De wereld waarop wij leven ...                                            

Pollenonderzoek is een hulpmiddel voor wetenschappers om te bepalen hoe klimaat en plantengroei waren in het verleden.

Pollen zijn de stuifmeelkorrels van planten, bewaard in oude veen- en bodemlagen.

Deze duidelijk determineerbare stuifmeelkorrels zijn indicatoren van een typisch klimaat.

Zo kan een dwergberk alleen massaal groeien in een toendragebied met extreme klimatologische omstandigheden, zoals we die nu nog kennen

in het noorden van Siberië en Scandinavië.

Als men er dan in slaagt om die oude veen- en bodemlagen te dateren, kunnen we geschiedenis gaan schrijven.

 

 

Vanaf 12000 jaar geleden

12000 jaar geleden liep de ijstijd op zijn eind   en de terugtrekkende ijskap nam in haar spoor de meeste korstmossen, kleine struiken, ... kortom de toendrabegroeiing met zich mee.

De stijgende temperatuur gaf aan nieuwe plantengroei, zoals wilg (nat), eik en berk (droger) de kans om een hoofdrol te gaan spelen.

Later werden ze gevolgd door den, els en hazelaar.

Na een afkoeling rond 10000 voor Christus  komt dezelfde boomopmars in gang.  Ze is     nu wel gekoppeld aan meer heide. Ook veenmossen en vb. kraaiheide worden hele gewone planten.

Als na de afkoeling van het Holoceen, waarin vermoedelijk onze landduinen (heuvels)   gevormd werden, de temperatuur terug stijgt, worden berk en grove den de eerste    dominante soorten.

Rond 6700 voor Christus groeit de soortenrijkdom weer aan met hazelaar, olm,  eik. Die worden later gevolgd door els en linde.

5500 voor Christus, het Atlanticum

In deze periode wordt de grove den verdreven door loofbos. Er vormen zich gesloten loofbosformaties.

Terwijl op de droge tot vochtige grond diverse boomsoorten het leven beheersen, wordt de zwarte els in de moerassige gebieden de dominante soort.

Langzaam blijft het ijs smelten en het   waterpeil stijgt. Voor de zwarte els is dit de kans om zijn areaal uit te breiden.

In zijn schaduw zijn het de veenmossen die langzaam grote gebieden omvormen tot boomarme venen.

Op het eind van het Atlanticum (2300 voor Christus) veroorzaakt een nieuwe temperatuurdaling een sterke achteruitgang   van de linde.

In zijn plaats komen beuk en haagbeuk plaatselijk een rol spelen.

Onze hedendaagse boomgroei

Op dat ogenblik wordt de soortenbasis gevormd voor wat nu in onze streek de climaxvegetatie zou zijn.

Hier bij ons, Keerbergen, Rijmenam, zijn (waren) de dominante bomen op diverse gronden (droog en nat): berk, eik, wilg en els.

Rond 800 voor Christus duwt een  verhoging van de neerslag onze begroeiing in de richting van een zg. Atlantisch eikenbos.

Tegelijk met de groei naar een nieuw evenwicht komt de mens bij het begin van de Steentijd een steeds grotere rol spelen.

Het bos krijgt geen kans meer om zich ongestoord te ontwikkelen.

Uit pollenanalyse blijkt dat de ingreep    van de mens in het bomenareaal begon rond 3000 voor Christus. Toename van heide (en wellicht het eerste akkerland   als roofbouw) is daarvan het bewijs.

Romeinse tijd tot nu

We mogen echter veronderstellen dat in de Romeinse tijd nog zeer veel bos aanwezig was.

Langzaam echter vergrootte het akker- en heidegebied ten koste van het oerbos.

Pas in onze 18 de eeuw is er een ommekeer en de woeste (?) heide en stuifzanden worden terug beplant omdat door het houttekort de bosbouw rendabel wordt.

Vooral de reeds 6000 jaar zo goed als verdwenen, grove den, wordt massaal aangeplant.

Als we de huidige situatie bekijken, zijn er echter veel soorten aanwezig die hier van nature niet thuishoren: cipres,  lork, esdoorn, spar, populier, ...

Sommige inheemse bomen worden door de mens in hun overleven geholpen, zoals linde.

Ze zouden door de totaal gewijzigde omstandigheden misschien verdwijnen.

Andere bomen doen het nog altijd zeer goed als ze de kans krijgen: eik, berk, wilg en els.

Sommige exotische agressieve soorten (Amerikaanse vogelkers, valse acacia) doen het volgens natuurbeschermers te goed.

Bos, één veranderend gebeuren

Het bos is nog steeds een veranderend gebeuren in een veranderende wereld.

De evolutie mag echter niet omgekeerd blijven lopen.

De weinige bossen en bosfragmenten die ons landje (en ocharme onze streek) nog rijk is, mogen we niet verminderen.

Verkaveling, open haard en houtkachel mogen geen hindernis zijn om het bos uit te breiden.

We hebben de bomen net zo nodig ... als de lucht die we inademen. 

 

Dit is een intro over de WERELD WAAROP WIJ LEVEN.

In de loop van de volgende maanden werden zo nu en dan hedendaagse landschapselementen belicht (heide, weide, bos, wegkant, dijken, ...). Je vindt ze dan ook onder onderstaande links.

 


 

Heide  Weiland  Dijken  Bermen

 Knotbomen Hakhout Beek en oever

Heggen en houtwallen


 

 

Terug naar startpagina