Germaanse (-Keltische (oude)) namen en naamdelen

Meer achtergrondsinformatie op de site van Kees Nieuwenhuijsen

                                                              

                                                                                Deze lijst wordt voortdurend aangevuld.

 

 

 

aba: man

adal, adel, athala:  adel, edel

aer: bloedbad, slachting (Keltisch)

ag, agi, agin: zwaard, scherp, punt, hoek

agil: vreselijk, zie ook angel

agis: angst, vrees

aiva: everzwijn, eeuw

al(a): geheel, alles

alb: bovenaards wezen, elf

ald: oud, ervaren

alf, alb: elf

alja: ander

amal: arbeid, onvermoeibaar, ijverig, moeder, strijd

and: toorn, ijverig, hevig, punt

angel, angil, agil: speer, scherp, engel, raaf, bovennatuurlijk wezen, vreselijk

ans, ase: god

aq: snijdend zwaard

aran, arn, arnu: arend

as(e): godheid, ziel

ask, asc: essenhout

atha: vader

athal, athil: edel

aud, auda: bezit, rijkdom, erfgoed

austa, austi: zie osta

bag(in): strijd, gevecht

baido, bad, bau, badu, bavo: strijd

bald, balth, bolt: moedig, koen, dapper

ban, bau: strijd

band: banier

bard: bijl

baro: belangrijk, aanzienlijk, moedig

ber(h)t(o), bertha: schitterend, glans, prachtig, lastig

ber(o), bern, beran: beer, strijder

berg(a): bescherming, beschermer, berg

bîl, bili: bijl

bitter: boos, bitter

blank: stralend, wit

blic: lichtstraal, flits

blid: blij, vriendelijk

bo: zie bu

bodo, bod, bode: bode, gebieder, dienaar

bold: koen, dapper

bol(o): geliefde, vriend

bon: goed, prachtig

bord: rand

boso, buso: boos, trots

boud, bald, baud, bauwe, bald: dapper, onversaagd

bovo: jongen

brand, brando, branda: vurig zwaard

brecht: zie bert

brigh: kracht

brod, brord: punt van een speer

brun, brûn, bruno: bruin, borstpantser

bu, bo: woning, bewoner

burg(i): burcht, de beschermde, bescherming, hulp, afweer

camp: kamper, vechter

clar: klaar, helder (uit Latijn?)

clide: beroemd

cuni: kundig, dapper, familie

cono, côn, kono, kôn(i): dapper, koen, bekwaam

cuth: beroemd

dad: daad

dank: zie tane

dag: heerser, dag

diet: volk

degen, dein: (zwaard van) een dappere strijder

dôm, doma: oordeel

drogo, drug: krijgsman, bescherming

ebben, eben, ebel: speer

eigen, eyghene: eigen (allodiaal, niet-leenroerig) goed

ein: alleen

eis: angst

ellen: sterk

eo: wet, gewoonte(recht)

er(e), era, erin: eer

erbo: erfgenaam

erken: zuiver, echt

ermin: groot

erp: donker

ernst: ernstig, vastbesloten

eth: eed, wet

ever, er, eber, ebur: everzwijn

ewa, êwa: wet, recht

fagi, fagur: mooi

falc(h)a, falko, falco, falho: vaal, glanzend, valk

far(a): geslacht, familie

faran: reizen, varen

fardi: reis, tocht

fast: standvastig

fere: de vredelievende

ferdh: geest, verstand

flad: prachtig, puur

flor: vloer

folk, folc: zie fulk

fram: vroom, dapper, vooraanstaand

frank: iemand van het Frankenvolk, ook moedig, vrijheidslievend, vrij, vrank, vrijmoedig,

fraujôn: meesteres, vrouw

friso: Fries

frith, frid(h), fred, frithu, fride: vrede, mooi

fro: vrolijk

frod, frôth, frôd, ford: wijs, vroed

frum: nut, eerste

fulk(o), folk, fulca, volk: volk

funs: klaar, bereid

gaard, gard: boomgaard, omheind gebied

gail(a): vrolijk, lustig

gaiza, gaidu, gairu: speer

galo, walo: waal

gand: wonder, magie

gang: aanstormende

gard: boomgaard, omheind gebied, bescherming, beschermer

gardhan: beschermen

gauja: gouw

gaut(h)a: Goot (uit het volk van ...)

geb: gave, schenker

gel: vrolijk, wulps

geld: waarde, geld, vergelding

gêr, ger: speer

geld, gild: geld

gêls: vrolijk, lustig

gil: vrolijk, dartel, wulps

gîsal, gîsl, gisal, gisel, gisil: gijzelaar

gis(o), gîsil, gisil, gijzel, gysel: (kleine) speer

god(e), goda, go(o)s: goed, goddelijk

gond(a): strijd, oorlog

grim: helm, masker, wreed

grôn, grom: groen

gud, god, gôd, guda: god

gunth, gund: oorlog, strijd

hade: oorlog, strijd

hag, hagu, haggo, hacco, haga, hagan, harja: omheining, leger

haid(a): verschijning, gestalte, held

hail: geheel, gezond

haim(a): woonplaats, woning

hal: man

halahdrja: jeneverbessenstruik

han: haan

haþu: strijd

hard, hardu, hart: sterk, dapper, hard, maar ook zwaard

har, hari, her(i), harja, hara: leger, strijder

harja, hagin: omheining, haag

harsta: vlechtwerk

haso: grijs, bleek.

hathu, hadu, haþu: strijd, haat

heid, heit, heido: van het geslacht ..., soort, afkomst

heil: geluk, heil

heila: geheel, ongedeerd

heim(a), ghem: woning, erf, thuis

helm(a): helm, beschermer, koning

hen: haan

her, heri: leger, heir, strijder, heerser

hild, hilt(i), hildi: strijd, strijder, held

hloda: beroemd

hlôth:buit

hluod, hloda, hluth, hlué: beroemd, besproken

holm: eilandje (en ook eik/hout)

horsa: paard

holt, hold: heerser, macht, woud

horst:  hoge grond, met kreupelhout begroeide hoogte

hrab(an), hrabn, hrabran, raban: raaf

hrisa: rijshout

hr(u)od, hrôth: roem, eer, beroemd, bekend

hrok: rust

hrôk: roek

hrôm: roem

hug(i), hugu: verstand, geest, geweldig, trots

huld: trouw

hûn, hun, huno: bruin, donker, jonge beer

huni, hum: reus, groot, geducht, sterk, geweldig

huso, husi: huis

hvelp: welp

id, idi, ida: werk, werkzaam, scheppend, maagd

im(me): de werkzame, de bij

-ing, -inga, inge(n): behorende tot (het volk van ...), ook God van de Ingweonen,

ingela: hoek

irmin: groot, geweldig

îs, îsan, isan: ijzer, ijs, stevig

iv: bogg van taxushout, taxusboom

karel, karl: kerel, vrij man

kin: kind, afstammeling

knut: knoet (Noors)

kono, kôn(i): zie cono

kuni: koen, dapper, geslacht

kuri: keuze

laic: springen, dansen

laitho, laitha: vijandig, leiden

land, landa: land

lang: lang

leidi, leud(i): lieden

leof, lieb, liaf, liud: lieve, nakomeling

leub(a): lief, bemind, beminde

leudi: zie liud

lewa, liwi: genadig

liede, liud: vol

lin: knuffelvorm in mannennamen

lind, liub: schild, linde, slang, zacht, lief, teder, lenig

liud, leud, leudi, luit: volk, lieden

lo: knuffelvorm in mannennamen

loch: bed

loga: vlam

lud: beroemd

magin, mag(an), mach, megin: machtig, kracht

maht(i): macht

man(a): man, mens

mang: menigte, veel

mar: zie mêr

marc: grensgebied, woud

math, mathal, mathi, madal, mal: (rechts)vergadering, verzamelplaats, ook recht, rechtvaardigheid, rede 

maur: moor, arabier, donkerhuidige

med: eer(bied)

mêr, mar, mare, mêrja, mâr: roem, beroemd, paard

mikil: groot

mil(d)(i): zacht, lieflijk, vrijgevig

môd, mud: (ge)moed, moedig, toorn

mund, mond: beschermer, voogd, mondig, hand, maan, maand

nanth, nand: moed(ig), dapper(heid), durf

nar, ner: voedsel

nath: genade, gunst

naud(i): nood, gevaar

nid: nijd, toorn, vechtlust, moed

nivja: nieuw, jong

nout, noud, nood, nodi, naud: dapper, nood, gevaar, strijder, heerser

nord, north: noorden

od, ot, oþ, ôd, oda, odâl, odo, odela, otto, ôthal: vaderlijk erfgoed, bezit, rijkdom, bewaarder, erfdeel

olf: zie wulf

olt, olt: zie wald

one, ono, onno: vrijgevig

oord: langgestrekt eiland in de rivier, weerd, waard

ort: uiteinde, spits, punt, zwaard, wapen

osta, austa: uit het oosten

ot, ôthal: zie od

þurnu: (stekelig) struikgewas

raban: raaf

rad(i), râd, rêd: raadgever, raad

ragin, regin, rem: raadgever, overleg, besluit

rand: schildrand

rêd: zie rad

ric, rîk, rik, rîk, rïkja: machtig, rijk, koning

ricja: zie ric

rîd(an): rijden

ripja: rijp

rud: overwinning, roem, staf, rood

 

sa(h)s: sakser

sal: zaal

sali, sella: woning

salva: wapenrusting, maliënkolder

sand: waar

sarva, sarwa: malien, wapenrusting

sax: (kort) zwaard

scaft: schacht (van een speer)

scalc: dienaar, soldaat, knecht

scoon, scoen: mooi, aantrekkelijk

sibja: verwantschap, sibbe, geslacht, huis

sîg, sig, sigi: zege

sind: weg, tocht

smithu: smid

snel: rap, stoer

sôna: zoen, oordeel

sone: zoon

spoerl: tak

staer: donker, troebel, strak

stahal: staal, ijzer, sterk, hard

stalta, stalto: bezitter

stên, sten, steen, stain: steen, burcht, boerderij

stil: rustig, betrouwbaar

strîth: strijd

sturmi, storm: wellicht storm

sunna: zon

swan: slim, zwaan

swinth, swind, svintha: sterk, snel, gezond, heftig, gezwind

swôt(ja): zoet

tane, tanne, thank: geest, gedachte

tet: knuffelvorm in verkorte namen

têt: vrolijk, vreugdevol

thiad, theud(o), theot, dode, dodo: behorend tot het eigen volk

thing: vergadering

thunra: donder

tolinc: dijk, polder, moer

tras: strijdlustig, moedig

trûd, trud, thruth: macht, kracht, sterkte, vertrouwd, geliefde

uiu: waardig (Keltisch)

ulf: zie wulf

un: geven, toestaan

vac(ar), vag: wakker

varin: waarborgen, verweren

vica: vestiging

vintar: winter

vol(a): wel, goed

wacchar: waakzaam, flink

wal, walh: slagveld, buitenlands, keuze

walh(a), valh: buitenlander, Waal, Romaan, vreemdeling

wald, walda(n): heerser, macht, woud

ward, wardan: behoeder, vrede

waro, warin: hoede, hoeder, beschermen

was(o): sterk, vast, scherp, woest

wendil, wendel, wenden: Vandaal

wer: hoeder, herder, maar ook waarheid, licht

weren: beschermen, waarschuwen

wette: waden

wica: zie vica

wic, wîg, wig: strijd

wich, wîg: strijd, heilig

wid, widu, wîdu, wido, wito: woud, hout, boom, blond, wit

wîh: heilig

wijn, win, wini: vriend, goed

wil, wilja: wil, streven

win(i), vin(i): vriend

win(i)d: volksnaam van de Wenden

wind, wend: draaien, opwinden

wîp, wive: wijf, vrouw

wîs, wis: wijs

wive: vrouw

(w)ulf, wolf, volf, olf: wolf

wun: blij, geluk, minnen

za, zo: knuffelvorm in verkorte (vrouw-man) namen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

þ (alt 0254): Oud-Engels en IJslandse letter (uit runenteken thorn) met een uitspraak als in het Engels thing.

Ook de woorden hierboven met th geschreven, horen in die groep.

Terug naar familienaampagina

Terug naar voornaampagina

Terug naar plaatsnaampagina