Cursus Materialenkennis van de avondopleiding Kunstambacht Hout – Meubel,

Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen

Copyright Nathalie Posson

 

 

Het afwerken van hout :

 

 

Oppervlaktebehandelingen van hout zijn noodzakelijk om hout(en voorwerpen) te beschermen tegen mechanische (slijtage), fysische (bv. UV-stralen, RV) en chemische invloeden (bv. zure regen, ‘zure’ vingers, basische omgevingsdampen)= te verduurzamen,  en om het een mooier uitzicht te geven.

Kleuren en beitsen zie ik als een voorbehandeling en geen afwerking, en wordt dus apart behandeld.

 

Er zijn verschillende materialen en verschillende technieken om hout(en voorwerpen)  af te werken.

Maar om een efficiënte afwerkingslaag te bekomen, is een gepaste  voorbehandeling van het houten oppervlak essentieel.

We bespreken daarom eerst deze voorbehandelingen, en dan de 3 soorten afwerkingsprodukten (vernis, was, olie), de mogelijke technieken en de toepassingen, historisch en hedendaags.

 

 

Voorbehandelingsmethodes:

 

Een afwerkingslaag aanbrengen is de laatste bewerking die een houten oppervlak gaat ondergaan, daarna kan er niets meer aan het oppervlak

gedaan worden zonder die afwerkingslaag te beschadigen/beïnvloeden/ verwijderen. Het oppervlak moet dus in zijn definitieve staat gebracht worden. In de meeste gevallen wil dit zeggen dat het een glad, gelijkmatig, rein oppervlak moet worden. En meestal is het uiteindelijk de bedoeling om een glanzend oppervlak te bekomen:

Ruw oppervlak: als een lichtbundel op een onregelmatig oppervlak valt,  valt de parallelle lichtbundel uiteen en zal elke gereflecteerde lichtstraal een andere richting opgaan afhankelijk van de toestand van het oppervlak waar de individuele lichtstraal op terechtkwam. Deze vorm van reflectie noemt men diffuse reflection. Het effect van diffuse reflection ziet u in onderstaande afbeelding. Zowel de gereflecteerde lichtstralen als de normaalvectoren van de individuele lichtstralen lopen niet langer parallel, waardoor het oppervlak een matheid uitstraalt.

Onregelmatig oppervlak

Bij een onregelmatig oppervlak gaat iedere lichtstraal zijn eigen weg

 

 

 

 

Dit in tegenstelling tot een glad (dicht) oppervlak, dat zich kenmerkt door een heldere en glanzende uitstraling: de lichtstralen worden wel loodrecht  weerkaatst.

Weerkaatsing invallende lichtstralen

De invallende lichtstralen worden parallel weerkaatst op een glad oppervlak

 

 

 

Cursus Materialenkennis van de avondopleiding Kunstambacht Hout – Meubel,

Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen

Copyright Nathalie Posson

 

 

Om dit te bereiken zijn er enkele bewerkingen die men kan toepassen:

 

 

1. Schuren:

Schuren is een verspaningstechniek waarbij met een abrasief over een oppervlak gewreven wordt. Het abrasief is harder dan het oppervlak, en er wordt dus materiaal afgeslepen, met name om een gladder oppervlak te krijgen (schilderwerk, lakwerk, oppervlakte-analyse), maar ook wel om een glad oppervlak juist wat op te ruwen (voor verlijming) of om wat materiaal op gecontroleerde wijze te verwijderen (b.v. verwijderen oude verflagen).

!Bij het schuren van een helder glanzend houtoppervlak, zal er altijd een zekere mate van matheid ontstaan. In dit verband gezien is schuren een opruwende bewerking!

 

*NB: De Schaal van Mohs:

In verband met de hardheid van het abrasief, even de schaal van Mohs: de Mohs hardheid van een vaste stof geeft op een schaal van 1 tot 15 aan hoe hard een materiaal is. De hardheid kan bepaald worden met een sclerometer. De meest gebruikte schaal werd ontwikkeld door Friedrich Mohs. Hardheid valt te bepalen door te zien welke stof de andere een kras kan toebrengen. De hoogste waarde is 15,0, die wordt toegekend aan diamant. Met een diamant kan dus iedere andere stof gekrast worden. Boornitride bijvoorbeeld is iets zachter dan diamant, maar harder dan alle volgende vaste stoffen, het heeft een hardheid van 9,8. Mohs selecteerde tien welbekende mineralen voor zijn schaal op empirische wijze.

 

 

 

Mohs Hardheid

Mineraal

Absolute Hardheid

'Krasinformatie'

1

Talk (Mg3Si4O10(OH)2)

1

Het zachtste mineraal. Met elk van de andere krasbaar.

2

Gips (CaSO4·2H2O)

2

Krasbaar met een vingernagel.

3

Calciet (CaCO3)

9

Met een koperen munt krasbaar, met een stalen mes zeer goed snijdbaar.

4

Fluoriet (CaF2)

21

Met een mes enigszins krasbaar.

5

Apatiet

(Ca5(PO4)3(OH-,Cl-,F-))

48

Met een mes nog krasbaar.

6

Orthoklaas (KAlSi3O8)

72

Met een mes nauwelijks, met een stalen vijl enigszins krasbaar.

7

Kwarts (SiO2)

100

Krast glas, staal, koper en de meeste andere stoffen.

8

Topaas

(Al2SiO4(OH-,F-)2)

200

Krast kwarts.

9

Korund (Al2O3)

400

Krast topaas.

10

Diamant (C)

1500

De hardste van alle bekende natuurlijke stoffen.

 

Cursus Materialenkennis van de avondopleiding Kunstambacht Hout – Meubel,

Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen

Copyright Nathalie Posson

 

Men heeft de tabel later wat uitgebreid tot een schaal van 1 tot 15, vooral omdat de sprong van korund naar diamant wel erg groot was.

 

Hardheid

Mineraal

1

Vloeistof

2

Gips

3

Calciet

4

Fluoriet

5

Apatiet

6

Orthoklaas

7

puur kwartsglas

8

Kwarts

9

Topaas

10

Granaat

11

Zirkonia-smelt

12

Alumina-smelt

13

Siliciumcarbide SiC

14

Boorcarbide BC

15

Diamant

 

 

Schuurpapier:

Het meest gebruikte hedendaagse schuurmiddel is schuurpapier. Dit is stevig papier waarop met lijm scherpgepunte korreltjes van een slijpend materiaal zijn aangebracht.

[1]De eerste vermelding van schuurpapier betreft het 13e eeuwse China waar geplette schelpen, zaden en zand met natuurlijke gom op perkament werden geplakt. Op 14 juni 1834 verkreeg Isaac Fischer jr. uit Springfield (Vermont) vier patenten op schuurpapier. Zijn schuurpapier kon alleen droog worden gebruikt, en het stof veroorzaakte loodvergiftiging bij de arbeiders die er mee moesten werken. De Minnesota Mining and Manufacturing Company, tegenwoordig bekend als 3M, vond begin jaren twintig van de 20e eeuw schuurpapier uit dat ook voor nat schuren kon worden gebruikt.

Er zijn talloze soorten schuurpapier, afhankelijk van de toepassing, waarbij er onderscheid bestaat in:

-de gebruikte onderlaag: papier, kunststof (“fiber”, vooral bij elektrische en pneumatische schuurmachines), textiel (dit laatste wordt dan vaak schuurlinnen genoemd, vooral wanneer bestendigheid tegen scheuren, duurzaamheid en flexibiliteit verlangd wordt)

-de gebruikte lijmsoort: huidenlijm (lichte schuurbewerkingen, niet waterproof), halfkunsthars (middelzware bewerkingen, waterproof) of volkunsthars (zware machinale schuurbewerkingen, bestand tegen hoge slijphitte).

-de korrelgrootte van het slijpmiddel: meestal aangeduid met een getal, waarbij een hoger getal een fijner schuurpapier aangeeft: 24 of 40 is grof, 600 is fijn; voor toepassing in de metaallakindustrie zijn fijnheden tot 12.000 verkrijgbaar. Het getal komt van het zeven van het materiaal.

Theoretisch geeft het aan hoeveel mazen per vierkante inch van de zeef te vinden zijn. Er is een Amerikaanse en een Europese norm(=P- gradering). Deze komen tot P220 vrijwel overeen, daarboven zijn er duidelijk verschillen.    *

De gekozen korrelgrofte is altijd een compromis tussen de verlangde finish en de verlangde verspaning: hoe grover de korrel, hoe sneller de verspaning doch hoe groffer de finish, en andersom.

 

-het materiaal van het slijpmiddel: Flint = vuursteen en granaat[2] zijn natuurlijke schuurkorrels, silicium carbide[3] en aluminiumoxide[4] zijn in een oven gesmolten schuurmaterialen.

-de vorm van de drager: gewone schuurpapiervellen, of op maat gesneden voor de schuurzool van de elektrische schuurmachine of in de vorm van banden voor de bandschuurmachine.

-de dichtheid van het slijppoeder op de onderlaag: met name bij machinaal schuren, maar ook bij het schuren van zachte materialen, laklagen,…  mogen de korrels niet te dicht op elkaar zitten (= “openkote”, “structure ouverte” = +/- 50% bezet) omdat dan de ruimte ertussen snel vol gaat zitten met schuurstof waardoor het papier snel onbruikbaar wordt Ö “closekote”, “structure fermée” heeft de grootst mogelijke hoeveelheid snijpunten per cm² en wordt gebruikt voor normale slijpbewerkingen.

 

Met al deze verschillende onderdelen kunnen eindeloos veel verschillende combinaties worden gemaakt, ieder met uiteenlopende, specifieke eigenschappen. Een juiste keuze is belangrijk voor een goed resultaat.

Bv. ook de keuze tussen droog dan wel nat schuren kan worden bepaald door[5]:
- de ondergrond: er zijn ondergronden die in zekere mate vochtgevoelig zijn                                                                                                                                                             - de schuurmachine waarmee wordt gewerkt: de meeste machines zijn alleen maar geschikt voor droogschuren
- het soort schuurmateriaal: voor het natschuren moet waterproof schuurpapier worden gebruikt
- de omgeving: droog schuren produceert stof, indien stof niet gewenst is, moet er nat worden geschuurd.

De voordelen van natschuren t.o.v. droogschuren zijn:
- voor zeer fijn werk en een wat strakker eindresultaat
- het schuurmateriaal hangt minder aan, dus minder kans op krassen
- geen stofontwikkeling
- minder wrijvingswarmte.

De nadelen van natschuren t.o.v. droogschuren zijn:
- er bestaat kans op indringen van vocht in naden en kieren en achterrubbers, daardoor kans op roestvorming
- soms moet lang worden gewacht om het door de geschuurde laag opgenomen water te laten verdampen
- als de schuurbrij aankoekt dan moet opnieuw worden geschuurd
- de in poriën achterblijvende schuurbrij droogt vast op en is vrijwel niet te verwijderen
- de opgedroogde brij kan later vocht uit de omgeving aantrekken, zelfs door verdere opgebrachte lagen verfmateriaal heen blistering veroorzaken
- de natschuurmethode is arbeidsintensief door nawassen en droogzemen
- door het “spiegelen” van het geschuurde oppervlak is het schuurresultaat niet direct zichtbaar.

 

 

 Cursus Materialenkennis van de avondopleiding Kunstambacht Hout – Meubel,

Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen

Copyright Nathalie Posson

 

2.Polijsten:

Polijsten is het dusdanige fijnslijpen met een abrasief poeder van een oppervlak,  totdat de krasjes zo microscopisch klein worden dat het menselijk oog ze niet meer kan onderscheiden en er een reflectie van licht plaatsvindt hetwelk wij ervaren als glans.

Dus een belangrijk verschil met schuren is dat er bij polijsten met een los schuurpoeder wordt gewerkt, en dat men tot een glans (kan) komen.

Vóór het gebruik van schuurpapier, bestond de voorbehandeling uit het bewerken met  ruwe slijpmiddelen  voor het effenen van het naakte houten oppervlak:

Cröker[6] vermeldt als ruwste poliermiddel zandleder: fijn leder wordt opgespannen en dik met lijm bestreken, waarop men fijn zand strooit. Ook haaienhuid en huid van zeetong worden vermeld als ruw slijpgereedschap.

 

Daarna polijst men het houtoppervlak met steeds zachtere poeders en materialen, eventueel tot de gewenste glans bereikt wordt! Nochtans meestal wordt na een tijdje een vernislaag aangebracht met een borstel, en wordt dan deze vernislaag op dezelfde manier glad en (hoog)glanzend gepolijst (zie verder):

De paardestaart (een rietachtige plant) en puimsteenpoeder werden zowel voor de houten ondergrond, als voor het polijsten van de vernislaag aangewend. Voor het fijnere vernis- en ook metaal-polijstwerk vermeldt men Trippel of Tripoli bv. reeds in een Frankfurts “Künstbuchlein” uit 1535. Hier wordt het Trippelpoeder met geitenleder gewreven. In de “Dictionaire Universel de Commerce” van 1723 wordt Tripolipoeder als volgt omschreven: “Tripoli, que l’on nomme aussi Alana. Espece de craye ou de pierre tendre et blanche, tirant un peu sur le rouge, sert à polir les ouvrages des Lapidaires, Orfèvres, Miroitiers & Ouvriers en cuivre.” De beste Trippel kwam uit mijnen in Italië en uit Poligny bij Rennes.

In de 18de eeuw vermeldt Roubo houtskoolpoeder als poliermiddel, hetwelk met olijfolie gebruikt wordt.

Tenslotte meldt Stöckel[7] ook nog hertshoorn als poliermiddel om na puimsteenpoeder op witte olieverf te gebruiken, om deze tot een porseleingladheid te polijsten. Ook bij het polijsten van meubelvernissen en –lakken met vilt en olie wordt hertshoorn gebruikt.

Deze fijnere polijstmiddelen werden vooral populair samen met de China-mode en de daardoor vergrote interesse voor perfecte lakken in de 18de eeuw.

Men kan besluiten uit vooral 18de eeuwse geschriften dat  alle vernissen werden gepolijst met diverse slijpmiddelen.

Cursus Materialenkennis van de avondopleiding Kunstambacht Hout – Meubel,

Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen

Copyright Nathalie Posson

 

3. Leppen of vlakleppen:

 

 

Leppen is een verspaningstechniek voor het ultravlak maken van oppervlakken. Leppen wil zeggen dat het te bewerken oppervlak over een vlakroterende plaat wordt bewogen waarop zich een slijp-emulsie bevindt: korrels vormen samen met olie een leppasta, of met petroleum een lepvloeistof. Het lepgereedschap en het werkstuk glijden over elkaar heen, met de leppasta ertussen. Hierdoor schuren de korrels zowel over het werkstuk als over het gereedschap, zodat van beide materiaal wordt afgenomen. Leppen worden gebruikt in gaten, het gereedschap is dan kegelvormig. Tijdens het leppen worden de korrels versplinterd, waardoor steeds fijnere korrels ontstaan en op het product een zeer glad oppervlak ontstaat. Leppen wordt onder meer toegepast bij delen met nauwe diktetoleranties of zeer lage oppervlakteruwheden: bij de fabricage van zuigerringen, koppelingsringen en onderdelen voor meetapparatuur.

 

 

4. Poriënvullen:

 

Om een glanzende afwerking te verkrijgen, is het (meestal) nodig om de “poriën” (dit zijn eigenlijk de houtnerven), scheurtjes, krassen, … in het houtoppervlak op te vullen, zodat het oppervlak perfect vlak is. Anders bekomt men nooit de zuivere lichtbreking en -weerkaatsing die nodig is voor glans.

Historische vulmiddelen bestaan uit al dan niet kleurloze poeders die d.m.v. een oplos- en bindmiddel diep en blijvend in het hout worden ingewreven. Een voorbeeld is ethanol (oplosmiddel, eigenlijk een oppervlakte-spanningsbreker die het aan het bindmiddel gebonden poeder diep in het hout laat doordringen) waaraan schellak (bindmiddel, “lijmt” de poederkorrels in het hout) wordt toegevoegd. Met een met deze oplossing doordrenkte prop wordt een poeder in het houtoppervlak gewreven. Het meest kleurloze poeder dat men had was puimsteenpoeder, hetgeen meestal gebruikt werd bij marqueterieën, aangezien hier verschillende houtsoorten met verschillende kleuren naast elkaar behandeld moesten worden. Gekleurde poeders werden gebruikt om hout een extra dimensie te geven bv. houtskoolpoeder is zeer mooi bij notelaar, baksteenpoeder is zeer mooi bij notelaar en amarant.

 

Hedendaagse poriënvullers hanteren nog steeds hetzelfde principe van oplos-, bind- en vulmiddel, maar zijn makkelijker aan te brengen. Ze komen voor onder verschillende benamingen: bouche-pores, sealer, filler, …. Het zijn eigenlijk meestal gronderingsvernissen (» grondverf = hetzelfde maar dan gepigmenteerd).

De eisen waaraan een goede grondvernis moet voldoen zijn: makkelijk aan te brengen, een goede vloei hebben, snel drogen, goed schuurbaar zijn en natuurlijk vullende eigenschappen hebben, bv. cellulose poriënvuller (“sealer cellulose”): een kleurloze vloeistof met cellulose als bindmiddel. Het oplosmiddel is het zeer vluchtige thinner cellulose, zodat deze poriënvuller zeer snel droogt.

 

Deze moderne poriënvullers zijn meestal niet of moeilijk reversibel en worden dus niet gebruikt in de meubelrestauratie en –conservatie!

         

Wanneer men als afwerkingslaag gaat boenen, is poriënvullen sowieso niet wenselijk, aangezien het aspect van een volledig gevuld oppervlak storend is bij een geboend meubel en historisch incorrect is.

Bovendien zou het een overbodige actie zijn, aangezien de boenwas ook poriënvullend optreedt.

 

 

 

Cursus Materialenkennis van de avondopleiding Kunstambacht Hout – Meubel,

Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen

Copyright Nathalie Posson

 

 

Afwerkingsmethodes:

 

 

1.   Vernis :

 

Vernis is een samenstelling van oplosmiddelen en vaste bestanddelen, vermengd naar gelang de specifieke vereisten van het af te werken voorwerp. Na verwerking verdampen de oplosmiddelen en laten aldus een droge film achter die bepaalde eigenschappen zal hebben en zo de technische eigenschappen van het verniste oppervlak zal wijzigen.

 

 

1.1.      Samenstelling:

 

-Oplosmiddelen: deze kunnen solventen zijn of water. Zij zijn slechts de dragers van de vaste bestanddelen. Na de verwerking zullen zij verdampen en hebben zij in principe niets meer met de droge vernisfilm te maken. Zij hebben dus enkel als doel het transport vanuit de pot tot aan de film op het hout te verzorgen. De gebruikte oplosmiddelen zullen hoofdzakelijk

verantwoordelijk zijn voor de droogtijden of de daaraan gekoppelde

applicatiemogelijkheden van de vernis.

-Harsen en bindmiddelen: dit zijn de producten die echt de droge film gaan

vormen. Men kan dus stellen dat de kwaliteiten en eigenschappen van de gebruikte harsen doorslaggevend zullen zijn voor de eigenschappen van de uitgeharde vernisfilm. Vergeling, krasvastheid, vochtbestendigheid, slijtvastheid, … van de vernislaag worden bepaald door de gebuikte harsen en bindmiddelen.

-Toevoegingen: dit zijn producten die toegevoegd worden om bepaalde

eigenschappen van de vernis te verbeteren of te veranderen. Bv. een matteringsmiddel om de glansgraad te breken, een schuurmiddel om grondvernis beter en prettiger schuurbaar te maken, additieven en oliën om een gladdere, zachter aanvoelende film te verkrijgen, weekmakers om de flexibiliteit en elasticiteit van de droge film te verbeteren.

 

 

1.2.      Soorten:

 

Er bestaan ongelooflijk veel vernissoorten, maar een belangrijke indeling is deze volgens het filmvormings- en drogingproces:

-Fysische droging:

® de droging geschiedt uitsluitend door verdamping van de oplosmiddelen. De vaste-stof-moleculen sluiten zich aaneen en vormen een film op het werkstuk. Er is dus geen chemische reactie en de film kan steeds terug opgelost worden met oplosmiddelen.

® vb.’en: nitro-cellulosevernissen en eigenlijk praktisch alle historische vernissen zoals alcoholvernissen, olievernissen, …

-Poly-additie:

® dit is een reactie tussen twee verschillende componenten in de vernis: één der componenten speelt bij de filmvorming de rol van verharder. De twee grondstoffen samen vormen een nieuwe stof die met de uitgangsproducten niets meer gemeen heeft.

® de film is niet meer oplosbaar in oplosmiddelen, het proces is

onomkeerbaar.

® vb.’en: acryl- en polyurethaanvernissen

-Er zijn nog drie soorten, die vooral worden gebruikt in de verf- en meubelindustrie: polycondensatie, polymerisatie, oxydatieve droging

 

 

Cursus Materialenkennis van de avondopleiding Kunstambacht Hout – Meubel,

Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen

Copyright Nathalie Posson

 

 

1.3.      Technieken:

 

Een vernis aanbrengen kan op verschillende manieren:

A) De eenvoudigste manier is die waar men de vernis opstrijkt met een borstel of penseel. Hoe groter het oppervlak, hoe breder het penseel. Het is niet de bedoeling de vernis uit te strijken, eerder om hem ‘erop te leggen’. Wanneer men te veel blijft strijken gaat men de reeds wat gedroogde en dus viskeuzere vernis terug kapotstrijken, met sterk opvallende borstelstreken tot gevolg.

De beste aanbrengtechniek, met het minste opschuurwerk achteraf, is de volgende  (volgens een vakschilder. Lakken zijn tenslotte gewoon gepigmenteerde vernissen): de tot een kwart à de helft in de vernis gedoopte borstel laat men onder een hoek van 45° over het oppervlak glijden, met de houtnerf mee. De volgende streek zet men zo snel mogelijk, en laat men half over de vorige komen, zodat de vernis ineen kan smelten. Zo doet men het gehele oppervlak in één sessie, ervoor zorgend dat men nooit raakt aan reeds vóór de voorgaande streek aangebrachte vernis. Wanneer de vernis aanraakdroog is (bij cellulosevernis bv. reeds na 1 uur), kan men een tweede laag aanbrengen. Indien gewenst kan men tussen twee lagen in steeds eerst de vernis ‘slijpen’ met water, zeep en waterproof schuurpapier. Wanneer de vernis volledig, d.w.z. door en door (voor schellak bv. 24 uur) droog is, worden de eventuele borstelstreken weggeschuurd met staalwol of heel fijn schuurpapier. Indien men wenst kan men zo verschillende lagen aanbrengen om de glans te verhogen en verdiepen.

 

B) Een hedendaagse manier is vernis aanbrengen met een spuitpistool. Hierbij wordt de vernis (meestal aangelengd met zijn oplosmiddel) door toevoegen van gecompresseerde lucht verneveld over het werkstuk, waardoor een zeer dunne streeploze laag vernis wordt gezet. Wanneer deze droog is zet men een volgende, en een volgende, …. Tot men de gewenste glans bereikt heeft. In principe, wanneer de druk/vernis/lucht/afstand/laagdikte/… perfect afgesteld zijn, is opslissen tussendoor en achteraf niet nodig.

Ook op historisch meubilair wordt bij restauraties van de afwerkingslaag gebruik gemaakt van het spuitpistool (met ethanol en eventueel wat olie verdunde schellak laar zich zeer fijn vernevelen). Meestal is het wel nodig om het vernissen af te ronden met een vernislaag aangebracht met een historische techniek (borstel, prop, polijsten) om tot een rustig en correct ogend geheel te komen.

 

C) De beroemdste manier is vernis aanbrengen met een prop, het zogenaamde politoeren. Dit is de methode om het juiste mengsel van vernis en oplosmiddel op een houtoppervlak aan te brengen, zonder dat er kwasten of penselen aan te pas komen: het aanbrengen gebeurt met een dot, een textielbal, hetgeen blijkt uit de franse term “vernissage au tampon”, letterlijk “vernissen met de prop”. In de loop der tijd is de term een hele reeks handelingen gaan omvatten, die het eigenlijke politoeren –het aanbrengen van een vernis op een houtoppervlak, met een prop om borstelstreken te vermijden-- voorafgaan en volgen:

     *inoliën: in sommige geschriften en ateliers begint/begon men met het hout in te oliën met Summatra-olie of paraffine-olie, om de kleur van het hout te verdiepen en de houttekening te verlevendigen. Bovendien vergemakkelijkt het het puimen en het lopen van de politoerprop. Dit kan echter alleen op nieuw hout!!!!, dus op een zelfvervaardigd politoerwerkstuk. Bij een restauratie kan men dit NIET doen, aangezien het hout er zeer vlekkerig door wordt: het is immers niet overal even verzadigd en gepatineerd zodat een egale verkleuring uitblijft. Wanneer men enkel lacunes gaat bijpolitoeren, dan is bij eerst inoliën een nooit-meer-te-verwijderen kleurverschil onvermijdelijk!! Bij het aanbrengen van de vernis gaat men op den duur wel olie gebruiken, maar absoluut pas wanneer al het hout voorzien is van een vernislaagje. In het Londense museum van “The Wallace Collection” kampt men zo met een onoplosbaar probleem: daar gebruikte een restaurateur te vroeg olie, waardoor er nu lelijke donkere vlekken zitten op hun gepolitoerde 17de en 18de eeuwse meubelen!

Wanneer men een nieuw werkstuk eerst inoliet, moet men wel weten dat deze techniek het politoerwerk vergemakkelijkt, maar ook zorgt voor kringen, en een minder goede adhesie en droging van de politoer.

 

     *puimen: dit is het poriënvullen (zie hoger). Zeker bij politoeren is het belangrijk dat de poriën echt volledig gevuld zijn, om een  goed eindresultaat te verkrijgen. Dit houdt meestal in dat men na een eerste volledige vulling, het werkstuk 24 uur laat rusten aangezien de vulling nog zal wegzakken tijdens het drogen (het oplosmiddel dat er volledig uit moet verdampen). De volgende dag begint men dus dikwijls gewoon precies helemaal overnieuw (dit is vooral het geval bij grofnervige houtsoorten).

Wanneer uiteindelijk alles goed gevuld is, wordt het oppervlak gereinigd met wat alcohol en staalwol N°000, zodat zeker geen vuile laag vernis/poeder achterblijft.

 

     *vernissen: het principe is dat door het luchtige snelle wrijven over het houtoppervlak, met een textielprop waarop een juist vernis-oplosmiddel-mengsel is gesprenkeld, er voortdurend een nieuwe flinterdunne vernislaag wordt aangebracht. Deze wordt steeds aan de reeds aanwezige laag gelast daar die “smelt” door de wrijvingswarmte, en door het in de prop aanwezige oplosmiddel. Zo bekomt men dan een een zeer egale vernislaag zonder strepen, zonder slissen.

 

     *opklaren: om het vernissen makkelijker te laten verlopen, en de kans op stroppen en stuktrekken van de vernislaag te verkleinen, wordt  meestal wat olie toegevoegd aan het mengsel op de prop. Deze olie migreert op den duur sowieso allemaal naar het vernisoppervlak, en vormt daar een goede beschermlaag voor de vernis tijdens het drogen, en ook eventueel nog daarna, bv. bij het stockeren of transporteren: stof en vuil, vingerafdrukken, ….komen in de olielaag, en niet aan de vernis.

Maar deze olielaag geeft het oppervlak een vlekkerig, mat aanzicht, dus uiteindelijk moet die er toch af. Dit gebeurt bij het opklaren: met een zuivere prop waarop een klein beetje oplosmiddel gesprenkeld is, gaat men al de olie van het oppervlak verwijderen.

 

     *popotten: men kan het politoeren ook nog beëindigen met een kleine popotte-beurt. Popotte is een zacht abrasieve vernis-reinigingsmelk bestaande uit white spirit, amandelolie, azijn, ethanol, detergent en talk in een “geheime” verhouding. Hiermee worden alle soorten vervuiling opgelost en weggepolijst, zonder dat de vernislaag echt wordt aangetast.

 

 

Cursus Materialenkennis van de avondopleiding Kunstambacht Hout – Meubel,

Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen

Copyright Nathalie Posson

 

 

1.4.      Gebruik:

 

A)   Historisch:

 

*« Ein schöner Glanzfirnis, so dem chinesischen gleichkommt » : neem op 1 maat van de allersterkste en beste brandewijn, 8 delen van uwe mooiste Sandarak, 8 delen van uwe beste schellak, 4 delen collophonium, doe alles in een zuiver glas…..en laat het 24 uur weken, en dan 3 à 4 uur au bain marie koken. (naar Anonymus, Handbuch für Künstler, 1784)

*« Noch ein schöner weisser Firnis :  1 Teil Bernstein (barnsteen), 4 Teile Schellack, 2 Teile Mastix, 3 Teile Sandarak und 2 Teile Kopal,… », (uit H. Stöckel, Handbuch für Künstler, Lackierliebhaber und Ölfarbenanstreicher, 1799).

 

De in historische vernissen gebruikte harsen, bindmiddelen en toevoegingen kunnen opgedeeld worden in :

     balsem : harsachtige kleverige massa die soms vloeibaar kan zijn

     gom : gaande van zachte, kneedbare tot harde stukken. Doorgaans

minder bros dan harsen

hars : harde tot zeer harde stukken waarbij sommige soorten

oplosbaar worden na pyrogeneren (= koken in olie)

 

*Harsen :

-Copal: er wordt onderscheid gemaakt tss.

fossiel copal : overblijfsels van historische bossen of recent

fossiel gevonden aan de voet van de boom. Dit is de hardste soort.

oogstcopal : verse oogst bekomen door het uitvloeien uit

inkervingen in de boomschors

Bekende copalbomen zijn de Copaifera Officinalis en de Bursera Odorata. Kopal wordt dan ook wereldwijd in tropische en subtropische streken gewonnen.  Het is het land van herkomst dat zijn naam geeft aan de copal: Madagascar copal, Congo copal, Sierra Leone, Courbaryl (uit Brazilië). Bij de keuze is vooral de kleur (van wit, over geel en rood naar bruin) en ook de hardheid bepalend. Copal werd vooral gebruikt in zgn. ‘vette vernissen’.

 

-Dammar: zachte hars, wit tot lichtgeel. Vooral gebruikt in zgn. ‘kristalvernissen’ en in cellulosevernissen. Vergeelt niet.

 

-Colophane: = colophonium, is het residu van de distillatie van dennenhars (Pinus), met als distillaat terpentijn. Wordt gebruikt in goedkopere vernissoorten wegens een niet erg bestendige kwaliteit. Na langdurig warmstoken kan men wel de kwaliteit van copal benaderen.

 

-Amber : een fossielhars, wordt weinig gebruikt omdat het erg donkere en tamelijk brosse vernissen levert.

 

-Drakenbloed : van een palmachtige plant (Dracanea draco, Demonorops draco, …). Vooral gebruikt in rode politoervernissen, specifiek aanbevolen voor muziekinstrumenten (tonaliteit van een muziekinstrument wordt sterk beïnvloed door de gebruikte harsen in de vernislagen).

 

 

*Gommen :

-Mastiek : uit Syrië en Griekenland, van de plant Pistacia lentiscum. Zeer lichte kleur, wordt in kleine hoeveelheden toegevoegd om de glans en soepelheid te vergroten

 

-Schellak : = gomlak. Wordt afgescheiden door een insect Coccus lacca, uit Indië en Indochina. Voornaamste gebruikt in alcoholvernissen en politoer.

 

-Gummi gutti : giftige gomsoort, vooral in gele alcoholvernissen

 

-Sandarrak : uit de Afrikaanse plant Callitris quadrivalis. Vooral gebruikt in de klassieke verf- en vernisfabrikatie voor vette vernissen en lakken.

 

-Arabische gom:  een plantengom die gewonnen wordt uit de familie van de Acacia soorten. Deze bomen groeien in de halfwoestijnen van de Sahara tot aan India. De gom wordt al vele eeuwen lang gebruikt in voedsel (drop bijvoorbeeld), verf (aquarelverf), lijm (postzegels) en inkt.

 

 

*Balsems :

-Japanlak : een vormloze bruine pasta komende van de plant Rhus vernicifera, uit China en Japan. Verwerkt in de fameuze China- en Japanlakken. Deze balsem is zeer bijtend op de huid, naar verluid zou de huid van het ‘gele ras’ ertegen bestand zijn.

 

-Venetiaans terpentijn : van de Larix decidua, heeft een lichte kleur en is mals. Gebruikt in alcoholvernis en in naphta-vernissen (op basis van alifatische kws)

 

 

*Gomhars :

-Elemi :  van de plant  Canarium luxonium, een min of meer zachte doch taaie massa die bij warme T° meer uitvloeit. Vooral gebruikt in alcoholvernissen. Heeft een zeer aangename geur, en een witte tot zachtgele kleur.

De hierbij te gebruiken oplosmiddelen worden duidelijk in volgende tabel :

 

 

Cursus Materialenkennis van de avondopleiding Kunstambacht Hout – Meubel,

Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen

Copyright Nathalie Posson

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

[8]

[9]

[10]

 

Het heeft wel heel wat  voeten in de aarde gehad om tot bruikbare vernissen te komen. Voor een meubelrestaurateur-conservator is kennis van de historische evolutie in het gebruik  van meubelvernissen nuttig, omdat o.a. historische correctheid van de gebruikte afwerkingslaag bij een restauratie/conservatie toch steeds het uitgangspunt (zou) moet(en) zijn.

 

 

De oude vernisrecepten zijn onder te verdelen in:

*alcoholvernissen: waarbij vooral het bekomen van zuivere, watervrije en dus hoogpercentagische  alcohol lange tijd problematisch was. In “zevenvoudig gerektificeerde alcohol” of “getartariseerde alcohol” werden verscheidene harsen opgelost  (Mastix, Sandarac, Venetiaans Terpentijn, Collophonium, Schellak, Dennenhars, Wierook, … in steeds wisselende aantallen en verhoudingen. Amber en Copal pas vanaf de 18de eeuw, toen de alcohol zuiver genoeg was om deze opgelost te krijgen).

 

*essentiële-olie-vernissen: oplossingen van dezelfde verscheidene harsen in essentiële oliën. De meest gebruikte oliën zijn terpentijnolie en spijkolie (een inferieure variant van lavendelolie). Tot de 17de eeuw dienden petroleum of een white spirit-achtig distillaat als solventen. Deze soort vernissen werden minder gebruikt op meubels daar ze niet zo fijn gepolijst kunnen worden als alcoholvernissen, aangezien ze niet dezelfde hardheid bekomen. Essentiële-olie-vernissen werden tot de 19de eeuw toegepast op hout, en worden nu nog gebruikt als schilderijvernissen.

 

*olie-harsvernissen: deze zijn welbekend sinds de middeleeuwen en hun samenstelling en productie is tegenwoordig nog steeds vergelijkbaar. De oudste recepten zijn alle gebaseerd op combinaties van zachte hars-oliemengsels, waaraan dan amber werd toegevoegd voor de hardheid. Vanaf 1700 verschijnt Copal als een alternatief voor amber om tot weatherproof en polijstbare vernissen te komen. Om het drogen te bevorderen werden net zoals bij olieverf sinds de 15de eeuw siccatieven (“drogers”) toegevoegd: eerst look, aluin en beendermeel, later mineralen, lood, koperoxide, witte vitriool, …

 

 

Cursus Materialenkennis van de avondopleiding Kunstambacht Hout – Meubel,

Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen

Copyright Nathalie Posson

 

 

Over de behandeling van meubeloppervlakken, alsook de samenstelling van muziek-instrumentenvernissen vinden we echter weinig terug in de historische literatuur. De ontwikkeling van de schilderijvernissen daarentegen is juist zeer uitgebreid genoteerd. We weten dat men ook voor meubelen en muziekinstrumenten deze schilderijvernissen (vooral de olie-harsvernissen) gebruikte,  tot de invoering van schellakpolitoer, dewelke blijkbaar pas in de 19de eeuw plaatsvindt.

Toch weten we er nog veel te weinig over: Watin[11] meldt bv. in 1772 dat ebenisten-werkstukken zelden gevernist en meestal slechts geboend worden, zo ook Roubo[12], die boenwas als een belangrijk ebenistenmateriaal vermeldt. Vermoedelijk geldt dit voor het burgerlijke, en niet voor het hofmeubilair.  De Mayerne heeft het namelijk wanneer hij vernisbereidingen beschrijft, veelvuldig ook over het gebruik daarvan voor de afwerking van meubeloppervlakten, en nooit over het gebruik van was: bv. schrijft hij in zijn “Experiment” in 1631 over een olie-harslak met amber, voor meubelen en ook voor violen, elders bekritiseert hij het lakken van hout: “de over het algemeen op hout gebruikte vernis is glanzend als glas en een belediging voor de ogen”,…. Uit zijn geschriften blijkt dus duidelijk dat functioneel meubilair al sedert jaar en dag gevernist werd.

Edeler houtwerk werd, zo lijkt het dan weer volgens Watin en Roubo, voornamelijk met was geboend en gepolijst, sinds ten laatste de 18de eeuw. Toch is Roubo de eerste die een uitgebreide uitleg geeft over het behandelen van gefineerd meubilair met was…

 

Als er wel vernist werd, werd deze over het algemeen met het penseel aangebracht, en werd die vernislaag geslepen/gepolierd met een heel arsenaal polierpoeders en –gereedschap tot de gewenste glans. De ruwe slijpmiddelen dienden eerst voor het effenen van het naakte houten oppervlak:

Cröker[13] vermeldt als ruwste poliermiddel zandleder: fijn leder wordt opgespannen en dik met lijm bestreken, waarop men fijn zand strooit. Ook haaienhuid en huid van zeetong worden vermeld als ruw slijpgereedschap. De paardestaart (een rietachtige plant) en puimsteenpoeder werden zowel voor de houten ondergrond, als voor het polijsten van de vernislaag aangewend. Voor het fijnere vernis- en ook metaal-polijstwerk vermeldt men Trippel of Tripoli bv. reeds in een Frankfurts “Künstbuchlein” uit 1535. Hier wordt het Trippelpoeder met geitenleder gewreven. In de “Dictionaire Universel de Commerce” van 1723 wordt Tripolipoeder als volgt omschreven: “Tripoli, que l’on nomme aussi Alana. Espece de craye ou de pierre tendre et blanche, tirant un peu sur le rouge, sert à polir les ouvrages des Lapidaires, Orfèvres, Miroitiers & Ouvriers en cuivre.” De beste Trippel kwam uit mijnen in Italië en uit Poligny bij Rennes.

In de 18de eeuw vermeldt Roubo houtskoolpoeder als poliermiddel, hetwelk met olijfolie gebruikt wordt.

Tenslotte meldt Stöckel[14] ook nog hertshoorn als poliermiddel om na puimsteenpoeder op witte olieverf te gebruiken, om deze tot een porseleingladheid te polijsten. Ook bij het polijsten van meubelvernissen en –lakken met vilt en olie wordt hertshoorn gebruikt.

Deze fijnere polijstmiddelen werden vooral populair samen met de China-mode en de daardoor vergrote interesse voor perfecte lakken in de 18de eeuw.

 

Men kan besluiten uit vooral 18de eeuwse geschriften dat  alle vernissen werden gepolijst met diverse slijpmiddelen, en dat de huidige politoer uitsluitend bestaande uit in alcohol opgeloste schellak nog niet bestond of geen noemenswaardige rol speelde. Dit was slechts vanaf de 19de eeuw het geval. Opvallend is dat tot eind 18de eeuw schellak steeds vermengd werd met ander lakmateriaal, en dat de tegenwoordig gebruikelijke schellakpolitoer qua stevigheid en transparantie meestal minderwaardig is aan deze oudere vernissen.

Maar het lijkt dus dat pas tijdens het classicisme  ---toen erg kleurrijke marquetterie plaats ruimde voor uniformere kleuren in het meubilair, met mahonie als meest populaire houtsoort---   schellakvernis in het algemeen en schellakpolitoer in het bijzonder, aan populariteit won. Vooral roodgetinte meubelpolitoeren met een hoog schellakgehalte. Ook veranderde van dan af de techniek van de vernislaag afschuren en glad- polijsten, in de techniek van de vernislaag opbouwen met een in olie en/of alcohol gedrenkte doek of dot, die verder werd gespecialiseerd tot het politoeren dat wij vandaag kennen.

 

In 1815 bv. beschrijft het artikel “Ueber englische Politur, deren Bereitung, Anwendung und conservation der polierten Möbeln betreffend” in het Braunschweigisches Magasin[15]  de toestand van bepaalde meubelvernissen: de qua glans normaalgezien allesovertreffende “Engelse Politoer”  heeft dikwijls heel wat van zijn glans verloren, en enkel een bepaalde schellak-copal-mengeling blijkt duurzaam en zelfs hittebestendig, en enkel deze verdient de benaming “Engelse Politoer“. Bijmengen van Mastix of Sandarak levert geen kwaliteitsverbetering op. Wat de aanbrengtechniek betreft, is deze volledig vergelijkbaar met de door mij beschreven politoertechniek, inclusief “voorslijpen” met puimsteenpoeder. Als olie wordt lijnolie gebruikt, en er wordt nergens iets gezegd over het toevoegen van alcohol. Hertshoorn of Trippel worden gebruikt om het teveel aan lijnolie te binden.

 

 

Cursus Materialenkennis van de avondopleiding Kunstambacht Hout – Meubel,

Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen

Copyright Nathalie Posson

 

 

B)   Hedendaags:

 

Enkele van de meest gebruikte soorten vernis in de interieur-industrie

 

*Nitrocellulose (NC) :

Eén componentsysteem , luchtdrogend.

Meest gebruikte vernis in de meubelindustrie, snelst drogende vernis die er bestaat. Goedkoop product met een zeer vlotte, gemakkelijke verwerking. Minder goede vochtbestendigheid.

Verwerking : spuitpistool, wals, gietstraat, spuitrobot, enz.

Verdunner : specifieke NC verdunner

Droogtijden : stofdroog 2 tot 5 minuten, uitgehard na enkele uren

 

*Synthetische vernis:

Eén componentsysteem, luchtdrogend.

Veel gebruikte vernis in de doe-het-zelf en schilder-sector, vanwege zijn extreem lange droogtijd perfect verwerkbaar met de borstel, doch om diezelfde reden niet zozeer geschikt voor een stofarme industriële verwerking. Vrij duur product met een goede tot zeer goede hard- en vochtbestendigheid. Sommige soorten ook geschikt

voor exterieur.

Verwerking : borstel, lakrol.

Verdunner : synthetische verdunner

Droogtijden: stofdroog enkele uren, uitgehard na enkele dagen

 

*Watergedragen uretaanvernis:

Eén componentsysteem uretaan, luchtdrogend.

Zeer veel gebruikt in de trappen- en parketindustrie. Gezien de droogtijden, geschikt voor rol- en borstelwerk doch ook voor industriële toepassingen zoals spuitwerk of walstoepassingen. Vrij duur product met een enorm hoge vochtbestendigheid, chemische resistentie en slijtvastheid. Daar dit product vrijwel reukloos, niet giftig en niet brandbaar is, zal het zijn plaats in de industrie en doe-het- zelf sector zeker en vast wel vinden.

Verdunner : water

Droogtijden : stofdroog 1/2 uur, volledige uitharding ± 10 tal dagen.

NIET toepasbaar op een solventgedragen kleursysteem.

 

*Watergedragen acrylvernis:

Twee componentsysteem acrylaat, reactiedrogend.

Reeds gebruikt in de keuken & meubelindustrie. Gezien de droogtijden, enkel geschikt voor spuit toepassing. Veel goedkoper product met eveneens een enorm hoge vochtbestendigheid, chemische resistentie en krasvastheid. Niet vergelend. Daar dit product vrijwel reukloos, niet giftig en niet brandbaar is, zal het zijn plaats in de industrie zeker en vast wel vinden.

Verdunner : water

Droogtijden : stofdroog 10min., volledige uitharding ± 10 tal dagen.

Bijkomende voordelen: potlife 1 week, WEL toepasbaar op een solventgedragen kleursysteem.

 

*Poly-uretaanvernis:

Twee componentsysteem, reactiedrogend.

Deze vernissen zijn niet luchtdrogend; zij drogen door het feit dat de twee componenten na menging met elkaar een chemische reactie aangaan. Al naar gelang de samenstelling die de fabrikant aan zijn product geeft, krijgen we hier zeer uiteenlopende eigenschappen zoals krasvastheid, slijtvastheid, vochtbestendigheid, al dan niet vergelende film, enz. Dit product vindt dan ook zijn hoofdzakelijke afnemers in de keukensector, parketindustrie en rotansector. Gezien de meeste van deze producten op basis van isocyanaten werken, kunnen we wel stellen dat dit product wel vrij schadelijk is voor het milieu en voor de desbetreffende verwerker.

Verwerking : zowel geschikt voor de meeste industriële verwerkingen als voor toepassingen met borstel of lakrol.

Verdunner : specifieke vochtvrije verdunner.

Droogtijden : stofdroog meestal na enkele minuten, volledige uitharding ± 10 tal dagen.

 

N.B.:

In principe komt het erop neer dat lak en vernis dezelfde producten zijn, maar dat het bij lak gaat om een gepigmenteerde vernis.

 

 

 

Cursus Materialenkennis van de avondopleiding Kunstambacht Hout – Meubel,

Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen

Copyright Nathalie Posson

 

 

2.   Was :

 

De Oude Egyptenaren noemden was « mummiah « , « mummie », en hiermee bedoelden ze niet enkel het produkt dat bijen produceren voor het maken van hun raten, maar alle produkten waarmee men iets vocht-dicht kan maken ter conservering. Eigenlijk doen wij dat ook nog : wij noemen was alles wat zich als was gedraagt t.t.z. :

     -kneedbaar bij 20°c

     -stevig tot hard, zelfs bros, in vaste toestand

     -transparant tot opaque, maar niet glasachtig

-smelt boven de 40°c. Na afkoeling heeft de was terug zijn oorspronkelijke eigenschappen

-is reeds vlak boven het smeltpunt dun vloeibaar

-de consistentie en oplosbaarheid zijn zeer temperatuursafhankelijk

--is met lichte druk tot glans te wrijven

 

In de afwerking van (houten) (kunst)voorwerpen maken we gebruik van was omwille van  enkele van die eigenschappen :

-de conserverende eigenschappen : op het vlak van hout- en

meubelconservatie heeft het gebruiken van boenwas als

afwerkingslaag enkele voor- en nadelen :

     voordelen : -(regelmatig) boenen geeft het hout een typische,

niet te evenaren patina

-de zachte glans die boenen aan hout geeft is uniek

-boenen is in die zin conserverend dat het het

houtoppervlak volledig vult (‘houtporiën’,

barstjes, gaatjes,….) waardoor het hout minder

snel toegankelijk wordt voor chemische (dampen,

zure vingers,…), fysische (RV, UV) en mechanische 

invloeden (houtboorders)

 

          nadelen : -geboende oppervlakken trekken stof aan, en in stof

zitten –naast verontreinging als roet, fijnstof, …--- ook schimmels en schimmelsporen. Innesteling hiervan moet vermeden worden aangezien stof ook nogeens hygroscopisch is(water aantrekt), en dus een ideaal schimmelmilieu creëert. Het atmosferisch vocht is ook meestal zuur, hetgeen de afwerkingslaag en het hout aantast. Geboende opjecten moeten dus stofvrij gehouden worden.

-de boenwaslaag slijt bij gebruik, en moet dan terug gezet  worden.

 

     -de temperatuurafhankelijkheid van was : hiervan wordt vooral

gebruik gemaakt bij de verwérking als afwerkingsprodukt op

meubilair : een oppervlak glanst pas wanneer het volledig vlak is, hetgeen wordt bewerkstelligd door alle putjes en poriën te vullen met een vloeibare was die overal makkelijk indringt, en na afkoeling zorgt voor een stevige, harde laag die heel makkelijk vlak en dus glanzend gewreven kan worden.

 

-de transparantie van was : de kleur, structuur, patina, … van het hout gaat niet verloren en wordt dikwijls juist benadrukt door de waslaag.

 

Cursus Materialenkennis van de avondopleiding Kunstambacht Hout – Meubel,

Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen

Copyright Nathalie Posson

 

 

 

2.1.      Soorten :

 

*Dierlijke :

De meeste dieren scheiden op de huid of haren een was af die een beschermende functie heeft, zoals waterafstotend maken. Soms dient was bij een dier als energiereserve.

-Bijenwas : de meest gebruikelijke dierlijke was. Wordt bekomen door het smelten van raten uit bijenkorven. De was is een verteringsprodukt uit de verzamelde honing. Om 1 gram was te maken, moet 11,1 gram nectar verteerd worden, dwz. ca. 85 000 bloemenbezoeken. Het is vooral het bijengeslacht Apis mellifera die was levert.

De was bezit een specifieke honingachtige geur. Wordt meestal opgelost in terpentijn. Cera alba = witte was of gebleekte was, is kwalitatief minderwaardig en wordt makkelijk zuur. Vervalsingen van bijenwas komen veelvuldig voor : produkten inn de handel die beweren « 100% bijenwas » te zijn, blijken soms een mengsel van stearine, paraffine[16] en wat bijenwas voor de geur en het uiterlijk.

-Spermacetiwas: gewonnen uit de voorhoofdsholten van de gewone potvis, alwaar hij het als energiereserve opslaat. Werd veel gebruikt door kunstenaars (bv. in lithokrijt) en voor kaarsen (1candela = het licht dat een spermacetikaars verspreidt). Wordt nu synthetisch nagemaakt en gebruikt in drukinkt, lippenstift, ….

-Lanoline : licht- tot donkergele pasta, verkregen uit schapewol. Wordt niet gebruikt voor boenwassen, maar vooral in de cosmetische industrie.

 

 

*Plantaardige :

Net zoals in het dierenrijk worden door planten  wassen afgescheiden, die een beschermende functie hebben, met name verdamping van vocht tegengaan, zowel op de bladeren als op de vruchten. Daarom komen de meeste plantenwassen uit de tropen.

-Carnaubawas of palmwas : Is de belangrijkste plantenwas, afkomstig van op de bladeren van een braziliaanse palmsoort. Het is de hardste natuurwas, en een zeer geschikte beschermlaag voor objecten die bij aanraking nietb mogen kleven bv. sieraden, maar ook snoepgoed als m&m’s. Verder wordt hij verwerkt in vloer-, meubel-, auto-,….-wassen.

-Candellilawas : wordt verkregen uit de plantensoort Euphorbiaceae. Heeft een specifieke geur, voelt vetter aan dan carnauba en wordt veelvuldig gebruikt in boenwassen.

-Er bestaan nog wassen uit rietsoorten, rijst, bananebomen (‘pisangwas’), bessen (‘Ocubawas’), … maar die worden vooral lokaal gebruikt.

 

 

*Minerale :

Deze zijn afkomstig van turf en bruinkool, fossiele afzettingen van plantensoorten die 30 tot 60 miljoen jaar geleden was produceerden.

-Montaanwas :  is de belangrijkste industriële was : wordt als goedkoop vervangingsmiddel voor carnaubawas toegepast in allerlei poets- en smeermiddelen, voor isolatie en afdichting, lossingswas, …. In onze sector minder van belang.

--Aardwas of ozokeriet (’stinkende was’), ceresine (= de gezuiverde variant) : werd al door de Oude Perzen gebruikt. Deze was is een aardolie-afzetting, en heeft ongeveer dezelfde eigenschappen als microkristallijne was, doch is iets vetter. Werd gebruikt in schoensmeer, verf, drukinkt,… maar is tegenwoordig meestal vervangen door andere wassen, en mengsels van verschillende natuurlijke en synthetische wassen worden onder de naam ozokeriet of ceresine verkocht wanneer ze gelijkaardige eigenschappen hebben.

-Petroleumwassen : kunnen in twee groepen verdeeld worden nl. paraffines[17] en microkristallijnwassen. Door hun verschillende moleculenopbouw smelten paraffines op een lagere T°, en zijn ze ook vloeibaarder in gesmolten toestand. Beide vormen een goede vochtbarrière, doch, om een object met een dunne laag was af te sluiten tegen water en waterdamp, zijn paraffines niet geschikt. De fijne kristallen proberen zich dan samen te trekken tot grotere kristallen waardoor microfijne scheurtjes ontstaan in het oppervlak.

Microkristallijnwassen kunnen soepeler gemaakt worden door toevoegen van wat olie, paraffines verdragen geen olietoevoegingen : ze verliezen hun sterkte aangezien de molecules langs elkaar afglijden. Paraffines kunnen versoepeld worden door toevoegen van microkristallijne was.

Paraffine is meer doorzichtig dan microkristallijne was. Beide zijn in verschillende hardheden en smelttrajecten te verkrijgen.

In de meubelrestauratie wordt paraffine gebruikt bv. om lades, slingerlatten en ladelopers (terug) beter te laten glijden, bij marquetteriezagen worden de figuurzaagjes voortdurend glijdend gehouden met paraffine. In wasmengsels is paraffine dikwijls de harder makende toevoeging. Microkristallijne wassen zijn over het algemeen de afwerkingslaag van metalen kunstvoorwerpen en hang- en sluitwerk.[18]

 

 

*Chemisch bewerkte natuurwassen :

dit kunnen alle bovenstaande wassen zijn, die meesdtal door encaustische (met warmte) bewerkingen volledig worden aangepast aan specifieke eisen bv. veel water kunnen opnemen, of een pigment er goed in verdelen. Vooral in de cosmetische en verfindustrie.

 

 

*Synthetische :

dit zijn producten die industrieel gemaakt worden en zich als was gedragen. Meestal zijn het aaneenkoppelingen van moleculen tot niet al te lange ketens, want dan worden het plastics. Je zou synthetische wassen de visceuze toestand van plastics kunnen noemen, bv.

-polyetheenwas : polyetheen is het plastic waaruit emmers, vuilzakken, … gemaakt worden. Deze was wordt toegevoegd aan meubel- en vloerwassen en aan verfmengsels om ze te matteren, krasvast , stroever en minder glijdend te maken.

-Fischer-Tropfsch-was : een harde op paraffine lijkende was, die een hoogglans geeft aan de mengsels waaraan hij wordt toegevoegd.

-deze wassen hebben meestal enkel merknamen bv. ‘Gelowax A’ (smeltpunt= 83°, harder dan bijenwas), ‘Wachs OP’ (smeltpunt=105°),…

-siliconwassen : meestal mengsels van siliconharsen ebn siliconoliën. Veel van deze kunstwassen worden verwerkt tot emulsiewassen, melkachtige tot semi-transparante vloeistoffen die hun toepassing vinden vooral in ‘zelfglanswassen’ en in spuitbussen voor onderhoud van meubels. In de meubelconservatie wordt steeds een absoluut siliconenvrije was gebruikt, aangezien deze een moeilijk verwijderbaar plastiekerig laagje achterlaat op het materiaal.

 

 

 

Zoals blijkt is een (boen)was meestal een mengsel van verschillende wassen, die worden samengevoegd om een mengsel te krijgen dat voldoet aan bepaalde concrete eisen. Zo kan men ook zelf aan het mengen slagen, om bv. een harde wasstaafje tot de juiste kleur te brengen, kan je er zelf de juiste pigmenten doormengen. Wel steeds de was au bain marie verwarmen, wegens brandgevaar wanneer te heet ! !

 

 

Cursus Materialenkennis van de avondopleiding Kunstambacht Hout – Meubel,

Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen

Copyright Nathalie Posson

 

 

3.   Olie :

 

Inoliën wordt amper gebruikt in de meubelrestauratie, wegens geen  historische aansluiting. Paraffine-olie wordt wel als hulpmiddel gebruikt bij het politoeren.

 

Puur inoliën van hout (meestal met lijnolie) wordt historisch vooral toegepast op gereedschap en werkbladen. Keukengereedschap en –bladen meestal met een neutrale reuk- en smaakloze olie (koolzaadolie bv.).

 

Tegenwoordig is vooral het oliën van vloeren en buitenhout populair. Hiervoor zijn in de handel heelder gamma’s te verkrijgen (« teakolie », « terrasolie », « parketolie », …), over het algemeen gaat het over plantaardige, drogende oliën, waaraan droogmiddelen, pigmenten, wassen, … zijn toegevoegd. Lijnolie is het goedkope alternatief voor al deze oliën.

 

*Lijnolie :

een plantaardige olie  verkregen door persing van lijnzaad. Een drogende olie (geeft dus een uiteindelijk droge film). Wordt gebruikt om vloeren, werkoppervlakken, … te beshermen en onderhouden.

Er zijn enkele verschillende soorten :

     -Gewone lijnolie : verse oogst, licht van kleur

     -Belegen lijnolie : olie die ong. 1 jaar gelegen heeft, iets donkerder

van kleur

-Gebleekte lijnolie : o.i.v. zon of UV geklaarde olie, zeer licht van

kleur

-Standolie : een gepolymeriseerde lijnolie, bekomen door de olie te

verwarmen op hoge T°. Veel visceuser en droogt nog langzamer

 

    

*Paraffine-olie :

=vaseline olie of minerale olie. Wordt verkregen uit de zwaardere fracties van petroleumdistillaat, de nog zwaardere fractie is vaseline.  Er bestaat gewone praffine-olie die nog teerachtige stoffen kan bevatten, en gezuiverde paraffine-olie die dient voor de medische en pharmaceutische industrie. Paraffine-olie is een niet drogende olie.

 

 

 

Cursus Materialenkennis van de avondopleiding Kunstambacht Hout – Meubel,

Koninklijke Academie voor Schone Kunsten Antwerpen

Copyright Nathalie Posson

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 



[1] http://nl.wikipedia.org/wiki/Schuurpapier

[2] Mineraal, verbindingen van siliciumdioxydes. Hebben goed ontwikkelde kubische kristallen met scherpe punten en toch een zekere taaiheid. Hardheid 6 tot 7,5. Toepassing vooral in de houtindustrie.

[3] 13 op de Mohs-schaal, dus zéér hard, doch bros, hetgeen de bruikbaarheid beperkt tot het machinaal schuren van zachte non-ferro-metalen. Het wordt ook gebruikt voor het natschuren van metaal, glas, leder en plastic.

[4] Minder hard dan SiC, maar wel taaier, waardoor het ideaal is voor het slijpen van hout,  ijzer, staal, gietijzer en harde materialen, en ook

[5] http://www.mobikit.nl/atotz/rubriek_10

[6] Cröker, J.M., Der wohlanfürende Mahler, Jena 1753

[7] Stöckel H., Handbuch für Künster, Lackierliebhaber und Oehlfarbenanstreicher, Nürnberg 1799

 

 

[8] ETHANOL:

1.     Synoniemen: “ethylalcohol”

 

2.     Formule: C2H5OH

 

3.     MAC-waarde: 500 ppm

 

4.     Toepassing: . medium voor schellakÞ “politoeralcohol”

1.     oppervlaktereiniging

2.     oppervlaktespanningsbreker

3.     medium voor kleurstoffen

 

5.     GAAH: 1 liter

 

6.     Gebruik: hoe ® hoelang:

 

1.     op politoerprop ® uren

2.     opstrijken met penseel, borstel ® minuten

3.     impregnatie met katoenen doeken, afgeschermd met melinex ® uren, soms dagen

 

® waarom: redelijk ongevaarlijk, zeer efficiënt

 

7.     Schadelijke Gevolgen: .zeer brandgevaarlijk

a.     damp met lucht explosief, damp is  zwaarder dan lucht

b.     werkt prikkelend op de ogen (Þ roodheid, pijn), de huid

(Þ roodheid) en de ademhalingsorganen (Þhoofdpijn,  

duizeligheid, sufheid)

c.     bij inslikken Þ hoofdpijn, duizeligheid, sufheid        

d.     werkt in op het zenuwstelsel

e.     ontvet de huid

f.     leverbeschadigingen kunnen optreden

 

8.     R: 11

9.     S: 2-7-16

 

 

[9] ISOPROPYLALCOHOL

 

1.     Synoniemen: “2-propanol”/ “I.P.A.”/ “dimethylcarbinol”/ “isopropanol”/ “sec-

a.     propylalcohol”/ “propanol-2”

 

2.     Formule:  CH3CHOHCH3

 

3.     MAC-waarde:   250 ppm

 

4.     Toepassing:  solvent

 

5.     GAAH:   0,2 liter

 

6.     Gebruik: hoe ® hoelang:

op doekje, wrijven ® enige minuten

® waarom: zeer zacht solvent Þ praktisch geen gevaar voor het kunstwerk

over het algemeen wordt gekozen voor een voorzichtige behandeling met

ethanol

 

7.     Schadelijke Gevolgen: .

1.     zeer brandgevaarlijk  

2.     werkt prikkelend op de huid ( Þ roodheid, pijn) en de

ademhalingsorganen (Þ keelpijn, hoesten, kortademigheid, hoofdpijn)

3.     werkt bijtend op de ogen (Þ bijtende pijn, roodheid, slecht zien)

4.     werkt op het zenuwstelsel

5.     ontvet de huid

6.     bij inslikken ® keelpijn, buikpijn, braken

 

8.     R: 11-36-67

9.     S: 2-7-16-24/25-26

 

 

 

[10] METHANOL

 

1.     Synoniemen: “houtgeest”/ “methylalcohol”

 

2.     Formule:  CH3OH

 

3.     MAC-waarde:  200 ppm

 

4.     Toepassing:  .solvent

 

5.     GAAH:   1 liter

 

6.     Gebruik: hoe ® hoelang: op doekje, wrijven ® enige minuten

waarom: over het algemeen wordt gekozen voor ethanol

 

7.     Schadelijke Gevolgen:

1.     zeer brandgevaarlijk  

2.     werkt prikkelend op de ogen ( Þ roodheid), de huid (Þ   roodheid, ontvet de huid) en de ademhalingsorganen ( Þhoesten, hoofdpijn, duizeligheid, sufheid)

3.     werkt in op het zenuwstelsel

4.     in ernstige gevallen kans op gezichtsstoornissen

5.     bij inslikken Þ hoesten, hoofdpijn, sufheid, buikkrampen, diarree

 

8.     R: 11-23/24/25-39/23/24/25

9.     S: 1/2-7-16-36/37-45

 

 

 

[11] Watin, J.F., L’Art du Peintre, Doreur, Vernisseur; Paris 1772

[12] Roubo, L’Art du Menuisier, Paris 1769-1774

[13] Cröker, J.M., Der wohlanfürende Mahler, Jena 1753

[14] Stöckel H., Handbuch für Künster, Lackierliebhaber und Oehlfarbenanstreicher, Nürnberg 1799

[15] Braunschweigisches Magasin,40. Stück, 19. Dezember 1815, Freundlicher Hinweis von Herrn H.D. Jach, Braunschweig

[16] Om de honingopbrengst te vergroten voorzien imkers tegenwoordig hun bijen van een grondplaat in paraffine, waarop de bijen dan hun wassen raten verder bouwen. Dikwijls komt er paraffine mee bij het afsnijden van de raten, of smelten imkers de paraffineplaat, wanneer deze ‘op’ is,  mee door de duurdere bijenwas.

 

[17] PARAFFINE

 

1.     Synoniemen: /

 

2.     Formule:  C12H26-C18H38

 

3.     MAC-waarde:   50 ppm (als rook)

 

4.     Toepassing:  

1.     glijmiddel voor lades e.d.

2.     olie Þ oppervlaktebehandeling van metalen

3.     wordt in de laatste politoerfase druppelgewijs toegevoegd

 

5.     GAAH:   0,5 liter

 

Gebruik: hoe ® hoelang:  

1.     aanbrengen door paraffineblokje langs het hout te wrijven ®

enkele seconden

2.     opwrijven met doek ® enkele minuten

®waarom: efficiënt en inert produkt

 

6.     Schadelijke Gevolgen: . brandbaar

 

7.     R: niet gekend

8.     S: niet gekend

 

[18] VASELINE

 

1.     Synoniemen:  “petrolatum”

 

2.     Formule:  mengsel van hogere KWS

 

3.     MAC-waarde: niet bekend

 

4.     Toepassing: afwerkingslaag voor metaal

 

5.     GAAH: 200 gr

 

6.     Gebruik: hoe ® hoelang: met borstel of doek opstrijken en uitboenen® enkele minuten

 waarom: efficiënt en redelijk ongevaarlijk

 

7.     Schadelijke Gevolgen:  

·          brandbaar

·          bij inslikken van grote hoeveelheden: buikpijn en diarree

 

8.     R: 45

9.     S: 53-45