Familienamen

                                                                                                                             

A | B | C |  D E F | G | H I J | K | L | M | N O | P Q | R | S | T U | V | W X Y Z

Andere S-bladzijden S | Se | So

 

 

Terug naar intro 

Het grootste deel van onderstaande info is een selectie uit: Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk (grondig herziene en vermeerderde uitgave) (Dr. Frans Debrabandere - L.J. Veen /Het Taalfonds 2003).

Sobron

Naam die wellicht komt uit het Occitaanse (Languedoc) Soubiran, Soubran: hoger gelegen plaats. Of (hoe vreemd ook) ook wel: aan de voet van de helling.

 

Sobry, Sobrie, Saubry, Sobbry, Soubry, (de) Soubrij, de Soubri, Soubrier, Dessobry, Des(s)oubrie, de Sobri(e), de Sobry, Desombry, Desaubry

Betekent zoveel als: des Aubris. De plaatsnaam heeft waarschijnlijk dezelfde betekenis als Aubry (in het gebied Nord in Frankrijk).

 

Soel Van, Van Sull

Familienaam uit de plaatsnaam Suhl (Thuringen), Suhle in Lastrup (Nedersaksen), Zoelen (Gelderland).

 

Soels, So(o)ls

Plaatsnaam ?

 

Soen(s), Tjoen(s), Tjoën,T'Joens(s), 't Joen(s), t'Joen(s), Tson(g), Tion, Tyjon, Tyoen, Tsjoen, T'Sjoen, 't Sjoen, T'Sjoën, Sioen(s), Sioëns, Sion, Scion, Scyon, Syoen, Sijoen, Céoen, Sayoen

Patroniem Chon, korte vorm van Michon, dat op zijn beurt een knuffelvorm is van Michel of van Lammechoen/Robechoen.

 

Soenen(s), Zoonens, Zoenen, Seunen(s),-es, Suenens, Sunes, Sunnen, Sünnen

Patroniem, knuffelvorm van de Germaanse voornaam sôna.

 

Soer, Soeren

1. Familienaam uit de plaatsnaam Soeren (Gelderland).

2 Variant van Suer: bijnaam voor een niet zo goedlachs iemand.

 

Soestronck, Sustronck, Suestronck, Justronck, Suestrone

In de 17 eeuw was de naam in Moeskroen: Soustroncq, Sistrone, Sustroncq.

Duitse familienaam die zoveel betekent als zoete dronk. Bijnaam voor iemand die van zoete drank houdt.

 

Soeteman(s), Soetman, Suet(e)mans, Sout(er)mans, Soetermans, Sodermans

1. Bijnaam voor iemand met een zacht karakter.

2. Soms een metroniem/patroniem afgeleid van Zoete (zie bij Zoetaert).

 

Soetewey(e), -eij, -wye, -wez, Soetgeweye

Familienaam uit de plaatsnaam Soetewei (Alice Nahon) in Putte (bij Heist o/d Berg -Antwerpen).

 

Soethou(d)t

1. Mogelijk uit een plaatsnaam, plaats nog onbekend.

2. Of bijnaam voor een timmerman, boswachter?

Een probleemnaam dus.

 

Soffers, Soeffers

Patroniem uit de Germaanse voornaam Sofridus.

 

Sol

Verkorte vorm van Delso(o)l. Zie daar verder.

 

Solle, T'Siolle, Tjolle, 't Jolle, 'T Jolle, Tiole, Tyole, T'Yolle

Bijnaam uit het Middelnederlandse sollen, tjollen: kolven (oud spel: bal met hand of kolf naar mekaar toewerpen), sollen (met iemand). Dus bijnaam voor de balspeler, de plaaggeest of zijn slachtoffer (de sul).

 

Somer(e) De, De Soomer, (de) Sommer, De Zoomer, De Zommers, Somer(s),  Soomers, Zomer(s), Zoomers, Sommers

1. Bijnaam uit het jaargetijde, of voldelingennaam naar vindingsmoment.

2. Beroepsnaam van de kuiper, uit het werkwoord zomen: van hoepels voorzien.

 

Somme(n)

1. Naam uit het Oudfranse/Middelnederlandse some: zadel voor een pakpaard of lastdier. Bijnaam voor een voerman of ezeldrijver.

2. Zie ook Desomme.

 

Somnel

Engelse familienaam die wellicht terug te voeren is op het Middelengelse sumner en op het Oudfranse sumoneor: de ambtenaar die er in de middeleeuwen verantwoordelijk voor was dat iemand die voor het gerecht moest verschijnen, er wel degelijk verscheen.

 

Sompel Van, Van de(n) Sompel(e), Versompel

Familienaam uit sompel: zompige, drassige plek (o.a. in Wondelgem).

 

Somvil(le), Somme(r)ville, Son(ne)ville, Sonvil, De Son(ne)ville, Van de Sonneville, (van de) Zonneville, Zonnevijlle, de Somville, Desomville, De Somviele, Dessomviel(l)e, -ville, Dasson(ne)ville, Dassonleville, D'Assonville, Darsonville, Dassonval(le)

Naam uit de plaatsnaam Son le Vile: op het hoogste punt van het dorp. Zo is er o.a. een Son le Ville in Artres (Nord), Somville in Chaumont (Waals-Brabant), Assonville in Nieuwkerke (West-Vlaanderen) en Assonville in Fampoux en Ham-en-Artois (Pas-de-Calais).

 

Sonck, Sonke(s)

Patroniem uit Sonicus. Friese voornaam Sönke.

 

Sondag(h), Sondack, Zondach, Zondag, Zondacq, Zondack, Son(n)tag, Sonntak

Bijnaam uit de naam zondag: vondeling, vrolijkaard, religieus, ...

 

Soontje(n)s, Zoontjens, Soontiens, Soontiëns, Soentjens, Seuntje(n)s, Seuntiens, Suntjens

Afgeleide van zoontje. Hierbij is de naam van de vader weggevallen (zoon van ?).

 

Soors, Soers, Sorce, Sors

Onduidelijke familienaam die vooral in Limburg en Oost-Vlaams-Brabant voorkomt.

Een Duitse tegenhanger is Sörs.

Wellicht heeft hij dezelfde bron als het Deense Sören: een verkorte vorm van Severinus. Patroniem.

 

Sophie, Sofia, Soffie, Soffié, Souphy, Sofys, Sophys, Suffis, Suffys, Sufit

Metroniem uit de Griekse heiligennaam Sophia: wijsheid.

 

Sorée, Soree, Sorèe

Familienaam uit de plaatsnaam Sorée (Namen).

 

Soudeyns, -ijn, -yn, Sedeyn(s), -eijn, -yn, Cedeyn, -eijn, Sydein

Naam uit het Oudfranse sodain: plotseling.

Bijnaam voor een vlug, plotseling handelend persoon.

 

Soufflet, Soufflé, Souflet

Naam uit het Oudfranse soflet: blaasinstrument. Beroepsnaam of beroepsbijnaam.

 

Souffreau, -iau(x), -iou

Schrijfvariant van Chaufouraux. Zie daar verder.

 

Souillard, -a(r)t, -iaert, -ierd, Souiljaert, Soul(l)iaert, Solliard, Solia(s)

Naam uit het Oudfranse soillier: vuilmaken. Tja, ...

 

Souter De, De Soutter, De Zoutter, De Zoutre, (de) Sauter, Zauters, Zoeter, De Soeter

Beroepsnaam voor de zouter: zouthandelaar of zoutzieder.

 

Soutmans, Soutermans, Soetermans, Sodermans, Zoutman

1. Beroepsnaam voor de zouter: zouthandelaar of zoutzieder.

2. Eventueel kan het een variant zijn van Soetemans. 

 

Souveryns

Familienaam uit het Middelnederlandse souverein: iemand die boven anderen geplaatst is, gezaghebber.

 

Souwen(s), Sauwen(s), Zauwen, Souw

Deze naam betekent zoveel als des Ouwen: zoon van den Ouden.

 

Soyer, -ez, Soier, Sohi(e)r, Sohie(z), Sohe(s)t, Sohir, Sohy(r)

Patroniem, Romaanse vorm van de Germaanse voornaam Zeger.

 

Spaandonck Van, Van Spaendon(c)k, Verspaandon(c)k, Verspaendonck

Naam uit de plaatsnaam Spaandonck in Haaghorst (Noord-Brabant).

 

Spaerkeer

Een moeilijke: mogelijk/wellicht een naam uit de Deense plaatsnaam Sparkaer (omgeving Viborg).

 

Spanoghe, Spanhove(n), Spaenhoven

Bijnaam voor iemand met een gespannen of starre blik.

 

Specht, Spect, (de) Spicht, Despic, Spigt

Bijnaam naar de vogelnaam specht. Wellicht voor iemand met een spichtige beus.

 

Speck(s), Spek, Spec, Specq(ue)

Beroepsnaam van de spekslager of bijnaam van een speketer.

 

Spede, Spède, Speder, Spéder, Spee, Spée, Speed

Oostelijke en Nederduitse vorm van het Middelnederlandse spade: laat, traag. Bijnaam.

 

Spée, Spee

1. Zie Spede.

2. Beroepsbijnaam uit het Waalse spèye, spée, het Franse épée: zwaard. Beroepsbijnaam van de zwaardenmaker.

 

Speeckaert, Speecart, Speekaert, Speekhart, Specka(ert), Spica(ert), Spieca(e)rt, Spiéca(e)rt, Spiekart, Spiékart

1. Naam uit speecke: spaak. Beroepsbijnaam voor de wielmaker, wagenmaker.

2. Naam uit Verspeeck: zie bij Spek.

 

Speeten Van der, Verspeet(en)

Naam uit de plaatsnaam Spit, Spete.

 

Speethoven

Naam uit de gelijknamige plaatsnaam: spete + hove.

 

Spek: zie Speck, (van der) Spek.

 

(van der) Spek, Van der Speks, Van der Spi(c)kken, Verspeek, Spekkens, Specken(s)

Familienaam uit de plaatsnaam uit het Middelnederlandse spijc: brug van boomstammen, knuppeldam, moerassig gebied.

 

Spelier(s), Spellier(s), Spillier,  Spilier(s), Spile(e)rs, -aire, Sp(e)leers

Het Luikerwaals speelier betekent zwaardenmaker. Een beroepsnaam dus.

 

Speybroe(c)k (Van), (van) Speybrouck, Speijbroe(c)k, Van Spybrouck, Speybrock, Spebrouck, Van Speybroeck

Familienaam uit de plaatsnaam Speibroek te Sleidinge en Wommelgem (Oost-Vlaanderen).

 

Spiegel Van der/de(n), Van de(r) Spiegle, Van der Spigel, Van der Spiele

Er is een plaatsnaam Spiegel (o.a. in Ruiselede): langwerpig of vierkant water.

Toch komt de naam wellicht van de huisnaam van een spiegelmaker.

 

Spiegela(e)re De, De Spieghelaere, -eir, Spiegelaere, -e(e)r, Spiegler, (de) Spiegeleer(e), -eir(e), Spigeleer, Spegelaer(e), De Spiegeler, -ier, De Spiegueleer, Despigeleeres

Beroepsnaam van de spiegelmaker.

 

Spiering(s), Spirinckx

1. Bijnaam naar de spiering, een kleine vis (in het algemeen). Bijnaam voor een klein, mager persoon.

2. Soms is hij ook een afgeleide van Van Spiere: dit uit de plaatsnaam Spiere (West-Vlaanderen).

 

Spildooren, Speltdoor(e)n, Spilthoo(e)n, Speelthore, Spiltoir

Familienaam uit de plaatsnaam Spildoorn: witte haagdoorn of meidoorn.

 

Spillebeen

Bijnaam voor iemand met lange magere benen: spillebenen.

 

Spillia(e)rt, Spiljard

Naam uit het Oudfranse espilli(e)r: roven, plunderen.

Bijnaam voor een jager, maar ook voor een rover, plunderaar.

 

Spilstyns: zie Plaetinckx.

 

Spinnewijn, -wyn, -wym, -wine, Spinewine

Bijnaam voor wie zich van wijn onthoudt.

Het Middelnederlandse spennen/spinnen betekent: zich onthouden van.

 

Spit, Spits, Speth, Speet(s)

Naam uit het Middelnederlandse spit, spet: (braad)spit, beroepsbijnaam van de speter (vleesbakker).

Of uit het Middelnederlandse spiet, speet: speer, lans, spie(t)s, beroepsbijnaam van de wapensmid.

 

Spitael(s), Spitale, Spital(s), Spittael(s), -al, Spithaels, Spittols, Spietael(s), -als, Sputael, Pitaels,

Van Spit(t)ael(s)

Naam uit het Middelnederlandse spitael: godshuis, gasthuis, ziekenhuis. Naar beroep of woonplaats.

 

Splenter(e) (de), De Splinter

Beroepsnaam afgeleid van een 'splinter': een afgehouwen of afgespleten iets. Vooral houtsplinter.

 

Spoelbergh (de), (de) Spoelberch

Familienaam uit de gelijknamige plaatsnaam in Kortrijk (West-Vlaanderen) en Lovenjoel

(Vlaams-Brabant).

 

Sporrij, Sporry(s), Spoerl, Spoerri, Spoerrin, Spur, ...

Naam, die in vele varianten in Noord-Europa voorkomt, het is een naam uit het Engelse, Duitse, Nederlandse, ... taalgebied.

1. Bijnaam uit het Germaanse spoerl, dit voor mager iemand.

2. Uit de huisnaam "The Sparrow".

3. Uit het Duitse spohr/het Engelse spur: (ruiter)spoor. Beroepsbijnaam.

 

Sprang Van, Van Sprangh(e), Spranghels

Naam uit de plaatsnaam Sprang - Spreng (Noord-Brabant).

 

Spriensma

Naam uit de terpnaam Spriens, naar de daar gelegen boerderij Groot Spriens, bij Raard (Dongeradeel). Spriens is wellicht de Friese vorm van Spredinge: afstammelingen van Spredo. De betekenis van Spredo in onbekend.

Reinder Freerks Spriensma (1754-1826) die deze familienaam in 1811-12 aannam, woonde op die boerderij Groot Spriens. Meer info bij het Meertens Instituut en op de Spriensma.site.

 

Spriet (de)

1. Naam afgeleid uit het woord spriet: staak, timmerhout, hout van een boog, schacht van een lans, vork.

Mogelijk een beroepsnaam of een bijnaam naar de gestalte.

2. Een Spriet betekent als plaatsnaam: tweesprong, bv. in Eeklo, Nevele en Langemark. In dit geval een familienaam afgeleid uit de plaatsnaam.

 

Springel Van, Van Sprengel

Familienaam uit de plaatsnaam Springel/Sprengel (bron, plaats waar de bron ontspringt) in o.a. Olen en Westerlo.

 

Springer (de), De Springre, Sprynger, Sprenger, Spreng(h)ers, Spranger, Sprang(h)ers, Szpinger

1. Bijnaam voor een springer/sprenger: (koord)danser, kunstenmaker.

2. Afgeleid van het Middelnederlandse sprengen: galopperen: bijnaam voor een ruiter.

3. Zie ook: Springel Van.

 

Springuel(le), Springel

1. Verschrijving van de Duitse familienaam Sprengel/Springel, dit uit sprinkhaan (bijnaam voor een springerig iemand).

2. Mogelijk uit het het Waalse spinguèl (: guitig).

 

(de) Sprinkel, Sprenkels, Sprengels

Het Middelnederlands sprinkel betekent sprinkhaan. Wellicht de bijnaam voor een springer,een lenig iemand.

 

Spronkmans

1. Familienaam naar de plaats waar spork (vuilboom) groeit.

2. Uit het Middelnederlandse sproke: taal, verhaal. Bijnaam voor bvb een verteller.

 

Spruyt, Spruijt, Spruit, Spruydt, Spruytte, Sprute, Sprout, Sprauten, Spro(o)ten, Spröte

Familienaam uit het Middelnederlandse sprute: spruit, uitspruitsel. Bijnaam voor een jong of tenger mens.

 

Spruytenburg, Sprui(j)tenburg

Naam uit de gelijknamige plaatsnaam Spruyten-burg (lokatie onbekend).

 

Spurt Van der, Versporten, Verspurten, Verspeurt, Speurt

Familienaam uit de plaatsnaam Spor(k)t: plaats waar Sporkenhout groeit.

 

Staal, Stael(s), Staël, Sta(h)l

1. Beroepsnaam van de staalbewerker, -handelaar of smid.

2. De Westvlaamse familie Stael(s) heette ca. 1700 Staelen en voordien Staelens (Patroniem uit een Stahal (staal) naam).

 

Staat(s), Stad(s)

1. Patroniem afgeleid uit Staes: zie daar.

2. Naam uit het Middelnederlandse stade: standvastig. Bijnaam.

 

Stadsbader (de), De Statsbader, Stadtsbaeder

Beroepsbijnaam voor de houder van een openbare badstoof, van een stedelijke badinrichting. Naam van Duitse origine.

 

Staden Van, Van Staen, Vanstaen, Van Staey(en), Van Staay, Van Staeij(en), Van Stay(en)

Naam uit de plaatsnaam Staden (West-Vlaanderen, St.-Truiden en Utrecht)

 

Staelen(s), Stalen(s), Stalin(s), Stallens

Patroniem afgeleid uit een Germaanse 'stahal'-naam : staal.

Zoals in Stalhart (Stark 50).

 

Staes, Stas(se), Stass, Staus, Stach(e), Stasch, Stes(se), Stesses, Taes, Tais

Patroniem, verkorte vorm van de Griekse heiligennaam Eustachius.

Zie ook bij Staessen(s).

 

Staessen(s), Staesens, Stausens, Stassen(s), Stas(s)in(s), Stassain, Stassijns, Statsyns, Stasseyns, Stessens

Patroniem uit het Middelnederlandse Staessin: een knuffelvorm van het Griekse Eustachius.

 

Staey Van de(r), Van der Staeij, Verstaen, Veerstaen

Naam uit de plaatsnaam ter Stade: strand, oever, aanlegplaats.

 

Staf(f), Staffe, Staffé

1. Bijnaam uit het gebruik van een wandel-, bedel- of herdersstaf.

2. Bijnaam voor een slank iemand of iemand met lange benen.

 

Stal

1. Variant van Staal. Zie Staal.

2. Beroepsbijnaam van een stalknecht.

 

Stalpa(e)rt, Staelpaert, Stalport, Spalpers

Familienaam afgeleid van het werkwoord stalpen. Bijnaam voor iemand die met de voeten stampt, die hoorbaar of statig loopt.

 

Stals

1. Zie Stal.

2. Zie Stols.

 

Stam, Stamm(en), Stams

Bijnaam uit stam, boomstam voor een geblokt iemand.

 

Standaerd, -aert(s)

Bijnaam naar de standaard (komt uit het Oudfranse estandard: mast, staak, vlag, vaan).

Bijnaam voor de vaandrig, de standaarddrager.

 

Stammeleer (de), Stommeleer(e), De Stommeleir, De Stommelier

Bijnaam voor een stamelaar.

 

Stamp(e), Stam(p)s

Bijnaam voor een stamper: oliestamper, olieslager.

 

Stamper(s), Stampa(e)rts, Stampfer

1. Beroepsnaam van de oliestamper, olieslager.

2. Mogelijk ook bijnaam voor iemand die stommelt, kabaal maakt.

 

Stapel(s), Staepels, Staple, Stapelle

Beroepsbijnaam voor iemand die stapelde (in welk beroep ook).

 

Stappaert, Stappaer(t)s, Stapper(s)

Naam uit het werkwoord 'stappen', schrijden. Bijnaam voor iemand met een stevige stap, ...

 

Stappen Van der, Vanderstappen, Verstappen

Familienaam uit de plaatsnaam Stap/Stappe die op diverse plaatsen in Vlaanderen voorkomt. Uit het Middelnederlandse stap/stappe: stap, trede, vlonder, (grens)paal.

 

Starkenburg, Starrenburg, Star(c)kenborch, Starkenborg

Familienaam uit de plaatsnaam Sterrenburg (Dordrecht) of uit een andere burg(versterking)-naam. Het gedeelte stark, ... kan verwijzen naar sterk, naar een voornaam, naar een bepaalde wijk of plaats, ...

 

Stassin(et)

Patroniem uit de voornaal Eustachius. Zie verder bijStaes.

 

Van der Stede, (van (der)) Stee, Van der Stée, Versteden, Steden

Familienaam uit de plaatsnaam Stee/Stede: plaats in alle mogelijke betekenissen (zeer ruim).

 

Steel, Steels, Steele

1. Verkorte vorm van Bosteels. Zie daar.

2. Bijnaam naar de steel, handvat. Beroepsbijnaam.

 

Steeman(s), Stémane, Stieman(s), Stiéman(s), Stijmans, Stymans, Stimanne, Stimans, Staman(n)e, Staman(es), Steadman

1. Beroepsnaam stedeman: stadsdienaar, stadsknecht.

2. Zie ook bij Steenman(s).

 

Steenacker Van, Steenacker(s), Steenacher, Stenacker

Familienaam afgeleid van de plaatsnaam "Steenakker" = akker met veel stenen of mogelijk een plaats waar bakstenen gemaakt of gedroogd werden.

 

Steenbreker, Steinbrecher

Beroepsnaam naar het gelijknamige beroep.

 

Steen(e) Van (de(n)/der), Vandesteene, Van der/n Steenen, Van der Stenen, Van den/r Sten, Van der Stien, (van) Stein, Wan(der)stein

Familienaam uit de verspreide plaatsnaam Steen: plaats waar een steen (stenen)liggen of ook versterking.

 

(van) Steenbergen

Familienaam uit de (in Nederland) heel verspreide plaatsnaam Steenberge(n).

 

Steenbrugg(h)e (van), Van Steebrugge, Van Steinbrugge, Steenbruggen, Stenebruggen, Steenebrug(g)en

Naam uit de verspreide plaatsnaam: stenen brug.

 

Steendam (van den), Van Steendam(me)

Familienaam uit de regelmatig voorkomende plaatsnaam Steendam: stenen dam.

 

Steenhuyze (van), (van) Steenhuyse(n), Steenhuyse(n), Steenhuuse, -huis, -huizen, -huijzen, -huyzen, Stenh(e)use

1. Familienaam uit de plaatsnaam Steenhuis (stenen huis). Er is een dorp Steenhuize (Oost-Vlaanderen), in Avelgem (West-Vlaanderen), in Vissenaken (Vlaams-Brabant).

2. Ook uit de Nederduitse plaatsnaam Steinhaus (Noordrijn-Westfalen en Nedersaksen).

 

(van) Steenkiste, Van Steenkist, Van Steekisten Van Steenskiste

Familienaam naar de plaatsnaam Steenkiste in Kortrijk.

 

Steenland (van), (van) Steenlan(d)t, Van Stenland, (van) Steeland, (van) Steelan(d)t, Vansteelant, Van Teelant, Van Teclandt

Familienaam uit de plaatsnaam Steenland bij Aksel (Zeeland).

Of uit Steenland in Kallo (Antwerpen), en Steenkerke, Bellegem en Kortrijk (West-Vlaanderen).

 

Steenman(s), Steeneman, Steemans, Stenman(s), Steimans, Steymans, Steyneman

1. Naam afgeleid uit Van den Steene: zie bij Steen(e).

2. Beroepsnaam van de steenbakker.

3. Beroepsnaam van de metselaar.

4. Zie ook bij Steeman(s).

 

Steensel Van, Steensels

Naam uit de plaatsnaam Steensel (woning van steen), Eersel (Noord-Brabant), en in Lichtaart en Hoogstraten  (Antwerpen).

 

Steenvoort Van

Familienaam uit de plaatsnaam Steenvoorde (Frans-Vlaanderen), of in Oostkamp (West-Vlaanderen) en in Rijswijk (Zuid-Holland). Of uit Steenvoort (Gelderland).

 

Steenweg(h)en (van), Steenwege(n), Steenweg(h)

Familienaam uit de verspreide plaatsnaam steenweg: verharde straat of straat naar het "steen'..

 

Steenwin(c)kel Van, Steenwin(c)kel(s)

Familienaam uit de plaatsnaam Steenwinkel: stenen hoek, stenen hoekhuis.

Plaatsnaam in bv. Hombeek.

 

Steerteg(h)em Van, Van Steirteg(h)em, Van Stertg(h)em, Van Steertegen

Familienaam uit de plaatsnaam Steertegem, d.i. wellicht een vervorming van Steerthen (zie daar).

 

Steerthem Van, Van Sterthem, Van Sthertem, Van Steersthem, Van Steerten, Van Stert(h)en

Familienaam uit de gelijknamige plaatsnaam in St.-Lievens-Esse (Oost-Vlaanderen).

 

Stegen (van der), Vanderstegen, (van der) Steegen, Van der Steeg, Stégen, Verste(e)gen, Versteghe(n), Versteeg(h), Verste(e)ven, Tersteeg, Steeg, Steegs, Steg(h), Desteg(he), Steegmans, Stegeman(n), Stegmans, Stegmann, Stigman, Stickman

Familienaam afgeleid van de plaatsnaam stege: steeg, pad.

 

Steigueldoir, Steingueldoir, Esteingeldoir

Waalse verhaspeling van de familienaam Stekendoren: wellicht naar woonplaats in de buurt van ...

 

Steijnemolen Van, Van Steijnemeulen, Van Stijnemeulen, ...

Verdwenen familienaam naar  "stenen molen": plaatsnaam of beroepsbijnaam.

 

Steijvers: zie Stijvers.

 

Stein, Steines, Steins, Sztejn, Sztajn, Stienen, Steyn(en), Steyns, Steijnen, Steijns

1. Patroniem uit de Germaanse voornaam Staino.

2. Of uit de plaatsnaam Stein: steen, stenen huis.

3. Zie ook Steinen.

 

Stekelorum, Stekelorom, Stekelerom, Stekalorum, Steculorum, Stekulorum, Stik(k)elorom

Naam wellicht afkomstig uit een Latijns miswoord: seaculorum.

Mogelijk naam voor iemand die wat met de mis te maken had: koster, ... Of bijnaam.

 

Stel Van (der), (van der) Stelt, - Steld, Verstel(d)t, Verstelle

Familienaam uit de plaatsnaam Stel(le): kunstmatig opgeworpen hoogte op buitendijkse schorren.

 

Stem(m)ler, Stempher, Stammler

Bijnaam uit stammler: stamelaar.

 

Stenten

Uit het Engelse Stenton, Stanton, naar de veel voorkomende plaatsnaam Stanton: 'steen-tuin, omheining'.

 

Steppe, Steppé, Step(s), Steep

Patroniem, verkorte vorm van de Griekse heiligennaam Stephanus.

 

Ster(c)kendries

Familienaam naar een plaatsnaam (onbekend).

 

Sterk(e) (de), De Sterck(e), Ster(c)ké, (de) Stercq, Ster(c)kx, Sterc(k)x, Sterken(s), De Staer(c)ke, De Starke, De Straerke, De Staecke, Starc(kx), Stärk, Starck(en), Stark(e), Stärk

Bijnaam voor een fysiek sterk iemand.

 

Steur (de), Steurs, (de) Stuer(s)

1. Naam uit de visnaam steur (in het Middelnederlands store, stuer(e), steur(e)).

Beroepsbijnaam voor de visser, huisnaam of bijnaam.

2. Bijnaam uit het bijvoegl. naamwoord: stuur, sture, stuer: krachtig van geest, maar ook hardvochtig en bars.

 

Steurbout, -baut, Steurebout, Stuerbout, Stuerebaut, Sturbaut, -beaux, Sturbois

Bijnaam + patroniem uit het werkwoord storen/stueren (storen, in de war brengen) + de voornaam Boud.

 

Steutel(s), Steutelings

Naam uit het Oudnederlandse steuten (stoten): bijnaam voor een stotteraar.

Steva(e)rt, Stéva(e)rt, Stavart

Patroniem uit de Franse vorm Estève van de Griekse naam Stefanus.

 

Stevin(s), Steven(s), Stéven(s), Steevens, Stéven(ne), Stevenne

Patroniem afgeleid van de heiligennaam Stephanus (= krans).

 

Steyfkens, Stifkens

Patroniem uit de heiligennaam Stefanus.

 

Steylaer(t)s, Stallaert(s), -ard, Stalars, Stala(s), Van der Steylen, Van der Stylen, Van der Stijlen, 

Versteylen, Versteijlen, Versteele, Versteels, Steilen, Steylen, Steyls, Styl(en), St(e)ijlen

In deze reeks hoort als variant wellicht ook Stillaer(t) thuis.

Familienaam uit de plaatsnaam Steil(e) in Reet, Schelle, Boom.

Stillaer(t) komt mogelijk ook uit de Germaanse voornaam stil-hard.

 

Steyleman(s), Steijleman, Stijleman(s), Stylemans(s), Stylman(s), Stijlman

1. Metroniem uit de voornaam Steile.

2. Familienaam uit de plaatsnaam Steil(en): Reet, Scheele, Boom.

 

Steylen, Steyls, St(e)ijlen, Steijls, Steilen, Steille, Steils, Styl(en), Steele, Stelen, Stèlen, Steels, Stiels,

Stiel(le), Versteylen, Versteijlen, Versteele

1. Metroniem uit de Germaanse voornaam Steile (uit Steinhilde).

2. Soms ook uit de plaatsnaam Steile, zie bij Steylen.

 

Steylen Van der, Van der Stylen, Van der Stijlen, Versteylen, Versteijlen, Versteele, Versteels, Steilen,

Steylen, Steyls, Styl(en)

Familienaam uit de plaatsnaam Stijle in Reet, Schelle, Boom (Roel.1942).

 

Steyt

Wellicht een bijnaamvariant van stout: stout, flink. Bijnaam voor een flinke kerel.

 

Steyvoort (van), Van Steijvoort, Van Styvoort, Van Stijvoort,

Van Stynvoort

Familienaam uit de plaatsnaam Stevoort (Limburg).

 

Stichelbaut, -baudt, -bault, -bout, Stygelbout, Stickelbout, -baut, -boult, Stequelbout, Steclebout,

Tichelbaut

Naam uit het Middelnederlandse stevel, stivale (laars, zware schoen) en het Engelse boot (zware schoen).

Beroepsbijnaam voor de maker of verkoper van zulke laarzen.

 

Sticker(e) De, Stikkers, Sticker(s), (de) Stecker, Steekers

1. Beroepsnaam van de stikker: borduurwerker, tapisseriewerker.

2. Mogelijk ook uit het Middelnederlandse steker: deelnemer aan een steekspel, messentrekker, vechtersbaas.

 

Stiggel Van der, Van der Stighelen, Van Stiggelen, Van der Stigchel, Van Stig(h)el, Van Stiegel,

Van (der) Stichel, Van (der) Stichele(n), Van der Stickel(en), Van der Steichel, Stechele, Sti(c)kel,

Verstichel, Verstichele(n), Verstiggel(en), Van der Strichelen

Familienaam uit de plaatsnaam Stegel: stoep, verhoging, kaai, muurtje, slagboom. Een variant van het nog

bestaande richel.

Kan ook een huisnaam zijn.

 

Stigter(s), Stifter
1. Familienaam afgeleid van het Sticht (Utrecht).

2. Naam van een 'stichter': iemand die een schenking doet aan een geestelijke stichting of die een pachthof

exploiteert van een stift.

 

Stijnen, Stynen, Stine, Stijns, Styns, Stins, Stein, Stein(e)s, Steyn(en), Steyns, Steijnen, Steijns,

Stien(s), Stienen

1. Metroniem, verkorte vorm van de heiligennaam Christina, Christijne (uit Christianus).

2. Patroniem. Vooral St(e)ij/yns kan een verkorting zijn van Augustijns (uit Augustus).

 

Stijvers, Steiver(s), Steijvers, Steyvers, Steifer

Beroepsbijnaam uit het Middelnederladse stiven: fluitspelen, op de schalmei blazen.

 

Stillaer(t)

1. Afgeleide van Tillard. Zie daar.

2. Zie ook Steylaer(t)s.

 

Stinders

Genitief van tiender: tiendheffer, maar ook tiendplichtige.

 

Stinkens, Stinckens, Stijnken(s)

Patroniem of metroniem, verkorting uit de voornaam Augustijn of uit Christina.

 

Stip(s), Stippe

1. Naam uit stip (punt): wellicht plaatsnaam.

2. Patroniem, verkorte vorm van de Griekse naam Stefanus.

 

Stobbaerts, Stobbart

Familienaam afgeleid van Stobbe: stronk.

Bijnaam voor iemand met een gedrongen gestalte.

 

Stobbe, Stub(be), Stobbs, Stubbs, Stubbé

Naam uit het Middelnederlandse stubbe, stobbe: stronk. Bijnaam voor iemand met een korte gedrongen gestalte.

 

Stock, Sto(c)kx, Stox, Stok(s), Stocks, Stocq, Socke, Stocké, Stouck

1. Beroepsbijnaam voor de maker van stokken, staven, knuppels.

2. Bijnaam voor iemand die veel een stok/knuppel bij zich had.

3. Beroepsbijnaam voor de stokmeester (= gevangenbewaker).

4. Soms ook huisnaam. Uit " In den Stok".

 

Stock Van de(r), Van der Stocken, Vander Stock, Van der Sto(c)kt, Van de Stocke,

Van der Stokken, - Stokker, - Stoken(s), Versto(c)ken, Verstockt, Van den Stock(t), Van den Stocht

Familienaam uit de plaatsnaam Stok: boomstronk, plaats waar stronken staan.

 

Stockart, -aer(t), Stokart, -ard, Sto(c)quart, Stokkaer, Stokkart

1. Bijnaam uit het Middelnederlandse stocken: steken, stoten, bestoken, met stokken slaan. Een stokvechter ?

2. Ook mogelijk een patroniem uit het 14 de eeuwse: Stokar de Forvie, Stockar dit Scochar de Blehen -

Luik (Body).

 

Stockman(s), -mann, Stokman(s), Stocman

1. Beroepsnaam van de stokmeester of gevangenenbewaker.

2. Uit Van der Stock: plaats waar boomstronken staan.

3. Bijnaam voor een stokvechter.

 

Stoelen, Stulin, Stulens, Stolen, Stultjens, -iens, -iëns, Stoelinga, Stolle, Stul

Patroniem uit de voornaam Stoelin, deze uit het Germaanse Stodilo

(betekenis ?).

 

Stoel(s)

1. Beroepsbijnaam voor een stoelenmaker.

2. Patroniem uit de Germaanse voornaam Stollo, Stoelin.

 

Stoesser

Duitse beroepsnaam voor een salzstosser: iemand die het zout in de vaten doet of iemand

die in de wijnbouw de palen in de grond slaat/stoot.

 

Stoete, Stoet(t)

1. Bijnaam voor iemand met een plechtige manier van stappen.

2. Zie ook Stoesser en Stout.

 

Stoffel(en), Stoffels, Stoffelt, Stoffelmans, Stofferis, Stofferus

Patroniem, verkorte vorm van de heiligennaam Christophorus.

 

Stoffin, -ijn, -yn(s), Stoffen(ne)

Patroniem, knuffelvorm van de heiligennaam Christophorus.

 

Stokhof

Naam voor een bewoner van de gelijknamige hoeve uit stok (mogelijk uit stam: familiegoed) + hof (hove). Mogelijlk o.a. uit de regio Doetinchem.

 

Stokstraeten Van, Van Stockstraeten

Familienaam uit de plaatsnaam Stokstraat in Elverzele, Schorisse, Zele (Oost-Vlaanderen), Geluwe, Wervik en Klerken (West-Vlaanderen).

 

Stollaerd, Stollaert

Dialectische variant van Stallaert. Zie bij Steylaer(t)s.

 

Stoll(e), Stols

1. Bijnaam uit het Middelhoogduitse stolle: blok, klomp.Bijnaam voor een geblokt iemand.

2. Patroniem uit de Germaanse voornaam Stollo, Stoelin.

 

Stols

1. Zie Stolle.

2. Bijnaam uit het Duitse Stolz: moedig, overmoedig.

3. Verschrijving van Stoels. Zie Stoels.

 

Stoltenborg, Stoltenberg

Familienaam uit de gelijknamige plaatsnaam in Noordrijn-Westfalen of Sleeswijk-Holstein (Duitsland).

 

Stommel(s), Stommelinck

Bijnaam uit het Middelnederlandse stommel: kort afgesneden stuk (voor iemand die klein en mollig is).

 

Stoop (de), Stoops, Stoopen, Stoup

Een stoop is een kruik, een wijnkruik.

Bijnaam voor een drinker of beroepsbijnaam van de herbergier of de wijnhandelaar.

 

Storimans

1. Wellicht variant van Storet. Zie bij Estoret.

2. Of naam uit de familienaam Story/Storij/Storie: uit historie. Beroepsnaam voor iemand

die met geschiedenis bezig is.

3. Of uit de beroepsnaam storyer: proviandbeheerder, foerier.

4. Zie ook op hun website.

 

Storm(e), Stormme, Storm(en)s, De Storme, Stourme, Sturm(e), Sturms

1. Beroepsnaam voor de luider van de stormklok.

2. Bijnaam naar een stormachtig karakter,

3. Patroniem uit de Germaanse voornaam Sturm(i).

 

Stout, Staut(e), De Staute, Staudt

1. Bijnaam voor een stoutmoedig, dapper iemand.

2. Patroniem uit de Germaanse voornaam stalta, stalto.

 

Stove, Stoove, Stoefs, Stofs, Stouf, Stouff(e), Stouf(f)s

Beroepsbijnaam van de badstoofhouder, waar men zich tegen een vergoeding in warmte kon baden...

 

Straatman(s), Stra(e)termans, Straet(e)man(s), Strateman(s), Stratman(n), Stradman, Strassman

1. Variant van Strate Van de(r), zie daar.

2. Beroepsnaam van de stratenmaker.

 

Straelen (van), Van Stra(a)len, Van Traelen, Verstrael(en)

Familienaam uit de plaatsnaam Staelen (Noordrijn-Westfalen) of uit Stralen (in Turnhout).

 

Stragier, Strady

1. Familienaam uit het Oudfranse estradier: zwerver, straatrover. Bijnaam.

2. Beroepsnaam voor de gerechtsbode die het stragiersgoed (verbeurd goed) verhandelt.

 

Strate Van de(r), Van de Straat, Van der Straate(n), Van de(r) Straete(n), Van der Stracten,

Verstra(a)ten, Verstraete(n), Verstraet(s), Verftraete, Van der Streten, Van de Strade, Straet(e)

Familienaam uit de zeer verspreide plaatsnaam strate: (heer)weg, straat.

 

Strauss, Strosse

1. Familienaam uit het Duitse Strauss: struisvogel. Bijnaam of huisnaam.

2. Mogelijk patroniem uit de oude voornaam Strûsso.

 

Streek van de(r), Van der Streeck, Van de(r) Strick(t), Wande(r)strick, Van der Strieck(t),

Van der Strich(t), Verstre(e)ken, Verstrecken, Verstricht

1. Familienaam uit de algemene plaatsnaam 'streek'.

2. Familienaam uit Stricht: Maastricht (Nederland).

 

Streignard, -art, -aert(s), Strengnart, Stregnard, -aerts, Strenaer(s), Stranard, -art, Straunard,

Stronard, -a(rt), -aert, Struna

Naam uit het Oudfranse estraigne (uit het Latijnse extraneus: vreemd). Bijnaam voor een vreemdeling,

nieuwkomer, immigrant.

 

Stremler

Beroepsnaam of bijnaam van Duitse komaf.

Mogelijk afgeleid van het Middelnederlandse stremelen: wankelen. Een bijnaam voor iemand die onvast loopt.

Of een beroep ?

 

Streng(s), Strens, Strinks, Strynck(x), Strijnckx

1. Het Middelnederlandse strenc, stringe betekent: touw, koord. Vandaar een beroepsnaam voor de maker

of de verkoper. De veldnaam De Strinck voor een lang smal stuk land is daar ook uit afgeleid.

2.Het kan ook een bijnaam zijn van iemand die streng, onverbiddelijk, hard was.

 

Streulens, Struelens, Strul(l)ens, Strulus, Streeulens, Stroolens

Naam uit het Middelnederlandse streule (urine), streulen (wateren).

Hij wordt meestal als bijnaam verklaard voor iemand die snel handelt, dit naar het snel stromen van water

(in het Westvlaams: streulen, stroelen).

 

Streux

1. Variant van Struyf, zie daar.

2. Variant van Stroo, zie daar.

 

Strijbol, Strybol

1. Patroniem uit de Germaanse voornaam strît-balth.

2. Bijnaam voor iemand met "gestruifd", borstelig haar.

 

Strijbos(ch), Strybos(ch), Stribos

Naam uit de plaats Strijbos (in Gemert Noord-Brabant): omstreden, betwist bos.

 

Strydock(t) Van, Van Strijdonck, Strijdonk, Van Strijdonckt, Van Streydonck, Van Streijdonck, Van Streijdonck, Van Stryponck

Naam uit de plaatsnaam Strijdonk in het Waasland of Kapelle-op-den-Bos.

 

Strijmeers(ch), -mes, Strymeers(ch), -mes, Stremer(s)ch, -mes, -mez, -mus

Familienaam uit de plaatsnaam Strijmeers in Vlierzele (Oost-Vlaanderen).

 

Strijpsteen, Strypsteen, -stein, Trypsteen

Familienaam waarschijnlijk uit de plaatsnaam Trippstein (Eisenach Thuringen).

De Belgische naamdragers zijn wellicht afstammellingen van Thomas Tripstin, die in 1746 te

Sint-Michiels-Brugge huwde met Isabella Francisca Driessens. Hij was afkomstig van Marienthal bij

Keulen (Med. Tony Strypsteen).

 

Strik, Strick(x)

1. Beroepsbijnaam voor een (linnen)strijker.

2. Bijnaam voor iemand die strikt, knoopt, breidt, in een strik vangt ?

 

Strikwerda, Strikwerd

Naam (Strikwerda is Fries) uit de plaatsnaam Strikwerd (lokatie momenteel onbekend,

maar wellicht uit de buurt van Sneek).

 

Van der String, Verstrynge

Familienaam uit de plaatsnaam String: lange, smalle strook land.

 

Stringel

Een in Mexico en de USA (o.a. Texas) voorkomende naam die mogelijk afgeleid is uit het

Oudgermaanse/Oudengelse string/streng: touw of uit het Latijnse stringere. Hij verwijst naar iets lang smal,

slingerend (?), zacht. Dat kan een touw, een rivier, ... zijn.

Hij kan dus evengoed verwijzen naar het beroep van een touwslager, naar een woonplaats bij een rivier,

naar een zacht karakter. Of ...

 

Strobbe, Strubbe

Familienaam uit het Middelnederlands/Vlaamse strobbe/strubbe: boomstronk, lage struik.

Bijnaam voor iemand met een kleine en/of gedrongen gestalte.

 

Stroeykens, Stroeijkens: zie Stroykens.

 

Stroo, Stroy, Stroij

Bijnaam voor de stroboer, strodekker, strobinder of strosnijder.

 

Stroomer, Streumer, Streûmer

Naam uit het Middelhoogduits stromer: landloper.

 

Strooband(t), -band(t)s, -bant(s), -bans, Strooybant(s), Stroybant, Strootbants, Stroeybans, Stroijbans

Familienaam uit het Middelnederlandse strobant: strooien band.

Beroepsnaam voor de strobinder.

 

Stroot, Stroet, Strootman

Bijnaam voor iemand met een opvallende strottenhoofd.

 

Strosse: zie Strauss.

 

Stroykens, Stroeykens, Stroeijkens

Familienaam uit stroo: stro. Beroepsbijnaam van de strosnijder, -binder, -dekker.

 

Strubbe: Zie Strobbe en Strub(e)

 

Strub(e), Strubbe, Straub(e), -er, Stroubben

Duitse bijnaam voor iemand met borstelig, warrig haar.

 

Struik, Struijk, Struyk(en), Struycken, Struk, Struck(en), Strok, Strou(c)ken, Stroeken, Stroe(ck)x

1. Naam uit het Middelnederlandse struuc: struik boomstronk. Bijnaam voor iemand met een kleine gestalte..

2. Of uit de plaatsnaam Struik(t) in Assent (Vlaams-Brabant).

 

Strun(c)k, Strunc, Stronken, Stronckenn, Stronckers, Stronks

Familienaam uit het Middelnederlandse strunc, stronc: boomstronk.

Bijnaam voor iemand met een gedrongen, forse gestalte.

 

Struyf, Struyfs, Struijf(s), Struwe, Strüwe, Streuve, Struive(n), Struijven, Struyve(n),

Struye, Struije, Strauven(s), Strauwen,Straven, Strouven(s), Strouwen

Bijnaam naar borstelig, stoppige, rechtopstaand haar.

 

Struys, Struijs, Stru(i)s, Struyts, De Struy(s)

Familienaam uit de Middelnederlandse bijnaam struus(se): struisvogel.Iemand met één of andere

lichamelijke eigenschap die aan een struisvogel deed denken.

 

Stry(c)ker De, De Strij(c)ker, De Streyker, Stry(c)kers, Strij(c)kers, Stricker, Streker

Beroepsnaam van de strijker, de ambtenaar die belast was met het (glad)strijken van het laken

(de lakenmeter) of van de korenmaat (de korenmeter).

 

Stubenitsky, Stubenitski

Poolse naam die over een groot stuk van de wereld (maar vooral in Nederland) in kleine getallen verspreid is. Waarschijnlijk Poolse variant uit de plaatsnaam Stubnitz, gelegen op het schiereiland Jasmund en het Oostzee-eiland Rügen (niet zo heel ver van Polen).

De naam is wellicht van Slavische oorsprong en betekent zoiets als: bosrijke heuvels met bijenkorven.In de loop van zijn geschiedenis is het gebied lange tijd Slavisch geweest.

 

Stuker(s), Steu(c)kers

Naam uit het Middelduits stucke: boomstronk. Beroepsbijnaam voor een houthakker, een bosrooier.

 

Stump(e), Stümp, Stumpf(f), Stumpfl, Stümpel, Stomp(f)

Familienaam uit het Middelhoogduitse Stumpf, het Middelnederlandse stomp: (boom)stomp.

Bijnaam voor iemand met een gedrongen gestalte.

 

Stuut, Stuyts, Stuijt(s), Steuts

Naam uit het Middelnederlandse stute, stuyt: schenkelvormig brood, koekenbrood.

Beroepsbijnaam voor de bakker.

 

Stuyaert, Steya(e)rt, Steijaert, Stoyaert

Naam uit het Oudfranse estoier (opsluiten) of uit het Middelnederlandse stooien (voortduwen, voorttrekkken).

Wellicht beroepsbijnaam.

 

Stuyck(ens), Stuij(c)k, Stukken, Stuckens, Stuk(k)ens, Stuyk(ens), Steukens, Steuck(k)ens, Stuckens

Het Middelnederlands stuuk of stuik: twaalf tegen elkaar geplaatste graanschoven.

In die zin een bijnaam voor een kort, gedrongen iemand.

 

Stuyf(t) Van der, Van der Stuijf(t), Van der Struyft, Verstuyf(t), Verstuyff, Verstuijf(t), Verstuft,

Verstruyft, Verstuyven

Familienaam uit de plaatsnaam Stuive, Stuift: zandverstuiving.

 

Stuyn Van, Stuyns

Naam uit de plaatsnaam Stuinberg en Stuinbos in Elewijt (Vlaams-Brabant).

 

(van) Stuyvenberg, (van) Stuivenberg

Familienaam naar de plaatsnaam Stuivenberg, die hier en daar voorkomt. Een heuvel met stuifzand.

 

Styfhals, Stijfhals

Bijnaam voor iemand met een stijve hals, letterlijk of een hardnekkig iemand.

 

Süber, Suber, Super

Afkomstig uit het Nederduitse süber: zuiver. Een bijnaam dus.

 

Suederick: zie Zeuderick.

 

Suffys, Suffis, Sufit: zie Sophie.

 

Sup(p)ly, Supplij, Supplie, Supli, Sup(p)lis, -it, Surplie, Supilie, Supeley, Souply, -it, Sepeli(e),

Sipli, Siply, Ci(e)ply

Patroniem, Romaanse vorm van de Latijnse heiligennaam Sulpitius.

 

Supré, Sypré

Variant van de Franse familienaam Saupré, dit uit sauprès. Dit betekent gezouten. Bijnaam of beroepsbijnaam.

 

Surngedouw

Bijnaam die wellicht afgeleid is van 'sure' = zuur, onaangenaam en van 'dau(w)' = dauw, speeksel, mondvocht.

Iemand met een slechte adem mogelijk. Of een onaangename uitstraling.

 

Suvée, Suvee

1. Naam uit het Franse chavée: holle weg.

2. Of uit het Oudfranse cave, chave: hol, inzinking in het terrein.

3. Of afgeleide uit het Latijnse calvus: kaal.

 

Suy, Sui, Suys, Suij(s), Suijsse, Suysen, Sueys, Suywens

Patroniem, variant van Soy, d.i. een verkorte vorm van Sohier/Soyer.

Dit is dan weer een Romaanse vorm van Zeger ('sigi-harja').

 

Suykens, Suyckens

Patroniem uit Soy, Soyer, de Franse vorm van Zeger (sigi-harja).

 

Suykerbuy(c)k, Suycker(en)buyck, Suijkerbuijk, -buyk, Zuykerbuyk, Zuijkerbuijk

Beroepsnaam van de suikerbakker.

 

Suypeene Van, Vansuypeene, Van Suypeene, Supeene, Sou(s)péne

Familienaam uit de plaatsnaam Zuidpene/Zuytpeene (Frans-Vlaanderen).

 

Suys

1. Zie Suy.

2. Zie Huis.,

 

Swaene De, De Zwaan, De Zwaene, Swan(e), Swaan(s), Swaen(s), Zwaan(s), Swaanen, Swaenen, Swaen Van

1. Bijnaam voor iemand met een lange hals.

2. Naam naar de veel voorkomende huisnaam.

3. Metroniem uit de Germaanse meisjesnaam Svana.

4. Bestaat ook als vondelingennaam naar vindplaats.

 

Swaluw, Swalf, Swalue, -uë, -ué, -us, Swa(e)lus

Familienaam uit het Middelnederlandse swaluwe, swaluë: zwaluw.

Bijnaam naar één of andere eigenschap (een rondtrekker, ...).

 

Sweldens

Genitief van De Welde/De Wilde. Dit uit het Middelnederlandse wilt, welt,weelt: wild, woest, wreed.

 

Swenden: zie Winne.

 

Swertgoor

Naam uit zwart + goor.

 

Swerts: zie Zwart.

 

Swevels

Genitief van het Middelnederlandse wevel: boomworm, horzel, paardenvlieg, ... Bijnaam.

 

Swick, Swieck, Sweeck

1. Patroniem, knuffelvorm van de Germaanse voornaam Swidger.

2. Bijnaam uit swike, swick: bezwijken, tekortkomen.

 

Swiggers, Swijgers, Sw(e)gers, Swegers, Zwe(e)gers, De Zwijger

1. Patroniem uit de Germaanse voornaam Swidger.

2. Uitzonderlijk kan er hier en daar ook een patroniem zijn uit de Germaanse voornaam wîg-hari: strijd-leger.

 

Swille, Swillen(s), Swellen, Schwillens

1. Patroniem (genitief) uit Wille(n).

2. Of variant van Swildens. Zie bij Wilde De.

 

Swingedouw, Swyng(h)edau(w), -deauw, Swyndedou(w), -daw, Swijngedou(w), -dau(w),

Swyn(gen)dauw

Zinwoord uit swingen (slingeren) + dau(w) (dauw, speeksel). Bijnaam voor iemand die tijdens

het spreken speekseldruppels verspreid.

 

Swinne(n), -e(n)s, Suinen: zie (de) Winne.

 

Switser(s), Swisser,Switters

Familienaam uit de volksnaam van een Zwitser.

 

Switzynck, -ijnck, Switijnk

Patroniem uit de Friese voornaam Swetse of Sweder.

 

Syen, Sijen(s), Seye, Seyen, Seijen, T' Syen, T'Sijen, T'Seijen, T'Seyen, 't Syen, 't Sijen, 't Seyen,

'T-, t'-, Zeyen, Zeijen 

Metroniem uit de voornaam Sien, een verkorte vorm van Lucie. In het Duits Zeyen.

 

Syla, Sylah, Shyla, Shylah

1. Indische Hindinaam met als betekenis: dochter van de berg.

2. Syla kan ook van Ierse oorsprong zijn: heimwee, oud.

 

Andere S-bladzijden S | Se | So

 A | B | C |  D E F | G | H I J | K | L | M | N O | P Q | R | S | T U | V | W X Y Z

Wil je de betekenis van jouw familienaam kennen ? Stuur een mailtje!  

Er zijn slechts drie voorwaarden:

- vermeld in je mailtje waarom je het wil weten,

- beperk je tot één of een paar namen.

- vermeld ook even hoe je op mijn site terecht kwam.

 

Soms moet je even geduld hebben: er zijn nogal wat aanvragen.

Kijk a.u.b. eerst of de gezochte naam er niet opstaat (bv. De Grote bij Groot, Verbeeck bij Beek en bv.

Vranckx bij Frank). Zo bespaar je mij heel wat werk.

 

Literatuur:

De betekenis van toponymische samenstellingen (J .Van Loon - Onomastica neerlandica 1981)

Etymologisch woordenboek der Nederlandsche Taal (J. Vercoullie - Van Rysselberghe & Rombout 1925)

Huizinga's complete lijst van namen (A.Huizinga - Tirion 1998)

Middelnederlandsch handwoordenboek (J. Verdam -  Uit. Martinus Nijhoff 1949)

Middelnederlandse spraakkunst ( Dr. A. Van Loey - Wolters-Noordhoff 1980)

Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en

West-Duitsland (voor 1226) (Maurits Gysseling - Belg. interuniversitair centrum voor neerlandistiek 1960)

Vondelingen en hun naamgeving (L.De Man - Onomastica neerlandica 1956)

Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk (grondig herziene en vermeerderde uitgave)

(Dr. Frans Debrabandere - L.J. Veen /Het Taalfonds 2003)