Kort na de oorlog kwamen er drie mannen bijeen: een Amerikaan, een Engelsman en een Rus. Roosevelt, Churchill en Stalin.
Die mannen waren zowat de baas van heel de wereld. Terwijl ze een dikke sigaar rookten en een glas bier dronken, beslisten zij, dat 18 miljoen mensen van het ene land naar het andere moesten verhuizen.
Voor jullie is verhuizen wel eens prettig. Speelgoed en meubels worden in een grote wagen geladen, en je gaat ergens anders wonen.
Er zijn nieuwe vrienden, misschien krijg je op de koop toe een nieuwe school.
En in het nieuwe huis vind je alles terug, je speelgoed, de meubels, kortom alles.
Maar neem nu eens Kati. Kati is een klein meisje van 6 jaar met lange blonde vlechten.

Kati had een klein geitje, dat ze "Pukje" noemde. Kati bracht al haar dagen door met Pukje. Ze streelde het diertje, gaf het te eten en speelde er mee. En Pukje's staartje begon al te kwispelen telkens als het Kati zag.
Op een morgen kwamen er soldaten en moesten Kati en haar ouders met pak en zak vertrekken.
Wat heeft Kati geweend!
De soldaten zegden dat Pukje moest achterblijven. Er was op de trein geen plaats voor geiten.
Voor de laatste maal heeft Kati haar geliefde geitje eten gegeven en gestreeld.
Toen moest Kati vertrekken.
Wat weende ze. Het was of haar klein hartje stilstond, toen ze zag hoe Pukje het hoofdje verdrietig over het hek wreef, en schreiend mekkerde.
Nooit heeft Kati haar Pukje terug gezien.
Kati en haar ouders kwamen toen in een vreemd land, waar ze niemand kenden. Het meisje voelde zich moe en ziek van verdriet. Ze moest met vader en moeder in een koude kelder gaan wonen, een kelder zonder vensters, met alleen een hoge smalle deur waar een gordijn van zakken voorhing. Vader, die vroeger altijd vrolijk was en lachte, werd nu bleek en stil. Moeder zuchtte en zat dikwijls zachtjes te wenen.