Het leven van Adriaen Brouwer

Inleiding

Niets is moeilijker dan het leven te beschrijven van iemand van wie alleen geweten dat hij geboren en gestorven is, dat hij geleefd en gewerkt heeft, maar van wie men verder zo weinig concreets weet om iets met absolute zekerheid te bevestigen.
Bij gebrek aan precieze gegevens begint in dergelijke gevallen de fantasie van sommigen te werken en gaan de fabels hun gang.
Het is dan ook normaal dat met een leven als dit van Adriaen Brouwer legenden zijn ontstaan want waar hij kwam, werd hij weldra beroemd en berucht en eenmaal weer vertrokken, liet hij zijn sporen na, zo van zijn werk als van zijn exploten.

Aan de hand van documenten en historische gegevens zullen wij trachten dit 'raadselachtig en bewogen leven' te reconstrueren, 'die Wahrheit und Dichtung' te scheiden en dan zal er nog genoeg aan echtheid overblijven om de essentie van dit leven en vooral de zin ervan te ontdekken en te belichten.
Brouwer moet een fantast geweest zijn, die zich aan geen gangbare normen of uiterlijk gedragspatroon kon of wou onderwerpen, die zijn eigen leven leidde en zich door niemand liet hinderen.
Dat dit leven dan ook bewogen was en, helaas, kortstondig is geweest, is gemakkelijk te aanvaarden.

Tenslotte zou men zijn leven een soort mythe kunnen noemen, die in de loop der tijden soms verzwakte en verduisterde, maar die toch steeds opnieuw heropleeft.

Geboorteplaats en -datum

In vroegere jaren zijn meerdere versies over zijn geboorteplaats en -datum in omloop geweest. De oorzaak van deze verwarring ligt hoofdzakelijk bij Arnold Houbraken die, in zijn bewondering voor Adriaen Brouwer, hem in 1608 te Haarlem (Holland) laat geboren worden.
Momenteel gaat echter iedereen akkoord dat Oudenaarde (Oost-Vlaanderen) de geboorteplaats van de kunstenaar is geweest.
Houbraken steunde hierbij op nagelaten papieren van de schilder Nicolaas Six, die hij echter niet controleerde, zodat zij niet als ernstig kunnen aanzien worden.
Een ander argument van hem was dat de ouders van Adriaen Brouwer niet begoed waren om hun zoon naar Haarlem te laten overkomen, wat ook op niets berust. En het argument van de vlucht van Brouwer uit het huis van Hals is ook niet steekhoudend.
Indien Brouwer werkelijk van Haarlem zou geweest zijn, had hij zich niet moeten verbergen in de kerk, maar kon hij zich naar familie of vrienden begeven. Houbraken's verhaal van de vlucht is kleurrijk maar een en al fantasie.
Het is Houbraken die het in kleurrijke taal vertelt: 'hy liep met den avondstond in de kerk en zette zig onder het Orgel, bedroeft en radeloos neer ….' . Aldaar werd hij ontdekt en terug bij Fr. Hals gebracht. 'Daar hy van iemant die hem kende gezien werd, die hem ziende zoo bedrukt en met de tranen op de wang, vraagde wat hem scheelde. Brouwer biegte zuiver op, deed beklag over zyn mishandeling, toonde hoe weinig hy om en aan had, en dat het van binnen nog schraalder gestelt was, dat hy daarom van zyn meester was weg geloopen, dat hy nu niet wist waar te geraken, en egter niet weder dorft t’huis komen bedugt voor stokslagen'.
De 'verloren zoon' moest dan verder gaan met schilderen.
'Brouwer kwam dan met hangende vlerken weder in zyn huis. Frans toonde zig gestoort en gebood hem uit zyn gezigt naar boven te vertrekken, met bedreiging in dien hy zulks weer kwam te doen, hem dit en dat te leeren. Maar onderwyl wist onze vriend, Frans zoo wel zyn pligt omtrent den jongen aan te wyzen, dat hy beloften daar omtrent deed' .
Was Haarlem destijds belangrijk, Oudenaarde was het in menig opzicht niet minder. Met zijn sterke omwalling had het een grote strategische waarde. Zuid-Nederland was toen bezet door de Spanjaarden.
Oudenaarde kende ook een grote economische bloei; de bijzonderste bedrijfstak was de tapijtweverij die de roem van de stad tot ver buiten ‘s lands grenzen bracht.
Oudenaarde kende toen eveneens een grote culturele bloei. De gilden en rederijkerskamers waren algemeen bekend. Deze laatsten waren zeer bedrijvig en ze trokken dan alleen of samen met de gilden, op tornooi naar andere streken.
In de archieven van Haarlem is er rond die tijd geen sprake van een Adriaen Brouwer. In Oudenaarde daarentegen vinden wij in die periode verschillende 'Brouwers'. In de registers van akten en contracten in 1608 vinden wij een Adriaen de Brauwere fs. Matthys. En in het register van 1611 vinden wij het optreden van een curator 'ten sterfhuys van wed. Adriaen de Brauwere'.

In de registers van de Sint-Walburgakerk van 1600 staat een Adriaen de Brauwere et Mariae's Zutters (Desuttere) suscept. Hubertus van Holbeke et Judoca van Berghe'.

Hieruit blijkt dus dat op 16 februari 1610 een dochter van Adriaen de Brauwere en Maria Zutters werd gedoopt onder de naam Maria. Hier aan voorafgaand vinden wij dat op 2 april van een (niet leesbaar) jaar dat eraan voorafging een zoon werd gedoopt van dezelfde ouders. En omdat het in die tijd de gewoonte was dat de oudste zoon de naam kreeg van zijn vader, mogen wij geredelijk aannemen dat de zoon die op 2 april 1606 werd geboren onze Adriaen Brouwer was.

Alhoewel geen historisch document, vermelden wij ook nog volgend belangrijk gegeven:

Op 18 november 1816 hield J.J. Raepsaet (geboren te Oudenaarde, 29/12/1750, overleden 19/2/1832, Z. Ned. Staatsman, geschiedkundige, ook griffier van de kastelnij van Oudenaarde, een lezing voor de Academie te Brussel, een lezing waarin hij in verband met Adriaen Brouwer het volgende verklaarde: 'Quant au peintre Adrien de Brauwere, j’ai vu, avant la révolution et du temps que j’étais secrétaire du collège des chefs tuteurs de la ville d’Audenarde, l’état des biens ou inventaire après décès du père d’Adrien Brauwere; il était peintre de patrons pour les maîtres tapissiers et mourut en état de déconfiture. Les tuteurs de ses enfants renoncèrent à sa succession; son fils, le peintre, alors âgé seulement de seize ans, avait déjà abandonné la maison paternelle, sans que l’on sût oû il s’était retiré'.

Hieruit blijkt dus dat, toen de vader van Adriaen Brouwer stierf, er zodanige schulden waren dat de voogden van de kinderen de nalatenschap verzaakten en dat op dat ogenblik Adriaen Brouwer, die toen 16 jaar zou geweest zijn, reeds het ouderlijk huis had verlaten. Helaas, deze akte is heden niet meer terug te vinden; de auteur is echter geloofwaardig.

Andere bronnen ten voordele van Oudenaarde

'Adrianus Brauwer

Gryllorum Pictor Antverpiae'.
(Adriaen Brouwer, schilder van zottigheden, uit Antwerpen).
Maar de latere platen werden gewijzigd en het onderschrift werd als volgt gecorrigeerd:
'Adrianus Brouwer
Gryllorum Pictor Antverpiae, natione Flander'
Hieruit blijkt dat de ‘a' van Brauwer 'o' werd, dat het punt na 'Antverpiae' vervangen werd door een komma en 'natione Flander' werd toegevoegd om er duidelijk op te wijzen dat Brouwer, schilder te Antwerpen, uit de Vlaamse provincies afkomstig was. Deze platen werden van de uitgeverij M. van den Emden naar deze van Gillis Hendriex te Antwerpen overgebracht, die in 1645 de verzameling van Van Dijck uitgaf (dus enkele jaren na de dood van Brouwer en ook na deze van Van Dijck zelf).

Geboortedatum

Houbraken zegt dat Adriaen Brouwer in 1608 geboren werd. Waarop hij steunt, is niet duidelijk.
Zoals hoger vermeld, neemt M. De Pilés ook 1608 over zonder enige bron of document aan te halen.
Wellicht hebben zij gesteund op I. Bullart die verhaalt dat Brouwer in de ouderdom van 32 jaar stierf en gezien Houbraken meende dat Brouwer in 1640 gestorven is, komt hij zo tot het jaar 1608.
Houbrakens fout ligt er in dat Brouwer niet in 1640, maar in 1638, zoals we later zullen zien, stierf.
Een officieel document, - in geboorte- of doopregisters - werd ondanks alle opzoekingen niet gevonden.
Wanneer wij echter vertrekken van zijn sterfdatum (1638) en weten dat hij slechts 32 jaar is geworden, dan moet hij geboren zijn in 1605 of 1606.
Een tweede historisch gegeven brengt ons naar dezelfde jaren: de vader van Brouwer stierf in 1622 toen Adriaen 16 jaar was, dit geeft ons opnieuw geboortejaar: 1605 of 1606.
Men mag dus aanvaarden dat onze kunstenaar in 1605-1606 werd geboren.

Besluit

Steunend op de gegevens in de archieven van Oudenaarde, zou Adrianus de Brauwere dus zijn vader zijn en zijn moeder Maria Zutters (of Sutter of Desuttere).
Alhoewel in officiële documenten geen elementen werden teruggevonden, zou, volgens de verklaringen van J.J. Raepsaet, de vader 'patron-schilder' voor de Oudenaardse tapijtwevers geweest zijn. Dat is goed mogelijk; Oudenaarde bezat in die tijd nog vele tapijtwevers en vader Brouwer kan één van deze geweest zijn. Dit is redelijk te aanvaarden want Brouwer moet toch van iemand enige aanleg mede gekregen hebben en moet toch bij iemand een eerste opleiding ontvangen hebben, tenminste de gelegenheid gehad hebben zich als begaafd tekenaar of schilder te manifesteren.
Wij mogen dus aannemen dat vader vroeg gestorven is en dat de moeder met de kinderen in grote armoede is achtergebleven, want de nalatenschap werd door de voogden van de kinderen niet aanvaard.

Welke is zijn juiste naam?

Uit alle hoger aangehaalde documenten van Oudenaarde blijkt dat, toen hij nog in Oudenaarde verbleef, zijn naam als volgt werd geschreven: 'ADRIAEN de BRAUWERE'. Daarom noemt H. Raepsaet hem dan ook: 'Adriaen de Brauwere', in het Frans: Adrien de Brauwere.
Naamwisselingen waren echter in die tijd de meest gewone zaak. Nochtans dient toegegeven dat in de officiële stukken van Oudenaarde steeds: 'de Brauwere' en 'Adriaen' voorkomt. Het is ook heel normaal dat Brouwer zijn naam in Holland en in Antwerpen, zou 'aangepast' hebben.
Bullart spreekt van 'Adrien Brauwer' (op zijn Frans), De Pilés van 'Adrien Braur' (op zijn Frans), De Bie van 'Adriaen Brouwer', Houbraken van 'Adriaen Brouwer', J. von Sandrarts noemt hem 'Adriaen Brauer' (op zijn Duits), F. Jos Van den Branden 'Adriaen de Brouwer', W. Schmidt 'Adriaen Brouwer'.
Voor zover wij de handtekening van Adriaen Brouwer in officiële stukken, o.a. in akten, terug hebben gevonden, - want hij gebruikt die zeer zelden op zijn werken - gebruikt hij zelf een verschillende handtekening; de ene maal 'Adriaen Brouwer', de andere maal 'Adriaen de Brauwer' doch meestal 'Adriaen de Brouwer'!
Voor de notaris werd ook vooral 'de Brouwer' met een 'o' gebruikt. De Bie in zijn grafschrift voor Brouwer dichtte reeds: 'Adriaen Brouwer'.
Sindsdien werd praktisch voor iedereen - door von Bode, Böhmer, Schmidt-Degener, Knuttel, Höhne, Schmidt, Reynolds, Renger, Scholz -'Adriaen Brouwer' gebruikt, zodat wij ons werk ook onder die titel aanbieden.

Brouwers jeugd te Oudenaarde

Zijn eerste jaren moet Brouwer te Oudenaarde gesleten hebben. Tot hoelang is niet geweten.
Met kans op waarheid mag aanvaard worden dat hij zijn vader hielp bij het schilderen van kartons voor tapijten.
Het is goed mogelijk dat Brouwer van huis is weggelopen, maar er is ook een kans dat Brouwer, als jongen met talent, bewust en zelfs met toelating of weten van zijn ouders van Oudenaarde is weggegaan, bv. naar Antwerpen en via Antwerpen naar Holland.
Deze episode wordt door Felix Timmermans in zijn roman 'Adriaen Brouwer' meesterlijk, maar met fantasie beschreven.
Er waren heel wat redenen waarom Brouwer Oudenaarde zou hebben verlaten.

Laat ons dan aannemen dat Adriaen Brouwer reeds op jeugdige leeftijd, gezien zijn karakter en zijn aanleg, zijn geboortestad heeft verlaten. En voor zover we weten, voor goed!

Adriaen Brouwer te Antwerpen

De legende van het bezoek van Fr. Hals aan Oudenaarde mag uitgesloten worden. Is Brouwer eerst in Antwerpen aangeland, Antwerpen dat op dat ogenblik dé stad der Zuid-Nederlanden was?
Schmidt-Degener twijfelt er niet aan: 'het ware vrij onwaarschijnlijk dat Brouwer naar Holland zou vertrokken zijn zonder zich op te houden in deze stad, die de bakermat der Vlaamsche kunst was. In zijn eerste stukken spreekt duidelijk de invloed van den grooten schilder der vorige eeuw: Peter Bruegel den Oude: het is waarschijnlijk dat de zoon Peter Brueghel de Jonge, hem de opvatting en zelfs de techniek van zijn beroemden vader heeft meegedeeld'.
Aldaar zou hij dan de invloed ondergaan hebben van P. Breugel de Oude, misschien in contact geweest met P. Bruegel de Jonge, de Fluwelen, die hem hebben geïnspireerd.
Schmidt-Degener noemt zelfs enkele werken op die in deze Antwerpse periode zouden geschilderd zijn en hij haalt ook Bürger aan die twee jeugdwerken van Brouwer 'naar Peter Bruegel den Ouden' noemt (twee paneeltjes uit het Rijksmuseum van Amsterdam).
Over deze en enkele andere werkjes uit deze periode zegt Schmidt-Degener: 'Alles er in is Vlaamsch: kleur, teekening, opvatting; onmogelijk om er eenigerlei Hollandsche invloeden in te ontdekken'.
Naast Schmidt-Degener menen ook Schmidt en Reynolds dat Brouwer vanuit Oudenaarde naar Antwerpen is gegaan.
Hofstede de Groot en ook Bode kennen hem geen Antwerpse periode toe. Bullart, De Pilès, De Bie, Böhmer en Knuttel spreken zich niet uit over het probleem. daarentegen laat hem rechtstreeks naar Holland gaan.
Reynolds van zijn kant zegt dat hij slechts vanaf 1625 in Holland is en dat in zijn eerste werken de 'Vlaamse invloed zo groot is' dat het niet anders kan dat Brouwer een eerste 'Vlaams' contact moet hebben gehad.
En inderdaad, enerzijds is niet bewezen, tenzij door de verhalen van Houbraken, dat Adriaen Brouwer vóór 1624 bij Frans Hals te Haarlem is geweest en anderzijds is de 'Vlaamse' invloed (van Breugel en misschien van Bosch) toch merkbaar, zodat een oponthoud in Antwerpen zeer waarschijnlijk is.

Adriaen Brouwer in Holland

Na een vermoedelijk verblijf in Antwerpen is Brouwer in Holland terechtgekomen. Wanneer precies, waar precies? Dit alles is historisch niet vast te leggen.
De enen houden het bij Amsterdam, de anderen bij Haarlem. Ook Breda wordt genoemd waar Brouwer aan de strijd voor het bezit van de stad met de 'Geuzen' tegen de Spanjaarden zou deel genomen hebben. Een feit is zeker; Brouwer was, toen hij uit Holland terug naar Antwerpen was gekeerd, nog steeds in het bezit van een (zeldzame) kaart van de belegering van Breda en het zou, mede om deze kaart zijn dat hij door de Spanjaarden in de citadel werd opgesloten.
Over welke gegevens beschikken wij en wat kunnen wij er uit afleiden?
Volgens De Bie’s verhaal uit 1661, - verhaal dat door Houbraken werd overgenomen - is Brouwer totaal beroofd en van zijn klederen ontdaan in Amsterdam beland (cfr. verder).
Is hij werkelijk bij de belegering van Breda betrokken geweest en is hij vandaar berooid naar Amsterdam getrokken?
Historisch staat vast dat Breda, verdedigd door de Hollandse protestanten, vanaf augustus 1624 door Spaanse troepen onder leiding van generaal Spinola werd belegerd. De Geuzen trachtten de stad tevergeefs te ontzetten. De stad moest zich dan, na tien maanden verzet op 6 juni 1625 overgeven.
Brouwer kon op dat ogenblik daar niet meer geweest zijn want in een notariële akte van 23 juli 1626 verklaart hij in het bijzijn van de getuigen Adriaen Van Nieulandt en Barent van Someren - deze laatste zijn latere huisbaas en beschermer - dat hij in maart 1625 te Amsterdam 32 schilderijen in het huis van het echtpaar Nieuwendijk had gezien, schilderijen die gereed waren om verkocht te worden .
Dit is het eerste officiële gegeven dat over het verblijf van Adriaen Brouwer in Holland is teruggevonden. Hij was daar op dat tijdstip niet alleen reeds gekend, maar was ook al, alhoewel nog geen 20 jaar oud! 'een bevoegdheid', want het is zijn verklaring die als doorslaggevend voor de notaris wordt geacteerd.
In 1626 was hij reeds in Haarlem want in dat jaar was hij aldaar ingeschreven als 'Beminnaar' van de Rederijkerskamer: 'In Liefde boven al'.
Hij heeft zich aldaar, naast het schilderen, dus ook onledig gehouden met toneelspelen en dichten. Hij maakte o.a. een gedicht voor de Amsterdamse Pieter Nootmans, die een toneelwerk aan Brouwer had opgedragen (cfr. verder).
Uit dit alles blijkt dat Brouwer in 1626-1627 in Haarlem is geweest, dat hij aldaar reeds beroemd was en dat hij in nauw contact stond met de toneel- en rederijkerskringen van de stad.
Mogen wij hieruit niet besluiten dat Brouwer, na een min of meer kort verblijf in Amsterdam (zeker in 1625), naar Haarlem is vertrokken, waar hij in contact kwam met Frans Hals? Over dit contact met Frans Hals zijn heel wat verhalen in omloop.

Adriaen Brouwer bij Frans Hals

Voor de meesten staat vast dat hij een 'opleiding' bij Hals heeft gekregen. Een opleiding is misschien veel gezegd, want hier over wordt alleen 'verteld' dat Hals van de jeugdwerken van Brouwer zou hebben 'geprofiteerd', terwijl daarentegen uit Brouwers werken niet blijkt dat hij echte invloed van Hals heeft ondergaan.
Hoe dan ook, Brouwer is in Haarlem geweest, ging in die tijd reeds door voor 'schilder van Haarlem' en het is dan ook zonder aarzeling te aanvaarden dat hij bij Fr. Hals is geweest. Onder een tekening die Matthys van den Bergh, een leerling van Rubens, naar een schilderij van Brouwer maakte, zet hij 'Adrianus Brouwer Harlemensis'.
Het kan zijn dat hij in 1627 reeds opnieuw in Amsterdam was want P. Nootmans uit Amsterdam draagt in maart van dit jaar reeds zijn toneelstuk aan hem op.

Adriaen Brouwer te Amsterdam

Eenmaal in Amsterdam beland, is hij terechtgekomen bij Barend van Someren (of Zomeren), waard van het gekende café 'In 't Schild van Frankrijk', met wie hij reeds vroeger in contact was geweest.
Deze van Someren was trouwens ook schilder geweest en zijn zoon Hendrik beoefende eveneens de schilderkunst (hij maakte vooral geschiedkundige taferelen, bloemstukken en landschappen). Op dat ogenblik was vader van Someren echter in eerste instantie kunstminnende herbergier die zijn huis en tapkast ter beschikking stelde van kunstenaars, zo schilders als rederijkers.
Hier kon Brouwer naar hartelust werken.
Houbraken vertelt het als volgt: 'Nu schilderde hy met grooter lust en yver eenige kleene stukjes: dog zyn huiswaard ziende dat zulks zoo gemakkelyk ging, besloot daar ut dat hy tot grooter ondernemingen bekwaam was'.
Onze toch fantasierijke kunsthistoricus haalt in verband hiermede het ontstaan aan van het schilderij: 'Het gevecht tussen boeren en soldaten bij kaartspel'. Hij beschrijft op kleurrijke wijze het schilderij en hoe Brouwer het schilderij verkocht heeft, verhaalt hij met nog meer fantasie.
Het kan hier niet gaan om het schilderij 'Vechtpartij bij het kaartspel' of 'Boerenvechtpartij' uit zijn Hollandse periode en dat in Amsterdam hangt, maar volgens Houbrakens beschrijving zou het gaan om het werk 'De vechtende kaartspelers' dat zich nu in München bevindt en uit Brouwers Antwerpse periode stamt.
De fantasie heeft hier Houbraken weer parten gespeeld. Wat echter wel mag aanvaard worden is dat van Someren er intussen voor zal gezorgd hebben dat het in de stad geweten was dat Brouwer Fr. Hals had verlaten en nu bij hem werkzaam was.
'’t Lekte eindelyk uit dat hy by van Someren t’huis lag. Des de Heer du Vermandois, die groote begeerte had om een stuk van hem te hebben hem daar kwam opzoeken, en het gemelde konststuk ziende straks bevallen daar in had, en naar den prys vraagde. Nu had zyn huiswaard hem voor af al berigt dat’er zoo een Heer, die ook al verscheidenmalen had komen vragen om iets van hem te mogen zien, komen zoude, en dat hy 100 Ducatons voor ‘t gemelde stuk eisschen moest, ‘t welk hy met schroom deed, niet denkende dat iemant hem voor een stuk zoo veel geld zou geven: waarom hy ook, wanneer gemelde Heer ‘t hem vraagde, een lange wyl stond te dralen, zyn knevels op te stryken, en dikwerf te zeggen: ik hebb’er veel arbeid aan besteed, eer’t ‘er wilde uitkomen dat hy’er 100 Ducatons voor hebben moest, ‘t geen gemelde Heer du Vermandois hem straks bewilligde, en verzogt hem mede te gaan aan zyn huis, om zyn vollen eisch in Ducatons te ontvangen. Adriaen stond te kyken, denkende als nog dat de Heer met hem spotten wilde, dog Zomer knikte hem toe, dus nam hy de schildery onder zyn arm en ging met den Heer meê, die hem zyn geld, wel vergenoegt met dien koop zynde, aantelde. Dit stuk heeft naderhand gehangen in ‘t kabinet van den konstminnenden Keurvorst van de Palts'.
En hoe het verder met de opbrengst van het eerste groot succes is verlopen, weet hij ook te vertellen : 'Hy niet gewoon zoo veel geld te handelen wist van blydschap niet hoe hy ras genoeg met dien buit zou gaan stryken, en storte (t’huis gekomen zynde) het geld uit zyn bed, en wentelde zig daar in. Eindelyk verzamelde hy de zilvere schyven weer by een, en ging daar meê ten huis uitstryken, zonder dat men wist waar hy vervaren was. Na ‘t verloop van negen dagen kwam hy zingende en fluitende in den laten avond weer t’huis, en gevraagt: hoe hy zoo vrolyk was, en of hy zyn geld nog had? gaf hy tot antwoord: dat hy zig van dien ballast ontslagen had'. En Houbrakens besluit: 'op deze wyze leefde hy doorgaans en was zig niet magtig, als hy geld had zich van drinken, zwelgen en Boerteryen te onthouden'.
Ook C. De Bie haalt bepaalde anekdotes van Brouwer uit zijn Amsterdams periode aan, o.a. wanneer hij in de Academie van Amsterdam op zijn eentje een contesterend optreden gaf (cfr. later).
Hoelang Brouwer in Amsterdam verbleef, wat hij verder uitrichtte, is niet geweten. In werkelijkheid is, - zoals Bode aanstipt - tussen 1628 en 1631 over Brouwer niets geweten. Höhne meent zelfs dat hij in die periode opnieuw te Haarlem was.
Dit kan zijn, hij kan ook in Amsterdam gebleven zijn en daar gewerkt hebben; hij kan ook met een troep toneelspelers op rondreis zijn getrokken.
In alle geval is het verwonderlijk dat in die drie jaren van deze bedrijvige en levenslustige man, die reeds in Holland goed was gekend, - 'wijtberoemd' zegt Nootmans, - geen enkel feit meer gekend is.
Of is hij die wel veel in de kroegen, de taveernen, tussen spelers en vechters moet gezeten hebben, in moeilijkheden gekomen en is hij opgesloten geraakt, zoals dat ook in Antwerpen is gebeurd?
Het is gewoon een hypothese.
Volgens C. Hofstede de Groot zou het heimwee zijn dat hem terug naar zijn 'vaderland' heeft gedreven.
De juiste oorzaak zal wellicht nooit gekend zijn; een politieke reden zal het niet geweest zijn want met zijn terugkeer naar het Zuiden kon Brouwer, als anti-Spaans gekend, zich slechts moeilijkheden op de hals halen. En die zijn er ook gekomen.
Naar zijn eigenlijke geboortestreek is hij nooit teruggekeerd, zoals Höhne laat opmerken . Inderdaad, de terugkeer naar zijn vaderstad, zou zeker voor een 'beroemdheid' als hij, in de annalen van Oudenaarde geboekt zijn, maar hierover is niets gevonden.
Hij kan ook met een troep reizende toneelspelers naar Antwerpen overgekomen zijn. Doch de meest voor de hand liggende reden is, dat hij naar Antwerpen, een wereldcentrum van de schilderkunst en dat hem toch goed moet bekend geweest zijn, is willen terugkeren om daar onder de 'groten' te zijn.

Adriaen Brouwer in Antwerpen

Plots duikt Adriaen Brouwer in Antwerpen op. Dit was in 1631. Deze stad is op dat ogenblik, zoals trouwens heel Zuid-Nederland, bezet door de Spanjaarden. - Noord-Nederland vecht verder voor zijn vrijheid en zijn onafhankelijkheid.
Antwerpen leefde in een eerder gespannen sfeer, een oorlogssfeer. Benoorden Antwerpen was, voor de Spanjaarden, de vijand, de 'protestant', Holland.
In de stad zelf heerste verdeeldheid: katholieken en protestanten, voor- en tegenstanders van de Spanjaarden.
Maar toch was er een drang naar vrijheid, ook van godsdienst, en een streven naar onafhankelijkheid. De Spanjaarden dwongen de ingezetenen de wallen te versterken en zij waakten er angstvallig over dat geen vreemdelingen uit de 'rebelle Provinciën' binnen de stad zouden geraken, althans niet zonder paspoort. Maar dat scheen onbegonnen werk.
Om de controle te vergemakkelijken werd 'verordend, op boete van 20 gulden ende arbitale correctie' dat alleen in enkele afspanningen mocht gelogeerd worden. Die waren: 'In de twee Schipkens' in de Schipstraat, 'In het gulden Hoofd' op de Minderbroedersrui, 'In den bloeienden Wijngaard' in de Koepoortstraat en 'In den Biekorf' op de Eiermarkt .
Bovendien moesten alle burgers die gasten binnen namen, deze vóór het luiden van de avondklok aangeven. Aldus hoopte men de 'vreemdelingen' beter te controleren.
Maar de burgers schenen zich toch niet zo veel aan die verordeningen te storen. Verder trof de stadsoverheid maatregelen tegen hen die de katholieke godsdienst of de wettelijke vorst aanvielen. Daarom werden op enkele maanden tijd verschillende plakkaten uitgevaardigd.
Het eerste gekend feit in Antwerpen is Brouwers opname als 'vrijmeester', in de St.-Lucasgilde in 1631; hij betaalt hiervoor 26 gulden! .
Op dat ogenblik was de Antwerpse schilderschool wereldberoemd; denken wij aan Rubens, van Dijck, Jordaens.
Onmiddellijk werd Brouwer, wiens faam zijn komst moet voorafgegaan zijn, opgenomen en bijna terzelfder tijd kreeg hij als leerling Jan Baptist Dandoy (of D’Andois), zoon van Jan Dandoy, die spoedig een intieme vriend van Brouwer werd.
Deze J. Dandoy was gehuwd met Maria Becquet en na haar dood hertrouwde hij met een weduwe, waardin van de herberg 'Genua' in de Meyerstraat (of Meistraat), zodat hij aldaar de waard werd.
De legende gaat dat Brouwer, toen hij in Antwerpen was aangekomen, bij hem zijn intrek nam en een andere legende verhaalt dat 'Adriaen Brouwer te Antwerpen met een gezelschap barakspelers is binnengekomen' .
Het huis van J. Dandoy werd hem echter door de notaris ontzegd omdat men het niet verhuurd had 'om quacksalvers of Jan Potagies (hansworsten, potsenmakers) in te logeren'! …
En wellicht stond zo Adriaen Brouwer weer op straat.
Brouwer kreeg echter vrienden en 'navolgers' genoeg. David Teniers II, David Rijckaert II en David Rijckaert III waren daaronder te rekenen.
Daarnaast hebben wij ook Joos Van Craesbeeck en A. van Ostade die allen zijn invloed ondergingen.
Zo zien wij dat David Rijckaert II in het begin 1632 een schilderijtje verpandde, 'een Rolbaene (kegelaars), door hem geschildert naar Brouwer' .
P.P. Rubens doet rond diezelfde tijd, Brouwer vóór notaris Peter de Breuseghem verschijnen om officieel te laten verklaren dat het schilderij: 'De Boerendans' van hem persoonlijk is en dat hij het slechts éénmaal heeft geschilderd. Naast de genoemde 'boerendans' vond men bij het overlijden van Rubens nog zestien andere paneeltjes van Brouwer in zijn bezit.

'Den 4n Maart 1632' compareerde Signor Adriaen Brouwer, constschilder, residerende binnen dese stadt Antwerpen', voor den notaris Peter de Breuseghem. Ten verzoeke van Daniël Deegbroot, verklaart hij daar, voor de gerechte waarheid, in plaats van eed, dat hij zekere schilderij: een Boerendans, waarvan de omtrek aan de achterzijde van den akt wordt geteekend, niet meer dan eens geschilderd heeft, en dat die schilderij in handen is van den heer Peter Pauwel Rubens' .
Rubens is daar ook tegenwoordig en bevestigt dat hij dit schilderij reeds ongeveer een jaar in zijn bezit heeft, en hij plaatst op de akte zijn handtekening onder deze van Brouwer.
Terzelfder gelegenheid bevestigt Brouwer nog dat de schilderijen hem door de koopman Jacomo de Cachiopin getoond, door hem werden geschilderd.
Deze twee feiten bewijzen dat men toen reeds schilderijen van Brouwer namaakte en dat sjacheraars toen al valse schilderijen van Brouwer voor echte trachtten te verkopen.
Wellicht had Rubens het schilderij 'De Boerendans' van Daniël Deegbroot, kapitein van de burgerwacht gekocht. Deze kapitein, goed ten huize bij Rubens, was trouw lid van de Antwerpse Rederijkerskamer 'De Violier' waar Brouwer insgelijks bedrijvig was.
Toen Rubens de kans zag Brouwer persoonlijk te ontmoeten, deed hij deze bij de notaris komen om een verklaring af te leggen. Hij moet ook wel erg veel van dat schilderij gehouden hebben. 'De Oppermeester (t.t.z. Rubens) moet dan wel veel prijs aan dit tafereel van Brouwer hebben gehecht, om te kunnen doen blijken, dat hij de gelukkige bezitter van eenen waarachtigen en eenigen Brouwer was. Ook verliet het hem nimmer' .

Naast de werken die in het testament van Rubens weden gevonden, werden in de verzameling van Anthonie (1691) nog volgende werken aan Brouwer toegeschreven:

Spijts zijn beroemdheid en de aanzienlijke bedragen die hij voor zijn werken kreeg, verkeerde Brouwer aldra in ernstige geldnood. Zijn schuldeisers lieten hem niet gerust en gingen zelfs over tot het aanslaan van zijn goederen.
Zo werd in de zomer van hetzelfde jaar 1632 door notaris Frans Marcelis, de notaris van Joos Van Craesbeeck, de inventaris van Brouwers inboedel opgemaakt.
Het was een schamel, armtierig bezit! Wij laten hier de volledige lijst van de goederen volgen, zoals ze in de akte werden genoteerd, omdat uit die lijst toch heel wat interessante besluiten kunnen getrokken worden.
'Ierst twee stucxkens in swertte lijsten, wesende Landschappen van Momper.
Item twee stucxkens swert ende wit van Sotten Cleef.
Een marmeren stucxken van Focquier.
Een contrefeytsel van sekeren persoon genoempt Theodosus.
Noch een stucxken van swert en wit, wesende eenen Keyzer sittende in sijne Majesteyt.
Een stuck, wesende eene ordinantie van eenige Sangers, gedootverft van den voorschreven Brouwer.
Noch drije andere stucxkens bij den selven gedootverft, d’een in een swertte lijste.
Noch een pineel daerop eenen Man gedootverf staet.
Noch vijff pineeltkens, gedootverft als voore.
Een copere plaetken daeroppe eenen Manspersoon gedootverft.
Achtthien pinceelen mette stocken.
Thien pinceelstocken.
Een houten manneken met sijn pedestael.
Drij swertte mutsen.
Eenen riem met eenen poignaert.
Een glas met verwen daerinne.
Een aergentinen cappoot met silveren galon.
Een camisoel van gevrocht swert armosijn.
Een paer swertte sattijne mouven.
Een paer coleur sattijne mouwen.
Een swert caffa rocxken, met een broecke.
Eenen swertten laeckenen mantel, met caffa gevoedert.
Acht boecken.
Twee hoeyen.
Een caerte van de belegeringe van Breda.
Eenen omslach ende vijff poignetten.
Drij dosijnen pinceelen.
Tweelff printen.
Een spiegeltken'
.
Uit deze inventaris blijkt het volgende:

  1. Dat Brouwer praktisch geen enkel meubel bezat, wat ons mag doen besluiten dat hij op dat ogenblik slechts een huurkamer(tje) betrok;
  2. Dat zijn voornaamste bezit bestond uit schilderijen;
  3. Dat het grootste deel van deze schilderijen nog onafgewerkt waren, 'gedootverft' zoals toen genoemd. Elf van deze niet-afgewerkte paneeltjes waren toen in zijn bezit wat er op wijst dat hij geleidelijk en met zorg werkte;
  4. Dat naast zijn schilderijen hij nog 'twaalf printen' bezat;
  5. Dat hij zeer veel penselen had; hij was dus zeer goed uitgerust. '18 pinceelen mette stocken', 'drij dosijnen pinceelen';
  6. Dat hij ook enkele kledingstukken bezat, vooral om zich, bij gelegenheid van feestpartijen, eens uit te dossen, bv. 'sattijne mouwen', 'drij swertte mutsen', 'twee hoeyen';
  7. Dat hij een mannequin, 'een houten manneken met sijn pedestael', had die de houdingen moest weergeven waarnaar hij zijn figuren schilderde!
  8. Dat hij relatief gezien veel boeken bezat; acht voor die tijd is veel, wat erop wijst dat Brouwer ook nog in letterkundige- en rederijkerskringen bedrijvig was;
  9. Dat hij toen nog steeds de kaart van de belegering van Breda in zijn bezit had;
  10. Dat hij, waar zijn eigen werken zo zeer gezocht en gegeerd werden, slechts één werkje had van de 'Sotten Cleef' en twee andere van Joos van Momper, een andere schilder én drinkebroer.

Van stoel, tafel, kast, bed of huisraad is geen sprake. Zelfs niet van een schildersezel of palet!
Dit doet veronderstellen dat Brouwer toen reeds bij een vriend-kunstschilder 'gelogeerd' was.
Verder kan men aannemen dat zijn kledij erop afgestemd was zijn schamelheid voor de signoren te verbergen; want van hemd of broek is zelfs geen sprake, maar wel van hoeden en mutsen en een zwarte laken mantel; - misschien deze waarmee A. Van Dijck hem afgebeeld heeft.
In deze inventaris krijgen wij een beeld van de kunstenaar en de mens Brouwer. Dit was zijn toestand in het begin van zijn Antwerpse periode, in 1632, en het zal er de volgende jaren niet op verbeteren.
En in plaats van te werken en die onafgewerkte paneeltjes te voltooien en hiermede zijn schulden te betalen, liet hij dit alles zo maar door de deurwaarder aanslaan!
Op 5 oktober 1632 werd tot de uitvoering overgegaan en procureur Anselmo de Cocquiel maakt zijn 'bezit' over aan Jan van den Bosch, schuldeiser van Brouwer.
'Signor Jan van den Bosch, crediteur van den selven de brouwer, omme te eviteren arresten ende becommeringen, die daerop, bij eenige andere des voorschreven Brouwers crediteuren souden mogen gedaen worden, onder hem, op expresse conditie, dat de voorschreve van den Bosch dyenaengaende hem Cocquiel sal indemneren, costeloos ende schadeloos houden tegens eenen yegelijcken'
Gelukkig voor Brouwer was deze van den Bosch, een rijk koopman in zijde, geen hardvochtig man; hij moet eerder als een 'beschermer' aangezien worden, want aldus redde hij onze schamele kunstenaar van de verkoping in het openbaar van zijn goederen en hield hij hem uit de handen van andere schuldeisers die geen ogenblik zouden geaarzeld hebben zijn bezit en zijn kunstwerkjes te gelde te maken.
Er scheen echter weinig zalf aan Brouwer te strijken. Hij zou zijn leven niet meer veranderen, zeker niet verbeteren.
Vier maanden later, nl. op 23 februari 1633, leende hem dezelfde J. van den Bosch opnieuw het belangrijk bedrag van 1600 gulden om zijn schulden te vereffenen.
In de akte, verleden voor notaris Willem le Rousseau, moet Brouwer beloven dat hij deze lening zal aflossen met 100 gulden per maand, te beginnen vanaf 1 maart daaropvolgend en het werd ditmaal zelfs bedongen hoe hij moet terug betalen: 'in schilderijen van zijne hand tot sulcken redelijcken prijse, dat hij daerane proffijt mach doen, in consideratie, dat deselve van den Bosch sijne penningen soo lange gederft heeft ende noch derven sal, sonder eenighen interest daervore te genieten. Alles precis ende sonder langer uytstel of dilay ende op pene dat alle de resterende payen sullen sijn vervallen' .
Deze akte bevat echter nog een andere belangrijk element: zij werd getekend 'op den Casteele van Antwerpen'. Dit kasteel of Citadel was de gevangenis waar de Spanjaarden de inwoners die gestraft werden om 'politieke' misdrijven, opsloten.

Brouwer in de gevangenis

Inderdaad, Brouwer was in de periode tussen de twee genoemde notariële akten door de Spaanse bezetter gevangen gezet!
Het kan niet geweest zijn om een gewone, burgerlijke overtreding, bv. dronkenschap of een vechtpartij wegens zijn schulden want de gewone misdadigers werden volgens de stedelijke verordeningen steeds in de stadsgevangenis 'Het Steen' opgesloten. Het moet een misdrijf tegen de Spanjaarden geweest zijn. De enen menen dat het was omdat hij in het bezit werd gevonden van de kaart van Breda en aldus als een gevaarlijk individu werd aanzien. De anderen vertelden dat hij 'als een Hollander verkleed', dus als een vijand, vòòr het Spaans garnizoen was gaan wandelen en zo werd opgepikt.
Bullart schrijft hieromtrent: 'estant allé promener au Chasteau vétu à la Hollandoise, il y fut retenu prisonnier' .
De Spanjaarden waren trouwens vlug om iemand in verzekerde bewaring te nemen. Zo is het geval gekend van een andere Antwerpse kunstenaar, nl. Manart de Fossart, een landschapschilder, die in de morgen van 31 augustus 1634 rond 10 uur werd vastgegrepen en ingerekend omdat hij zat te schilderen op de Kipdorppoortvest der stad Antwerpen.
Het leven als 'politiek gevangene' op 'het Kasteel' moet voor Adriaen Brouwer niet zwaar geweest zijn. Het is geweten dat in deze inrichting een beroemde kantine was gevestigd waar ook de gevangenen, naar hartelust - voor zover hun beugel het toeliet - de goede Spaanse wijn mochten drinken.
Brouwer - met zijn aanleg - moet meer in de kantine dan ergens anders in deze gevangenis gezeten hebben. Bepaalde werkjes wijzen daarop, en wij zien daarenboven dat hij op 23 september van hetzelfde jaar een nieuwe schuldbekentenis van 500 gulden ten overstaan van koopman J. van den Bosch tekent, 'ter saecken van goeden geleenden gelde, bij hem comparant van den voorschreven Signor Joannes van den Bosch, tot sijnen contentemente ontfanghe, waer mede betaelt sijn sijns comparants montcosten, op den Casteele alhier gevanghen sijnde, in voldoeninghe van welcke voorschreve somme van 500 guldens eens, hij comparant geloeft te maecken, binnen den tijt van twee maenden, twee stucken schilderijen, van sijns comparants eyghen handt, welcke schilderijen sullen wesen ten behoeve van menheer Jacques Roelants, Postmeester alhier, ten prijse hij comparant sal estimeren' .
En op diezelfde dag tekent hij een tweede schuldbrief tegenover Van den Bosch ten bedrage van 1516 gulden voor geleend geld. Deze brief slaat op de schuldbrief van 1600 gulden d.d. 23/2/1633 waarin beloofd en bedongen wordt dat hij 100 gulden per maand zou afkorten. In feite heeft hij dus op 7 maanden 84 gulden afgelost!
Deze tweede schuldbrief voorziet echter duidelijk dat, indien hij ditmaal zijn belofte niet houdt, hij ongenadig zal vervolgd en gevonnist worden.

Van den Bosch moet zeker Brouwer een goed hart hebben toegedragen om deze schone belofte nog te geloven …

Adriaen Brouwer en Joos Van Craesbeeck

Terwijl Adriaen Brouwer op 'het Kasteel' verbleef, kwam hij weer in contact met de bakker Joos Van Craesbeeck.
Die werd nu weldra één zijner boezemvrienden en … navolger, want geobsedeerd door Brouwers kunst, wou Van Craesbeeck ook schilder worden, en Brouwer aanvaardde hem als leerling.
Het Kasteel was niet alleen een omwalde versterkte burcht waarin de Spaanse soldaten gelegerd lagen, het was ook een 'vrijplaats' waar men wijn en bier kon tappen zonder accijnsrechten te moeten betalen.
Het Kasteel had ook een kapel en een theater, een maalderij, een bakkerij en een brouwerij. De Spanjaarden hadden er voor gezorgd dat, in geval van belegering, hun soldaten niet van honger of dorst zouden omkomen.
In gewone tijden lieten de Spanjaarden toe dat de burgers naar het Kasteel … een glaasje kwamen drinken. De stad verbood dit wel en legde boeten op, maar begrijpelijker wijze hielp dit laatste niet veel.
Tenslotte verbood het Antwerps magistraat de kantinehouders zelf, op straf van 25 gulden per persoon, aan de burgers nog dranken te schenken. Dit alles zonder succes want de droge kelen bleven 'bij de Spanjaarden hun dorst komen lessen'.
Spijts haar verbod bepaalde de stad toch de prijzen voor bier en wijn die daar geschonken werden:
'Roode en witte Fransche wijn, den pot 7 stuivers.
Rijnwijn 14 stuivers
Spaansche wijn 12 stuivers
Goed bier 1 braspenning
Midden goed bier 2 oordjes en 1 negenmanneken' .
Voor de bediening van de verschillende bedrijvigheden als daar waren, molenaar, brouwer, tavernier, bakker, deden de Spanjaarden een beroep op Antwerpse ingezetenen aan wie deze uitbatingen in huur werden gegeven.
De bakkerij werd bediend door Aart Tielens. Bij deze werd op 21 februari 1608 een dochtertje geboren, het werd in de kerk van het Kasteel gedoopt onder de naam van Joanna; (peter en meter waren resp. Jan Tielens, de schilder en Margaretha Grison, de kantienhoudster).
De moeder sterft bij de geboorte van een tweede kind. Vader Aart bleef bij zijn moeder inwonen en zijn dochtertje Joanna groeide op onder het waakzaam oog van Elisabeth Tielens, haar tante, een oude jongedochter die insgelijks op het Kasteel vertoefde.
Toen Joanna groter was geworden, kreeg zij op het Kasteel een vrijer: Joos Van Craesbeeck, bakker zoals wijlen haar vader. Deze Joos Van Craesbeeck was geboortig van Neerlinter (Brabant).
Tussen hem en Joanna werd het een 'vurige' liefde, het meisje werd zwanger, maar Joos wou echter van geen trouwen weten. Tante Elisabeth liet niets ongemoeid om Joos Van Craesbeeck tot een huwelijk met Joanna te dwingen.
Tenslotte slaagde zij erin hem in oktober 1630 voor notaris Lodewijk van den Berghe te doen verschijnen om het huwelijkscontract op te stellen. De bruid werd bijgestaan door haar tante Elisabeth en als getuigen traden op Karel Blommaert, priester en Hans Vinck. Joos Van Craesbeeck werd argwanig en …: 'Dit alles beviel den bruidegom eventwel zoo wenig, dat hij de zwangere bruid met hare ontstichte moei en de verontwaardigde getuigen liet staan pronken, en het huwelijkscontrakt onverleden in de minuten van den notaris kon blijven berusten' .
Alle pogingen van de tante bleven aanvankelijk zonder resultaat. Na drie maanden slaagde zij er uiteindelijk toch in en op 22 januari 1631 werd het huwelijk in de kerk van het Kasteel ingezegend.
Gezien de hoogdringendheid van het geval, werden alle voorafgaandelijke formaliteiten van publicatie, enz. achterwege gelaten. Dit was goed gezien want enkele dagen later, nl. op 9 februari werd een zoon geboren die in de kapel van het Kasteel gedoopt werd onder de naam Jozef. Peter en meter waren: Melchior Grison en Elisabeth Tielens.
Daar de bakker van het Kasteel, Aart Tielens vermoord was, werd Joos Van Craesbeeck als opvolger aangeduid; hij was immers de echtgenoot van de wees van de vermoorde en was daarenboven ook reeds bakkersgast.

Met die Joos Van Craesbeeck zou Brouwer steeds meer in contact komen en ook met diens vrouw, Joanna Tielens.

De eerste kennismaking met Joos zal wel gebeurd zijn in het Kasteel, waar Van Craesbeeck bakker was geworden en hoogstwaarschijnlijk zullen die eerste ontmoetingen niet in de bakkerij, maar in de kantine geschied zijn.
Beiden moeten elkaar daar regelmatig, zoniet dagelijks, ontmoet hebben. Joos Van Craesbeeck, werd ontstoken door het heilig vuur van de schilderkunst toen hij Brouwer bezig zag: 'ende ghelijck Quinten Mathijs (die erst einen Schmidt was) door de kracht der liefdequam tot de oeffeninghe der vrij Schilder-const ghelijck sijn grafschrift tot een eeuwige memorie binnen Antwerpen ghetuyght ende zegt aldus: Conubialis Amor ex Mulcibre fecit Apellem. Dat is: naar onse Tael op desen sin te vestaen: dat de houwelijckse liefde van eenen Mulcibe (oft smet) eenen Apelles heeft ghemaeckt. Soo is desen Joos Craesbeeck niet door de cracht van sijn pael maar door den drinckpot ghecomen tot den vollen smaeck van Picturas soetheydt want ondertussen met dien grooten Meester Abraham Brouwers clievende een stoopken en stoppende een toeback pijpken heeft hij allenskens de Schilder-const aangenomen ende den oven verlaten' .
Allerhande verhalen doen de ronde over het verblijf van Brouwer in de gevangenis.
I. Bullart die nochtans als eerste melding maakt van de opsluiting van Brouwer voegt hier aan toe: 'mais bien-tôt après relaché, lors qu’on reconnut son innocence, et son enjouement'.
Dit is niet juist, tenzij Bullart een klein jaar als 'bientôt' beschouwt, wat volgens de normen van de Spanjaarden ook mogelijk is.
In alle geval Adriaen Brouwer zat op 23 september 1633 nog altijd gevangen!
Tijdens dit verblijf zou hij, volgens Houbraken, kennis gemaakt hebben met de Hertog van Arenberg, die er insgelijks zou vastgezeten hebben en het zou door zijn toedoen zijn dat Brouwer schildersgerief van Rubens ontving .
De historische feiten kloppen niet met wat Houbraken vertelt over de tussenkomst van de Hertog van Arenberg, want 'Philips Karel, Hertog van Arenberg en Aarschot, zat nooit gevangen in het Kasteel'.
Verder is gebleken dat de familie van Arenberg nooit in het bezit is geweest van een werk uit deze tijd, maar wel van een ander schilderij van Brouwer, nl. de zgn. 'Pisser', (zie verder) en dit werk is slechts later in het bezit van de familie gekomen want in 1673 berustte het nog bij de Antwerpse koopman Peter Wouters. Op 23 augustus 1673 maakte immers Marc Anthonio Garibaldo een staat op van schilderijen der grootste Italiaanse en Vlaamse Meesters en hij vermeldt daaronder: 'een Boerengeselschap genaemt de Pisscher, van Adriaen Brouwer'. Dit werk werd toen gekocht door de edelman Gisberto van Goor, 'Vrijheer van Thienhoven'.
Er mag aangenomen dat het door tussenkomst van Rubens is geweest - want deze stond, in tegenstelling met Brouwer, wél goed aangeschreven bij de Spanjaarden, - dat deze is vrijgekomen. Rubens had een grote bewondering voor Brouwer en hij zal hem dan ook willen helpen hebben.

Waarheen is Brouwer, eenmaal vrijgelaten, getrokken?
Onze fantasierijke Houbraken zegt daarover het volgende: 'Dus werd hy uit het gevangehuis gelaten, en was bly over zyne verlossing. Rubens nam hem meê naar zyn Huis, liet hem straks een pak kleeren maken, zette hem tevens aan zyn tafel, en nam hem meê by braaf gezelschap, dat geregelt leefde, en toonde met dit doen dat hy groote agting voor hem had. Maar onzen losaart, strekte dit niet alleen tot een last, maar ‘t scheen hem een veel enger gevangenis te wezen dan waar uit hy gered was. Des ontweek hy Rubens, en volgde het oude spoor van zyn ongebonden leven' .
Het is bijna een zekerheid dat hij, met of zonder oponthoud ten huize van Rubens, bij Joos Van Craesbeeck terecht is gekomen.
Zo werd Joos Van Craesbeeck door Adriaen Brouwer als leerling aangenomen om hem 'in zijn oude dagen' in de schilderkunst op te leiden. Als wederdienst zal Van Craesbeeck wellicht Brouwer bij zich in zijn huis opgenomen hebben en deze laatste zal niet beter gevraagd hebben.
Die reden was: ' ‘t leed niet lang of hy verliefde op de Vrouw van een Bakker die konstminnende was en ook handel daar meê dreef.'
Joos Van Craesbeeck is toch wel een uitzonderlijk geval want alhoewel laat met schilderen begonnen, bereikte hij toch een zekere hoogte en hij schilderde taferelen: 'welke door zijne tijdgenoten en nog meer door de nakomelingschap werden bewonderd. Dat hij zijnen kunstaanleg niet van jongsaf en niet regelmatig ontwikkelde, verraadt hij enkel soms in zijn teekening .
En intussen bleef hij, misschien uit noodzaak bakker.
Alhoewel De Bie vertelt dat hij toen de ovenpaal voor het palet verwisselde, zien wij dat Van Craesbeeck op vrijdag 25 juli 1631 ter vierschaar als poorter van Antwerpen werd ingeschreven en in 1634 als vrijmeester in de St.-Lucasgilde werd ingeschreven onder de titel: 'backer ende schilder' en drie jaar later was hij nog steeds bakker, want toen hij rond dit tijdstip zijn testament maakte, spreekt hij alleen van bakker.
En terwijl Joos Van Craesbeeck broden bakte, bakte Brouwer zoete broodjes met diens vrouw … Dit is niet zo verwonderlijk wanneer wij hebben gezien hoe het huwelijk van Joos Van Craesbeeck met Joanna Tielens tot stand is gekomen en hoe Van Craesbeeck er nadien nog alleen op uit was het geld van zijn vrouw in handen te krijgen. Het zal wel niet moeilijk geweest zijn voor Brouwer, de liefde van Joanna te winnen, waar zij die nog niet bij haar wettige echtgenoot had gevonden.
Het werd, zoals het Houbraken het zo typisch uitdrukt: 'Brouwer onderwees hem niet alleen in de Konst, zoo, dat hy een goed schilder weird (gelyk wy van hem zullen melden), maar maakte ook dat hy pluimgraaf weird' .
Brouwer moet een grote invloed uitgeoefend hebben op Van Craesbeeck; deze laatste ging werkelijk in dezelfde voetsporen van zijn meester en het moet zijn dat Van Craesbeeck toch een bepaalde aanleg had, want hij maakte schilderijen die naam verwierven. Zij geleken soms zo goed op die van Brouwer, dat men later meer dan eens heeft getwijfeld wie de auteur was van een bepaald werk.
Verder waren het twee drinkebroers, verenigd door de kunst … en één en dezelfde vrouw.
Zo kon het echter niet lang duren en J. Van Craesbeeck die materieel en financieel de meerdere was van Brouwer, zal die toestand, eenmaal ervan op de hoogte, niet verder hebben willen verdragen.
De Bie haalt in verband hiermede een anekdote aan die ook door Houbraken werd overgenomen:
'…Soo heeft Van Craesbeeck eens (aenden esel sittende) een viese inbeldinghe ghecreghen/latende hem voorstaen dat sijn vrouw liever een ander sach als haeren man/en om ens te proeven oft ‘t selve oock waer was/soo heeft hy sijn wambas van voor ontcnopt ende op sijn bloote borst geschildert een seer afgrijselijcke wonde met roode verf haer verthoonende soo natuerclijck ofter een waerachtighe wonde in sijn lichaam hadde gheweest/ en sijn temper mes oock met roode verf verschilderende/gonck plat op de camer uytghestreckt ligghen en schreeuwende seer grouwelijck om hulp al oft hy de doodt op de lippen hadde/ sijn vrouwe comende met verbaeschende boven geloopen/ en siende haren man daer ligghen (die haer wijs maeckte dat hy by ongheluck in ‘t mes ghevallen hadde) begost te lamenteren ende de wonde te cussen. Waer op Craesbeeck in deze oft dierghelijcke woorden antwoorde: Nau ghy sottin houdt u backhuys ick sien wel dat ghy my lief hebt ick en ben noch niet doodt' .
Wat bij Van den Branden volgend commentaar uitlokte: 'Zoo onbehendig een trek om zich van de trouw eener vrouw te overtuigen, doet vermoeden, dat Van Craesbeeck wel zoo grappig, maar in verre na niet zo geestig was als zijn vriend en meester de Brouwer. Ook moet hij veel ruwer van stof en onaangenaam van vormen zijn geweest; want men noemde zijn voorkomen zoo terugstootend als dat van Brouwer aantrekkelijk was' .
Maar voor Brouwer was dit een onhoudbare toestand. Was hij misschien een losbol, hij was toch ook filosoof genoeg om aan te voelen, dat het zo niet verder kon en het duurde niet lang of Brouwer ging elders een onderkomen zoeken: 'daar hij nog altoos in slechte lakens stak, om reden van zijnen geringen lust tot werken, zijne kunstenaarsgrillen en het verkwistend leven dat hij leidde, was het moeilijk zulk eenen gast op te nemen' .

Brouwer verder in Antwerpen

Op 24 april 1634 vinden wij dat hij inwoont bij Paul du Pont of P. Pontius, de toen beroemde plaatsnijder. Hij was één der bijzonderste etsers van Rubens en hier is het opnieuw zeer goed mogelijk dat Rubens bij zijn helper en medewerker is tussen gekomen om Brouwer bij hem in huis te nemen.
Pontius, gehuwd met Christina Herselin, woonde toen in de Everdijstraat. Zij hadden verscheidene kinderen, er kon dus wel nog een 'groot kind' bij.
Du Pont was insgelijks bevriend met Van Dijck en met de andere plaatsnijders Peter de Jode, de jonge en zijn schoonbroeder Antoon van der Does. Brouwer zat daar dan ook midden de kunstenaars.
Zeer goed bevriend was hij nog met Jan Dandoy en toen bij deze een zoon werd geboren, was het Adriaen Brouwer die deze op 26 juli 1634 boven de doopvont van de Antwerpse hoofdkerk hield .
Het was ook Jan Dandoy die als getuige optrad toen Brouwer zijn schuldbrief op 23/9/91633 voor van den Bosch moest tekenen. Bewees Brouwer hem nu een wederdienst?
Datzelfde jaar trad Adriaen Brouwer officieel toe tot de Rederijkerskamer: 'De Violier' die een afdeling was van de St.-Lucasgilde. Dichtkunst, toneelkunst en schilderkunst gingen hier hand in hand en daarnaast hadden de leden nog de gezellige smul- en drinkpartijen.
Op de lijst van nieuwe leden van dit jaar vinden wij onmiddellijk na mekaar: 'Adriaen Brouwer, Pauwel du Pont en Peter de Jode' (opgemerkt dat er geen sprake is van Joos Van Craesbeeck). Deze drie waren samen toegetreden.
Brouwer die nooit één cent bezat en altijd in de schulden stak, telde hierbij voor zijn lidmaatschap 18 gulden neer! Daarvoor vond hij wel geld want die bijeenkomsten waren voor hem, de schilder, gelegenheidsdichter en toneelspeler, een kolfje naar zijn hand.
Zijn financiële toestand verbeterde er niet op. Hij kon zelfs zijn huur, zijn schulden tegenover zijn vriend en huisbaas P. du Pont, die het met zijn groot gezin ook niet te breed had, niet meer betalen. Na herhaald, vruchteloos aandringen van deze laatste, werd Brouwer door du Pont vóór de notaris gebracht.
Op 12 februari 1635 verschijnt 'signor Adriaen de Brouwer' vóór notaris Theodoor Ketgen, in het bijzijn van twee getuigen, de vrienden Peter de Jode en Antoon van der Does; hij bekent dat hij, ter vereffening van de som van 225 gulden 'voor mondcosten' en van 72 gulden geleend geld, te samen 297 gulden aan du Pont afstaat: 'eerst een stucxken schilderije, wesende een Boordeeltken, tgene hij tegenwoordelijck onder handen heeft, ende tgene hij voorts geloeft op te maecken; item seker stuckxken van Sotten Cleve, ende noch drije Troniën op een pineel geschildert van Van Dijck' .
Brouwer moet op dat ogenblik zeer diep in de put gezeten hebben dat hij twee werken waarvan hij zoveel hield, het schilderij van Joos van Cleef en het werk van Antoon van Dijck afstaat; zijn vriend P. du Pont mocht er mee handelen naar goeddunken, ze dus ook van de hand doen.
En het was hoog tijd dat P. du Pont zijn rechten opeiste en de hand legde op deze twee werken die Brouwer nog bezat, want wij zien dat nog op dezelfde dag procureur Pater Saeys, als 'gemachtigde' van Adriaen Brouwer voor de schepen van de stad Antwerpen verscheen om zijn schuldbrief van 23 september 1633 te vernieuwen en 'in 't voldoen vanden selven schuldbrief gedoemt ende gecondemneert',
En toch boerde Brouwer voort! Kommerloos, filosofisch, profiterend van hetgeen er kwam en te krijgen viel.
Voor het jaar 1635-36 betaalde hij opnieuw zijn bijdrage aan de St.-Lucasgilde en nam hij natuurlijk deel aan de grote jaarlijkse feestelijkheden van de rederijkerskamer 'de Violier'.
In deze periode was hij ook een meer dan trouw bezoeker en steunpilaar van 'De Robijn', een gekende taveerne in de Wiegstraat waar de meeste kunstenaars pleegden samen te komen en die daarom ook opgezocht werd door alle vooraanstaanden die deze kunstenaar wensten te zien.
De uitbater van deze taveerne was Gijsbrecht van den Cruijse, een gekend personage in Antwerpen. Hij was niet alleen een kunstenaarsvriend en '-beschermer', maar zelf was hij ook een rederijker en in die hoedanigheid, werd hij zelfs tot deken verkozen van de kamer 'de Goudbloem'.
Glad ter tong en behendig in zaken, wist deze Gijsbrecht de kunstenaars hun schulden bij hem met schilderijtjes te doen betalen. Deze hing hij dan op in zijn 'gouden-leerkamer met groenen grond'. Dat Brouwer bij deze klanten was, zal wel niemand verwonderen. Zo hing er van hem: 'een cleyn schilderijken in ovael ebben lijstken, van Toebackdrinckers', en daarnaast stond Brouwer nog voor 32 gulden, 13 stuivers in het krijt; - die heeft hij nooit betaald.
Joos de Momper, een ander vriend van Brouwer en een gekend landschapschilder deed het nog beter. Van hem hingen er 23 landschappen en hij moest daarnaast nog 483 gulden en 6 stuivers betalen!
Antwerpen was toen een belangrijk centrum en de Antwerpse schilderschool was wereldberoemd. Vooral Nederlanders kwamen naar hier om zich verder te bekwamen en ook om langs de haven van Antwerpen om, afzet voor hun werken te vinden.
In die jaren kwam Jan Lievens, portret- en landschapschilder kwam vanuit Leiden en Jan de Heem, bloemen- en fruitschilder vanuit Utrecht in die jaren naar Antwerpen.
Adriaen Brouwer en Jan de Heem waren op 1/5/1636 getuigen voor Jan Lievens toen deze vóór notaris Peter Gijsberti verscheen. In de te verlijden akte ging Jan Lievens akkoord om de jonge Hans (15 jaar), zoon van wijlen Antoon Van den Wijngaert, als leerling bij zich op te nemen . Dit bewijst nogmaals dat Brouwer, niettegenstaande zijn losbandig leven, een man van aanzien was in de schilderswereld.
In de rekeningen van de St.-Lucasgilde, gaande van 18 september 1636 tot 18 september 1637, staat Brouwer, opnieuw samen met zijn spitsbroeders P. du Pont en P. de Jode als lid ingeschreven. Hij betaalde toen 10 gulden.
Aan de daaropvolgende feestelijkheden nam hij eveneens deel.
Dit zijn de laatste officiële stukken die over Brouwer werden gevonden. Was hij op dat ogenblik reeds ziekelijk? Uit niets blijkt het, tenzij misschien uit zijn werken.
Hoe dan ook, Adriaen Brouwer stierf enkele maanden later.
Bullart die hem het best gekend heeft, schreef: 'Il mourut à Anvers agé de trente-deux ans seulement, consommé de debauches, et si pauvre qu’il fallut mandier l’assistance des personnes charitables pour fournir aux frais de son enterrement' .
Van nog een reis naar Frankrijk om zijn schuldeisers te ontvluchten, zoals Houbaken verhaalt, is waarschijnlijk geen snars waar. Weliswaar kan hij van de pest gestorven zijn, want in het begin van 1638 heerste een verschrikkelijke pestepidemie te Antwerpen.
Moeilijker is het echter te geloven dat hij in het gasthuis zou overleden zijn, want door de gasthuisnonnetjes werd minutieus een lijst van de overledenen bijgehouden en Brouwer, die toch wel zal gekend geweest zijn, komt er niet op voor.
Is hij aan de pest overleden, dan moet dit buiten het gasthuis zijn. Het is ook mogelijk dat hij, bezitloos en in welke omstandigheden omgekomen? - in een pestput of toch in een gemeenschappelijk graf is beland.
We menen dat er nog een andere doodsoorzaak geweest zijn. Het is immers geweten dat Brouwer geen vijand was van drank en pijp; wij mogen bijna zeggen dat hij, en zeker naar het einde van zijn leven toe, eraan verslaafd was.
Bullart schrijft: 'Brauwer étoit extrêmement adonné au Tabac et à l’Eau de Vie' .
Deze twee nieuwigheden, 'hartstochten' noemt Schmid-Degener het, hadden zich in het begin van de 17e eeuw verspreid . Het gebruik van alcohol was in de 16de eeuw gering en beperkte zich tot geneeskundige doeleinden, maar in de 17de eeuw brak die kwaal door met soms gevolgen die wij ook nu nog regelmatig kunnen ontmoeten.
Met de tabak was het eender gesteld. Doch het was toen geen tabak zoals wij die vandaag kennen. Het was toen eerder 'petuin', dikwijls nog vermengd met hennep en wolfskers, zodat het geheel meer op opium geleek met al de nefaste gevolgen van die producten.
'Toeback-drinckers' werden deze rokers in de Nederlanden genoemd. Uit een aarden pijp zogen zij deze bedwelmende producten op. De overheden namen zeer scherpe maatregelen tegen dit gebruik; Paus Urbanus VII deed hen zelfs in de ban van de kerk. En door de burgerlijke overheden werden zij bedreigd met neus-afsnijdingen en zelfs met de galg.
Maar al deze bedreigingen hielpen bitter weinig en zoals altijd, vond ook toen de tabak verdedigers, zogezegd voor het 'behoud der tanden en …. de verheldering van het brein' . Men kan zeggen dat het gebruik van tabak vooral rond de jaren 1625 bij de lagere standen algemeen was.
Niemand beter dan Brouwer heeft de uitwerking van die tabak, die 'drug' en de verschillende stadia die het gebruik ervan meebracht, in zijn werken weergegeven.
Verschillende panelen - zoals we later zullen zien - gaan over de uitbeelding van die 'rokers'. Dat Brouwer zelf onder die rokers te rekenen valt, zullen wij zien.
Dat hij er eveneens de nadelige gevolgen van heeft ondergaan, is ongetwijfeld waar.
Daaruit besluiten dat hij daarvan gestorven is, kunnen wij niet; maar hij heeft er wellicht zijn gestel zodanig door ondermijnd, dat hij bij de eerste gevaarlijke epidemie, bezweken is.
Is de echte doodsoorzaak niet met zekerheid bekend, feit is het dat hij in een gemeenschappelijk graf is terechtgekomen om korte tijd nadien te worden ontgraven en alsdan voor een tweede maal, maar dan plechtig werd begraven.
De Bie haalt dit aan in zijn 'Grafschrift' (cfr. verder).
Von Sandrart zegt daarvan het volgende: 'Bij een zo triest afscheid werd hij na zijn dood gewoon op een kerkhof begraven, daarna echter, op verzoek van de voornaamste liefhebbers van de kunst, terug opgegraven en met grote plechtigheid en onder begeleiding van al de voornaamste heren van Antwerpen, zo van de geestelijke als van de wereldlijke stand in de kerk gebracht en op zijn grafzerk werd een heerlijk epitaaf ingehouwen …' .
Ook De Pilés spreekt in dezelfde zin en schrijft: 'men begroef hem terstont op een gemeen kerkhof: maar de agting van zyn konst alle dagen toenemende, wilde de Magistraat en de Liefhebbers van Antwerpen zyn gedagtenis door een aanzienelyker begraafplaats in eere houden. Men ontgroef zyn lighaam, en bestelde het op nieuws ter aarde in de Kerk der Carmeliten, onder een groote toeloop van Volk' .
Dat Rubens een der initiatiefnemers kan geweest zijn, is zeer goed aan te nemen. Er wordt zelfs beweerd dat hij een grafsteen voor Brouwer had laten maken, maar dat het ontwerp onuitgevoerd is gebleven, omdat hij zelf reeds in 1640 stierf.
Brouwer werd zo een tweede maal plechtig begraven in de kerk van de Karmelieten, op 1 februari 1638. In de rekeningen van de O.L.Vrouw kerk is immers het volgende terug te vinden: '1° Februarii: Den schilder Brouwer, ad Carmelitas … 18 stuivers' .
Zijn begrafenis heeft dus slechts 18 stuivers gekost!
In die tijd was het ook gebruikelijk iedere plechtige uitvaart te laten begeleiden van de aalmoezeniers in hun lange tabbaarden; uit hun rekenboeken blijkt niet dat zij de gebruikelijke som, ten voordele van 'den arme' hebben ontvangen.
Daar hij geen grafsteen heeft gekregen, is verder geen melding meer gemaakt van dit graf.
Houbraken besluit:
'Niet om zyn edeldom of dappere oorlogsslagen,
Wierd Brouwer na de Kerk van ‘t Kerkhof heen gedragen.
Maar d’eerste grafsteê was voor zynen roem te kleen'
.
Heeft hij geen 'grafsteen' gehad, een 'grafschrift' heeft hij gekregen van Cornelis De Bie. En dat luidde:
'GRAFSCHRIFT
Op den ontsterffelijcken Gheest van
ADRIAEN BROUWER
Siet desen Sarck besluyt BROUWERS verteerde Leden
Die met het Cloeck Pinceel meer als Apelles deden.
Een Gheest van hoogh verstant, die ‘s werelts pracht verstiet,
En achten het Ghewin en Ryckdom min als niet.
Maer naer syn bleecke doodt de Const naer d’eere draefde
Wanneer men syn Ghebeent uyt d’eerste gaf omtgraefde.
Den Roem van synen Gheest socht de ontsterfelyckheydt
Als ‘t Lichaem wert met Lof in ‘t tweede Graf gheleyt
Niet om syn Edeldom oft Cloecke Orloghs slaghen
Wert BROUWERS naer de Kerck van ‘t Kerckhof ghedragen:
Maer d’eerste graf dat scheen te wesen niet ghenoegh,
Om dat syn groote Const noch al veel swaerder woegh' .
Ook I. Bullart heeft het over de ontgraving van Adriaen Brouwer en heeft het grafschrift van De Bie in het Frans vertaald .
Brouwer is op 32 jarige leeftijd gestorven.
Op dat ogenblik had hij zich echter reeds een wereldfaam bijeengeschilderd. Dit is een leeftijd waarop andere schilders - denken we slechts aan zijn tijdgenoot Rembrandt, - nog aan hun opgang moesten beginnen.

Na Brouwers dood

Brouwer is gestorven zoals hij had geleefd: bedolven onder de schulden; zijn vrienden hadden nog voor een eervolle uitvaart gezorgd.
Doch het is niet juist wat De Bie als slot van zijn gedicht zegt:
'Men sach naer sijne doodt niemandt om ‘t goed crackeelen:
Want hy niet achter liet als eenighe pinceelen,
Met esel en pallet, maer fijne Schilder-const
Die wordt van jeder een door d’edel Faem bejonst'
.
Na zijn dood, en er bijna onmiddellijk na, werden zijn achtergelaten goederen door de enen en de anderen opgeëist.
Zeker had hij geen geld en alleen maar schulden, maar hij moet toch nog zijn schildersgerief gehad hebben en wellicht ook een reeks onafgewerkte schilderijtjes. En die laatste hadden vast een waarde.
Jan Dandoy, zijn leerling, die juist in het jaar van de dood van zijn leraar als 'meester' in de St.-Lucasgilde werd ingeschreven, eist de nalatenschap van Brouwer op.
In het boek van de Vierschaar van Antwerpen vinden wij op 19 februari 1638:
' Jan Dandoy heeft levering genomen aen de goederen van wijlen Adriaen Brouwers' .
In maart is het de beurt aan zijn vriend Jan de Heem en aan Guillam Aerts:
'Veneris vigesima sexta Martii 1638
Jan de Heem heeft levering genomen aan de goederen van Adriaen de Brouwer.
Guillam Aerts heeft levering genomen aen de goederen van
Adriaen de Brouwer' .
En voor zover er nog iets te rapen viel, vinden wij ook nog volgende liefhebbers:
Marie Kints en Joos van Os .
En van den Branden besluit omtrent Brouwers nalatenschap met volgende woorden:
'Maar gewis ook nog wel eenige schetsen of aangelegde tafereelen, en dat waren ten minste heiligdommen, die men elkander hardnekkig betwisten mocht, nu de meesterhand, die ze alleen scheppen kon, voor eeuwig was versteven' .
Nauwelijks was hij gestorven of men begon reeds valse of nagemaakte schilderijen onder zijn naam te verkopen.
Tijdens zijn leven gebeurde dit al; zo niet had Rubens geen officiële verklaring van Brouwer over de authenticiteit van zijn werk gevraagd (cfr. vroeger).
In maart 1638 is er een uitspraak van de Antwerpse magistraat omtrent de verkoop van een valse Brouwer, wat Van den Branden doet zeggen: 'Brouwers lijk was nog maar nauwelijks koud, toen men op zijnen nagelaten roem reeds speculeerde met valsche schilderijen onder zijnen naam te verkoopen' .
Kasper van Hulst, die al veertien jaar conciërge van het stadhuis was, had aan 'Jorgeo Oste, rentmeester-generael Zijner Majesteits Domeinen in ‘t kwartier van Antwerpen, een stuck schilderije, ter somme van 20 ponden Vlems, boven alnoch de bugade, die hij, ten tijde van den coop, mede in comptant heeft betaelt, ende dit op vast toeseggen, desselffs Jaspers, dat ‘t selve stuck was een origineel gehemaeckt bij de handt van den aflijvighen schilder Adriaen Brouwer' .
Bij nader toezien bleek dat echter onjuist te zijn:
'Na behoorlijcke visitatie van tselffve stuck, bij persoonen hun de conste verstaende, wordt het gejugeert van eenen anderen meester oft schilder te sijn ende niet van den selven Brouwer, waarom de Rentmeester-Generaal, de vernietiging van den koop vroeg bij het Antwerpsch Magistraat dat daartoe bevel gaf op 24 Maart 1638' .
Hieruit blijkt dat Brouwers werken na zijn dood even veel werden gezocht als tijdens zijn leven. Ze werden, zoals wij later zullen zien, dikwijls nagemaakt.
Hiermee komen wij aan het einde van een leven dat kort, maar zeer bewogen is geweest.
Brouwer stierf zoals hij heeft geleefd: mysterieus.
Tijdens zijn bestaan was hij onvatbaar en hij was ook reeds gestorven en begraven vóór men het eigenlijk wist.
Na zijn dood bleef hij eveneens ongrijpbaar: door sommigen niet begrepen of miskend, maar door diegenen die hem in zijn werken hebben leren kennen, hoog geprezen.
Een uitzonderlijke figuur met een uitzonderlijk leven, en van een uitzonderlijke betekenis voor de schilderkunst in de Nederlanden.

Voetnoten

40 Arnold Houbraken: 'De groote schouburgh der Nederlantsche Konstschilders en Schilderessen', 2e druk, ‘s Gravenhage, 1753, J. Swart, C. Boucquet en M. Gaillard.
41 Arnold Houbraken: ibidem, blz. 320.
42 Arnold Houbraken: ibidem, blz. 321.
43 Henry Raepsaet: 'Quelques recherches sur Adrien De Brouwere', blz. 9, 'Extraît des Annales de la Société Royale', Gand, 1832, De Busscher Frères, blz. 10-12.
44 Izaac Bullart: 'Académie des sciences et des arts, contenant les vies et les éloges historiques des hommes illustres', 2 delen, Amsterdam, 1682, blz. 488.
45 Cornelis De Bie: 'Het Gulden Cabinet vande Edele vrij Schilder-const', gedrukt bij Jan Meyssens - Antwerpen, 1661, blz. 91.
46 M. De Pilés, uitgegeven bij Arkstée en Merkus, blz. 365. Dit werk werd in 1725 vertaald door J. Verhoek, uitgegeven bij Balthasar Lakeman en vermeldt op blz. 384: 'Adriaen Brouwer, van Oudenaarde, gebooren in ‘t jaar 1608'.
47 Arnold Houbraken: ibidem, blz. 318.
48 Felix Timmermans: 'Adriaen Brouwer', Manteau, 1968.
49 Schmidt-Degener: 'Adriaen Brouwer en de ontwikkeling zijner Kunst', Amsterdam, uitgever L.J. Veen, 1908, blz. 6-7.
50 C. Hofstede de Groot: 'A catalogue raisonné of the works of the most eminent dutch painters of the seventeenth century'. London, 1910, blz. 557, Macmillan and Co. Limited.
51 E.J. Reynolds: 'Some Brouwer problems', Lausanne, 1931, blz. 11.
52 De Bie:ibidem, blz. 91.
53 Arnold Houbraken: ibidem, blz. 326.
54 Höhne: ibidem, blz. 11, cfr. Abraham Bredius. 'Kunstler-Inventare, Urkunden zur Geschichte der holländischen Kunst des 17th', Den Haag, 1915.
55 Bode, ibidem, blz. 15, Höhne, ibidem, blz. 11-13, Knuttel: ibidem, blz. 10 - 11.
56 Houbraken: ibidem, blz. 323.
57 Houbraken: ibidem, blz. 324-325.
58 De Bie: ibidem, blz. 91-92.
59 Bode: ibidem, blz. 16.
60 Höhne: ibidem, blz. 12.
61 Hofstede de Groot: ibidem, blz. 558.
62 Höhne: ibidem, blz. 14-15.
63 Jos Van den Branden: 'Adriaen De Brouwer en Joos van Craesbeeck', Haarlem, W.C. De Graeff, 1881, blz. 21.
64 De Ligghere, Ph. Rombauts, Th. Von Lerius: 'De Liggeren en andere historische Archieven der Sint Lucasgilde Bd. II Den Haag, 1872, blz. 31, 29.
65 Van den Branden: ibidem, blz. 30.
66 Van den Branden: ibidem, blz. 31.
67 Van den Branden: ibidem, blz. 32.
68 Jos Van den Branden: ibidem, blz. 33.
69 Uit de protocollen van notaris Frans Marcelis, 1631-1632, cfr. Van den Branden: ibidem, blz. 49.
70 Van den Branden: ibidem, blz. 52.
71 Van den Branden: ibidem, blz. 52-53.
72 Bullart: ibidem, blz. 488-489.
73 Van den Branden, ibidem, blz. 53.
74 Van den Branden: ibidem, blz. 8.
75 Protocollen van notaris Lodewijk van den Berghe, 1630, fol. 183, cfr. Van den Branden, ibidem, blz. 13-14.
76 De Bie: ibidem, blz. 109.
77 Bullart: ibidem, blz. 489.
78 Houbraken: ibidem, blz. 330.
79 Houbraken: ibidem, blz. 331.
80 Van den Branden: ibidem, blz. 59.
81 Houbraken: ibidem, blz. 351.
82 De Bie: ibidem, blz. 109.
83 Van den Branden: ibidem, blz. 68-69.
84 Van den Branden: ibidem blz. 71.
85 Van den Branden ziet hierin een argument dat Brouwer uit Vlaanderen afkomstig was en van katholieken huize.
86 Protocollen van notaris Theodoor Ketgen, 1634-1635, fol. 195, cfr. Van den Branden: ibidem, blz. 73.
87 Protocollen van de notaris Peter Gijsberti, 1633-37, cfr. Van den Branden, ibidem, blz. 76.
88 Bullart: ibidem, blz. 489.
89 Houbraken: ibidem, blz. 332.
90 I. Bullart: ibidem, blz. 488.
91 Schmidt-Degener: ibidem, blz. 27-28.
92 Schmidt-Degener: ibidem, blz. 29.
93 Von Sandrart: ibidem, blz. 175.
94 Houbraken: ibidem, blz. 332.
95 Van den Branden: ibidem, blz. 77.
96 Houbraken: ibidem, blz. 333.
97 De Bie: ibidem, blz. 95.
98 I. Bullart, ibidem, blz. 489.
99 De Bie: ibidem, blz. 94.
100 Van den Branden: ibidem, blz. 78.
101 Van den Branden: ibidem, blz. 78.
102 Van den Branden: ibidem, blz. 79.
103 Van den Branden: ibidem, blz. 79.
104 Van den Branden, ibidem, blz. 79.
105 Van den Branden, ibidem, blz. 79.
106 Requestboek der stad Antwerpen, 1638, fol. 50, cfr. Van den Branden: ibidem, blz. 80.