-mades van gemaakt – is Lacan er in geslaagd om in het fantasme en daarmee in de wijze van genieten, toch enige beweging te krijgen. Van dit laatste getuigen de ‘Psychoanalytici van de School’, waarvoor Lacan de procedure van de passe heeft ingesteld.

  De studie van het fantasme heeft ons onontkoombaar naar het punt gebracht van het tekort in de Ander. Is het niet kenmerkend voor het onbewuste dat het telkens weer vergeten wordt? We vertrekken van een uitspraak van J.-A. Miller. Er is geen theorie van het subject, zonder een theorie van de partner. De notie partner-symptoom uit Lacans ‘laatste onderwijs’ heeft J.-A. Miller geïnterpreteerd en verder uitgewerkt. Het bestaan van de Ander wordt in vraag gesteld ten voordele van een relatie met het object van de jouissance stelt J.-A. Miller. Dit maakt Lacans onderwijs juist zo actueel.

Morgan Freeman  In het atelier zijn we terecht gekomen in een chicane die de fundamenten raakt van de keerzijde van de psychoanalyse (L’envers de la psychanalyse, Seminarie XVII). Dit voorbij is onmisbaar om zich in de vraagstukken van de hedendaagse cultuur en kliniek te kunnen oriënteren. Meer concreet nemen we de banden van het gezin als referentie. In de ‘Note sur lenfant’ (Autres Écrits) stelde Lacan dat de soliditeit van het gezin er in bestaat dat daar plaats is voor het residu. De commune als experimenteel antwoord op het patriarchale gezin was mislukt. Lacan voegt er meteen aan toe: op voorwaarde dat het verlangen van vader en moeder niet anoniem is. En dit kan tellen. Dat aardig wat gezinnen gevormd worden in de miskenning van de A/   , daarvan merken we elke dag de consequenties in de kliniek.

 

(G.L.)

Top

 

---

 

2007-2008

Het inaugurale van de psychoanalytische ervaring:
drie
studies.

Toen ik in 1985 voor het eerst deelnam aan de studiedagen en conferenties van de École de la Cause freudienne (Parijs, Brussel) werd over de psychoanalyse gesproken als ‘kliniek van het verlangen’. Met de concepten die Lacan gesmeed heeft voor de psychoanalyse heeft hij in eerste instantie Freuds Oedipuscomplex geordend. De Vader installeert niet enkel het incestverbod. De Naam-van-de-Vader is een functie die het verlangen mogelijk maakt door deze te verbinden met de Wet. Het castratiecomplex (het zijnstekort) vormt de hoeksteen van de Oedipus. In het licht van de kentering in zijn onderwijs vanaf de jaren ‘60 spraken analytici van het ECF veeleer van het ondraaglijke (linsupportable) en het ongeneeslijke (l’incurable): het vraagstuk van de jouissance met zijn transgressieve ruimte (Jenseits des Lustprinzips) is immers mee geïmpliceerd. Een belangrijke referentie voor de studie van Lacans onderwijs die in 1981 overleden was, waren de colleges (‘cours’) van J.‑A. Miller aan de universiteit van Parijs VIII en meer speciaal “Du symptôme au fantasme, et retour’ van 1982.

In die jaren heb ik sterretjes en mistbanken gezien, of raakte de pedalen kwijt… Door eerst het symbolische van het imaginaire te onderscheiden, met de Naam-van-de-Vader en het object a… heeft Lacan de psychoanalyse hersmeed (la refonte lacanienne). Dit vergt een niet geringe switch in het denken. Gaandeweg realiseerde ik mij dat de genetisch-psychologische invulling van Freuds werk – onzinkbaar in de psychoanalyse – mij parten speelde en een opheldering vereiste. Deze bewerking van een genetisch-psychologisch naar een structureel standpunt – ‘il faut travailler la structure’ – wordt een bijzonder aandachtspunt doorheen gans het atelier. Vandaar onze titel.

 


I

Als voorgerecht staat Lacans analyse van ‘The purloined letter’ van Edgar Allan Poe op het menu. Een pittige fabel van een criminele minister en de koningin die de prefect van de Parijse politie inschakelt doch de gestolen brief maar niet vindt. Daarnaast is er de figuur van Dupin die geniaal is in het oplossen van dergelijke zaken. ‘The purloined letter’ is geen klassiek opgebouwd speurdersverhaal. In zijn analyse toont Lacan hoe de betekenaar bepalend is voor de positie van het subject en dit tot in zijn seksuele attitude toe. ‘Le séminaire sur la lettre volée’ werd vooraan in Écrits geplaatst.

Daarvóór en als aanloop schenken we een aperitief met hapjes. Aan de hand van enkele casussen wordt in eerste instantie aangetoond hoe met dit weefsel van de betekenaar in de praktijk gewerkt wordt. Verder zoomen we in op de geboortes van de overdracht en op de seksualiteit zoals ze zich aandient in de engtes van de betekenaar. Met de twee grote ontdekkingen van de psychoanalyse, het talige onbewuste enerzijds en het pulsionele met zijn pervers karakter (Trieb) anderzijds, kwam Freud voor de kwestie te staan van hun verhouding. Hun discordantie (aaneengerijgd met het fantasme) vormt immers de drijfveer (le ressort) van de overdracht.

 


II

Hoofdgerecht. In de loop van Lacans verder onderwijs merken we hoe het structurele standpunt aan belang verliest ten voordele van meer formele modeleringen. De ‘kliniek van het verlangen’ verschuift via de discourstheorie in de richting van wat we nu de ‘borromeïsche kliniek’ heten. (Zie iNWiTT 2/3.) Dit heeft J.-A. Miller de Lacaniaanse Oriëntatie genoemd. Deze moet “op de weg die de laatste Lacan baande” een antwoord vinden op de actuele vragen en debatten binnen een ruimere kliniek die de multifunctionaliteit van de analyticus impliceert. (Miller, Une fantaisie, Mental N° 15) De analyticus is niet langer eenzijdig geïdentificeerd met de spreekkamer en de divan.

Met het smeden van het object a als rest of afval van de talige substituering, komt de vaderfunctie zoals Lacan die aanvankelijk gedacht heeft in de lijn van Freud, onder druk te staan. Dit debat van Lacan niet alleen met de psychoanalyse maar ook van Lacan met Lacan gaan we in het atelier ontvouwen met de intentie de nevralgieke punten die in het geding zijn helder te krijgen.

Toeval? Of toe-vallen? Prof. René Devisch heeft iNWiTT 2/3 doorgenomen en vroeg of ik nog publicaties had met betrekking tot die materie. Toen ik zijn tekst las, was ik niet weinig verrast. Met zijn interculturele benadering heeft hij de œdipale orthodoxie in de beklaagdenbank gezet en gewezen op de complexiteit van de vaderfunctie bij de Yaka. Zijn studie biedt de opportuniteit om in het atelier een eerste verkenning en doorsteek te maken van de chicane van de œdipale/symbolische vader.

Naast de bevindingen van Prof. Devisch bij de Yaka, een ware eyeopener, lezen en commentariëren we enkele teksten die ingaan op die punten in Lacans onderwijs. Dit kan een boeiende conversatie opleveren. Vastgeroeste ideeën in beweging zetten, waar het kan één en ander op punt stellen. Verder gaan we niet.

 


III

Nagerecht. Het genetisch-psychologisch standpunt met de œdipale orthodoxie heeft ertoe geleid dat de psychoanalyse het klassieke (Westerse) gezin als model altijd heeft ondersteunt. In Lacans parcours zijn heel wat aanwijzingen gevonden – in 1938 sprak hij al over de teloorgang van het vaderlijke imago – waarop verder is gewerkt in het licht van de actuele kwesties met betrekking tot het gezin. We sluiten het atelier van dit jaar af met de belangrijkste hoofdlijnen van deze studie uit te tekenen en illustreren dit met enkele gevalsstudies. De psychoanalyticus dient ook antropoloog te zijn. Psychoanalyse staat niet los van de cultuur met zijn eigentijdse antwoorden op het onbehagen.

 (G.L.)

 

 

Top

---

2008-2009

Ontwaken en Verbannen.
Wat de psychoanalyse ons leert over de meest delicate overgang: de adolescentie.

 

 

Guido Laforce

Prof. René Devisch

Een inleiding op de Lacaniaanse Oriëntatie

Met een grondige verkenning van het denken van Lévi-Strauss

 

Le désir n’est pas chose simple.

(Lacan, Discours aux catholiques)

Structuren bepaald door het alledaagse discours, door de taal, dragen uiteraard veel verder
dan wat te herleiden valt tot de functie van het mentale.

(Lacan, Paradoxen van de psychoanalytische act)

Het recent verschenen boek van Philippe Lacadée « L’éveil et l’exil. Enseig­ne­ments psychanalytiques de la plus délicate des transitions: l’adolescence » biedt met zijn Lacaniaanse oriëntatie, een frisse en doordringende kijk op de problematiek van de adolescentie.

Tekstvak: Je suis un inven-teur […], un mu-sicien même qui a trouvé quelque chose comme la clé de l’amour.
(Rimbaud)

Lacadée is psychiater-psychoanalyticus te Bordeaux en is als psychiater verbonden aan het Dagcentrum voor adolescenten La demi-lune te Villenave d’Ornon (omgeving Bordeaux). Als lid van de École de la Cause freudienne en de Association Mondiale de Psychanalyse is hij tevens vicepresident van het befaamde CIEN, Centre interdisciplinaire sur l’enfant. Zijn eruditie weerspiegelt zich zowel in de moeiteloosheid als in het gevatte en snedige waarmee hij zich in de complexe en delicate problematiek van de adolescentie weet te oriënteren, beweegt en rondjes maakt. Zijn studie is rijkelijk gedocumenteerd met o.m. het oeuvre van Rimbaud, die een nieuwe tijd aankondigde en alle bestaande zingeving ontregelde, « moi pressé de trouver le lieu et la formule »; met een commentaar to the point van Les désarrois de l’élève Törless van Robert Musil [1] en hoe een subject daar bricolerend mee omgaat; met casusmateriaal uit de eigen praktijk die het bizarre lijden’ zoals Rimbaud het heeft genoemd vanuit de hedendaagse kliniek moet illustreren en wat de ontmoeting met de analyticus hierin kan bewerkstelligen.

Verwijzend naar de herfst van 2005 met het oproer en de brandstichting van jongeren in de banlieues van Parijs en andere Franse steden, introduceert Lacadée in zijn voorwoord meteen de hele inzet. Het reële dat aan de orde is in de adolescentie op zijn juiste plaats situeren. Dit biedt hem het fundament voor zijn thesis dat de adolescentie fundamenteel een crisis is in de verhouding tot de taal, meer speciaal tot de taal van het gezond verstand. [2] Slechts in de confrontatie met dit reële ligt de kans dat een jongere zijn eigen antwoord kan uitvinden (inventer), een antwoord dat hem in staat stelt om de stukken, flarden en raadsels die de singulariteit van zijn geschiedenis uitmaken ineen te weven.

De gekende uitspraak van Rimbaud is aan het begin van de XXIe eeuw wel heel actueel, schrijft Lacadée: « Trouver une langue. »

Herfst 2005. Terwijl Wikipedia een uitgewerkt relaas biedt van de gebeurtenissen, steekt Lacadée van wal met een ragfijne analyse van de structuur. Wat is dat gevaar dat jongeren in zich dragen en waarvan de beelden de media vulden? Waarin zijn die jongeren uit de banc-lieues (plaats van verbanning) zo anders dat ze ongrijpbaar worden? We krijgen een summiere, indringende schets van iemand die deze jongeren heeft gehoord. Ze leven niet alleen in de meest delicate der transities. Bovenop is er de onzekerheid en het onbesliste van de twee culturen met de vele tegenstrijdige krachten, familiaal en schools, qua religie en gemeenschap, en met de opening voor twee talen, waarbij ze in het discours dat hen omringt niet de middelen blijken te vinden om het vuur van de jouissance te temperen, geen ankers waar ze de uitspattingen kunnen aan ophangen, geen andere wijzen om er mee om te gaan. Die generatie staat zonder uitzicht in een wereld die opaak blijft met het risico een vlek te vormen in het tableau – een zwarte vlek die slechts de reflectie is van wat hen tot wanhoop drijft, het stuk dat onzegbaar is en in de adolescentie het lichaam zowel als het denken overhoop haalt, waar ze zich vaak over schamen en niet in slagen om het in woorden te vertalen. Als kinderen die niet weten waarom, noch hoe, noch voor wie ze in de banlieues geboren zijn, in de wereld gezet als gewone objecten zonder de stuwage van een gesymboliseerde geschiedenis die hen een bepaald beeld of zelfwaardegevoel kon bieden – wordt hun enige zorg of ze op televisie zijn geweest. Terwijl ze toch op hun manier getuigen van de ingrijpende veranderingen die een samenleving ondergaat.

Daartegenover stond een regering die er niet beter op vindt dan de avondklok en noodtoestand in te stellen, en denkt het tumult zo te kunnen bedaren. Terwijl Sarkozy, toen minister van binnenlandse zaken, hamerend op « Ce ne sont pas des jeunes » het vuur nog verder aanwakkert. Zo werd de Ander, bij gebrek aan dialoog, gereduceerd tot het blinde punt van het oog van de televisiecamera die de blik incarneerde van waaruit deze jongeren gezien werden.

Het risico dat deze jongeren lopen is gegrepen te worden in de toeschrijvende benoeming van het meester-discours, met zijn eenduidig taalgebruik en met een woordkeuze die niet zonder consequenties is voor hun bestaan. In zijn waar spreken, is Sarkozy zo ver gegaan de jongeren, die in de taal zelfs geen jongeren meer waren, te herleiden tot objecten die onnoembaar werden, te evacueren zijn als afval, « une tache à nettoyer au Kärscher ». Met de logica van het doen verdwijnen heeft hij hen zelfs de plaats en de conditie ontnomen van waaruit ze zouden kunnen spreken. Zo krijgt het “jonge gevaar” in alle dubbelzinnigheid van de formule consistentie. En Sarkozy scoorde, bij voor en tegenstanders!

Een tweeluik. Het eenduidig taalgebruik is geen voorrecht van regeringskringen. Het is ook het waarmerk van het cognitief behaviorisme. Verder wijst Lacadée er nog maar eens op dat het essentiële van de taal nooit de communicatie is geweest, maar wat ze oproept of inroept. ‘Door de taal te herleiden tot de communicatie wordt het subject verward met de boodschap.’ [3] Lacans concept van het verondersteld wetend subject draait bij Lacadée voortdurend op de achtergrond mee, met als ankers: het punt van waaruit [I(A)], en de zwarte vlek [à S(A/ )].[4]

Met het ontwaken en de verbanning in de adolescentie, wordt de lezer op een bijna luchtige wijze meegenomen in basale kwesties die Lacan vanaf zijn ‘klassiek periode’ uit de jaren 50 tot en met zijn ‘laatste onderwijs’ aan de orde heeft gesteld waaronder de symbolische vaderfunctie met het spreek­wezen dat pas zijn habitat vindt in de tataal (lalangue); de kwestie van de sens-jouis; de onuitgegeven dimensie van de act met zijn beslissende keuzes; het savoir y faire (er weten mee om te gaan) … Dit zal commentariërend en converserend met de deelnemers doorheen het atelier aan de orde komen. In die zin wordt het atelier veeleer een evenement: « Faire tourner le sujet. »

Op 9 januari zal Francine Danniau het tweede deel van Les désarrois de l’élève Törless behandelen. (Lacadée, p. 92 e.v.)

 

De gloed van de generatiewisseling en de interculturele ‘ontmoeting’.

Lacadée - Lévi-Strauss en het vonken- en schaduwspel tussen verlangen en code

Devisch René, Prof. emeritus in de antropologie.

In aansluiting op het boek van Lacadée zal Prof. Devisch een introductie bieden op het denken van Claude Lévi-Strauss en de structurele antropologie (AS). Hij antwoordde: ‘De vragen omtrent “langue, système, code, structure, efficacité symbolique…” cross-cultureel en transgenerationeel zijn basale vragen. En zijn voor de “éveil et exil adolescents” des incontournables...’

Hij stelt ons het volgende, voorlopige lesschema voor als plan ‘om het denken van Lévi-Strauss grondig te verkennen en te situeren t.o.v. Lacan en Freud’.

13 maart LES 1: Anthropologie structurale 1

   chap 2: Analyse structurale en linguistique et en anthropologie

   chap 10: L'efficacité symbolique

   chap 11: La structure des mythes

17 april LES 2: La Pensée sauvage

   chap 1: Le science du concret

   chap 2: La logique des classifications totémiques

   chap 3: Totem et caste (aangevuld met Le Totémisme aujourd’hui)

15 mei LES 3: Lévi-Strauss en de psychoanalyse

   AS: Nature et culture; l'interdit de l'inceste

   concept d'inconscient, de symbole

   radicaal artikel over psychoanalyse in "La potière jalouse"

   Levi-Strauss en Lacan

Lacan is niet los te denken van de antropologie. De interdisciplinaire benadering maakt dat men de draagwijdte leert kennen van het niet eenvoudige vraagstuk van de betekenisverlening met zijn structuren dat daarmee ‘verder reikt dan de functie van het mentale’.

Top

---

2009-2010

Lectuur en commentaar van Lacans:

De instantie van de letter in het onbewuste of de rede sinds Freud.

Over de betekenende functie van het spreken.

 

L’instance de la lettre dans l’inconscient ou la raison depuis Freud is een kapitale tekst van Lacan uit zijn klassieke periode waarin hij de postfreudiaanse psychoana­ly­tische praktijk die een orthopedische functie heeft gekregen (en tot de dag van van­daag nog heeft), op een nooit eerder geziene wijze ‘op de rechte weg zet’ of ‘rectificeert’ met een reconstructie van zijn ware identiteit. Die reconstructie kan niets anders zijn dan een theo­rie van de praktijk – geen theorie voor de praktijk – en daarvoor dient ze terug te gaan naar zijn origine. We raken de fundamenten van de psychoanalyse en zijn legitime­ring. In het atelier gaan we trancheren.

Het belangrijkste waarmee de psychoanaly­se en de psychoana­ly­ticus opereert, namelijk het spreken en de functie van de taal in het spreken, kan niet enkel uitgewerkt worden vanuit de psychologie en de biologie, dat was reeds duidelijk voor Freud in zijn con­stante verwijzing naar de literatuur. Deze uitwerking vereist evenzeer de input van de belen­den­de velden zoals de linguïs­tiek, de structurele etnografie, de mathematische logica... Last but not least vergt ze een discours over zijn eigen legitimi­teit, wat neerkomt op een epistemo­lo­gisch discours met een expliciete passage van het discours van de psycho­analyse doorheen het filosofische, wat Freud zelf nooit als zodanig gedaan heeft, zonder daar eventueel in te blijven hangen. Van het spreken (en de functie van de taal in het spreken) ‘ontvangt de psychoanalytische ervaring immers zijn instrument, zijn kader, zijn materiaal en de basale geluiden van zijn onzekerhe­den.’ (Lacan, 1996 [1957], p. 494)

Op 9 mei 1957 was Lacan uitgenodigd aan de Sorbonne door de filoso­fische Groep van de Federatie van de studenten in de letteren. In zijn toespraak heeft hij 'une science de la lettre' uitgewerkt met een ‘structure du langage en tant que le sujet y est impliqué' om aldus ‘la vérité freudienne’ zijn plaats te geven. Lacan zei: ‘Notre titre fait entendre qu’au-delà de cette parole, c’est toute la structure du langage que l’expérience psychanalytique découvre dans l’inconscient.’ (Lacan, 1996 [1957], p. 495) Lacans taaltheorie is essen­ti­eel een subjecttheorie en omgekeerd.1 De functie van de taal in het spreken is niet van te informeren, maar te evoqueren. Spreken dient iets op te roepen, iets te bewerkstel­ligen. We volgen Lacan in zijn tekst tot hij aankomt bij het subject.

Lacan is het psychoanalytici blijven kwalijk nemen dat ze het subject gaan zoeken zijn naast zijn discours, in gedragingen en lichaamsexpressie, of in een onuitspreekbaar en gesensori­a­li­seerd ‘niet-verbale’,… dat geleid heeft tot een psychologische objective­ring: ‘chosifiant l’être humain’, ‘un nouveau type d’aliénation’, ‘en bref un homo psychologicus dont je dénonce le danger.’ (Lacan, 1966 [1951], p. 217)

De lectuur en het commentaar van L’instance de la lettre… maakt bepaalde uitwijdingen mogelijk op thema’s die de voorgaande jaren reeds werden behandeld: de vaderfunctie, de constructie van het ‘point d'où’ bij Törless (roman van Musil). Ze vraagt om een introductie: ‘Symbolische dialectiek en het freudiaans onbewuste’.

Prof. Devisch zal dit jaar de waarzeggerij behandelen. Een degelijke entree om het vraagstuk van de interpretatie aan te snijden. Lacan heeft de postfreudiaanse interpreta­tie­ve schema­ta terzijde geschoven omdat psychoanalytici de interpretatie herleid hebben tot een techniek.

 

(G.L.)

 

1 Voorts hebben we geen subjecttheorie zonder een theorie van het object wat Lacan in datzelfde jaar met zijn vierde seminarie ‘La relation dobjet’ begint uit te werken, om dit meteen te problematiseren. Het object zoals het te voorschijn komt in de psychoanalytische ervaring is een verloren object.

 

Literatuur

Lacan, J. (1966 [1951]). Intervention sur le transfert. In Écrits (pp. 215-226). Paris: Seuil.

Lacan, J. (1996 [1957]). L'instance de la lettre dans l'inconscient ou la raison depuis Freud. In Écrits (pp. 493-528). Paris: Seuil.

 

Top

 

---

2010-2011

Lectuur en commentaar van

De instantie van de letter in het onbewuste of de rede sinds Freud.

 

We zetten de lectuur en het commentaar van “L'instance de la lettre…” dit jaar verder. We ronden het eerste deel af wat tegelijk een herhaling en verfrissing zal zijn met de punten die zich intussen verder hebben uitgeklaard. Lacan bereidt er de weg voor zijn volgende stap: de "vérité freudienne" (2e en 3e deel) die we maieutisch zullen moeten behandelen. Dit lanceer ik met enkele vragen. Wat is er zo bevreemdend aan Lacans tekst? Waar raakt hij aan gangbare opvattingen en geconsolideerde ideeën? “L'instance de la lettre…” houdt een rectificatie in van de orthopedische, psychologische analyse waarmee Lacan de vraag aansnijdt: wat is psychoanalyse? De ware. Het gaat dus niet om believers en non-believers. Hij heropent het spoor van Freud waarvan hij gebruik maakt om in 1964 Freud voorbij te gaan. Wat maakt dat het trancherende van dit onderwijs in 1953 met de terugkeer naar Freud, in 1963 als hij het verlangen van Freud begint te ondervragen, tot breuken heeft geleid met de officiële instanties, breuken die Lacan zelf nooit gewild heeft? Wat is dus die "Vérité freudienne"!

"Je fonde - aussi seul que je l'ai toujours été dans ma relation à la cause psychanalytique..." Zo begint Lacan in 1964 de Acte de fondation van zijn School.

Er liggen reeds een aantal vragen op tafel. Dit jaar zullen er ongetwijfeld nieuwe bijkomen... Psychoanalyse als tao, zei Jacques-Alain Miller, het gaat het om het afleggen van de weg, jou weg.

Na de verdere toelichting van de antropologische en wetenschapsfilosofische uitgangspunten die de moeilijk toegankelijke aanvangspassage uit “Linstance de la lettre…” beter laten begrijpen, zal Luc Peeters de invloed van de linguïstiek, meer speciaal het werk van Roman Jakobson behandelen. In “Linstance de la lettre…” snijdt Lacan niet alleen de metafoor en de metonymie aan vanuit de linguïstiek en de poëzie. Hij positioneert zich in de lijn van Freuds ontdekking: de Verdichtung en de Verschiebung zijn twee processen van het onbewuste die wezenlijk zijn bij het tot stand komen van de zin (le sens). Het IIIe en het Ve seminarie bevatten belangrijke commentaren op de teksten van Freud. De kwestie van de articulatie, op de syntagmatische en paradigmatische as, met de substituering en de connectie, is cruciaal voor het verstaan van het capitonneringspunt en de betekening (signifiance). Het probleem is de idee van de representaties. Lacan: ‘tant qu’on ne sera pas dépris de l’ullusion que le signifiant répond à la fonction de représenter le signifié’.

Daaropvolgend wordt de stap gezet naar het lacaniaans subject in zijn verhouding tot de ander en de grote Ander, met de vragen aangaande het zijn van het subject, enz. We zullen nog zien hoe we dit best kunnen aansnijden.

(G.L.)

---

Op 11 maart behandelt Prof. R. Devisch de divinatie waar zich vragen stellen die zeer nauw aansluiten bij de psychoanalyse.

Divinatorische onthulling van het ontwrichtend werk van geesten in het familiebestel bij de Yaka van Congo.

In het atelier hebben we reeds gemerkt hoe L’efficacité symbolique van Claude Lévy-Strauss een meesterlijke insteek is die via Lacans onderwijs een onherroepelijke weerslag heeft gehad op de psychoanalyse. Daarom gaan we zijn tools niet alleen van naderbij bekijken, doch met de zeer geapprecieerde bijdragen van Prof. R. Devisch, gaan we elk jaar ook multicultureel.

---

Op 10 juni dan spreekt Francine Danniau over de herhaling die naast het onbewuste, de overdracht en de pulsie één van de vier fundamentele concepten is uit het XIe seminarie dat een scharnier is in Lacans onderwijs.

De theorie van het subject die Lacan in de jaren 50 aan het uitwerken is door het symbolische register te onderscheiden van het imaginaire, daar zijn we dit jaar mee bezig, roept het cruciaal probleem op van het object in de psychoanalyse dat Lacan zal noodzaken om zijn derde register, het reële, als een volwaardig register naast de twee andere uit te werken.

Werken in een ander land en andere taal om afstand te nemen van de taal van de moeder. Constructie van een gevalsstudie.
Francine Danniau zal hierbij aansluiten bij de eigen analytische ervaring: Hoe werkt de psychoanalyse volgens de analysanten? We zullen ook de echo horen van het recente NLS congres in London "How psychoanalysis works".

 

Literatuur

Markos Zafiropoulos, Lacan et Lévi-Strauss ou le retour à Freud. 1951-1957. PUF

Graciela Brodsky, L'argument. Commentaire du Séminaire XI de Lacan. Sous la direction de Jacques-Alain Miller. Collection Huysmans.

 

 

Top

 

---

2011-2012

De instantie van de letter in het onbewuste

“De incompatibiliteit van het verlangen met het gesproken woord”.

Drie invalshoeken. I. Het lacaniaans subject ‑ II. De vrouwwording ‑ III. Het einde van de analyse

Projectie en commentaar van Rendez-vous chez Lacan, Documentaire van Gérard Miller.

 

We gaan verder met de lectuur en het commentaar van L'instance de la lettre dans l'inconscient ou la raison depuis Freud waarin Lacan het aardverschuivend en niet meer terug te draaien onderscheid van de symbolische orde t.o.v. het imaginaire register en de duale imaginaire verhouding verder uitwerkt. Het reële wordt hierbij geenszins veronacht­zaamd, wat wel eens vergeten wordt. De vraag waar­door Lacan zich laat leiden is hoe het symbolische inwerkt en ingrijpt op het imaginaire zodat aan de horizon van de analyse het reële zijn plaats kan krijgen. Dit maakt duidelijk dat we met Lacan niet in het karren­spoor zitten van de aanpassing aan de realiteit, noch in het mythische waarin alles fictie wordt.

L'instance de la lettre… is één van de kapitale teksten uit de klassieke periode van Lacans onderwijs en zal gedurende gans zijn verder onderwijs blijven nazinderen. De spil waarrond deze tekst draait is de metafoor en de metonymie, linguïstische termen die Lacan ontleend heeft aan Jakobson en voor Lacan staan voor wat Freud in het tot stand komen van de formaties van het onbewuste (droom, lapsus of geestigheid) ontdekt heeft als Verdichtung en Verschiebung en zo de overdeterminering van de formaties voortbrengt. Terwijl de orde van de betekenaar en van het betekende primordiaal verschillend en gescheiden zijn door een barrière die weerstand biedt aan de betekenisverlening, gaan de substituering in de metafoor enerzijds, de con­nec­tie in de metonymie anderzijds toegang verschaffen tot het betekende, hetzij door toevoeging van betekenis (de pas-de- sens van de metafoor), hetzij doordat het tot stand komen van de betekenis achterwege blijft (de peu- de-sens van de metonymie).

Rendez-vous chez Lacan, Documentaire van Gérard Miller.

Wat de “verletterlijking van het subject” inhoudt, komt zeer goed naar voor in de documentaire van Gérard Miller: Rendez-vous chez Lacan. Hij werd onlangs uitgezonden op France 3 naar aanleiding van de 30e verjaardag van Lacans overlijden. Op een af te spreken moment na het atelier kan de documentaire vertoond worden, gevolgd door een eerste conversatie. De film is inmiddels uitgebracht op DVD met Engelse ondertitels.

De psychotherapie staat voor een paradox: de hedendaagse vragen uit de kliniek liggen aan gene zijde van de freudiaanse Oedipus, maar niet voorbij het analytisch discours of de machten van het woord.

 

In de eerste zitting van het atelier zal Luc Peeters de draad van vorig jaar terug opnemen om in de daaropvolgende zittingen verder te gaan met even essentiële kwesties zoals 1°) het capitonneringspunt, wat een uitvinding is van Lacan; 2°) het subject van de spreektact. Het onder­scheid met het subject van de uitspraak is een fundament geworden van de psychoanalyse; 3°) om tenslotte en vanuit het perspectief van de instantie van de letter, Freuds mythe van de Vader te behandelen en Lacans articulatie van de vaderfunctie als Naam-van-de-Vader.

We zijn indertijd vertrokken van de grote impact die de ontmoeting met Lévi-Strauss en de structurele antropologie voor Lacan gehad heeft. Niettemin is de kwestie van het subject in het werk van het atelier nog hangende. Met nieuw materiaal o.a. vanuit Sartre, Hegel, Lacans Ie seminarie… kan dit vraagstuk verder worden aangesneden, in aansluiting op de communicatie van Luc Peeters. Gangbare opvattingen, misverstanden en vooroordelen zowel van buiten als binnen de psychoanalyse worden door Lacan opengebroken en dat laat zijn toehoorders persoonlijk niet onberoerd. De iet of wat 'geheimzinnige' notitie op het einde van de tekst laat iets vermoeden van de draagwijdte die de tekst voor Lacan zelf moet gehad hebben, T.t.y.m.u.p.t. afkorting van: 'Tu t'y est mis un peu tard'. Vrij vertaald, het was tijd dat je eraan begonnen bent.

I - Het lacaniaans subject

In het tweede gedeelte van het atelier wordt grosso modo ingezoomd op de subversie, eclips of destitutie van het subject, termen uit verschillende periodes van Lacans onderwijs. We preciseren. In La direction de la cure et les principes de son pouvoir van 1958 – Lacan heeft net het Ve seminarie beëindigt waarin hij de Naam-van-de-Vader heeft geïntroduceerd –, laat hij horen (Écrits, p.641) « que la résistance à cet aveu (du désir) (…) ne peut tenir ici à rien que l’incompatibilité du désir avec la parole. » Het verlangen is niet te synthetiseren met het gesproken woord, niet alles wat de psycho­analyse betreft is terug te voeren tot de betekenisverlening en de Aufhebung! Net zoals bij Freud rond de jaren ‘20, wordt bij Lacan de garantie van het symbolische even goed geraakt. In dit veld speelt zich het heikele af van het debat (en de strijd) van Lacan met de geïnstitutionaliseerde psychoanalyse. In het atelier zal dit op een aangename en luchtige manier geëxploreerd worden met thema’s als de vrouwelijkheid of de vrouw wording en de kwestie van het beëindigen van de analyse als twee letterlijk exceptionele invalshoeken.

 

II – De vrouw wording

Dit gedeelte werd uitgesteld tot volgend jaar.

 

III – Het einde van de analyse

Francine Danniau zal aansluiten bij de ‘cours’ van Jacques-Alain Miller van 2011 aan het Départe­ment de Psychanalyse, université Paris VIII.  J.-A. Miller heeft er zijn lectuur gebracht van het par­cours dat Lacan in bijna 30 jaar onderwijs heeft doorlopen, le Grand Oeuvre de Lacan. Is het einde van de analyse op zich al een boeiende kwestie, ze leert ons zeer veel over wat aan de orde is van bij het begin. Francine Danniau zal uit die brede thematiek een keuze maken die te gepaste tijde zal worden mede gedeeld.

G.L.

 

Top

---

 

Terug naar Atelier

Home

 



[1] Vertaald uit het Duits, Die Verwirrungen des Zöglings Törless. 1957.

[2] Lacadée, Ph., Adolescence. La crise du langage: la plus délicate des transitions. Quarto, N° 93, juni 2008.

Met de vertaling van ‘langage du sens commun’ door ‘taal van het gezond verstand’ vindt een accentverschuiving plaats van ‘betekenisgeving’ naar ‘normaliteit’ terwijl het dwingend karakter behouden wordt.

[3] Lacan, J. Mon enseignement, sa nature et ses fins [1968] In: Mon enseignement. Seuil 2005. Uitgegeven in de reeks ‘Paradoxes de Lacan’.

[4] Op enkele vermeldingen na, introduceerde Lacan zijn concept van het onbewuste is het belangrijke XIe seminarie Les Quatres concepts fondamentaux de la psychanalyse van 1964. Het onbewuste wordt niet langer als een weten gedefinieerd, maar als een subject, een subject dat aan dat weten verondersteld wordt. Het gaat om het onbewuste zoals het in actie treedt binnen de overdracht en dat zich opent en sluit. « C’est une erreur, que de faire de l’inconscient un dedans. » Lacans concept vormt een waar tegengif voor het maniakale van de betekenisverlening. Door het verondersteld wetend subject te substantiëren werd er in de postfreudiaanse analyse een originele subjectiviteit van gemaakt.

Miller, J.-A., Notre sujet supposé savoir. Lettre Mensuelle. N° 254, ÉCF, Janvier 2007.

Miller, J.-A., Autour du sujet supposé savoir. Lettre Mensuelle. N° 260, ÉCF, Juillet/Août 2007.

Laurent, E., Naissance du sujet supposé savoir. Bulletin de la NLS. Bulletin of the NLS. N° 2, 2007.

Guéguen, P.-G., Paradoxen van de geboortes van de overdracht. iNWiT N° 4, Mei 2008.