Lebacq(z), Le Bacq, Lebac(k)
1. Verfranste vorm van De Baek(e). Zie bij
Baek(e).
2. Of verfransing van De Back. Zie
Bak.
3. Of Waalse verschrijving van De Backer. Zie bij
Backer(e) (de).
Lebbing, Lebbink, Leppink
Patroniem uit de voornaam Leppe/Lebbe, een Noordnederlandse, Friese vorm van een lieb-naam.
- ink is Saksisch, -ing is Germaans: lieden van...
Lebecq, Lebec(que), Lebèque,
Lebe(s)que, Le Beck, Lebeck(e), Lebek(e), (van) Labeke,
Labbeke, Labik
1. Bijnaam
uit het Franse bec: bek.
2. Verschrijving
van De Becker: zie Backer.
3. Uit de
plaatsnaam Lebbeke.
Leber(t), Lebeer, Le Ber(re)
1. Naam uit
het Oudfranse ber (dit uit het Germaanse
baro).
2.
Verfransing van De Beer.
3.
Verfransing van De Bert: uit baert, bert, zeevis,
beroepsbijnaam.
4.
Verschrijving van Libert (Romaanse vorm van de Germaanse
vorm Liebrecht- liede-brecht).
5. Naam uit
het Bretonse berr: kort, klein.
Leboeuf, Lebuf, Duboeuf, (de) Boeuf, Lebeuf(fe),
Debeuf, De Beuf, De Buf
1. Bijnaam of huisnaam uit het Oudfranse buef: os.
2. De varianten met de of du komen mogelijk ook uit een plaatsnaam: Boeuf in Dottenijs (Henegouwen), Lesboeufs (Somme).
Lebon, Debon, Bon, Libon(g)
Bijnaam uit
het Franse bon: goed. De goede.
Leceuv(r)e, Lecoeuvre, Lecuivre
1. Familienaam uit het Oudfranse cuevre: pijnkoker. Beroepsnaam van de maker of de gebruiker.
2. Uit het Franse cuivre: koper. Beroepsnaam van de kopersmid.
Leclef, Leclée, Leclet, De Cleve, Declèves, Declef, Clef, Clé(e),
Cle(e)
1. Familienaam uit het Franse clef, clé: sleutel.
Beroepsnaam voor de slotenmaker.
2. Zie ook Clé.
Lecointe, Lacointe, Lecoint(e)re, Cointe, Cointé,
Cointre, -tré, Coindre
1. Naam uit het Oudfranse cointe: wijs, ervaren, aardig.
Bijnaam.
2. Soms variant van Lecomte. Zie bij
Comte.
Lecomartin, Le Comartin,
Lecomarteyn
Verdwenen familienaam uit de buurt
van Mons die mogelijk teruggaat op Lecot (uit het latijn
cocus: kok) en Marteyn (een oude variant van de voornaam
Martinus). Zoiets als Martijn de kok. Beroepsbijnaam,
kruising van beroepsnaam en patroniem,...
Lecoutre
Beroepsnaam uit het Oudfranse costre: koster, bewaarder.
Ledain, Ledin, Ladeyn, Dain, Ledaine, Ledeine, Ledène, Lede(e)ne
1. Bijnaam uit daim: damhert (jager, kledingstuk ?).
2. Zie ook Laden.
Ledoux, Ladou, Ladoe
Bijnaam gegeven aan iemand met een zacht, ... karakter. Van het Franse doux=zacht, zoet.
Lee Van der, Van der Leede, Vanderlée, Van Dirlé, Verlee, Verlé(e), Verlez, Virlee, Virlée, Virlet, Virlez, Verleden(s)
1.Familienaam uit de verspreide plaatsnaam Lede: gegraven waterloop of kanaal. 2.Familienaam uit de plaatsnaam
Lede: helling.
Leebeeck(e) De, De Leebeek, -beke
Naam uit de veelvuldig voorkomende plaatsnaam:
Leebeek, Leebeke (o.a. in Ouwegem,
Denderhoutem, Outer, ...).
Leeck De, Deleeck, De Leek, Sleecks, Sleeckx Bijnaam voor een leek, een niet-geestelijke, een ongeletterde.
Leeman(s) (de), Leenman, Leman(s), Leijman, Leyman, Leeu(w)man, Lieman(s), Liémans, Liémance, Liman, Liman(n)e
Beroepsbijnaam uit leenman: iemand die van de Heer gronden in leen kreeg.
Leempoel(s) (van), Leempoel
Familienaam uit de plaatsnaam
Leempoel: poel in leemgrond.
Leemput (van den), Van
Leemput(te(n))
Familienaam uit de heel verspreide
plaatsnaam Leemput.
Leenhouts Patroniem uit de Germaanse voornaam leud-naud.
Leers, Leirs, Leder(er) 1. Beroepsnaam afgeleid van leers/laars: schoenmaker.
Of de bijnaam voor een laarzendrager (en niet arm dus). 2. Leder en Leers kunnen ook de beroepsnaam zijn van een leersnijder/-bewerker.
3.Leder(er) is ook de Duitse beroepsnaam voor leerlooier.
Leerbyls, Lederbyl, Leerbels, Lerebels
Familienaam uit het Nederduitse leer (leer/schede) en het Middelnederlandse/Oudsaksische bijl/bil/byl (g. bijl/zwaard). Wellicht beroepsnaam.
Leersnijder (de), (de) Leersnyder, De Leerfnyder, De Lesneyder, (de) Lissnijder, (de) Lissnyder
Beroepsnaam van de leer-, de riemensnijder.
Leeters
Patroniem uit de Germaanse voornaam
leudi-hari.
Leeuw (de), (de) Leu(w), (de)
Leeuwe, Leeuw(s)
Bijnaam naar de eigenschappen die
worden toegedicht aan de leeuw: kracht, trots, ... of
naar de gelijknamige huisnaam.
Leeuw Van, Van Leeuwe(n)
Familienaam uit de plaatsnaam Leeuw
en Leeuwen (Nederlands-Limburg), St.-Pietersleeuw en
Zoutleeuw (Vlaams-Brabant) of Denderleeuw
(Oost-Vlaanderen).
Leeuwenkamp Van, Leeuwenkamp
Familienaam uit de plaatsnaam
Leeuwenkamp (Germaanse voornaam leuba
en kamp). Mogelijk lag
Leeuwenkamp ergens op de grens van Noord- en
Zuid-Holland.
Lefau(l)x, Lafaut, Fau(l)x, Faut
Bijnaam afkomstig uit het Franse Fau, vals: een vals iemand dus.
Lefer(e), Lefert, La Faire, La Fère, Lafere, Lafaire
Familienaam uit het Franse lefer. Bijnaam voor een levenskrachtig of hardvochtig iemand.
Lefort, Lafort(e), Lafourt(e), Lafour, Lefour, (de) Fort, (de) Foort, De Foordt, De Fo(i)rdt, De Foor, De Foer(e), Defoer, Defoër
Het Franse Lefort betekent een sterk iemand. Bijnaam voor een sterke, krachtige man.
Lefranc(q), Lefrant, Defranck, Defranck, Defran(c)q,
De Frangh, Frangh, Defranc, De Franc
Bijnaam uit het Oudfranse franc, het Germaanse
frank.
Legai, Le Gai(t), Gai(e), Gaij,
Legaie, -ais, -ait, -aix, Le Gay(e), Lagay(e), Legaey,
Leghai(t), Le Guay, Leguaie, Legué, (de) Gay(e), (de)
Ghaye, De Gey(e), De Ghey, De Gheij, Lagay(e), Lagaey,
Delagaije, Delagay(e), Lagey, Lageij, La Gije, La Gye,
Delagey
Naam uit het Oudfranse gay, gai, dit
uit het Middelnederlandse gay: vrolijk, levendig,
opgewekt. Bijnaam.
Legon(d), Legan(d)
1. Beroepsbijnaam uit het Oudfranse
gond: hengsel (voor de maker ervan).
2. De Brugse familie Legon stamt af
van de Spaanse familie Leon (dit uit de Spaanse
plaatsnaam Leon). Het zijn afstammelingen van een
Spaanse militair die hier eind 17 de eeuw terecht kwam.
Legrain, Lagrain, Lagrin(g),
Dugrain, Grin, Greyn, Greijn, Grein(s)
Bijnaam uit het Oudfranse graim,
grain: bedrukt, bedroefd, kwaad.
Legran(d), Legrang, Lagrand, (de)
Grand(e), Degraen, Grant, Grang, Schrans, Schrant(z)
Bijnaam naar de grote gestalte, uit
het Franse grand: groot.
Legros, Degros, Legrou(x), Legroe,
Lagrou, Groux, Degrou(x), Degrox, De Grox, De Groe, Degroe, De
Groo, Gros, Cros
Bijnaam uit het Franse gros: groot,
flink, zwaar, dik.
Lehamaoui, El-Hamaoui, Hamaoui
Naam uit de plaatsnaam
(Bordj) Hamaoui (kustplaats in Algerije).
Leithaeuser, Leithuyser
Familienaam uit
de plaatsnaam Leitenhausen (Beieren).
Lejonc(q), Lejon(g), Lejond, Lejoncque Bijnaam, verfransing van de Vlaamse naam De Jonge.
Leken(s), Leeken(s)
1. Patroniem uit een Germaanse
liud-naam.
2. Of soms variant via Leukens van
Lodewick(x).
Lelièvre, Lièvre, Leli(eu)vre, De
Lièvre, Deliever
1. Bijnaam uit het Franse lièvre:
haas. Naar de eigenschappen van de persoon: snelheid, schichtigheid.
2. Familienaam naar de huis(café)naam.
Lelon(g), Lo(o)ng, Lelan, Lilongh,
Long(h)e, Longue
Bijnaam voor een lang iemand.
Le Lorrain, Lelorain, Lelaurain, Lor(r)ain(e), Lauraine, Lorein(g), -eyn, Lorreyn, -eyne(n) Volksnaam voor een Lotharinger.
Leloup, Loup, Leloux, Leleu(p), Leleux, Deleu(x) Familienaam uit het Oudfranse leu, lou: wolf.
Bijnaam zoals bij het Nederlandse De Wolf.
Lemair(e), Lemeir(e), Lemeer,
Lemerre, Lemer(e), Lamair(e), Lamère, Lameere,
Lameir(e), La Meir, Lameijer, Lamer, Limère, Limere,
Demeer(e), Demerre, Demaire, Demeire, Meire, Meer(e),
Merre
Naam uit het Franse maire: meier,
burgemeester.
Lembergen Van, Van Lemberghe,
Lemberg(h)e, Leimbergen, Leinbergen, Van Limberg(h)en,
Van Linberghe, Van Lomberg(h)en
Familienaam uit de plaatsnaam
Lemberge (Oost-Vlaanderen).
Lemmen(s), Lemmes, Lemens(e)
1. Patroniem, Brabantse vorm van
Lammens: knuffelvorm van de Germaanse voornaam Lambrecht
(: land-berht).
2. Patroniem, knuffelvorm van de
Germaanse voornaam Adelhelm.
|
Lenain, Nain, De N(e)yn, De Nijn
Naam uit het Middelnederlandse naen:
dwerg, kabouter. Bijnaam voor een klein iemand.
Lenière, Leniere
Variant van Lanier (de).
Zie daar verder.
Lens, Lensen, Lenssen(s), Lenz(e), Lentz, Lensch, Leyns(e), Leijnse, Lins, Lins(s)e(ns), Lins(s)en, Lince(ns), Len(t)zen, Linsing(h),
Lensink
Samentrekking van de voornaam Laure(i)ns.
Lens(e)claes
Dubbele Patroniem uit Lens + Claes.
Leo, Léon, Leong, Leyon, Layon, Leoen, Leone,
Leoni(s), Lion(i), Leons, Lyon(s), Lioen, Lyoen
1. Patroniem uit de Latijnse naam
Leo.
2. Bijnaam naar het karakter: leeuw.
3. Huisnaam naar: "in de Leeuw".
Leonard, Leonardi, -y, -o, Leonhard(t), Lienhard, Lionnard, Lienardy, Leonaer(s), Leonnaer, Leenaards, -aarts, -aert(s), -aers, -ard(s),-ar(t)s, Lenart, -aar(t)s, -aer(s), -ars, -aert(s), -aertz,
-ard(t), -art(z), -ers, -ertz, Lehnert(s), -er(t)z, -artz, Lehenerz, Lenhard(t), Leynaert, -a(e)rts, Le(e)ner, Leiner(s), -ert, -arts, -ardi, Leender(s), -ert(se), Leinders, Lenders, -ertz, Lenner(t)s, -ertz, -a(e)rts, -a(e)rtz, -artson, Lannaert, Linhart, -ard, Linnert, -er(t)z, Liner(s), -ert,
Linder(s), -ert, Lienhard, Liennard, Lienard, -art(s), Liénard, -art, -aert, Liesnard, Lenoerts, Lenorst, Loenhard, Lunhardi, Luna
Patroniem uit het Latijn (Leo: leeuw) en Germaans (hard: sterk).
Lepeleer(e) De, De Lepeleire, De
Lepelaere, -aire, Lepelaers
Beroepsnaam van de lepelmaker, de
lepelgieter.
Lepère, Lepére, Lepere, Leper(re), Lepers, Lepert, Lepair(e), Lepaire, Lepeer, Lapère, Laper(r)e, Laper(s), La Perre, Lappère, Lapperre, Lapeer(e), Lapeir(r)e, Lapeyre, La Peyr, Lapeere, Lapaire
1. Van het Franse Le Père, de vader. Verwantschapsnaam om bv. het verschil in afkomst met een gelijkgenoemde zoon aan te duiden.
2. Uit Lepair. Het Middelfrans pair, betekent: pair, hoge vazal, paladijn, edelman.
Lepez, Lepee
Familienaam uit het Oudfranse peiz:
borst. Bijnaam naar het lichaamsdeel.
Leplat, Plat, Lepla(e), Leplas,
Duplat, Douplat, Desplat, Desplas, De Pla(e)
Bijnaam naar de platte buik voor een
mager iemand.
Leppens
1. Patroniem uit de Germaanse
voornaam Lieboud (lied-boud) of
Liebrecht(lied-brecht).
2. Misschien ook een variant van
Lippens. Zie daar.
Lerberg(h)e (van), Van Lerenberghe, Van Lerberge(r), (van) Leerberghe, La(e)renbergh, Van Leerbergen, Van Lerbeirghe, Van Leersberghe, Van Leir(s)berghe, (van) Lersberg(h)e, Van Lesbergh(e),
-gen
Familienaam uit de plaatsnaam Laarberg in Kortrijk en Marke.
Lernou(l)d, -oul(d)t, -ou(s),
-out, -oux, -ourd, Lhernould, Larnould, -ou(t), -oe, -o
1. Patroniem, uit de Franse vorm
(Arnould) van de Germaanse voornaam
Arnolf.
2. Familienaam uit de plaatsnaam
Lierneux (Luik).
Leroi(e), Le Roi, Leroy(e), Loroy, Leroerye, Lerooy, Lero(o)ij, Laroy(e), Le Ray, Lerey, Larey, Lerho, Lerhô, Leroo, Lerot, Lerro, Lereu, Laroo, Laros
Bijnaam afgeleid van het Franse roi, het Oudfranse rei, ... = koning (hoofd van een gilde of boogschuttersgilde).
Lersch(en), Leerschen, Lersmacher
Beroepsbijnaam en beroepsnaam voor de
laarzenmaker.
Lesaf(f)re, Lesaffre, Lesaffer, Lesafer, Saffre, Saffer(s), De Saffel, De Sa(e)ver, De Seffer, ...
1. Het Oudfranse 'safre' betekent gulzigaard, slokop.
2. In Moeskroen werd Sabbe geïnterpreteerd als Saffre. Dus zie ook Sabbe.
Lescouhier
Naam uit het Franse Couillet (Noordfranse (Sommegebied) vorm
voor heuveltje). Tegenhanger van het Nederlandse Van den
Heuvel.
Lescroart, Lecroart, Ecrohart, Lescrauwae(r)t, Lescrouwaet, Le Scrauwaut, Lescrooat, Ascrawat
Beroepsnaam voor een klerk. Afgeleid van het Oudfranse escroer (inschrijven), via het Middelnederlandse schrode (strook perkament) (Debr.).
Lesdanon
Familienaam die wellicht afgeleid is van
Daniel. Zie daar.
Leskens
Patroniem uit een Germaanse Lezzo-naam.
Deze is dan weer afgeleid van het Germaanse
leudi.
Leten(s), Letten(s), Leeten
Patroniem, knuffelvorm van een Germaanse
leudi-naam.
Letist(e), Lethis(t), Tist(e), Lothis(t),
Tis
Beroepsnamen, Waalse vormen van het
Oudfranse tistre: wever.
Letroye, Letrouit, La Truie
Naam uit het Waalse trôye: zeug, katapult.
Vermoedelijk beroepsbijnaam voor de bedienaar van een
katapult.
Lettani(e)
Wellicht een familienaam afgeleid van Lettonia: Letland (naar plaats van afkomst).
Letten Van der, Verlet
Naam uit de plaatsnaam Lette bij Detmold en bij Munster (Noordrijn-Westfalen)
en Lete in Snellegem.
Letter De, De Lettre, Letters
1. Bijnaam uit het Middelnederlandse luttel,
littel, lettel. Iemand die klein van gestalte is.
2. Zie ook Delestre.
Leur Van de(r), Verleure
Familienaam uit de plaatsnaam (Etten-)Leur
(Noord-Brabant).
Leurs, Leus
1. Patroniem uit Loders, een vorm van de Germaanse voornaam hluth-hari: beroemd-leger. Hlotarius.
2. Zie ook Lauwers.
Leue, Leu
Bijnaam of huisnaam uit het Middelhoogduitse leu: leeuw.
Leurmans, Lo(e)rmans
Patroniem uit de Germaanse voornaam
Loderik/Lorik (leude-rîk) of uit de
heiligennaam Laurentius.
Leuvenaar De, -aer, Lovenaer, Leuwener
Leuvenaar, inwoner van
Leuven (Vlaams-Brabant).
Lever(t), Leverd, Levers, Devert(h),
Dever(s), Deverd, Deverre, Deveer
1. Bijnaam uit het Franse vert: groen, fris.
2. Of uit het Franse ver: worm.
Levrau, Levreau(lt), Levraut, Lavreau, Lavrauw, -ouw, Levrouw, Li(e)vrouw, Li(e)vrauw, Lyvrouw, Lievevrouw, -vrauw
Uit het Franse levraut: haasje. Een bijnaam dus naar één of andere eigenschap (snel bv.).
Lewille, Lewylle
Bijnaam uit het Franse aiguille, het
Picardische aiwille: naald.
Beroepsbijnaam van de naaldenmaker of van
iemand die beroepshalve met naalden werkte.
Ley(e) De, De Leij, De Lei, Delej
Bijnaam uit het Middelnederlandse lei: lui.
Leyden(s), Leyde, Leydinck, Leiding(er)
Patroniem uit de Germaanse voornaam
Laitho.
Leyder, Leijder, De Leyer, De Leijer,
Leyers, Leijers
Bijnaam uit het Middelnederlandse leider:
geleider, gids.
Leyemberg, Leyenberg(er)
Familienaam uit de plaatsnaam Leienberg
(Zeeland en Zuid-Holland) of Leyenberch (Zuid-Holland).
Leye(n) Van der, Van der Leyden, Verley(en)), Verleij(n), Verlijen, Verlye(n)
Familienaam uit de plaatsnaam
Leie: aan de Leie (West-Vlaanderen).
Ook uit de zeer verspreide beeknaam.
Leyen(s)
1. Vorm van Loyen. Zie Loy(e).
2. Of van Leydens.
3. Verschrijving van Leyns. Zie Lens.
4. Verschrijving van Leyers: Zie Leyder.
Leynseele Van, Van Leijnseele, Van
Leynseels, Leyse(e)le, Leyzeele, Valynseele, Linseele
Familienaam uit de plaatsnaam Linzele (het
Franse Linselles - Nord) of Leisele (West-Vlaanderen).
Leys, Leijs, Leyss, Leis(s), Lys
1. Patroniem afgeleid van de voornaam Laurei(n)s. 2. Patroniem,
genitief Lei van St.-Elooi. 3. Patroniem, genitief van Leyn (Gislenius).
4. Metroniem uit Lijs: Elijsabeth. 5. Patroniem afgeleid uit Nicolaus. Dit via Calleys.
Leysen(s), Leijsen(s),
Leise(n), Leyse, Leijzen, Leyzen, Leyssen(s),
Leijssen(s), Leisse(n), Verl(e)ysen, Verleyzen,
Verlijsen, Verlies
Metroniem uit
Elisabeth of
Alice/Aleidis. Ver
Leysen = vrouw Lijse.
Lhoest, L'hoest, L'Hoest,
Lhoëst, Lhouest, Lhoez, Loës, Loes, Loest,
Loust(h), L(h)oist, L(h)oost, L'Hoost(e), Lhoas,
L'Hoyst, L'Host(e), Loste, Lhost(e), Lhostte,
Lhôte, Lhoth, Lhot(t)e, Loth(e), Lot(t)e,
Lhoute, Lout(t)e, Louthe, Hôte,
Hote, Lohest, L'Hoiest, L'Hoyès, L'Hoyes(t),
Louye(s)t, Louïet, Louillet, Louesse, Louisse,
Louïes, Louies, Lowis(t), Louïst, Louist
Naam uit het Franse hôte:
gastheer, waard. Beroepsnaam.
|