Bickel, Bickle
1. Beroepsbijnaam van de
bickelaer: de steenhouwer.
2. Ook uit de Duitse
familienaam Bicke: korte vorm van de Germaanse
voornaam burg-hard.
Bidelot, (de) Biddelo(o),
Bidlot
Bijnaam afgeleid uit Bidard,
in het Waalse (Malmedy) bid'lot: schurk.
(de) Bie, Debie, Deby(e),
Debije, Biekens
Bijnaam uit de naam van van het
insect: bij. Eén of andere eigenschap, of houder
van ...
Biebau(w), Biebouw, Bibeauw, Bibau(w), Bi(e)baut,
Biebout
1. Patroniem, Franse vorm van de Germaanse
voornaam Bitbald.
2. Uit het Franse Bibaud,
bijnaam voor een drinker.
3. Bijnaam uit het Westvlaamse bijdebauw:
biebauw: boeman.
Biebuy(c)k, Bibuyck
Naam uit het
Middelnederlandse biebuuc: bijenkorf.
Beroepsbijnaam van de imker
of huisnaam.
Bielen(s)
1. Patroniem, knuffelvorm van
een Germaanse bîl-naam.
2. Zie ook bij
Beele(n).
Bieman(s), Biemann
Beroepsnaam van de imker, de
bijenhouder.
Bienen Van, Van
Bien(n)e, Van Bijnen
Familienaam uit de plaatsnaam
Bienen in Achel (Limburg) en in de regio Kleef
(Duitsland), of uit Bienne (Henegouwen).
Bierman(s), -mann(s),
-mant, Birman, -mann(s), Bierreman
Beroepsnaam van de
bierhandelaar of bijnaam voor een uitgesproken
bierdrinker.
Biervliet (van),
Bievliet
Familienaam uit de plaatsnaam
Biervliet (Zeeland).
Bies(e), Bies(s)en,
Bieze(n)
1. Beroepsbijnaam van de
biezenvlechter.
2. Bijnaam uit het
Middelnederlandse biese: iets van weinig waarde.
Biesem (van), Biesems, Van Biessum, Van der/n
Bies(s)en, Vanderbiesen, Bies(s)en, Van (der)
Biezen, Van der Bis(s)e, Van der Byse, Van (der)
Beesen, Verbiese(n), Verbisen
Familienaam uit een plaatsnaam waar veel biezen
groeien of uit de naam Biezen (waar ook biezen
groeiden) in Vlaanderen en Nederland.
Bieseman(s),
Biezeman(s), Biesman(s), B(i)estman, Bijsmans,
Bysmans, Bisman(s), Bistmans
1. Afgeleide van Van den
Biezen/Van der Biest: zie bij Biesem en bij
Biest.
2. Afgeleide van Biese. Zie
daar.
Biest (van der), Bijst,
Biest, Van der Bist(e), Verbi(e)st, Verbiste,
Verbys(t), Ferbiest
Familienaam afgeleid van de plaatsnaam 'biest' =
een plaats waar veel biezen groeien.
Deze plaatsnaam komt op zeer veel plaatsen in
België voor.
Bijkerk, Bijdekerke,
Bydeker(c)ke, Beydekerke(n)
Familienaam naar de woonplaats bij de kerk.
Bijl, Byl, Byl(l)e, Beils,
Beyl(s), Byls, Bijls
Metroniem: verkorte vorm van de voornaam Belia/
Bilia (Uit Amabilia of Sibilia).
Bijlen Van, Van
Bylen, Van Beijlen, Van Beylen
Naam uit de plaatsnaam Bijlen in Olen
(Antwerpen).
Bijnen(s), Bynens,
Bienens, Bienkens
Patroniem uit de voornaam
Robi(j)n of
Albijn.
Bil
Bijnaam naar het lichaamsdeel.
Billen(s), Bil(l)en(ne)
1. Metroniem uit Bilia, Sibilia,
...
2. Patroniem, variant van Belin, verkorte vorm
van Robelin..
3. Zie Bil.
Billet, Bi(l)liet, Bilet,
Bilé,Bylé, Byle, ...
Beroepsnaam die verwijst naar een
klerk of stadsbode. Hij is afgeleid van 'biljet', d.i. de brief
die men schrijft of overbrengt.
Billiau, -iauw(s), Biliau, Billau(x), -aud,
-au(l)t, -eau, -iaux, Billiald, Billiouw, Bilau, Pylau
1. Patroniem uit de Germaanse voornaam
bîl-wald: bijl-heerser.
2. Verkorte vorm van één of andere knuffelvorm
op illel/illau van een -bert-naam.
Bimmerman(n)
1. Wellicht herkomstnaam voor iemand uit
Bohemen.
2. Mogelijk ook naam uit de Nederduitse
plaatsnaam benne: moerasweiland.
3. En mogelijk zelfs de beroepsnaam van de
bijenkweker.
De Duitse naam Bimmermann (die ook naar
Nederland uitweek) komt nu het meest voor in de omgeving van
Aken.
Binnebee(c)k Van , Van Binnenbeek, Van
Binnebeke
Familienaam uit de verspreide plaatsnaam
Binnenbeek (o.a. in Haacht).
Bisschop (de), De Bis(s)cop, De Bischop, De
Bisshop, De Buss(c)hop, Desbisschop, Bis(s)chop(s), Biscop(s),
Busschop(s), Biskup, Buscops, Buschop, Besschops
Bijnaam die verwijst naar één of andere
relatie met een Bisschop.
Blaas, Blaasse, Blaes(s), Blas(e), Blaz(e),
Blass(e), Blause, Blees, Bles(e), Bloos, Bloes, Bleys, Bleijs,
Bluys, Bluijs
1. Patroniem uit de heiligennaam Blasius.
2.Het Middelnederlandse blaes betekent: bobbel,
blaas. Bijnaam.
3. Zie ook Pluche.
Bladel Van, Van Bladeren, Van Blaere(n),
Van Blainck, Van Blayel, ...
Familienaam naar de plaatsnaam Bladel in
Noord-Brabant.
Blaer(e) De, De Blaire
Familienaam uit het Middelnederlandse blaer:
kaal; bloot, beroofd.
Blairon
1. Familienaam afgeleid van de plaatsnaam
Blairon in Henegouwen.
2. Afleiding van het Oudfranse blaire: bleek,
met witte vlekken.
Blaise, Blaize, Blais(se), Bleize, Bleys, Bleijs, Blijs,
Blys, Blees
Patroniem uit Blaise, dit is de Franse vorm van
Blasius.
Blander(e) De, (de) Blandre, Bland, De Blender, De
Blanger(e)
Beroepsnaam van de blander, de menger of brouwer van dranken.
Vooral voor de honingdrank: mede.
Blankaert, -aerts, -art, -ert, -ers,
Blanckaert(s), -art, -haert, Blan(c)qua(e)rt, -aers, Blankwaard,
Blenkers, Blancaert, -ard, -a(rt), Blachard, -ar(t), -aert,
Blansaer, Blangchard
1. Bijnaam naar de witte huids- of haarkleur.
2. Patroniem uit de Germaanse voornaam
Blankhard.
3. Bijnaam naar het bezit van een wit paard.
Blanp(a)in, Blancpain, Blamp(a)in,
Painblanc, Paimblanc
Naam uit het Franse blanc pain: wittebrood.
Beroepsbijnaam voor de bakker van wittebrood.
|
Blau(e) (de), (de) Blouw(e), Den Blaa(a)uwen,
(de) Blaauw, De Blau, Debla, Deblauve, Blave
Bijnaam naar de "blauwe", bleke huidskleur.
Blavie(r), Blévi, Blaivie
Beroepsnaam uit het Oudfranse blavier:
graankoopman.
Blazer, Bla(a)ser, De Blaeser, (de) Bleser, De Blezer,
Bleeser, Bleezer(s), De Blaiser, De Bleyser, De Bleijser, De
Blijzer
1. Beroepsnaam uit het Middelnederlandse blaser: trompetter.
2. Het Middelnederlandse blazen betekent ook pochen, opscheppen,
vlees opblazen (een middel om vlees aantrekkelijker te maken).
Dus ... kan het ook een bijnaam zijn.
Bleeken Van den, Van den Blecken
Familienaam uit de plaatsnaam Bleken in
Wuustwezel (Antwerpen) of Blikken o.a. in Kallo
(Oost-Vlaanderen), Groede in Zeeland.
Blendeman, Blindeman
Familienaam uit de bijnaam voor een
blinde(man).
Bles, Bless
1. Bijnaam voor iemand met een bles.
2. Variant van Blaas (zie daar).
Bleu (de), Bleus, Bleux, Blux, Lebleu,
Leblu(d), Leblus, Lebluy, Dubleux, Dubloux, Van Bleu(y)
1. Bijnaam naar een bleke, blauwige kleur.
2. Eventueel uit de plaatsnaam Bleu in
Basècles (Henegouwen).
Blévi, Blevi: zie Blavier.
Bleyenheuft
Duitse familienaam die zoveel betekent als loden (zwaar, ...)
hoofd.
Bleys
Zie Blaise en zie Blaas.
Bliek (de), (de) Blieck, (de) Blick, Blickx,
Blik, (de) Blicq, Blicque, Leblicq(ue)
1. Bijnaam naar de visnaam: bliek. Een
visser/visverkoper ?
2. Bliek was ook een voornaam. In dat geval
een patroniem.
Blij, Bly, Blei, (de) Bley, De Bleye, De
Bleije, Bleij(en), De Blay(e), De Blaey, De Blaay, De Blaaij
1. Bijnaam voor een blij, vrolijk mens.
2. Beroepsbijnaam voor de bediener van de
blijde: belegeringskatapult.
Block (de), (de) Blocq, (de) Blok, Blo(ck)x,
Bloks, Blokx, Blox(s), Blokken, Block(k)en, Bloc(h), Blog, Bluck
1.Bijnaam voor iemand met een geblokte, zware
lichaamsbouw.
2.Het Middelnederlandse bloc was ook het
toestel waarin de benen van misdadigers ingesloten werden. In
dat geval een beroepsnaam.
Blockeel, Blokkeel, Blockel, Blo(c)quel,
Bloquaux, Blokiau, Bloquiau, Blo(c)qeau, Blo(c)quiaux, Blouquiau(x),
Bloukiaux
Familienaam uit het Oudfranse bloquel/blokiel:
blok.
Bijnaam voor iemand met een forse, geblokte
lichaamsbouw.
Blockhuys(en), -hausen, Blokhuis,
Blockxhuysen, Blockous(s)e, Bloc(h)ouse, Blochousse, Bloc(k)us, De
Blochouse
Naam uit het Middelnederlandse blochuus:
blokhuis, versterkt huis, vesting.Verspreide plaatsnaam.
Bloem, Bloem(m)en, Bloeme, Bloume,
Blom(en), Blomme(n), Blommé, De Blomme, Blum, Blume(n), De
Bloem, (de) Bloom
1. Bijnaam naar "een bloem" voor een tuinier,
of iemand met een goed karakter.
2. Er zou ook een Germaanse meisjesnaam Bloma
bestaan hebben. In dat geval een metroniem.
3. Mogelijk ook uit het Middelnederlandse
blomme: meel.
Bijnaam voor molenaar of bakker.
Bloemaert(s), -ers, Bloemmaert, Blumart,
Blom(m)art, (De) Blommaert, Blommaart, -aert(s), -aers, -ers, -erde,
Bleumer(s)
1. Patroniem uit de voornaam Bloemaard.
2. Op een of andere manier afgeleid uit
'bloem'. Zie bij bloem.
Bloemink, Bleumink, Bluemink (Saksisch),
Bloeming (Frankisch)
Patroniem uit de voornaam
Bloeme.
Blom: zie Bloem.
Blondeel, -el(le), De Blondel, Blundell,
Blandel, Blondeau(x), -a, -i(e)au(x), -ia, Blontia, Blandeau,
-a(u)x, -iaux
Afgeleide uit blond. Bijnaam voor iemand met
(hoog)blond haar.
Blontrock, Blomtrock
Bijnaam naar een gele, vale, rossige kleur van
de rok (het bovenkledingsstuk - dus niet de huidige vrouwenrok).
Of verschrijving van Bontrok: iemand met een
bontgekleurde rok (bovenkleding).
Of beroepsbijnaam voor de maker van deze
kledingsstukken.
Bluys: zie Blaas.
Andere B-bladzijden B | Be |
Bi | Bo | Bor |
Br
A | B | C | D E F | G |
H I J | K | L |
M | N O | P Q | R
| S | T U
| V | W X Y Z
Wil je de betekenis van jouw familienaam kennen ? Stuur een mailtje!
Er zijn slechts drie voorwaarden: - vermeld
in je mailtje waarom je het wil weten, - beperk je tot één of een paar namen.
- vermeld ook even hoe je op mijn site terecht kwam.
Soms moet je even geduld hebben: er zijn nogal wat aanvragen.
Kijk a.u.b. eerst of de gezochte naam er niet opstaat (bv. De Grote bij Groot, Verbeeck bij Beek en bv. Vranckx bij Frank). Zo bespaar je mij heel wat werk.

Literatuur:
De betekenis van toponymische samenstellingen
(J .Van Loon - Onomastica neerlandica 1981)
Etymologisch woordenboek der Nederlandsche Taal (J. Vercoullie - Van Rysselberghe & Rombout 1925)
Huizinga's complete lijst van namen (A.Huizinga
- Tirion 1998)
Middelnederlandsch handwoordenboek (J. Verdam
- Uit. Martinus Nijhoff 1949)
Middelnederlandse spraakkunst ( Dr. A. Van Loey - Wolters-Noordhoff 1980)
Toponymisch Woordenboek van België, Nederland, Luxemburg, Noord-Frankrijk en West-Duitsland (voor 1226)
(Maurits Gysseling - Belg. interuniversitair centrum voor neerlandistiek 1960)
Vondelingen en hun naamgeving (L.De Man - Onomastica neerlandica 1956)
Woordenboek van de familienamen in België en Noord-Frankrijk (grondig herziene en vermeerderde uitgave) (Dr. Frans Debrabandere - L.J. Veen /Het Taalfonds 2003)
|