HET PRILLE BEGIN (988 - 1288)

De aanvang van de geschiedenis van 0.-L.-Vrouw van Hanswijk heeft de bekoorlijkheid eigen aan de middeleeuwse legenden: een natuurlijk in mekaar vloeien van werkelijkheid en vrome gegevens.

Rond de jonge, kleine stad Mechelen lagen in de 10de eeuw een vijftal gehuchten. Eén daarvan was Hanswijk. Het lag ten Z.O. van de stad, tussen de Dijle en de oude weg naar Brussel. Al vroeg verwierf het bekendheid. Hoe dit gebeurde,. verhaalt de legende:

"Een schip met koopwaren voer de Dijle op. Aan boord bevond zich ook een houten Mariabeeld. Ter hoogte van Hanswijk liep het vaartuig vast. Na vergeefse pogingen om het weer vlot te krijgen, brachten de bootslui het beeld aan wal en het schip kwam weer los. Een duidelijk teken dat Maria hier haar verblijfplaats koos. Het beeld werd naar een nabijgelegen kapel gedragen."

Wanneer dit gebeurde, zegt de legende niet. Wel staat het vast dat Maria sedert onheuglijke tijden in Hanswijk werd vereerd. In de 13de eeuw sprak de gekende hagiograaf, Thomas van Cantimpré, reeds over Hanswijk als over een vermaarde bedevaartplaats. Volgens de overlevering was de Mariaverering er al drie eeuwen oud, toen de Dalscholieren in 1288 naar Mechelen kwamen om het heiligdom te bedienen. Vandaar dat 988 als het beginjaar van de verering van O.-L.-Vrouw van Hanswijk wordt beschouwd.

Oude kronieken verhalen ook hoe de Mechelaars, vooral in tijden van nood, hun toevlucht namen tot de Lieve Vrouw. Dit gebeurde o.m. toen de stad in 1272 door oorlog en pest werd geteisterd. Ten einde raad droegen de bewoners van Hanswijk biddend en zingend het beeld naar de stad. Toen de pest verdween en de rust weerkeerde, werd uit dankbaarheid beloofd het beeld elk jaar in processie rond te dragen.

 

HET HEILIGDOM BUITEN DE MUREN (1288 - 1585)

In de 13de eeuw behoorde Hanswijk nog tot de parochie van Muizen. Een aantal Mechelse burgers verzochten het kapittel van Sint-Rombout de bediening van de kapel van Hanswijk toe te vertrouwen aan de Dalscholieren van Zoutleeuw, een congregatie van kanunniken van Sint Augustinus, gekend om haar ijver voor de Mariaverering. Het kapittel ging op dit verzoek in. De kapelanie van Hanswijk werd aan de Dalscholieren toevertrouwd en tot parochie verheven. Dit gebeurde in 1288, dus juist 700 jaar geleden.

Onder de Dalscholieren kende het beeld een groeiende verering. In het begin van de 14de eeuw was de toeloop van pelgrims zo groot geworden dat er een nieuwe kerk moest worden gebouwd. Terzelfdertijd werd naast de kerk een klooster opgericht.

Aan deze bloeiperiode werd echter een einde gesteld, toen de beeldstormers in 1566 een tijdperk van godsdiensttroebelen inluidden. In 1572 werden de kloostergebouwen geplunderd en in 1578 werden kerk en klooster platgebrand. De Dalscholieren vluchtten naar de stad, nadat zij het beeld in veiligheid hadden gebracht, volgens de overlevering in een kelder van de Leuvense poort.

HET HEILIGDOM BINNEN DE MUREN (1585 - 1815)

Wanneer in 1585 de rust was weergekeerd, bouwden de Dalscholieren naast hun huis in de Hanswijkstraat een kapel, zodat de verering van het genadebeeld kon worden hervat. 60 jaar later werd aan de overkant van de straat een grotere kapel opgericht, maar ook deze bleek spoedig te klein om het steeds groeiend aantal bedevaarders op te vangen.

Van 1663 tot 1678 werd dan de huidige kerk gebouwd volgens de plannen van de Mechelse architect, Lucas Fayd'herbe. De werken werden uitgevoerd met de steun van gans de bevolking, zodat de kerk mag worden beschouwd als het monument van de dankbaarheid van de Mechelaars jegens O.-L.-Vrouw van Hanswijk.

Ook aan deze tweede bloeiperiode kwam onverwacht een einde. In 1784 werden de Dalscholieren door Jozef II opgeheven en uit hun klooster verjaagd. Onder het Franse bewind moest het Mariabeeld andermaal in veiligheid worden gebracht en bleef het vijf jaar in verschillende huizen verborgen. De kerk werd verbeurd verklaard, verkocht en tenslotte gesloten. In 1802, na het concordaat, werd de kerk heropend. Het beeld werd uit zijn schuilplaats gehaald en de verering kon worden hernomen.

VOORTZETTING VAN DE EEUWENOUDE TRADITIE (1815 - 1988)

In de rustige sfeer van de 19de eeuw werd de oude traditie luisterrijk voortgezet en kreeg ze een heerlijke bekroning. In 1876 werd het genadebeeld in naam van de paus gekroond. Het was de officiële erkenning van negen eeuwen volkse Mariaverering.

Dat Hanswijk vooral in moeilijke tijden en op belangrijke momenten voor de Mechelse bevolking steeds een toevluchtsoord is geweest, is ook deze eeuw nog gebleken. In 1914, daags na het uitbreken van de eerste wereldoorlog, werd het beeld in processie door de stad gedragen. Tijdens de bombardementen van Mechelen in 1944 deed de crypte van de kerk dienst als schuilkelder en enkele weken na de bevrijding trok een dankprocessie door de stad met het beeld van de Lieve Vrouw.

Tenslotte mocht Hanswijk in 1985 voor de eerste maal een paus ontvangen, toen johannes Paulus II zijn bezoek aan Mechelen inzette met een korte gebedsstonde voor het beeld van de Lieve Vrouw. Een nieuwe erkenning van de devotie die 1000 jaar tevoren uit het volk was ontsproten en de proef der eeuwen glansrijk had doorstaan. Dezelfde erkenning mag gezien worden in de verheffing van de Hanswijkkerk tot basiliek op 6 oktober 1987.

1000 jaar lang heeft de Mechelse bevolking haar toevlucht genomen tot O.-L.-Vrouw van Hanswijk en haar moederlijke bescherming en voorspraak mogen ervaren. Nog steeds zijn de honderden marmeren platen, in de loop van de jaren in de kerk aangebracht, de stille getuigen van de erkentelijkheid haar betoond om bekomen genaden en weldaden. Het past haar bij dit millennium ook in het openbaar een dankbare hulde te brengen.

In 1738 vierden de Dalscholieren hun 450-jarig verblijf te Mechelen en tevens de 750ste verjaring van de aankomst van het beeld. Bij deze gelegenheid hadden voor de eerste maal grootse jubelfeesten plaats. De jezuïeten, die sedert 1615 te Mechelen een college hadden, richtten een 'ry-bende" of "cavalcade" in. Het was een religieus-historische stoet die vier delen omvatte: de bekering van Hanswijk en de aankomst van het beeld, de weldaden door O.-L.-Vrouw aan Mechelen verleend, de verheerlijking van Maria en tenslotte de devotie van de aartshertogen Albrecht en Isabella en van het huis van Oostenrijk tot O.-L.-Vrouw van Hanswijk. Het succes was zo groot dat besloten werd deze jubelfeesten om de 25 jaar te herhalen.

Het werd een stevige traditie. Zelfs politieke of economische moeilijkheden konden de Mechelaars niet beletten hun woord gestand te doen.

Geleidelijk werden de cavalcades groter uitgebouwd en groeide de belangstelling. Ook de omlijstende feestelijkheden namen toe; zelfs volksspelen verschenen op het programma.

De eerstvolgende cavalcades waren bijna zuiver religieus en hadden telkens ongeveer hetzelfde thema. In 1838 kwam daarin enige verandering. Het was de eerste cavalcade na de Belgische onafhankelijkheid. Rond de godsdienstige kern werd een historische omlijsting uitgebouwd met o.m. een hulde aan het vorstenhuis. De koning en de koningin woonden trouwens een van de uitgangen bij. Deze vijfde cavalcade had zelfs een internationale weerklank. De Franse schrijver Alexandre Dumas en het tijdschrift "Dublin Review" brachten er een lovend relaas over uit.

In 1888 en 1913 kreeg de cavalcade een overwegend geschiedkundig karakter. Wel werden de historische personages - meestal vorsten en prinsen - voorgesteld als bedevaarders op weg naar Hanswijk en bleef als slot de triomfwagen met de verheerlijking van Maria behouden.

In 1938 werden de jubelfeesten in hun geheel grondig herdacht. Men was er zich van bewust dat een traditie zich voortdurend moet vernieuwen, wil ze in leven blijven. De omlijsting van de cavalcade had een zuiver cultureel en hoofdzakelijk mariaal karakter; creaties van werken van jonge Mechelse kunstenaars vormden de hoofdbrok. Het geheel was een grootse hulde aan O.-L.-Vrouw van Hanswijk. De cavalcade onderging dezelfde vernieuwing. In een eerste, bijbels gedeelte werd Maria in het verlossingswerk voorgesteld. Het tweede deel was historisch en tekende zowel de Mariaverering te Mechelen als het rijke Mechelse verleden. Het derde, veel kortere deel beeldde de triomf van Maria op onze dagen uit.

Bij de 10de jubelfeesten, die in 1963 plaatshadden, werd de vernieuwing verder doorgevoerd. De culturele, economische en technische revolutie die zich na de tweede wereldoorlog voltrokken had en de evolutie die zich op dat ogenblik in de Kerk aan het voltrekken was, maakten dit overigens noodzakelijk. De cavalcade werd meer dan ooit hét hoogtepunt van de hele viering. Het was een cavalcade waarin de hulde aan O.-L.-Vrouw van Hanswijk en de evocatie van het Mechelse verleden op een geslaagde wijze tot een harmonisch geheel waren verwerkt. Het bijbelsmariaal gedeelte was de kern, het historisch gedeelte het kader; de voorgeschiedenis van Mechelen, het begin van het christendom en de aankomst van het beeld leidden het religieus gedeelte in, terwijl de bloeiperiode uit de Mechelse geschiedenis het sluitstuk vormde dat uitliep op een hulde van Mechelen aan O.-L.-Vrouw van Hanswijk. Bovendien gaven opvatting en stijl, kleur, klank en beweging, meer nog dan in 1938, aan de traditionele cavalcade een eigentijds karakter.