 | ADER : steenkoollaag. |
 | BOORGAT : gat dat met een persluchtboorhamer in de
steenkoollaag of het gesteente wordt geboord, waarna springstof
wordt ingebracht. |
 | BREUKWINNING : methoden waarbij men het dak laat
instorten door de stutten weg te halen nadat de steenkool is
gedolven. |
 | DAK : formatie boven de steenkoollaag die wordt
ontgonnen. |
 | DIKTE : hoogte van de steenkoollaag, gemeten tussen het
dak en de vloer van de laag. |
 | DROOGHOUDING: handeling waarbij het water door middel van
pompen naar de bovengrond wordt gepompt. |
 | GRONDGALERIJ OF VOETGALERIJ : luchtintrekkend
galerij of afvoergalerij (laagste gelegen galerij) |
 | KOLENGRUIS : zeer fijne steenkool met een doorsnee van
minder dan 6 mm. |
 | LAADBAK : voorziening aan de voet van een pijler of
opbouw om de kolen in een wagon te kunnen storten. |
 | LOSVLOER : zaal waar de mijnwagens met kolen en stenen
aankomen en waar de lege mijnwagens weer worden aangekoppeld. |
 | MIJNGAS : (methaangas) reuk-, kleur- en smaakloos, bij de
minste vonk hevig ontplofbaar. |
 | MIJNOPZICHTER : voorman. |
 | MIJNTERREIN : het hele terrein rond de schacht waar alle
bovengrondse installaties zijn gevestigd. |
 | MIJNWAGEN : wagon van dik plaatstaal om kolen en
wasstenen in te doen, met een inhoud van 500 kilo (kolen) tot
1000 kilo (stenen). |
 | ONDERLIGGENDE BREUKWAND : gedeelte van de vloer dat in
galerijen wordt ontgonnen om de juiste hoogte te bekomen. |
 | OPHAALMACHINE : elektrische motorlier waarmee de
liftkooien kunnen worden opgehaald. |
 | OPHOUW : aanzet tot de pijler, kop en voet galerij worden
in stijgende lijn met elkaar verbonden. |
 | PIJLER : verbinding tussen twee galerijen (kop en voet)
daar wordt de steenkool ontgonnen. |
 | SCHACHTPUT : gedeelte van de schacht onder de laatste
steengang dat dient om doorsijpelend water uit de schacht op te
vangen. |
 | SCHIETMEESTER : geoefende arbeider die de
springstofladingen in de schietgaten aanbrengt. |
 | SCRAPER : soort grote schaal die met een
heen-en-weerbeweging de kolen losschraapt en tegelijkertijd in
een bak opvangt. |
 | SORTEREN : handeling waarbij de kolen van het gesteente
worden gescheiden. |
 | STEENBERG : heuvel die ontstaat door het storten van
wasstenen. |
 | STEENGANG : horizontale galerij door steenlagen die in
een lichte helling naar de schacht loopt, zodat het water kan
wegstromen en de volle mijnwagens gemakkelijker te vervoeren
zijn. |
 | STUTTEN : handeling waarbij de pijler naarmate deze
voortschrijdt met stutten wordt ondersteund om instorting te
voorkomen. |
 | VLAKKE GELAAGDHEID : pijlers met een helling van minder
dan 45%. |
 | WAS GESTEENTE : stukken lei- of zandsteen die tegelijk
met de kolen worden gedolven. |