De luchtverversing gebeurt door een ventilator op de luchtafvoerschacht,
die lucht uit de schacht aanzuigt. De onderdruk die daardoor ontstaat,
heeft tot gevolg dat via Schacht nr.1 lucht naar binnen komt.
De verlichting
Alles is verlicht in de galerijen.
Vroeger was het pikdonker in de mijn.
Tot het begin van de 20ste eeuw lichtten de mijnwerkers zich bij met
vlamlampen.
In eerste instantie gebruikten ze lampen met een onbedekte vlam, zoals
de talkkaars.
Deze lampen waren uiterst gevaarlijk als er mijngas in de buurt was.
Er vonden vaak ontploffingen plaats, want mijngas is zeer licht
ontvlambaar. Omdat mijngas lichter is dan lucht, gingen de mijnwerkers
naar beneden met een kanarie in een kooitje, dat ze aan het plafond van
de galerij hingen. Als de kanarie van zijn stokje viel, moesten ze zich
zo snel mogelijk uit de voeten maken.
In 1815 werd een nieuwe veiligere lamp uitgevonden door Davy. Deze lamp
is voorzien van ijzerdraadgaas met zeer fijne, cilindrische mazen, dat
voldoende hoog is om niet gloeiend te worden. Dit zou je een bedekte
vlamlamp kunnen noemen.
In 1838 voegde Mueseler een glazen cilinder toe en de laatste
verbetering werd aangebracht door Wolf die de vette olie verving door
benzine.
De eerste modellen elektrische lamp dateren van 1891 en waren
onpraktisch. Het duurde nog 20 jaar voordat de geperfectioneerde
accumulator naar verwachting functioneerde.
De gevaren in de mijn
Mijngas een groot gevaar in de mijn. Dat mijngas nog steeds actueel is,
blijkt helaas uit de nieuwsberichten over rampen in landen waar nog wel
steenkool wordt gewonnen. Vaak vallen er honderden doden.
Maar mijngas is niet het enige gevaar: een ongeluk of onvoorzichtigheid
kan brand in de mijn veroorzaken.
Als de steenkool brandt, komt koolmonoxide (CO) vrij, dat eveneens zeer
gevaarlijk is.
Er is nog een derde gas, dat weliswaar niet giftig, maar in sommige
opzichten toch gevaarlijk is. Dit gas heet CO2 of kooldioxide en komt
voornamelijk vrij door de ademhaling van de mijnwerkers, de
uitlaatgassen van de locomotieven en de ontbinding van hout. Dit gas is
zwaarder dan lucht. In de laagste gedeelten van de galerijen neemt het
dus de plaats in van de lucht, terwijl de mijnwerkers juist het grootste
deel van de tijd liggend werken. Dus goede ventilatie noodzakelijk.
Een ander gevaar dat veel voorkomt in alle ondergrondse mijnen, is
verzakking of vallend gesteente.
Een even verraderlijk gevaar is de waterdoorbraak.
Een laatste, sluipender gevaar is de mijnwerkersziekte. De mijnwerker
ademt voortdurend stof in. De fijne steenkooldeeltjes blokkeren de
longblaasjes en bemoeilijken de ademhaling. Maar het schadelijkst is
leisteenstof, dat silicose veroorzaakt, een progressieve ziekte waardoor
veel mijnwerkers vroegtijdig zijn gestorven. De mijnwerkers die diep
onder de grond aan de aanleg van nieuwe galerijen werkten, liepen het
meeste gevaar.
Het loshakken van de steenkool
De gids laat je zien hoe de gereedschappen in de mijn werken. In het
museum kun je enorme compressors zien die deze gereedschappen
aandrijven. Maar dat is niet altijd zo geweest.
Tot aan het begin van de 20ste eeuw was menskracht de enige bron van
energie die in de mijn werd gebruikt. In 1907 vond een grote doorbraak
plaats met de komst van de pneumatische hamer en later de boorhamer. Het
beroep van mijnwerker was geen pretje!
Vanaf de schacht worden steengangen gegraven. Dat zijn net zulke
galerijen als die waar je tijdens het bezoek doorheen loopt. Als de
steengang een steenkoollaag kruist, graaft de mijnwerker een loodrechte
galerij langs die laag. Dat noemen we een grondgalerij. Deze dient als
boven- en onderkant voor de ontginning van de pijler.
De steenkool die de mijnwerker heeft losgehakt, wordt dan boven de grond
getransporteerd.
Je ziet nu mijnwagens, spoorrails en locomotieven staan, maar dat was
heel anders toen de ontginning pas begon! In het museum zie je
afbeeldingen van kinderen die een kist vol steenkool achter zich slepen.
Dat was de wijze van vervoer die voor 1800 werd gebruikt.
Later werd het slepen vervangen door vervoer per as door kipkarren op
rails. Tussen 1815 en 1820 werd in Luik een zeer belangrijke vernieuwing
doorgevoerd: vervoer door paarden. Het paard werd ingesnoerd in een tuig
onder de liftkooi en vervolgens neergelaten in de schacht. Het bracht
zijn hele leven in de mijn door.
Pas in de loop van de 20ste eeuw doen de mijnlocomotieven hun intrede.
De was- en sorteerinstallaties
Als de mijnwerker de steenkool loshakt, kan hij natuurlijk onmogelijk
voorkomen dat er stenen tussen zitten. Boven de grond moet de steenkool
dus van de stenen worden gescheiden, in een gebouw dat de wasserij wordt
genoemd. Dat is heel eenvoudig, omdat steenkool en stenen niet dezelfde
dichtheid hebben.