Cobbaut, Cab(b)aut,
Cobaux, Coubeau(x), -baux, -bauw, Cobo(s)
1. Naam uit het
Middernederlandse cobbout: kabouter.
Bijnaam voor iemand met een kleine
gestalte. De vijf laatste zijn wellicht
Romaanse vormen.
2. Patroniem uit de
Germaanse voornaam
cuth-bald.
3. Her en der is
Cobbaert ook ontstaan uit Cobbaut. Zie
Cobert.
Cober(t), Caubert,
Kob(b)ert, Cobbaert(s), -art, Cubert,
Cuthbert, Cutburth
1. Patroniem naar de Germaanse voornaam
cuth -brecht.
2. Zie ook Cobbaut.
Cochet, -é, -e(r), -ey(t), Ducochet,
-e(z), Decochez, Couché, -ez, Coussee, -ée,
Cosset, -é(e), -ey, Coxet, Cocquet,
Koket, Coquet(te), Cocket(t), Cockheit,
-heyt, -heijt, Cocqueydt, Coetzee
Bijnaam afgeleid van
het Franse coq: haan.
Zie ook Cosset.
Cockaert, -aert(s),
-aers, Cocqua(e)rt, Coquart, Cocart,
Cocca, Cok(k)aerts, Koka(e)rt, -a(s),
Kocka(e)rt(s), -artz, Cochard, -art,
Coukard, Koekaerts, Coekaert(s),
Coeckaerts, Couchart, -ard, Kuckart(s),
-a(e)rtz, -ertz, Kukart
1. Bijnaam uit het
Oudfranse coc (haan), het Oudfranse
cocart: onnozele hals, verwaande,
opschepper. Of uit het Middelnederlandse
cockaert: suffer, sul.
2. Patroniem uit
Cochoul. Betekenis ?
3. Zie ook Crokaert(s).
Coehorst,
Cuhorts, Cohorst, Coehors,
Koehorst, Kohorst, Kohors
Familienaam uit de plaatsnaam
Koehorst (Dinklage - Duitsland).
Koe: plaats waar koeien
graasden. Horst voor hoogte,
versterking en dikwijls
overgegaan op boerderij.
Koeienhoogte.
Codde, Codden(s), Codd, Coddé
1. Patroniem, verkorte vorm van de
Germaanse voornaam
Cuddo (zie bij Codde).
2. Of uit het Middelnederlandse codde:
knots, knuppel. Bijnaam naar het
voorkomen of voor de coddenaer: met een
knots bewapende krijger.
Coen(e)n:
zie Koen.
De Coen(e), De
Coun(e)
Bijnaam voor iemand die koen, dapper is.
Vermoedelijk eerst uit de voornaam Koen.
Coenaert(s), -art, -ae(r)s, Kunhart,
Conaert(s), -ard, -art, Connart, -ae(r)t,
Coonar(d), -a(e)rt, Konat
Patroniem uit de Germaanse voornaam
kôn-hard: koen-sterk.
Coetsier(s),
Coutsier(s), Koetsier
Beroepsnaam uit het Middelnederlandse
cautsiër: stratenmaker, kasseier.
Coffez, Coffé, Coffey, Cuffez, Couffez
Patroniem uit de knuffelvorm van
Godefrois.
Cogg(h)e, Cogen,
Cogh(en), (de) Cog(h)e, Kog(ge), Coget,
-ez, -é(e), Couget
1. Naam uit het
Middelnederlandse coge: pest. Bijnaam.
2. Of uit het
Middelnederlandse cogge: breed platrond
schip, oorlogs- of koopvaardijschip.
Beroepsbijnaam voor een schipper of
huisnaam.
Coigne, -et, -é,
-(i)ez, Coognies, Ceugn(i)et, -iez,
Coeug(ni)e, Cougnet, Cognie, Coi(s)ne,
Coinne, Coyn(ni)e, Coeny(e), -ije, Co(u)nye,
Couneye, Cugny, Cugnet, Cuign(i)et, -(i)ez,
Ceuignet, Coeugriet, Cuingnet, Quignet,
Quiniet, Cuinie(z), Cuinie(z), -ié,
Kygneé, -ee, Kinnie, Kinjet, Kinget
1. Naam uit het
Oudfranse coing, coinget: hoek, hoekje.
Naar de woonplaats. Coing, coinget is
ook hak of bijl: beroepsbijnaam van de
houthakker.
2. Sommige namen
kunnen komen uit Caignet. Zie Cagni(e).
Colaes, Cola(se), Collache, Collage, De
Colage, Collasse, Colla(s), Col(l)assin
Patroniem, verkorte
vorm van Nicolaes. Collasin is de
knuffelvorm.
Colemans: zie
Colman.
Colet, -é, -ette, -ey(e),
-eille, Collet(te), -é(e), -ee, -ez, -eit,
-ey(e), Kollee, -é, Coulet, Coulleit,
Culée
Patroniem en metroniem
uit de heiligennaam NiCOLaus.
Colfma(e)(c)ker De, Covemaeker, -a(e)cker
Beroepsnaam voor de maker van
geweerkolven, knuppels.
Colin(s),
Collin(s), Kolins, Calin, Colis, Colling(s), -inge,Coling, Colijn(s),
Col(l)yn(s), Collijn(s), Colein, Col(l)eyn, Collijs, Collys, Kolyn
Familienaam uit
de heiligennaam
NiCOLaus.
Colla
Zie bij Collaert
en bij Colaes.
Collaert(s),
Colaert, -ae(r)s, Colar(d), -a(rt), Collar(d), -a(rt), -aer(s), Coelar(e)rt
Patroniem uit de
heiligennaam NiCOlaes.
Collet:
zie Colet.
Collie Van, Van
Coil(l)e, Coille, Van Coëllie, Van Coeillie, Van Co(u)llie, Van der
Ceuille, Van der Koille, Van der Colle, Van der Co(i)lden, Van der
Coelden, Vercoille, Vercouill(i)e, Verkouille, Verkolje, Van Caill(i)e,
Van der Caillen, Van der Cailde, Van Quaill(i)e, Vanquaille, Van Callie,
Van Qua(e)lle, Verqualie, Vercayie, Qualy, Cailly
Familienaam
uit de plaatsnaam Coillie in
Oostnieuwkerke.
Collier(s),
Colli(e), Colie(r), -iez, Colje, Coulie(r), -iez, -y, Coullier, -iez,
Couillier, Cul(l)ier, Culié
Naam
uit het Middelfranse collier:
halskraag; het Oudfranse colier:
lastdrager, kruier. Beroepsnaam.
Colman(s), -mann,
-mant, -ment, Koolman(n), Cool(e)man, Col(l)eman(s), Coeleman,
Koelman(s), Koulmans, Kuylmans, Keulemans, Ceulemans
1. Patroniem,
knuffelvorm van de heiligennaam
NiKOLaus.
2. Beroepsnaam
voor de maker of verkoper van
houtskool.
2. Zie ook
Keulemans.
Colombier,
Colenbie(r), Colembie(r),
Coulembier, Coelenbier, -embier,
-umbier, Calenbier, Colonbie,
Colomier, Coulommier, Colombie(n),
Collumbien, Colombeen, Colanbeen,
Colombin, Duco(u)lombier,
Ducoulembier
1.
Familienaam uit de verspreide
plaatsnamen
Colombier
en Coulommiers.
2. Beroepsnaam
Coulombier: duivenkweker.
Colpaart, -paert, -part,
-por
Een
kolpaard is en was een paard een
paard met een kol, d.i. een
witte vlek of bles op het
voorhoofd.
Jouw voorouder had dus wellicht een
paard met die typische bles.
Mogelijk had hij (of zij) zelf die
bles, in dat geval was het een soort bijnaam. Er bestaat een
menselijk, zeer bijzonder, overerfbaar, genetisch patroon
waarbij een lichte bles in de donkere haren voorkomt.
Colruyt, Corluy(t), Corley, Cor(r)oy,
Conroy, Ducoroy, Ducourroy, Conruyt, Corruyt
Familienaam uit de Romaanse
plaatsnaam Corroit, dit uit coruletum: plaats waar hazelaren
groeien. Heel wat plaatsnamen zijn hieruit ontstaan:
Corroit (Henegouwen), Corroy (Somme, Marne,
Namen, Waals-Brabant), Cauroy (Ardennes, Marne,
Pas-de-Calais) en zelfs Koeruit in Opwijk en Koereit in Asse
(Vlaams-Brabant).
Colsaerts, Collesaer
1. Patroniem uit Collesard, dit is een
Romaanse knuffelvorm van Nicolas. Zie daar verder.
2. Zie ook (mogelijk) Coolsaet.
Colson, Colleson, -isson, Coulson, Calson,
Colsoul(le), Colsaux, -iat, -enet, -i(g)neuax
Patroniem, knuffelvormen van de voornaam
NiCOLas.
Colucci
Patroniem, Italiaanse familienaam die
afgeleid is uit de naam NiCOLaes.
Colver (De)
Beroepsnaam voor de kolvenmaker, kolvendrager.
Combel (de), Combelle, Decombel(e),
Decomble, Delcombel
1. Naam uit het Oudfranse combel(le):
kleine vallei, dalletje.
2. Decombel kan ook komen uit de
plaatsnaam Combles (Somme): top, heuvel.
Comeyne, -eijne, Commeyne, -eijne, Comein, Com(m)eine,
Commene, Commeene, Decommene, Delcom(m)en(n)e, Delcom(m)(e)une
Naam uit de plaatsnaam Commène: gemeenschappelijke weide.
Commaire, Com(m)ère, Commer, Comer(re)
Bijnaam uit het Franse commère:
doopmeter.
Commère: zie Commaire.
Comte, Conte, Lecom(p)te, Lecont(r)e,
Lacom(p)te, Lecompt, Laconte, De Compte
Naam uit het Franse comte: graaf.
Dit voor een werknemer van de graaf,
afstammelingen van de graaf. De graaf kan een edelman zijn,
maar evengoed de verantwoordelijke voor een bepaald gebied.
Conings: zie Koning.
Conscience
Bijnaam uit het Oudfranse conscience:
kennis, bedoeling, verlangen.
Contreras
(de), Decontrerasse
Familienaam
afgeleid van van Contreras een plaats in
Burgos (Spanje). Contreras is dan weer
afgeleid van 'omgeving'/'streek'.
Convent(s), Convens,
Covent(s), Covens, Couvent
1. Naam uit het
Middelnederlandse co(n)vent:
kloostergemeenschap; bijeenkomst. Bijnaam
voor iemand die op één of andere manier
verband had met een convent of klooster.
2. Mogelijk afgeleid uit
Coveliers: zie Cuvelier.
Con(t)zen, Kontzen,
Kunze, Kon(c)z, Kunzi, Kuntz(e)
1. Duitse patroniem uit
de Germaanse voornaam Koenraad (kuni-rad),
Conrad.
2. Con(t)zen en Kontzen
kunnen uit komen op de plaatsnaam Konzen (Noordrijn-Westfalen).
Coolegem
Familienaam uit de
plaatsnaam
Kolegem in
Mariekerke (Oost-Vlaanderen).
Coolsaet, -zaet,
Koolzaed, Colsaet, -zaerts, Kohlsaat
Beroepsnaam voor de teler
of verkoper van koolzaad.
Cooreman(s), Coreman(s),
Coorman, Corman, -mann(e), -mant, Korenman,
Kornmann, Korman(n),
Ko(o)reman(s),
Korremans, Koriman, Correman(s), Coeremans,
Ceurremans, Keuremans,
Keuremenne(n), Kurman(n)
1. Uit het
middelnederlandse cornman: korenkoper,
graankoopman. Beroepsnaam.
2. De namen zonder -n en
de namen met
eur wijzen ook de de betekenis
keurmeester. Een aantal van de namen werden
wellicht daarvan afgeleid.
Cooren(s), Coren(s), Correns,
Ko(o)ren, Ko(o)rn, Corne, Keuren, Ceuren(s),
-an, Cu(e)rens
1. Patroniem uit de Latijnse heiligennaam
Cornelius.
2. Of uit het Franse corne: hoorn.
Beroepsnaam voor de hoornblazer of bijnaam
voor de hoorndrager.
3. Of uit het Middelnederlandse corn(e):
coren, graan. Beroepsbijnaam van de
graankoopman.
Cootmans, Cotemans, zie Cotte.
Cop, Copp(e), Coppé, Cops, Kop, Kopp(e),
Kops, Coop(s), Kopf(f), Keup(s), Ku(y)ps
1.Het Middelnederlandse cop(pe) betekent:
vaatwerk, schaal, beker, schedel, top, kruin, ... Ook werd
het als huis(herberg)naam gebruikt. Bijnaam, beroepsnaam of
huisnaam.
2.Patroniem, verkorte vorm van Jacob.
Coppenolle (Van), Van Coppenole, Van
Copenol(le), Vannecoppenolle, (van) Coppenhol(le),
Coppennolle, Copenolle, Van Cop(p)ernolle, Vancoppernolle,
Van Compernolle, (van) Compernol(le), Van Capernolle,
Koppenol, Capenol(le), Van Coppenael
Familienaam uit de verspreide plaatsnaam
Koppenol: inzinking met bolvormige heuvelrug.
Zie ook Koppenaal.
Coppyn, Cop(p)in, De Coppin, Cop(p)ijn,
Kopin, Coppins, Coup(p)in, Coppen(s), Copens, Koppen(s),
Koppenen, Koppes, Ceup(p)ens, Cueppens, Keuppen(s), Cuppen(s),
Kuppens, Cuypens, Quppens
De Brabantse vormen zijn:
Keppens, Keepen(s), Kep(p)enne, Keppene
Patroniem, knuffelvorm van de
heiligennaam Jacob.
Coquelin, Cocle, (de) Cokele, Cokl,
Keukelin(c)k, -ling
Naam uit het Oudfranse coc: haan. Bijnaam
of beroepsbijnaam.
Corbeel(s), Corbel(le), Corbiel, Korbiel,
Corbeau(x)
1. Familienaam uit het Oudfranse corbel:
raaf. Bijnaam voor een zwartharig persoon.
2. De naam is ook ontstaan uit de
gelijknamige huisnaam.
Corda, Korda
Vondelingennaam: Macarius Corda werd op 02.02.1823 gevonden
in Antwerpen.
Cordemans, Cuddeman(s)
1. Beroepsnaam van de touwslager.
2. Of ook bijnaam: korte man.
Cordier (de), Le Cordier, Lucardie,
Cordiez, -iée, -y, -i(e), -is
Beroepsnaam van de touwslager.
Corenwinder, Corebunders, Cole(n)bunders
Beroepsnaam voor de tijdelijke arbeiders
die het graan kwamen oogsten (en binden) of voor de teler
van graan.
Cornelisse: zie Cornelius.
Cornelius, Cornelus(se(n)), Kornelis,
Cornely, -li, -lisz, -lissen(s), -lisse(s), -lissis, -leze,
Corneel(s), Cornel(le), Coeurnelle, Curnel(le), Cürnel,
Cornelis, Kornelius(sen), Cornelsen
Patroniem uit de Latijnse heiligennaam
Cornelius.
Corneille, Corneillie, Cornel(l)i(e),
Cornel(l)y, Cornelje, Corneilde, Cornaille, Cornil(le), -ile,
Cornillie, Cornilli(er), Corniellie, Cornilly, Corniel,
Cornilde
Patroniem uit de Franse vorm van de
Latijnse heiligennaam Cornelius.
Corn(e)ilde is de Oost- Vlaamse vorm.
Cornu(t)
Bijnaam voor de bedrogen
echtgenoot/dwaas.
Corroyeur, Conreur, Cor(r)eur, Cureur
Beroepsnaam uit het Oudfranse conreor:
lederbewerker.
Corsius: zie Corstius.
Corstius, Cors(i)us, Kerstius
Patroniem, verlatijnste vorm van Cors(t)
= Kerst = Christianus.
Zie Christiaan.
Corswarem, (de), Corswaren, Coswarem
Familienaam uit de plaatsnaam Corswarem (Korsworm
(oorsprong onbekend) - Luik).
Cortebee(c)k, Kortbeek
Familienaam uit de plaatsnaam
Korbeek (Vlaams-Brabant) of
Kortbeek in Aalten (Gelderland).
Cortvriend, Cortvrien(d)t,
Cortvrin(d)t, Corturint, Ceurtvriend
Familienaam, afgeleid van
de bijnaam 'cortvriend' = iemand met een
slecht karakter, waarmee je dus maar voor
korte tijd bevriend kunt zijn.
Corvel(l)ain, Corvel(e)yn, -(e)ijn
Bijnaam uit court villain: kleine (korte)
boer, dorper.
Cosemans, Coos(e)mans, Cozemans, Ko(o)semans,
Coesemans, Coesman, Coisman(s), Coysman, Kosman, Cosman(s),
Cosaert, Cousa(e)rt, Cozar, Coos(e), Coos
Bijnaam afgeleid van het
Middelnederlandse cosen: praten, liefkozen, vleien.
|
Cosijns: zie Kozijns.
Cossart, -ard, Cossaer(t), Coussart, -aert
Patroniem: Pikardische (Franse streek) variant van Gossaert, afgeleid van Goos, Goswijn.
Cosset , -é(e), -e(e), -ez, -ey,
Coussee, -é(e)
1. Naam uit het Oudfranse cosse:
peul, dop (van erwt). Bijnaam voor een erwtendopper.
2. Variant van Cochet: zie daar.
3. Patroniemvariant uit Gosset: zie
daar.
Costa, Da Costa, Kosta, De Costa
Italiaans, Spaans en Portugese naam
uit Costa: helling, bergflank, kust, oever.
Costenoble (van), (van) Costenobel, Coustenoble,
-obbe, Constenoble, Croustenoble
Naam uit de Oudvlaamse vorm van Constantinopel:
afkomstig van ..., meegedaan aan een kruistocht ...
(Van de)
Cotte
Familienaam uit het Middelnederlandse
cot: hok, hutje, arme woning.
Uit de woonplaats.
Cottem (van), Van Cot(t)hem, Van Cottom,
Van Caut(h)em
1. Familienaam uit de plaatsnaam Kottem
in Oombergen, Erpe en Zonnegem (Oost-Vlaanderen).
2. Of uit gelijknamige plaatsnaam in
Oudenburg (West-Vlaanderen).
Cottijn, -yn, Cot(t)in, Cout(t)in,
Cotten(s), Cotens
Patroniem, verkorte vorm van Nicotin of Jacotin. Dit zijn
knuffelvormen van Nicolas of Jacques.
Couet, -ez, -é, Coët, Couwet, -ez,
Kowet, Cowé, -ez, Kouwé, Cauwet, Cau(u)et, Cawet, -ez, Cauët,
Keuwet, -ez, Cué, Quewet, -ez, Quéwet
Naam uit het Oudfranse coué, dit uit het
Latijn caudatus: met een staart. En uit het Luiks Waalse
cowèt: duivel, nietsnut.
Bijnaam of huisnaam.
Coureur, Courreur, Cureur
1. Beroepsnaam van de loper, de bode, de
koerier.
2. Zie ook Corroyeur.
Court(h)eyn: zie Courtin.
Courouble, Couroup(p)le, Caro(u)bel,
Corruble, Kordupel, Croubels, De Croebele, De Croubele,
Kroebel
Familienaam uit de plaatsnaam Quarouble
(uitspraak couroupe - in Nord).
Courteau(x), -aut, -iaux, -ial, -ay, -el, Corteel
Naam uit het Franse court: kort. Bijnaam voor een klein
persoon.
Courtin, -ain, Court(h)eyn, Courtyn,
-ijn, Cortin, -eyn, Curtin, Carteyn
Bijnaam uit het Franse court: kort, voor
iemand die niet groot is.
Courtois, -oit, -oy, Cortois, -oys, -oos, Cartois, -oos,
Lecourtois
Bijnaam uit het Franse courtois: hoffelijk, fijn, beschaafd.
Cousse, Kouws, Cauche, Chauche, Chausse, Caus(se), Kaus(s),
Kausse(n), Kousen
Familienaam uit het Middelnederlandse cous: beenbedekking,
broek, kousen, schoenen. Beroepsnaam.
Coussemaker (de), (de) Cous(s)emae(c)ker, De Coussema(e)ker,
De Kousemaeker, Kousemaker, Coussmaker, Coussemacker,
-maque, De Cosema(e)ker, De Coessemacker, -mae(c)ker, De
Causema(e)(c)ker, -maeckre, De Caus(se)ma(e)(c)ker, De
Cauwsema(e)cker, -maeker
Beroepsnaam van van de kousenmaker.
De kous was een leren of zijden/stoffen beenbedekking.
Cous(s)ement, Coussemant,
Cossement, Couchement, Couchman
Beroepsnaam van de schoenmaker uit
het Oudfranse chalcement: schoeisel.
Coussens: zie Kozijns.
Coutard,
-art, -aert, Cautaert, -aer(t)s,
Cotard, -ar(t), Cottart
1. Patroniem, verkorte
vorm van de voornamen Jacotard of
Nicotard.
2. Mogelijk een beroepsnaam
afgeleid van het Oudfranse 'cotte' = wapenrok/
herenrok: soldaat of kleermaker(handelaar) van
...
Couttenier, (de) Cottenier,
Cottenjé, Cottenje, Cottenjié, Cottenie(s),
Cotteny(e), Coteny, Coutten(e)ye
1. Beroepsnaam uit het
Oudfranse couttenier, cotonier: katoenhandelaar
of katoeneerder (watteerder).
2. Zie ook Decottignie(s).
Couvreur, -uer, -eux,
Coufreur, Couuvreur, Covereur
Couvreur is een Franse
beroepsnaam: (lei)dekker.
Cox: zie Kok.
Crabbe, Crabbé, Crab, Krab, Crabs, Crabts,
Craps, Krabbe(n)
Bijnaam naar het dier 'krab' = wellicht iemand
met een rare manier van lopen.
Er is natuurlijk ook de mogelijkheid van een
beroepsnaam: verkoper of visser van
schaaldieren.
Crabeel(s), Crabau
Bijnaam uit het oude woord
crabeel: tegenslag. Voor een pechvogel.
Het Middelnederlandse
craech betekent: hals, keel, strot. Ook
ringkraag of halskraag.Een familienaam die
wellicht afgeleid is van een bijnaam verwijzend
naar een opvallende hals of naar het dragen van
een opvallend kledingstuk.
Craen Van (de)
Familienaam uit de plaatsnaam
Kraan (Noord-Limburg), De Kraan (Noord-Brabant)
en wellicht nog op andere plaatsen.
Craenhals
Bijnaam voor iemand met een
lange hals, naar de kraanvogel.
Craeye (de): zie Kraai.
(van)
Craeynest
Familienaam uit
de verspreide plaatsnaam
Craeynest/Kraaiennest (die
zichzelf wel verklaard).
Crane (de),
Craane, Cran, De Craen(e), De
Craan, Craens, Kraan, Krahn,
Kraenen, Craen(en), Krane(n),
Krannen, Schraen(en), Lecrane
1. Bijnaam naar
de kraanvogel voor iemand met
lange benen of lange hals.
2. Variant van
Van Craen, zie bij Craen.
Cranenbroe(c)k (van), -brouck,
(van) Craenenbroe(c)k, -brouck,
Van Craenbroeck, Van
Kraenenbroeck, Cranembrouck,
Craenembroeck, Cranenbrouck
Familienaam uit
de plaatsnaam Kranenbroek
(moeras waar kraanvogels
verblijven. Dit o.a. bij Mierlo
en Steenbergen (Noord-Brabant),
in Attenrode en Lembeek
(Vlaams-Brabant) en Ninove
(Oost-Vlaanderen).
Crassaert(s), -art,
Crasaert, Craessaert(s), Crassa(rt), Crytsaerts
Familienaam afgeleid van het
Oudfranse cras (gras): vet, dik.
Wellicht een bijnaam.
Crauwels, -ers, Crouwels, Krouwel,
Kraul, Krauweel, Kreu(w)els, Creu(w)els,
Kruyels, Kruijels, Cru(y)wels, Kröhle,
Kroell, Kröell
Met Middelnederlands 'crauwel' en het
Middelhoogduits 'kröuwel' betekenen:
drietand, kromme gaffel, vleeshaak. De
familienaam is wellicht een beroepsnaam
(boer of beenhouwer) of mogelijk een
huisnaam (de naam van een huis/herberg
werd dikwijls overgenomen door de
bewoners als familienaam).
Cré, Cre(de),
Creed, Crez, Decré(e), De Cree, De Crée
Bijnaam of
beroepsbijnaam (voor koster of
voorbidder) voor wie het credo (de 12
artikelen opzegt.
Crem (de), Crême, Crème, Creme,
De Crem, Decraim, De Krem, Decrêm(e),
Decrem(e), De Creem, (de) Criem,
Decrenne
Via Wallonië ontstane varianten van (de)
Cremer. Zie verder bij
Kramer De.
Creten(s),
Créten(s), Creeten, Creytens
Bijnaam uit het
Oostmiddelnederlandse creten, creiten:
plagen, kwellen.
Creve, Crève, Crêve:
zie Kreeft.
Creveau(x), Crévi(e)aux, Cre-,
Cravau, Creba(e)ls
Variant van de Franse familienaam Crevel
uit het Latijnse cribellum, het Franse
crible: kleine zeef. Beroepsbijnaam van
de zevenmaker.
Cre(y)tsaert(s)
Naam uit het Oudfranse crisser/grincer.
Bijnaam voor een knorrig iemand.
Crieckemans: zie
Kriekemans.
Crispin, -yn, -ijn,
Crispen, C(h)rispeyn, Cruspin, Cryspin,
Crespin, Crépin, Crepin,
-ain, Crepet, Creppy, Crépey, Crepule,
Crepelle, Crepeele, Crepel
1.Patroniem uit de
heiligennaam Crispinus.
2.Familienaam uit de
plaats
Crespin (o.a.
in Valencijn (Nord)).
Croix, Crois, Croy,
Croij, Croye, Crooy, Crooij, Croo(s),
Croes, Croës
Familienaam naar de plaatsnaam Croix :
kruis.
Crokaert(s),
Kro(c)kaert, Krok(k)aerts, Crokart,
Crocaerts, Croukaert, Crocka(e)rt,
-aerts, Croe(c)kaert, Crakaert
Naam uit De Croock:
bijnaam voor iemand met lange, krullende
lokken.
Of variant van
Crochard: dit uit het Oudfranse croc:
haak. Beroepsbijnaam of naam uit één of
andere lichamelijke eigenschap.
Crombé:
zie Kromme.
Cromberge
1. Bijnaam uit
één of ander krom lichaamsdeel
(bv. beck: mond).
2. In
West-Vlaanderen is ook een
plaats
Krombeke
die de oorsprong zou kunnen
zijn.
Crombrugge
1. Bijnaam voor iemand
met een kromme rug, een bochel.
2. Zie (van) Crombrugge.
Crombrugge (van),
Van Crombruggen, Van Crombrug(g)he, Van
Crombreucq, De Crombrugg(h)e
Familienaam uit de plaatsnaam
Krombrugge
(Oost-Vlaanderen).
Crommelin(g), Cromlin,
Crommelinck(x), -lijnck,
-lynck(x), -lingk, Cromelynck
Familienaam
uit krom. Bijnaam voor een krom,
misgroeid persoon.
Croock De, De
Croocq, De Kroock, (de) Krock, (de)
Crock, (de) Crocq,
Kro(o)k, Crok(ke),
Kroken, Lecrocq
1. Familienaam uit
het Middelnederlandse crook, croke:
lange en/of krullende lokken, kuif.
Bijnaam.
2. Aanpassing van Ducrocq. Zie
aldaar.
Crop
(de), De Croppe, Croppen, Kropp,
Krops
Bijnaam uit de krop: kropgezwel
onder de kin of uitstekende
adamsappel.
Croquet,
-ette, -ez, -ey, Crocquez,
Croket, Crou(c)quet, Croche(t),
-é, Chrochelet, Ducroquet(z)
1.
Familienaam uit croc: haak.
Beroepsbijnaam.
2.
Familienaam uit de gelijknamige
verspreide plaatsnaam in het
Picardisch gebied.
Cruchten
(van), Van Crughten, (van)
Kruchten, Van Krugten
Familienaam
uit de plaatsnaam Krochten in
Princenhage (Noord-Brabant),
Kruchten (Rijnland-Palts),
Cruchten (Groothertogdom
Luxemburg) of
Kruchten-Maasbracht (Nederlands
Limburg).
Cru(w) De,
De Cruy, Cruw, Cruyen, Cruen
Naam uit het
Middelnederlandse crude: kruier.
Beroepsnaam.
Cruybeke,
Cruybee(c)k, Cruijbeeck, Crubeck
Naam uit de
plaatsnaam
Kruibeke.
Cruy(e)naere (de), De
Cruijnare, De Crueynaere, De
Crayenaere, Cru(de)naire,
Kruyner, Kruidenier, Kruyniers,
Cruyeniers
Beroepsnaam van de kruidenier,
de handelaar in kruiden of
specerijen, de drogist of
apotheker.
Cruypelandt, -lan(t)s,
Cruyplandt, -lant(s),
Creupeland, -lan(d)t, Crupelandt
Bijnaam voor
iemand die door het land kruipt,
sluipt, loopt: een zwerver, een
landloper.
Cruysbergh(s), -bergs,
Cruijsberghs
Naam uit de plaatsnaam Kruisberg
(berg met een kruis erop) in
Brunssum, Kessel (Nederlands-Limburg),
Doetinchem (Gelderland) en
verspreid in de provincie
Antwerpen.
Cruysse Van der, Van der Kruisen,
Kruissen, Van de Kruis, Van
(der) Kruyssen, Van Kruijssen,
Van Cruijsen, Van der Cruys(en),
Van der Cruijs(sen), Van de(r)
Cruijs, Van der
Cruijce(n)/Cruyce(n), Van der
Chruysse, Van der Cruiyssen, Van
der Chruche, Van de Crux, Van de
Cruys, Van de Cruyce, (van der)
Kruys, Van den Kruijs, Van der
Crussen, Van der
Creuse(n), Creusen, Kreusen,
Kruysse(n), Vercruysse(n),
Vercruijsse(n), Vercruyse(n),
Vercruyce, Voorcruyce, -uijce,
Verkruysse(n), Vereruysse,
Verkruijsse, Verchruijsse,
Vercrus(s)e, Verkrusse,
Vercrysse, Van den Cruys,
-Cruijs, Van den Cruyce, Van den
Cruijce, Van den Cruyse(n), Van
den Cruche, Wandercruyssen, Wan
der Cruyssen, Kruijs, Kruys(se),
Cruys, De Cruyssens, De
Cruyce(ns), Cruisse, Crusse
Familienaam uit de
zeer verspreide plaatsnaam Kruis,
ter Cruce, Cruysse, ...: kruis (vaak
strafwerktuig, galg of schandpaal).
Cub(b)er
(de), Decubber, De
Kubber, Decubre
1. Naam afgeleid van het
Middelnederlandse cubbe = mand. Beroepsnaam van een
mandenvlechter.
2. Of uit het Oostvlaamse en Brabantse kubber: mannetjesduif,
doffer. Bijnaam voor bvb een fier iemand.
Cuijvers, Cuyve(r)s, Kuyvers
Beroepsnaam van de kuiper.
Cuisenaire, -er, -ier, Cuisinier, Cusenier,
Quisenaire, -aerts, Quizenaarts
Beroepsnaam uit het Franse cuisinier:
keukenmeester, kok.
Culin, Cillin(g), Cullen, Culens
Patroniem, variant van Colin, knuffelvormen
van NiCOLaus.
Currinckx
Patroniem uit de Germaanse voornaam kuri.
Cutsem Van, Van Cutsen, Van Coets(h)em,
Van Koetsem, - en
Familienaam uit de plaatsnaam Kutsem
(Cutsegem) in St.-Pieters-Leeuw (Vlaams-Brabant).
Cuvelier (de), Cuvelie, -ié, -iers,
Cuvellier, -eiller, Kuveiller, Cuvel(l)iez, Cuverlier, Cuvil(l)ier,
Cuvill(i)ez, Cuville, Ceuvelier, Covelier(s), Covillers, Couvelier,
Couvillers, Curveiller, Quveliers
1. Naam uit Franse co(u)velier: kuiper.
Beroepsnaam.
2. Sommigen (Cuvillier, -iez) gaan mogelijk
terug op de plaatsnaam Cuvillers (Nord).
Cuytmans, Koytmans
Brouwer of verkoper van kuit, een lichte
biersoort.
Czech, Czeck, Czeh, Cseh, Czekaj
1. Patroniem, verkorte vorm van de Slavische
voornaam: Ceslav.
2. Volksnaam voor een Tsjech.
Andere C-bladzijden C | Ce
|
Co
A | B | C
| D E F |
G |
H I J |
K | L |
M | N O
| P Q |
R
| S | T U
|
V | W X Y Z
Wil je de betekenis van jouw familienaam kennen ? Stuur een mailtje!
Er zijn slechts drie voorwaarden: - vermeld
in je mailtje waarom je het wil weten, - beperk je tot één of een paar namen.
- vermeld ook even hoe je op mijn site terecht kwam.
Soms moet je even geduld hebben: er zijn nogal wat aanvragen.
Kijk a.u.b. eerst of de gezochte naam er niet opstaat (bv. De Grote bij Groot, Verbeeck bij Beek en bv. Vranckx bij Frank). Zo bespaar je mij heel wat werk.

Literatuur:
De betekenis van toponymische samenstellingen
(J .Van Loon - Onomastica neerlandica 1981)
Etymologisch woordenboek der Nederlandsche Taal (J. Vercoullie - Van Rysselberghe & Rombout 1925)
Huizinga's complete lijst van namen (A.Huizinga
- Tirion 1998)
Middelnederlandsch handwoordenboek (J. Verdam
- Uit. Martinus Nijhoff 1949)
Middelnederlandse spraakkunst ( Dr. A. Van Loey - Wolters-Noordhoff 1980)
Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (voor 1226) (Maurits Gysseling - Belg. interuniversitair centrum voor neerlandistiek 1960)
Vondelingen en hun naamgeving (L.De Man - Onomastica neerlandica 1956)
Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk (grondig herziene en vermeerderde uitgave) (Dr. Frans Debrabandere - L.J. Veen /Het Taalfonds 2003)
|