Oude plaatsnaamonderdelen

 

Deze lijst wordt voortdurend aangevuld.

 

(alt 0254): Oud-Engels en IJslandse letter (uit runenteken thorn) met een uitspraak als in het Engels thing. 

 

 

 

a, aa, ach, ahe: water(tje), beek, rivier

aard, aert/d: aanlegplaats, gemeenschappelijk weiland, akkerland, hoger gelegen stuk grond

acker: akker: veld, akkerland

agnu: eksteragwjo: vruchtbaar alluviaal land aan een rivier

ahw: waterloop in een inzinking in het zeekleigebied

alb(v)an: de witte

alb(v)ut: zwaan

aldan: oud

alfu: elf

alisa: els

aliso: oude lengtemaat van ca. 1 m

alha: heiligdom

(h)ameide: boom, slagboom, afsluiting, gehucht

ana: boven, hoger gelegen

andja: eind

angi: de bij het dorp horende akkers

angula: hoek

arda: aanlegplaats (oorspr. gemeens. weide)

arnu: arend

asp: esp, ratelpopulier

assel: holte, uitstulping

asta(n): tak, arm, essen (bomen), droogoven, bebouwde grond, schapenweide, betekenis onduidelijk

auda: bezit

augjo, oog: zeeiland

austa: oosten

bagna: big, das

baki, beca, beke, beek, ...: beek

balu: bangebied

ban, bon: beschermd gebied, rechtsgebied

banti: streek, regio

bara, baza: bloot, bar

bariz, barizou: gerst(akker)

batsa: ?

beemd: weiland, alluviaal land aan een waterloop

bent, bunt, beunt: plaats waar veel buntgras groeit

berg(a), berghe, bergen: heuvel(tje), schuilplaats, berg

bere: modder, beerkleurig

berhta: schitterende

berkt: berkenbos

bern(u): beer

bibru: bever

biest: plaats waar veel biezen groeien

bilk: omheind stuk grond

bilim: spits uitlopend, ook het woord bili (bijl) is hieruit afkomstig

bi-tunja: ingesloten

birk: berk

birnu: beer, beerkleurige modder

blaji: bleek, licht van kleur

blok, bilc, bulc: omsloten weiland, ingesloten land

bokina: beuken

bol: week, slap, moerassig, mul, droog, zandplaat

boom, bome: boom

boomgaard, boogaert, ...: boomgaard

borg: zie burg

born, borre: bron, waterput

bos, bosch, busch, bussche ...: bos(je)

boschel: bosje, struikgewas

braak, brake, brakel: braakliggend terrein

brako: varen

brakti: breken, breking, hoogte

brand, brant: plaats waar brandstof gehaald wordt

breugel: moerassig en/of bosrijk gebied.

briel, broel, brhl, brogel, brogilo: moerassig (vaak bosachtig) terrein

brink: Oostnederlandse en Duitse plaatsnaam, gras(rand), open ruimte op het erf, in het dorp, dorpsplein

broek, broeck, brouck, broucke, broka: moerassig gebied

brogilo: Keltisch basiswoord voor briel, e.a., zie briel

brugge, brigge, brugjo: brug, havenbrug, knuppeldam

bruna: bruin

brunes: bron

bugan: boog, boogvormig

bukna: reebok

buksou, buxus: buxusstruiken, buksboom

bulc: zie blok

burg: versterking

burgn: berk

burja: hok, kot

busch: zie bos.

bursa, bursitja: moerasrozemarijn

busku: struikgewas, bos

cam, camme: brouwerij

campe: zie kamp

castellum, caster, castra, castrum: (Romaans) versterking, blokhuis, fort

cluse: kluis

coppenol: zie koppenol

cot(e), cotte: hok, hutje, schuur, arme woning

couter, kouter: akker

cruys(se): plaats waar schandpaal of galg stond

daal, dael, dale, dala ...: inzinking in het terrein, dal

damma: dam, waterkering door een waterloop

dauma: damp, nevel, vochtig

del(le): laagte, dal

deupa(n): diep

deura: dier (hert)

dijk, dijcke, dike, ...: dijk

dikas: dijk, gracht (in Frans-, en West-Vlaanderen)

dilbja: gracht

does: moeras met bomen en struiken, veen- of turfland

donk, donck, dunc, dunga: hogere plaats in het omringende land, zie dunga

doorn(t), dor(n), door(n): plaats waar veel doornstruiken groeien

dorpel, deurpel, durpel: dorpel, grens, landpaal

dries(t): zie triest

drifti: kreek

dun(e): duin, zandheuvel (uit het Keltisch: dun)

dunga: zandheuvel in moerasgebied

duunt: een groep duinen of zandheuvels

ecke: hoek, eikenbos

eigena: eigen bezit

eke: eikenbos, plaats waar veel eiken groeien

elst: elzenbosje

engel, ingel: hoekhuis (uit Lat. angelus)

eynd(e), eijnde, hende:afgelegen plaats, eind

ex, est(er): ekster

fanja: moerassige waterplas

felda/u: woeste vlakte, open land

fenja: moerassige plas

flewa: vloeiend water

flora: vlakke bodem

frauna: heerlijk

freija: vrij

frith(i), frethi: waarzeggerij, voorspelling (religieuse plaats ?)

fruska: kikker

fur: voor, voorste

furdu: doorwaadbare plaats

furs(t)i: gaspeldoorn

gaar, gaer, garre, ...: hek aan een weiland

gabra: moeras

gaisthu: hogere zandstrook langs polder of moeras

gag

galgan: galg

gallon: natte bronachtige plek in het veld

ala: gagel

gambron, gambra: de sterke, sterk

gaver: moeras, drassige grond

geer: spits toelopend stuk land

geest: hogergelegen zandgrond

gelwa: geel(kleurig)

-gem: zie heim

ger: speer

gersto: gerst

goor, gore: waterig gebied, moeras

glada: glad, glanzend

graan: gracht

graefin, graefja: graaf

granda: grintzand

grifte: gegraven vaart

grobjon: gracht

groese: weiland

gud, guda, goda, god, gott: goed, goddelijk

haag, hage: zie hag

haak, haeck, ...: een hoekvormig perceel land, verhevenheid in het landschap

haar: zandige heuvelrug

habjan, hafjan: verheven?

habuca: havik, woonplaats van de havik

hafar: geitenbok

hag, haggo, hacco, haga, hegge: omheining

hagan: bosje

hago: bosje

haim(a): bewoning, huis

hain: zegge

hais(ja/o): beukenbos > struikgewas

hake: onvruchtbare hoogte

halahdra: jeneverbessenstruik

halha: bocht in of van het hoogland

haljo: dieper gelegen plaats(deze naam werd later verchristelijkt tot hel) (zie ook hel)

halu: afhellend

(h)ameide: boom, slagboom, afsluiting, gehucht

hamma, ham, hamme, hem(me): landtong in een overstromingsgebied, een meander, een rivierbocht, ....

hangi: helling

hangista: hengst

hannan, hanikja: zingen

hanta: samen, gemeenschap

hau: strijd, haat

hara: steen, steenige grond

hard: sterk

harja: leger

haru: zandige heuvelrug

hasi, haisi: kreupelhout, essenbos

hasla: hazelaar

hau: deel van een bos dat gehakt is, aangezien dit meestal akkerland werd heten veel akkers hau

hauha: hoog

hees, hese: jong beukenbos, struikgewas

heide: heide, onbebouwde grond, vlakte, veld

heim, ghem, gem, haima: woning, erf, heem,  dorp

heist, heyst: struikgewas, bos

hel: dieper gelegen plaats, helling (zie ook haljo)

hirn(itja): haagbeuk

hlaer(i): bosachtig moerassig terrein (zie ook laar),

hlaiwa (nu leeuw): (graf)heuvel

hlia: helling (zie ook lede)

hnit: afstotend > stinkend

hofa: boerderij, hoeve

hof(f): omheinde ruimte, begrensde ruimte met woningen

hol, hole, hulle: uitholling, inzinking

holm: klein eiland in zee of rivier

holt: bos, hout

hoorn: punt, hoek

horde: afsluiting van gevlochten wilgentenen

horik: hoek

horst: hoogte, nest

hout, ho(u)lt: bos, hout

hove, hoef, hoof: boerderij, hof

hramasa, hramsan: look (plaats waar ... groeit)

hramsa, hraban, hrabna(s): raaf

hrassa: paard (ros)

hreuda: riet

hruniz: rund

hrugja: heuvelrug

huffel, uffel: heuvel(tje)

hugila: heuvel

hulisa: hulst

hulle: heuvel

hulp: afwateringssloot

hulu: hellend

hult(a): (hoogstammig) bos

hn: moerassig

hunja: heuveltje

hunu: honigkleurig

hurnjon: voet van een hoger gelegen gebied, uitspringende bocht in hoger land

husa, husum: huis

huson: kous, omhulsel, verhuld

hwassa: scherp, spits

-iacum: Romaans achtervoegsel dat op een nederzetting wijst

ijf: taxus

-ing, -inga, -inge(n): behorende tot het volk van ..., nakomelingen van ...

ingela: hoek

ija: woorduitgang (collectief)

jat: schittend, veelkleurig, rood

jocht, jokt: stuk land dat met n juk ossen op n dag kan geploegd worden

 

kaerle: kerel, boer, man 

kagi: kei, kiezel

kalwa: kaal, leeg

kamp(um), camp (uit Latijn): afgebakend stuk grond voor landbouw of veeteelt, hoogvlakte

kapella: kapel

kaster: zie caster

kaupa: door kolonisten voor vestiging aangekocht land

keer: bocht, wending

kers: waterkers

keukja: kromming (van de rivier)

kinon: wellicht kreek, afgesneden rivierbocht

kirika: kerk

kist: afgesloten (stenen) ruimte

klaima: leem

klinge, hoogte, heuvel, meer bepaald: binnenduin

kokan: koek, koekvormig

koppenol: inzinking met bolvormige heuvelrug

kraajon: kraai

kruda: kruid, geneeskrachtige plant

krumba: krom

kuil, keul, ... : kuil, groeve, hol

laak, laek, laeck, lake: poel, plas, waterloop in moerassig gebied

laar, laer, lare : open plek in het bos, bosweide, bosachtig of moerassig terrein

laeta: laat, horige, vrije

lag(e): vlak, open, laag gelegen, poel, nederzetting

laku: waterloop in moerassig gebied

land: land

lauha: bosje op hoge zandgrond (zie ook lo)

lauo: weide in een terreininzinking

lede: helling (zie ook hlipa)

leuta: bedrieglijk, huichelachtig

leye: beek

linde, linden, lindo: plaats waar linden groeien

linjo: zacht

liwan, leeuw: leeuw: heuvel, verhoging

lo, loo, loy, loye, looij, looy, loon, lee: open plaats in het bos, bos, open land, weide, bosje (zie ook lauha)

look, lok(e): omheining, omheinde ruimte, haag, heg

loop: waterloop

lukara: (Keltisch): de heldere

lutikon: klein

made, maet: wei, hooiland

magala, mag, macht: machtig

maison: mees

male, malho: inzinking in het landschap, ook plaats van rechtsvergadering, zak

mala: volksvergadering

mari, maar: waterplas

maru: natuurlijke waterloop in zeekleigebied

meent: gemeenschappelijk dorps(wei)land

meer: watervlak, plas, maar ook grens

meers, meersch: weiland langs de rivier

middu, middila, midila: middelste

migo, migilo, migja: urine, op urine gelijkende modder

mijl, mile, miel: rechtsgebied, banmijl

milia: honig, honingkleurig

muite: kooi, vogelkooi, gevangenis, hol

moer, moor: veengrond, moeras

moorter, moortel: drassige grond

moortgat: opening, toegang met mul zand, gruis

mose: slijk, modder

mote, motte: hoogte, heuveltje, vaak met kasteel of molen erop.

muldo: stoffige, droge gesloten aarde

mulin: uit het Romaanse molina: molen

mumjan, munjan: monding

musa: modderig, mos, poel, moeras.

nekkersput: put waar volgens de volksverbeelding nikkers, watergeesten verblijven

ninde, neynde, inde: zie eynde

niwialh: laag gelegen

niwja: nieuw

oer: ijzerhoudende grond

(n)oorden: buitendijks land langs de rivier

oort, ho(o)rt: gevlochten hek met een gat erin

oort, ort, oord: uiteinde, uiterste punt, hoek, stuk land

oorden: zie (n)oorden

ooye, oye: beemd, (nat) weiland aan de rivier

op: hoger gelegen

opstal: onbebouwde grond, gemeenschappelijke weide

pa, pade, paeij, ...: pad, wegeltje

ahsu: das

peel, peelt: moerassige grond

perre, parre: omheinde plaats, afgesloten terrein

eudo: volk

ikwja: dik, dicht

pia: moeras

pode, pude: kolk, modderpoel

pola: poel

orpa: vestiging(splaats)

potta: pot

rea: drie

pudel: plas

urnu: doren, dorp

putja: put

schaar, schare: oever, dijk

ra, raaij: richtlijn, rooilijn

raas: geul, kreek, (ook) droogliggende land tussen de geulen

rausa, roth: riet

rege(n)mortel: drassige grond als grensscheiding

riet, rit, rijt, reet: kleine waterloop, geul in buitendijkse gronden

ric, rk, rik, rkja: machtig, rijk, koning

rode: gerooid terrein in het bos

roes: riet

roost, roest, rorije: rietland

roa: gerooid bos

ruga: ruw terrein

ruskjon: rus, bies

sali: uit n ruimte bestaand huis

sarwa: slot, vestiging

sate: woning, tijdelijk verblijf,  kasteel

schage : kreupelhout, bosje

schoon, schoen: mooi

schoor: aangeslibd land, moeras, boven water uitstekend land

schoor: scheur in iets, spleet, stut, versterking

schoot: beboste hoek zandgrond uitspringend in een moerassig terrein

schot: afgeperkte ruimte, ruimte waar vee gestald wordt

scleda: glibberige plaats

sella: vestiging

skagan: bosje

skaijo: waterscheiding, rode

 

skauta: hoger land uitspringend in moerassig gebied met bebossing

skina: schijn, glans

slacht(e): dijk, waterleiding, sluis, paalwerk, versterking

slijke, sli: slik, slijk, moerassige plaats, aangeslibde grond die nog niet ingedijkt is

sompel: zompige, drassige plek

speelt: plaats waar witte haagdoorn/spildoorn groeit.

spete: omgespitte grond

spijc, spijk: brug van boomstammen, knuppeldam (Noord-Nederland), in het water uitspringende landhoek (Zuid-Nederland)

spork(t): plaats waar kreupelhout/sporkenhout groeit

spruyt: jong, waar water ontspringt,

stadi: plaats

stael: plaats, plek, grondslag van een dijk

staina: steen

stal, stall, stalle, stalla: plaats, omsloten ruimte, stal

stap, stappe: stap, trede, vlonder, (grens)paal

staa: aanlegplaats

stee, stede: plaats in de ruimste zin

steen, stein(a): plaats waar een steen (stenen) ligt of ook versterking

stege: steeg, pad

stegel: stoep, verhoging, kaai, muurtje, slagboom

stel(le): kunstmatig opgeworpen hoogte op buitendijkse schorren

sterta: staart

strate: (heer)weg, straat

strepe: een smalle strook land

strij, strth:betwist, strijd

string: lange, smalle strook land

stuive, stuift: zandverstuiving

sundra: afzonderlijk

sura: zuur

teuli: tuil

th met schrijfwijze : zie bij p

thel: bodem, grond

thenra: Keltische naam die wellicht zoiets betekent als: de bruisende

tomme: graf of grafheuvel

tong(e): landtong, uitstekend land in bv rivier

traam, tremel, dreem, ...: uiteinde (van de weg), boom

trecht, tricht: oversteekplaats

triest, driest, dries: gemeenschappelijke weidegrond, driesprong van wegen, dorpsplein, gerechtsplaats, braakland

thriwiski: dries, zie bij triest

tuin, tuine: omheining, afsluiting, omsloten ruimte

tunja: ingesloten

twai: twee

uffel: zie huffel

uhsan: (weideplaats voor) os

uitvang: gemeenschappelijke niet ontgonnen grond

upa: hoger gelegen

uta: buitenwaarts gelegen

vaeck, vake: vlechtwerk als afdamming in een beek

vate: drinkplaats voor dieren, openbare waterput

vedunia: bosbeek (Keltisch), oorsprong van de stad Wenen.

veer: oversteekplaats

velde, velt: akker, bebouwd land

ven, vin: veenland, land waar turf gestoken wordt, waterig stuk land

vest: versterking, burcht

vinkt: plaats waar lichte turf gestoken werd.

vliet, fliet: rivier, beekje, waterloop

vloed, vloet: watervloed, beek, stroom

voorde: doorwaadbare plaats

vreeackere: omheinde akker

waal, weel, wiel: kolk achter een dijk ingevolge een dijkdoorbraak

waegin: glooiend

waio: (gemeenschappelijke) weide, scheide

wal: versterking, plaatselijke verhoging

walh(a): buitenlander, Waal, Romaan

walja, walla: wal, versterking, legerkamp

walla,mot(t)e: kunstmatige heuvel

walt, wald: woud, ook heersen

wana: te weinig, ontoereikend

wardo: uitkijkpunt, hoede, wacht(post)

waria: riviereiland

wasu, waze, waas: drassige grond

wed(de): doorwaadbare plaats, drinkplaats.

wee(de): weide, gemeenschappelijke weide

weert, werde, wert, weerd, waard, waerd: door rivieren omsloten land, buitendijks land, laaggelegen land, eiland of schiereiland in een rivier, beemd, ...

wer: stromen (van bvb een rivier)

werf: onbebouwde ruimte rond huis, hoeve, kade, oever, ...

wers: ? dwars

wesch, wese: weide

wey, wei, ...: weiland

weyer, wijer: vijver

wich: kamp, strijd

wikjon: iepenbosje

widu: bos

wiel, weel: een door dijkbreuk ontstane kolk

wijck, wyck: stads-of dorpsgedeelte

winjo: weide

winkel: hoek

wiwo: teenwilg, wilgenteen, weerd

wisu: goed

woestijn: woest land

wolde: Saksische vorm van woud

wort: kruid(en)

wouwer, wuwer: (vis)vijver

zand(e), sand: zanderig droge plaats

zavel: zand, plein

zijpe: afwatering

zomp: zompig, moerassig gebied

zuyd(en): windrichting, zuidelijk gelegen

zwalm, swalm: kolk

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

(alt 0254): Oud-Engels en IJslandse letter (uit runenteken thorn) met een uitspraak als in het Engels thing.

Terug naar naampagina

Terug naar plaatsnaampagina