Nog een Gambia-verhaal

Hans Roovers uit Nederland heeft me een e-mailtje gestuurd met enkele van zijn eigen Gambia-ervaringen.

Veel leesgenot...

 

Hoofdstuk 1

The Gambia: the smiling coast, the best in the west.

Bij aankomst op Yundum National Airport, als de deur van het vliegtuig opengaat, slaat je een golf van klamme hitte tegemoet, geurend naar een werelddeel dat, voor ons ooit onbereikbaar, nu binnen zes uur vliegen van je huis ligt. Je ruikt de geur van bloemen, rottend fruit, vuurtjes van houtskool, kruiden, vis en exotisch eten.

De tocht van het vliegveld naar het hotel is een eerste overweldigende belevenis. Vanaf het vliegveld reis je per bus naar de kust waar de meeste toeristenhotels (andere hotels hebben ze overigens niet) zich bevinden: Kololi, Kotu, Bakau.

De weg is slecht en de bus moet laveren om de gaten, fietsers, koeien, honden, kinderen, taxi’s heen. Je komt door Serrekunda, de grootste stad van Gambia. Het is er vol met mensen en koeien, honden en geiten, gele en groene bushtaxi’s, busjes en vrachtauto’s. Auto’s die allemaal al een tiental jaren geleden bij ons afgeschreven zijn en met elastiekjes en touwtjes bij elkaar gehouden worden en met grote opgelaste tuindeurschuiven dichtzitten.

Vrouwen die met grote zware balen, schalen en emmers op hun hoofd langs en op de weg lopen en leven. Overal wordt zittend langs de weg handel gedaan: verschrompelde tomaatjes en pepertjes, vis en vissekoppen, mango’s en bananen, kruiden en verlepte groenten. Balen met maniok, apebrood, bonen, pinda’s en veel artikelen waarvan ik naam noch gebruik weet. Een ongelofelijk bont tafereel waardoor je bijna de alomtegenwoordige armoede zo gauw niet ziet. Langs de straat veel verkoopstalletjes en winkeltjes die vaak uit niet meer bestaan dan een kruiwagen, waarmee ze meteen hun handel vervoeren. Midden in de stad rijd je langs de gigantische markt waar echt van alles te koop is: verse vis, die meerdere malen per dag wordt aangevoerd, groenten en fruit, kruiden en allerlei gedroogde artikelen. Van de boabab vind je verkruimeld gedroogd vruchtvlees, waarvan de bestemming volstrekt onduidelijk is. Maar ook sloten, gereedschap, messen, horloges en sieraden, geneesmiddelen en medicijnen, T-shirts en overhemden, lappen stof, noem maar op. Een ongelooflijk bont schouwspel waar je maar geen genoeg van krijgt.

Op de grote markt zitten letterlijk duizenden mensen dag en nacht op enkele tienden van een vierkante meter hun waren aan de man te brengen. Elektriciteit is duur, een koelkast is misschien voor 1 procent van de bevolking weggelegd en als je verse etenswaren wilt kopen zul je vlak voor iedere maaltijd gewoon weer de markt op moeten gaan. De aanvoer op de markt gaat dan ook ieder uur door. Vissen doen ze ook de hele dag door. Kippen houden ze vers door ze met de poten aan elkaar te binden en zo in de schaduw te laten dommelen tot er een koper komt die de een na de ander kakelend (de kip dan) in het vlees knijpt en het hele spel van loven en bieden begint. Alles heeft zijn prijs, maar niets is vast en een witte huid betekent al meteen dat de vraagprijs minstens vertienvoudigd wordt. Gelukkig spreekt vrijwel iedereen een soort van Engels: "May I aks you a ketsion?"

Gambia is zeer veilig, er komt vrijwel geen criminaliteit voor en iedereen is ontzettend vriendelijk en behulpzaam.. Midden in de nacht loop je in Gambia absoluut veiliger op straat dan in menige grote stad in Nederland. De bevolking is vriendelijk en gastvrij. Wil je hun huis van binnen bekijken dan kan dat en je kunt nog blijven eten ook. Samen delen is de manier van overleven. Vandaag heb jij geld of eten en deel je dat met je grote familie en buren of vrienden, morgen heeft een ander meer geluk en deelt dat met jou.

Gelukkig heeft men in de afgelopen paar jaren ingezien dat het opruimen van rondwaaiend plastic afval van levensbelang is voor een land dat voor een kwart van zijn nationale inkomen afhankelijk is van het toerisme.

Het hotel waar je terechtkomt is eenvoudig, vaak redelijk onderhouden en voorzien van een tropische tuin. Zelf heb ik in de zes keer dat ik daar was geslapen in het Badala Park Hotel, Banna Beach, Holiday Beach en Kotu Hotel. Het verbaast me telkens weer dat zo veel toeristen bijna alleen maar het hotel uitkomen om naar het strand te gaan. Er is zo veel te zien en te beleven.

Als je in Gambia bent moet je jezelf wel realiseren dat de oppervlakkige gelijkenis die er zou kunnen bestaan met onze westerse maatschappij en denkwijze geheel op toeval berust. Niets is er hetzelfde als bij ons. De argeloze, pas aangekomen kreeftachtig rode toerist is in de eerste dagen van zijn aankomst een willig slachtoffer van de "hustlers" en "bumsters" die zich om elk hotel in groepjes ophouden.

"Hello, where are you from, what is your name", je trapt er in en geeft vriendelijk antwoord. Als je per ongeluk je naam vertelt wordt die feilloos onthouden en als je na drie jaar nog eens komt word je al van verre verwelkomd: Hello toebab, mister Hans boss, where is your boss-lady? Hij heeft me drie jaar geleden gezien, want na mijn eerste reis ben ik gescheiden en daarna nog vijfmaal alleen geweest. Je nieuwe vriend werpt zich op als gids en toeverlaat en zal je, als je geen maatregelen neemt, de rest van je vakantie vergezellen en al doende met de meest mooie smoezen zo veel mogelijk dalassi’s afhandig proberen te maken. Is hij even weg dan staat er al weer een nieuwe vriend op die ook al weet hoe je heet, waar je woont, in welk hotel je zit, etc. Je herkent ze aan hun splinternieuwe Nike’s en Reebok’s en voor de beginner is het de gemakkelijkste manier om van ze af te komen door een eindje de zee in te lopen. De hustlers en bumsters houden zich vooral binnen een straal van 500 meter rond de hotels op, daarbuiten is de spoeling voor hen te dun en kun je gerust met iedereen praten.

‘s Avonds loop ik in het donker (rond 18.00 uur al) naar het "uitgaanscentrum" Kololi. Een paar leuke terrasjes van wit plastic met vrolijk gebloemde plastic kleedjes waar je een flesje Julbrew koopt voor 10 tot 15 dalassi. (een dalassi is ƒ 0,18, het grootste bestaande biljet is 50 dalassi, ƒ 9,00). Bij Ali Baba kun je voor weinig geld super lekker eten en om gezelschap hoef je absoluut niet verlegen te zitten. Opeens komt mij een Gambiaan tegemoet: Hello sir, etc. kent u mij nog? Ik werk in uw hotel. Vanavond is er bij de pool een party want ik ben vandaag vader geworden van een dochter. Ik wil u ook graag uitnodigen. Er zal muziek worden gemaakt en uiteraard is er ook eten. Om negen uur bent u welkom. Oh ja, kunt u mij misschien even 500 dalassi lenen, dan hoef ik niet helemaal naar huis om het op te gaan halen. Morgen krijg ik van mijn baas weer loon en betaal ik het meteen terug. Dan heb ik meer tijd om het feest van vanavond voor te bereiden. (Dus weg 500 D.)

Ik ben inmiddels in de afgelopen drie jaar zes keer in Gambia geweest en ik vind het telkens een feest om er terug te komen.

Gambia is straatarm. Het nationale inkomen is met ca. 1,5 miljoen inwoners, ca ƒ 1 miljard per jaar, dat is éénderde van wat in ons land met de Kerst in restaurants aan etentjes wordt besteed!

Ik heb ditmaal een kamer in het Badala Park Hotel in Kotu en als je ergens heen wilt neem je een toeristentaxi, die "vaste prijzen (200-500 d.)" heeft, een gele taxi (35 - 50 d.) die door de werkende lokale bevolking wordt gebruikt of een bushtaxi die je voor 2 dalassi een vast traject meeneemt. Ga maar langs de weg staan, hij stopt overal. Met een beetje geluk krijg je onderweg een klein kind op schoot geduwd, met een beetje pech een paar levende kippen, gelukkig nog in een kluitje met de poten aan elkaar gebonden.

Ik zie in de verte al een bushtaxi aankomen: een Peugeot stationwagen, waarin in plaats van de normale zes, inmiddels 9 plaatsen zijn gecreëerd. De deuren zitten gelukkig goed vast met touwtjes of een grote tuindeurschuif en betalen doe je pas als je uitstapt. Je herkent ze aan de gele kentekenplaat. De rit langs mijn hotel is van Kotu Beach naar Serrekunda. Daar stap je in een andere taxi, meestal een minibusje met 15 zitplaatsen (in hetzelfde busje bij ons 9) die je naar Kololi, Bakau, Tanji, Banjul of een volgende opstapplaats voor een verder traject brengt. Ieder traject heeft een eigen begin- en eind- instapplaats. Daartussen stopt hij overal waar je er in of uit wilt. Voor nog geen tien gulden kun echt je het hele land doorreizen. Gegarandeerd dat je veel meemaakt.

We zijn nog geen tien meter verder of er staat een blank paartje met de hand omhoog. De jongeman vraagt aan de chauffeur hoeveel het is naar Serrekunda. Deze antwoordt zonder blikken of blozen 200 dalassi. De jongeman vindt dat wel een beetje veel en na zo’n tien minuten onderhandelen komen ze uit op 150. De mensen die al in de taxi zitten laten het geheel rustig op zich inwerken en ik vind het ook wel vermakelijk. Tijd is een onbekend begrip in Gambia.

De avonden zijn zwoel, de jonge vrouwen mooi en gewillig, de jongemannen ook en zo zie je veel oudere blanke dames met een knappe jonge zwarte man lopen en andersom. De seksuele moraal is totaal anders dan de onze, en 90 % van de vrouwen is in hun jeugd (meestal tussen 2 en 13 jaar) op een gruwelijke wijze besneden.

Voor de Gambianen is Europa het paradijs en ze doen letterlijk alles voor een miniem kansje om door een toerist te worden meegenomen. Hetgeen dan ook regelmatig gebeurt.

Wil je echt iets bijzonders meemaken, vraag dan aan de eerste de beste voorbijganger of hij je naar een Maraboe wil brengen. Je komt dan terecht bij een toverdokter / medicijnman / paragnost die altijd bereid is om tegen een vooraf afgesproken prijs jouw verleden en toekomst bloot te leggen, je een medicijn tegen elke voorkomende kwaal voor te schrijven of jouw vijand door middel van een paar spreuken aan een vloek te helpen.

Hij put vaak uit eeuwenoud lijkende boeken, waarvan de bladen uit elkaar vallen. Om door hem of de door hem opgeroepen geesten geholpen te worden kun je naar draagkracht een kip of geit offeren, waarvan het vlees verdeeld wordt onder arme Gambianen. Geloof er maar in, ik heb verbluffende staaltjes meegemaakt!!

 

 

Hoofdstuk 2

Gambia, Serrekunda, 18 juni 1998. Temperatuur 35 graden in de schaduw.

Ik ben al twee dagen op zoek naar een maraboe en klamp op de markt diverse mensen aan om te vragen. Dan komt Lamin op mij af en vertelt dat hij een zeer betrouwbare en succesvolle maraboe weet. Ik loop hem achterna en we worstelen ons door de mensenmassa die zo typerend is voor een afrikaanse markt. In de grote straat die langs de markt loopt komen we wat sneller vooruit maar moeten voortdurend oppassen om niet door een rijdend stuk roest wat men hier nog steeds auto noemt, te worden aangereden.

Plots duikt mijn gids een deur binnen en loopt door een armoedige kamer zonder meubelen maar wel bevolkt door een moeder met een stel zwarte kindertjes met grote zwarte ogen, die ons nieuwsgierig aanstaren. Ik verontschuldig me half omdat ik met mijn houding geen raad weet, maar we staan al weer buiten op een groot erf. Kippen en varkens lopen los, kinderen en honden spelen op de onbegroeide modder en op matten of oude bamboe banken liggen de mannen die bezig zijn met hun dagelijkse belommeringen, die grotendeels bestaan uit niets doen en de toestand in de wereld bespreken. Vrouwen zijn bezig met de was of koken op een houtskoolvuurtje het dagelijkse maal. Hier komt geen verkoelende wind en het is drukkend warm.

Trots houdt mijn nieuwe vriend de lap opzij die in een deuropening hangt en ik ga binnen in een donkere ruimte waarin slechts een bed staat. Er hangen veelkleurige maar vaalgewassen stoffige oude lappen omheen om het bed van de kamer af te scheiden.

Als mijn ogen zich aan de duister hebben gewend sta ik oog in oog met een stokoude man met grijs haar. Hij heeft een baard van enkele slierten vlassig grijs. Lamin vertelt hem in zijn taal, waarschijnlijk Mandinka, dat ik op zoek ben naar een maraboe en die blijk ik dan nu te hebben gevonden. De oude man spreekt een soort engels terug en vraagt aan Lamin wat ik precies wil.

Hoewel ik zijn engels met enige moeite kan verstaan en telkens op zijn vragen meteen antwoord geef, blijft hij hardnekkig tegen Lamin praten en vraagt hem met elke zin om het voor mij te vertalen. Lamin vertelt hem dat hij mij zojuist op de markt is tegengekomen en dat hij ook niet weet wat ik wil. Ik weet dat zelf ook niet. Ik heb gelezen over deze bijzondere vorm van het uitoefenen van bovennatuurlijke krachten, die in de Islam van dit midden afrika een sterk religieuze achtergrond hebben.

De maraboe vraagt verder niets maar haalt een handvol schelpjes te voorschijn. De schelpjes zijn grijswit, van een soort dat zo’n drie tot vier cm groot is en lijken half opgerold te zijn. Hij spreekt in een onverstaanbaar gemurmel een aantal spreuken of gebeden uit, spuugt op de schelpjes en gooit ze met een rollende beweging in een halve cirkel op de grond. Hij kijkt mij aan en zegt tegen Lamin dat er iets niet klopt. Deze grote blanke heeft volgens de schelpen vier kinderen maar tegelijk ook twee kinderen. Hij wil de schelpjes oprapen, maar ik heb hem begrepen en houd hem tegen. Ik vertel hem dat ik twee eigen kinderen heb en twee stiefkinderen, maar dat alle kinderen bij mij wonen. Hij vraagt hoe dat kan, want hij ziet in de tekenen geen vrouw die bij mij hoort.

Ik was voordien best sceptisch, maar het gebeurde is toch wel heel toevallig. Zou er dan in dit oeroude deel van Afrika toch zo iets bestaan als bovennatuurlijke kracht? Tot zijn specialiteiten behoort het genezen van ziekten en bezetenheid, het voorspellen van de toekomst en het uitspreken en vervloeken van mijn ergste vijanden. Als ik op zoek ben naar een nieuwe vrouw kan hij ook bijzonder goed van dienst zijn. Ik vraag hem in het algemeen om mij gezondheid en voorspoed in zaken te bezorgen.

Hij scharrelt wat achter de lappen die om zijn bed hangen en haalt een ontzettend oud in leer gebonden boek te voorschijn waarin hij voorsichtig begint te bladeren en te zoeken. Er liggen veel losse bladen in. Het papier is helemaal vergeeld, de hoeken zijn afgesleten en de randen zien er uit alsof de muizen er van gegeten hebben. Veel bladen zijn met de hand geschreven of getekend en ik zie tekeningen van symetrische symbolen, vierkanten en driehoekige hokjes waarin woorden, zinnen of spreuken in een soort arabisch lettertype zijn geschreven. Na lang zoeken vindt hij het blad wat kennelijk bij mijn wensen hoort, want hij begint op een nieuw stuk papier nauwgezet de symbolen en letters na te tekenen. Ik zit inmiddels al bijna een uur binnen en het zweet loopt me tappelings over de rug en onder mijn oksels uit.

Ik krijg de indruk dat hij niet kan lezen wat er staat, doch dit werk doet omdat hij dit uit overlevering heeft meegekregen. Ook de ouderdom van de leren omslag en de totale versletenheid van de bladen lijkt dat te bevestigen. Hij schrijft met een soort pen die hij telkens in de inkt moet dopen en doet er ongelooflijk lang over om zijn werk af te maken. Eindelijk, na nog bijna een uur is het af en hij vouwt het papier net zolang op tot er een vierkantje is ontstaan dat zo’n drie bij drie cm groot en een centimeter dik is. Hiermee moet ik naar een andere "specialist" die het voor mij in een leren lapje zal naaien en die maakt er ook een leren veter aan, zodat ik dit amulet om mijn nek of om mijn bovenarm kan dragen.

Om het amulet ook werkelijk kracht te geven moet er vervolgens door mij een kip of een geit worden geofferd. Het beest dient te worden geslacht en het vlees moet worden verdeeld onder de echte armen van Gambia. Ik wist niet eens dat er ook andere Gambianen bestonden.

Na lang onderhandelen geef ik de maraboe 250 dalassi om de geit te gaan kopen, maar ik vraag wel of ik het ritueel niet hoef bij te wonen. Gelukkig is dat niet nodig. Ik heb het amulet nooit gedragen en ik denk dat zich dat deels heeft gewroken. Ik ben nog steeds gezond, mijn kinderen ook, maar zakelijk ………

 

 

Hoofdstuk 3

Ongeluk met een huurauto in Gambia.

Maart 1999.

Voor de zesde maal een bezoek aan The Gambia, het land en zijn bevolking die mij zeer nauw aan het hart liggen. In het vliegtuig tref ik twee heren van rond de zestig en we blijken bij aankomst in hetzelfde hotel te zitten, Kotu Hotel, gelegen naast het voortreffelijke restaurant Sir Williams, dat wordt gerund door een Nederlandse eigenaar.

Ik kom met hen aan de praat en stel voor om samen een auto te huren, zodat we iets meer van het land kunnen zien. Ik weet een goed en goedkoop reisburo’tje waarvan de eigenaar zeer betrouwbaar is, Kairaba Tours (tip) tegenover hotel Banna Beach in Kololi. We huren bij hem voor redelijk geld voor een week een open Toyota Landcruiser, four-wheel drive, zodat we ook over het strand naar de vissersplaats Tanji, een kilometer of dertig van Serrekunda, kunnen rijden.

Na een bezoek aan Barra, met de antieke uit Nederland afkomstige veerpont, over de rivier de Gambia, die hier zo breed is dat je de overkant niet kunt zien, nog even naar de markt voor een lekkere vissenkop en daarna heerlijk eten bij Lamin Lodge, gelegen tussen het vliegveld en de hotelregio, aan de rivier. We nemen het besluit om naar Georgetown te rijden en daar twee nachten over te blijven. We ruilen het kleine Toyota’tje in voor zijn dichte grote broer.

Een rit van ruim 300 km. over een zeer slechte weg met veel gaten en weinig asfalt. Het is er veel heter als aan de kust. Op kilometerslange stukken kun je absoluut niet meer dan zo’n 25 km. per uur rijden omdat anders de vullingen uit je kiezen rammelen. Een avontuur dat ik alleen aanraad aan toeristen met stalen zenuwen die zich kunnen aanpassen aan de omstandigheden, veel water meenemen en veel geduld hebben. Onderweg kopen we mango’s, die zo lekker en sappig zijn dat de geïmporteerde smakeloze harde dingen die ze in Nederland onder dezelfde naam verkopen, beslist niet uit dezelfde wereld afkomstig zijn. Overal langs de weg overal kinderen die hard komen aanrennen: toebab, toebab, any sweet? any money? give me pen please!! Toebab, one dalassi!!!

Ik heb een stapel schriften bij me en een doos balpennen. Als je die gaat uitdelen heb je binnen de kortste keren hordes kinderen om je heen die alles uit je handen graaien en met hun scherpe nageltjes onbewust gemene krassen in je handen maken. Ze trekken ze zo bij elkaar uit de handen dat maar weinig pennen het überhaupt overleven, zodat niemand er wat aan heeft. Ik doe dat anders. Ik vraag wie er al zijn naam kan schrijven. Ik haal dan een telkens maar één schrift en één pen uit mijn bagage en laat het betreffende kind trots voordoen wat hij of zij al kan. Lukt dat, dan laat ik hem of haar de pen en het schrift houden. Let op: dat kan je veel tijd kosten, want veel kunnen er schrijven. Zij hebben hun pen nu zelf verdiend en er ontstaat geen onderlinge ruzie!!!

We komen vrij laat in de avond na een lange, vermoeiende en stoffige dag aan en dan blijkt het door mij gekozen Janjan Burreh Camp helemaal volgeboekt. Terug over de rivier de Gambia met de handgetrokken pont en aan de overkant van de rivier is er in het centrum van Georgetown gelukkig nog plaats in een hotel dat bestaat uit een centraal gebouw met daaromheen enkele hutten. Douchen doe je met de tuinslang, als er al water is. In Georgetown staan er nog wat ruïnes van vroegere slavenverblijven, de natuur is erg mooi en stoffig en enkele kilometers aan de overkant van de Gambia rivier, twee ponten verder, is er nog een imposante kring met manshoge stenen waarvan tot op heden nog niemand weet wat er de betekenis van was. ‘s Avonds bezoeken we een "concert" waarvoor de hele gemeenschap is uitgelopen en wij de enige blanken zijn.

We zouden de auto tot en met maandagavond houden en ik heb met de verhuurder en mijn reisgenoten afgesproken dat zij de wagen terugbrengen. Zij blijven nog een week langer. Ik heb tot dan toe altijd zelf gereden, maar ik moet maandagmiddag al inpakken voor het vliegtuig van die avond. Ik meld de hostess dat ik op eigen gelegenheid ga. Zo hoef ik niet uren voor vertrek op het vliegveld rond te hangen. Tussen de middag rijden we nog even naar Lamin Lodge voor een relaxte en heerlijke lunch en op de terugweg, jawel hoor: een lekke band.

Nu komt mijn tijdschema flink in de war, want we staan in the middle of nowhere. Ik pak een alomtegenwoordige local taxi, zo een die geel is met een groene band over de motorkap, niet geschikt voor toeristen en laat me naar het hotel rijden. Aan de overkant van de weg waaraan ons hotel ligt is een marktje en ik moet nog even twee jembeh’s kopen. Ik had ze al op het oog had heb er al over onderhandeld. Als de verkoper mijn koffers ziet gaat er meteen een hele hoop van de prijs af en ik koop ze voor zo’n vijfenveertig gulden per stuk. Bij ons brengen die gemakkelijk ƒ 400 per stuk op. Let wel op de kwaliteit!!!

Met de taxi naar de luchthaven en warempel, onderweg kom ik mijn vrienden tegen die inmiddels al een mannetje hadden gevonden die de band heeft geplakt en opgepompt. Ik haal mijn koffers en de jembehs uit de taxi en ga met mijn vrienden verder. Op het vliegveld parkeren wij de auto en laten hem wassen door twee jongens die al een emmer met brak water bij de hand hebben, maar zo ziet hij er tenminste wat schoner uit als mijn vrienden hem gaan inleveren. We drinken nog een Julbrew in de bar en nog een en dan moet ik door de douane, want de vlucht is al aangekondigd en iedereen is aan het instappen.

De volgende dag word ik opgebeld uit Gambia, het policestation in Kotu. Het blijkt dat de auto bij terugkomst niet meer op de parking stond en de twee jongens er mee zijn gaan rijden. Mijn vrienden wisten niet wat ze er mee aanmoesten en zijn maar met een taxi naar het hotel gegaan. De volgende ochtend zijn ze dus van het bed gelicht omdat de joyriders helaas geen rijervaring hadden en met een flinke vaart een huis zijn binnengereden. De hele muur lag er uit en twee mensen belandden in het ziekenhuis. De auto was total loss, maar dat zijn de meeste auto’s al als ze in The Gambia aankomen.

Wel op zo’n moment doe je er beter aan om de politie de benodigde fondsen (steekpenningen) te verstrekken dan om de eigenaar genadeloos te stellen. Ik had de auto op mijn naam gehuurd, want dat had ik in eerdere vakanties ook bij hen gedaan. Men vond dus dat ik aansprakelijk voor de schade was.

Helaas kan ik vanuit Holland niet veel voor hen doen, maar de volgende keer als ik naar Gambia ga doe ik het anders: Heen met een grote dichte vierwiel aangedreven oude Toyota en terug pak ik dan maar het vliegtuig.