Belgisch Tot wederziens



































Het chronische-vermoeidheidsyndroom
is er verband met het Epstein-Barr-virus?
-----------------------------------------
Bron: Ned Tijschr Geneeskd 1988;132,nr 19
Door: G.M. BERENDS, M.F. PETERS, J.M.M. LEPOUTRE,
F.J.H.M. VAN LIEBERGEN, R.M.A. KURTSJENS EN M.I. KOOLEN

Het Epstein-Barr-virus (EBV) behoort tot de familie van de herpesvirussen.
Het werd in 1964 ontdekt in gekweekte lymfoblasten: het virus infecteert bij
voorkeur B- lymfocyten. Sinds de ontdekking van het virus is aangetoond dat
het de verwekker is van mononucleosis infectiosa en dat er een nauw verband
bestaat tussen het virus en het ontstaan van verschillende ziekten, zoals het
geslachtsgebonden lymfoproliferatieve syndroom, het Burkitt-lymfoom, het
nasofarynxcarcinoom en lymfomen hij transplantatiepatienten. Voor een
uitvoeriger overzicht hieromtrent wordt verwezen naar een onlangs in dit
tijdschrift verschenen artikel.

Al langer zijn casu‹stische mededelingen bekend waarin geopperd wordt dat
het EBcV betrokken is bij een chronisch ziektebeeld, o.a. gekenmerkt door
vermoeidheid, hoofd- en spierpijn, subfebriele temperatuur en
lymfklierzwellingen. Dit syndroom wordt op grond hiervan dan ook
'chronische-mononucleosissyndroom' en 'chronische Epstein-Barr-virusziekte'
genoemd. De mogelijke samenhang tussen dit ziektebeeld en het EBV lijkt te
worden gesteund door de bevindingen in recente studies, waarin bij een vrij
groot aantal patienten, vergeleken met een controlegroep, abnormale
serologische uitslagen van EBV-specifieke antilichamen werden gevonden. In
twee onlangs verschenen publikaties wordt een causaal verband tussen EBV en
het 'chronische-mononucleosissyndroom' echter onwaarschijnlijk geacht, o.a.
gezien de zeer grote overlapping in titers van EBV-specifieke antilichamen
tussen patienten en controlepersonen.
Chronische moeheid is een veel voorkomende klacht en vormt soms een
moeilijk diagnostisch probleem. Wij stelden een onderzoek in naar het verband
tussen het hierboven omschreven symptomencomplex en de bevindingen hij
serologisch onderzoek op EBV bij patienten van onze polikliniek.

Patienten en methoden
---------------------
Van ongeveer 30 patienten die door de huisarts met moeheidsklachten naar ons
werden verwezen, werden 14 patienten nader onderzocht die langer dan een
halfjaar klachten hadden van steeds weer opkomende moeheid, subfebriele
temperatuur, myalgieen en andere aspecifieke symptomen. Bij allen werden
bepaald: BSE, Hb-gehalte, leukocytenaantal en -differentiatie,
trombocytengetal, nier- en leverfunctie, gehalten aan immunoglobulines,
circulerende immuuncomplexen (bepaling volgens Levinson en Goldman), ANF en
reumafactoren; tevens werd de reactie van Paul-Bunnell bepaald en werd
specifiek serologisch onderzoek op EBV en cytomegalo-virus uitgevoerd.

Bij alle patienten werd een r”ntgenfoto van de thorax gemaakt. Alleen op
indicatie werd nader onderzoek verricht zoals computertomografie of
lymfklierextirpatie voor histologisch onderzoek. Bij 10 patienten werd op
grond van klinische verschijnselen, de aanwezigheid van IgG-antistoffen tegen
'virus capsid antigen' (VCA) in een titer van > 1:100,.de afwezigheid van
IgM-antistoffen tegen VCA, een negatieve reactie van Paul-Bunnell en na
uitsluiting van andere chronische ziekten, systeemziekten of maligne
aandoeningen, de waarschijnlijkheidsdiagnose gesteld op
chronische-mononucleosissyndroom. In het bloed van een controlegroep van zo
gezonde vrouwelijke bloeddonors met een gemiddelde leeftijd van 31,1 (SD: 1,8)
jaar werd eveneens serologisch onderzoek op EBV verricht.

De EBV-specifieke antistoffen die bepaald werden, waren IgG- efi
IgM-antistoffen tegen het VCA, Ig-antistoffen tegen het 'early antigen'
complex (EA) en IgG-antistoffen tegen Epstein-Barr 'nuclear antigen' (EBNA).
Anti-VCA en anti-EA werden bepaald met behulp van de indirecte immuno
fluorescentietechniek, anti-EBNA met behulp van de anti-complement immuno
fluorescentietechniek. De tests op anti-EA en anti- EBNA in alle sera (van
patienten en controlepersonen) zijn binnen een week met een batch van
preparaten uitgevoerd om verschillen tussen de tests zoveel mogelijk te
voorkomen. Voor de statistische bewerkingen werd gebruik gemaakt van
Wilcoxons toets voor twee steekproeven. De relevante klinische gegevens van
de 10 patienten worden hier in het kort beschreven.

Patient A. een 21-jarige vrouw, bezocht in mei 1985 de huisarts wegens
zeurende pijn in de onderbuik, intermitterende subfebriele temperatuur rond
38 C. lymfklierzwelling en vermagering. Na verwijdering van een appendix sana
in september 1985 bleven de klachten bestaan. Bij lichamelijk onderzoek werden
tijdens na controles steeds op vele stations vergrote, pijnlijke lymfklieren
gevoeld en een voorbijgaande splenomegalie. Behoudens een relatieve
lymfocytose, positieve koude-agglutininen en een licht verhoogde BSE
(tot 20 mm), liet uitgebreid laboratoriumonderzoek geen afwijkingen zien. Bij
histologisch onderzoek van een geextirpeerde lymfklier en computertomografie
van thorax en abdomen werden geen andere afwijkingen gevonden.

Patient B, een 39-jarige vrouw, verzorgster in een woongemeenschap voor
lichamelijk minder-validen, klaagde sinds februari 1986 over een pijnlijke
knie en elleboog, moeheid, nachtelijk transpireren en vermagering van 5 kg.
Bovendien bestond er hypermenorroe. Bij lichamelijk onderzoek werden links
axillair en beiderzijds inguinaal lymfomen gevonden. Bij laboratoriumonderzoek
werden verhoging van de BSE tot 40 mm en een lichte ijzergebrekanemie
vastgesteld. Verder uitgebreid laboratoriumonderzoek liet geen afwijkingen
zien. Histologisch onderzoek van een geextirpeerde lymfklier op
computertomografie van de thorax brachten geen afwijkingen aan het licht.

Patient C, een 21-jarige studente, had sinds medio 1985 klachten van moeheid,
hoofdpijn, duizeligheid, spierzwakte en lymfklierzwellingen in de hals. In
maart 1986 had patiente tevens keelpijn en koorts en een voorbijgaande
splenomegalie. Behalve een atypische lymfocytose en een voorbijgaande
stoornis van de leverfunctie, werden hij routine-laboratoriumonderzoek geen
afwijkingen gevonden. Wel bestond er een lichte IgA-deficientie.

Patient D. een 19-jarige vrouw, zuster van patiente A. had sinds oktober 1985
periodes met zeurende pijn in de onderbuik, nachtelijk transpireren en
temperatuurverhoging (rondom 38 C). Er waren geen aanwijzingen voor
darmaandoeningen of afwijkingen op gynaecologisch terrein. Bij lichamelijk
onderzoek werden op vele stations licht vergrote, iets pijnlijke lymfklieren
gevonden. Bij routine-laboratoriumonderzoek werd een lichte verhoging van de
BSE (20 mm) en het yGT-gehalte (40 U/l) gevonden. De koude-agglutininen waren
positief.

Patient E. een 34-jarige telefoniste, had sinds oktober 1985 klachten van
subfebriele temperatuur, algehele malaise en nachtelijk transpireren.
Behoudens een pijnlijke lymfklier links axillair, was het lichamelijk
onderzoek niet afwijkend. Bij routine-laboratoriumonderzoek werd slechts een
relatieve lymfocytose (51%) gevonden.

Patient F. een 31-jarige vrouw, werkzaam in dezelfde woongemeenschap als
patiente B. had sinds medio 1986 rugpijn, spier- en gewrichtsklachten,
subfebriele temperatuur en hoofdpijn. Bij lichamelijk onderzoek werden geringe
lymfklierzwellingen gevonden. Verder laboratoriumonderzoek toonde geen
afwijkingen aan.

Patient G, een 35-jarige vrouw, eveneens verzorgster in de woongemeenschap
voor minder-validen, klaagde sinds april 1986 over moeheid, transpireren,
spier- en gewrichtspijn. Lichamelijk onderzoek en laboratoriumonderzoek waren
niet afwijkend.

Patient H. een 31-jarige vrouw, ook werkzaam in de woongemeenschap, had
klachten vergelijkhaar met die van patientie G. Ook bij haar leverden klinisch
onderzoek en laboratoriumonderzoek geen afwijkingen op.

Patient J. een 40-jarige vrouw, ook werkzaam in de woongemeenschap, klaagde
vooral over moeheid, subfebriele temperatuur en nachtelijk transpireren. Bij
lichamelijk onderzoek werden beiderzijds axillair licht vergrote lymfklieren
gevonden. Bij laboratoriumonderzoek leek er een lichte verlaging van het IgA
te bestaan.

Patient K. een 29-jarige vrouw, eveneens werkzaam in de woongemeenschap,
klaagde over moeheid, spier- en gewrichtspijn en vermagering. Lichamelijk
onderzoek en laboratoriumonderzoek waren niet afwijkend.

Resultaten
----------
Opvallend in deze ziektegeschiedenissen is dat het alleen vrouwen betreft in
de leeftijd tussen 18 en 40 jaar (de gemiddelde leeftijd (SD) was 30,0 (2,4)
jaar). De ziekteduur varieerde van 6 tot 22 maanden en bedroeg gemiddeld 14,8
(1,6) maanden. Ook valt op dat de patienten A en D zusters van elkaar zijn en
dat de patienten B en F t.m. K dezelfde werkkring hebben. Bij geen van de
patienten was het ziektebeeld begonnen na een klinisch herkende mononucleosis
infectiosa.

Op grond van de selectiecriteria hadden alle 10 patienten klachten van
chronische moeheid (tabel 1). De meesten hadden spier- en gewrichtsklachten en
subfebriele temperatuur. Hoewel 7 patienten enige lymfklierzwelling hadden,
was de lymfadenopathie bij de patienten A en B zo opvallend, dat werd
overgegaan tot lymfklierextirpatie en computertomografie, teneinde een
maligne aandoening uit te sluiten. Bij pathologisch-anatomisch onderzoek van
de lymfklieren van beide patienten bleek een reactieve hyperplasie te bestaan,
Buikklachten, nachtelijk transpireren en gewichtsverlies stonden wat minder op
de voorgrond. Bij 2 patienten werd een vergrote milt gevonden.

==================================================================== TABEL. 1. Klachten en symptomen hij 10 patienten met het
'chronische-mononucleosissyndroom'
==================================================================== klachten en symptomen Aantal patienten
==================================================================== moeheid/malaise 10
spierzwakte/pijn 8
gewrichtsklachten 8
subfebriele temperatuur 7
lymfklierzwellingen 7
hoofdpijn 6
buikklachten 5
nachtelijk transpireren 5
gewichtsverlies (> 5 kg) 3
vergrote milt 2
===================================================================

Bij de meeste patienten bleek tijdens controle-onderzoeken dat de klachten
nu eens erger dan weer minder waren. Voor de meesten had hun ziekte
belangrijke sociale gevolgen: 7 van de 10 patienten hadden hun werk al meer
dan 6 maanden verzuimd.

Enkele laboratoriumgegevens worden in tabel 2 samengevat. Slechts bij 3
patienten was de BSE. soms licht verhoogd. Een patiente had een anemie,
waarschijnlijk geen verband houdend met de ziekte en bij 3 patienten werd een
atypische lymfocytose waargenomen.

Twee patienten hadden een lichte IgA-deficientie (IgA resp. (0,8 en 0,7 g/l)
en bij 2 patienten werden positieve koude-agglutininen waargenomen. Een
patiente had een verhoogd yGT-gehalte en 1 patiente had voorbijgaande
stijgende transaminasegehalten. Bij 1 patiente konden circulerende
immuuncomplexen worden aangetoond.

In tabel 3 wordt het serologische onderzoek. specifiek voor EBV,
weergegeven. Bij geen der patienten werden IgM-antistoffen tegen VCA
aangetoond. Slechts bij 2 patienten werden VCA-IgG antistoffen aangetoond in
een titer van 1:100, bij de overigen werden hogere titers waargenomen. De
bepalingen zijn in vrijwel alle gevallen meerdere malen uitgevoerd. Bij 2
patienten (B en J) gaven verschillende sera verschillende titers te zien. Bij
de statistische berekening werd in deze gevallen uitgegaan van de gemiddelde
waarden (resp. 1:5500 en 1:550). Anti-EA-IgG was bij 8 van de 10 patienten
niet aantoonbaar (de verdunning 1:40 gaf geen fluorescentie te zien);

================================================================== TABEL 2 Resultaten van laboratoriumonderzoek bij 10 patienten met
'chronische-mononucleosissyndroom'
================================================================== Laboratoriumbevindingen Aantal patienten
==================================================================
BSE > 20 mm 3
atypische lymfocytose 3
immunoglobuline A-deficientie 2
koude-agglutininen 2
gestoorde leverfunctie 2
hemoglobinegehalte < 7,0 mmol/l 1
circulerende immuuncomplexen 1
positieve reactie van Paul-Bunnell -
ANF -
IgM tegen cytomegalovirus -
==================================================================

================================================================== TABEL 3. Serologisch onderzoek op Epstein-Barr-virus bij de 10
patienten met het 'chronische-mononucleosissyndroom'
================================================================== patient Titer *
================================================================== Anti-VCA- Anti-VCA-IgG Anti-EA-IgG** anti-EBNA-
IgM** IgG
================================================================== A Neg. 1:1000 Neg. Neg.
B Neg. 1:1000-1:10000 1:160 Pos.
C Neg. 1:1000 Neg. Pos.
D Neg. 1:1000 Neg. Pos.
E Neg. 1:1000 Neg. Pos.
F Neg. 1:100 Neg. Pos.
G Neg. 1:100 Neg. Pos.
H Neg. 1:1000 Neg. Pos.
J Neg. 1:100-1:1000 Neg. Pos.
K Neg. 1:1000 1:40 Pos.
* Voor verklaring van de afkortingen zie de tekst.
** Anti-VCA-IgM en anti-EA-IgG werden als negatief beschouwd als
de serumverdunning 1:10 resp. 1:40 geen fluorescentie te zien gaf.
======================================================================

bij 2 patienten was het in lage titer (1:40 en 1:160) aantoonbaar. Drie van de
8 patienten bij wie tijdens de tests (samen met de controlegroep) geen
anti-EA-IgG werd aangetoond, waren eerdere tests wel positief in lage titer
(1:40-1:160). Bij 9 van de 10 patienten werden antistoffen tegen EBNA
aangetoond.

Bij de 20 controlepersonen was anti-VCA-IgG 1 maal niet aantoonbaar, 2 maal
was het aantoonbaar in een titer van 1:10, 12 maal in een titer van 1:100 en
5 maal in een titer van 1:1000. Anti-EA-IgG was bij de controlepersonen 16
maal niet aantoonbaar, 2 maal was het aantoonbaar in een titer van 1:40, 1
maal in een titer van 1:160 en 1 maal gaf het serum in de test aspecifieke
reacties. Anti-EBNA-IgG werd bij 18 van de 20 controlepersonen aangetoond.
Voor wat betreft de anti-EA- en anti- EBNA-antistoffen zijn geen wezenlijke
verschillen gevonden tussen de patienten en de controlegroep. Wel hadden de
patienten significant hogere titers van anti-VCA-IgG dan de controlegroep
(geometrisch gemiddelde titer bij de patienten 1:705, bij de controlepersonen
1:112; p < 0,01).

Beschouwing
----------
Het zgn. chronische-mononucleosissyndroom wordt o.a. gekenmerkt door moeheid,
lymfklierzwellingen, subfebriele temperatuur, gewrichtsklachten en andere
aspecifieke symptomen en komt vooral bij jonge vrouwen voor. Sinds 1982 zijn
er meer dan 200 gevallen beschreven. Ook onze waarnemingen laten zien dat het
ziektebeeld vaak voorkomt bij jonge vrouwen (de gemiddelde leeftijd van onze
patienten was 30 jaar). Opvallend was dat 6 patienten binnen een
woongemeenschap werkten en dat 2 patienten zusters van elkaar waren. Zeer
onlangs is melding gemaakt van een 'cluster' patienten met dit ziektebeeld.

Evenals Straus et al. vonden ook wij slechts weinig afwijkingen hij
routine-laboratoriumonderzoek. De atypische lymfocytose, positieve
koude-agglutininen, verhoogde BSE en IgA-deficientie werden ook door hen soms
waargenomen. In tegenstelling tot Straus et al., die hij 70% van hun patienten
circulerende immuuncomplexen aantoonden, namen wij deze hij slechts 1
patiente waar.

De oorzaak van het ziektebeeld is eigenlijk onbekend en de diagnose wordt
in feite per exclusionem gesteld. Wel is meermaals aangetoond dat de patienten
als groep hogere titers hebben voor bepaalde EBV-specifieke antilichamen, met
name anti-VCA-IgG en anti-EA-IgG, Anti-VCA-IgG ontstaat na primaire infectie
en blijft levenslang aanwezig, anti-VCA-IgM verdwijnt na enkele maanden.
Anti-EA-IgG-titers > 1:160 hebben geen diagnostische betekenis,
titers > 160-1280 duiden op een reactivering of zijn nog aanwezig na de
primaire infectie (tot 6 maanden), titers > 1280 wijzen op een chronisch
actieve EBV-infectie of immuniteitsstoornis. Ons onderzoek toonde een
duidelijk verschil aan in de titerhoogten van anti-VCA-IgG tussen de patienten
en de controlepersonen. Deze bevindingen zijn echter niet specifiek en hebben
door de zeer grote overlapping met de controlegroep geen enkele waarde voor
het stellen van de diagnose bij de individuele patient. Bovendien kunnen ook
hoge titers anti-VCA-IgG en anti-EA-IgG worden gevonden hij patienten zonder
verschijnselen die meer dan een jaar tevoren mononucleosis infectiosa
doormaakten, bij patienten met primaire immunodeficienties (ataxia
teleangiectasia), ziekte van Hodgkin, AIDS en veel andere aandoeningen. Voor
wat betreft anti-EA-IgG vonden wij in tegenstelling tot andere auteurs, geen
verschillen met de controlegroep. Wij kunnen dit niet goed verklaren.
Mogelijk hebben wij te maken met een verschil in samenstelling van de groep
patienten; in het bijzonder was de gemiddelde ziekteduur in andere
onderzoekingen langer (2-6 jaar) dan in ons onderzoek (gemiddeld 14 maanden).

Volgens de literatuur zouden sommige patienten met dit ziektebeeld
antilichamen tegen kernantigeen (EBNA) missen. Ook de betekenis hiervan is
vooralsnog onduidelijk. Bij 1 van de 10 patienten (zie tabel 3) en hij 2 van
de 20 controlepersonen werd afwezigheid van antistoffen tegen EBNA
waargenomen. Alleen Tobi et al. vonden anti-VCA-IgM bij patienten met
chronische mononucleosis, anderen zo ook wij konden dit niet bevestigen.

Op grond van eigen gegevens en die uit andere recente studies dient te
worden betwijfeld of EBV de directe oorzaak van het
chronische-mononucleosissyndroom is. Het lijkt ons inziens dan ook beter het
syndroom een meer algemene benaming zoals chronische-moeheidsyndroom
('chronic fatigue syndrome') te geven. In een recent Editorial wordt ook nog
eens gesteld dat het bij dit syndroom om een zeer heterogene groep patienten
gaat, en dat er bij sommige patienten met extreme afwijkingen in EBV-serologie
mogelijk sprake is van een chronische EBV-infectie, maar dat het bij de meeste
patienten waarschijnlijk om een aspecifieke activering van de B-lymfocyten
gaat en het dus een epifenomeen van een andere (virus?)ziekte is.

Het is aannemelijk gemaakt dat het chronische-moeheidsyndroom vaker
voorkomt bij patienten met een afweerstoornis. Ook is wel verondersteld dat
verschillende virusstammen voor verschillende klinische beelden
verantwoordelijk kunnen zijn. Het feit dat 6 van de 10 onderzochte patienten,
binnen een woongemeenschap werkend, dit ziektebeeld kregen, zou steun kunnen
geven aan deze laatste hypothese. Overigens dient te worden opgemerkt dat
kennis van en vooral angst voor deze ziekte het verwijspatroon van onze
patienten waarschijnlijk heeft be‹nvloed, want de andere 5 patienten
verschenen op het spreekuur na te zijn ge‹nformeerd door patiente B.

Uit ons onderzoek blijkt dat het chronische-moeheidsyndroom een aandoening
is waarbij vooralsnog een serologische test ontbreekt voor het stellen van de
diagnose. De rol van het Epstein-Barr-virus in de genese van dit ziektebeeld
dient sterk te worden betwijfeld. Een specifieke therapie is niet voorhanden.

Wij danken dr.F.van der Hoek voor het beschikhaar stellen van gegevens over
patiente A. dr.H. Kreutzer voor het bepalen van de circulerende
immuuncomplexen en de routine-laboratorium-bepalingen, en ir.Th. De Boo voor
zijn hulp bij de statistiek.

Literatuur
----------
1 Epstein MA, Achong BG, Barr YM, Virus partictus in cultured lymphoblasts from Burkitt's lymphoma Lancet 1964;i:702-3 2 Geelen SPM. Kuis W. Roord JJ. Stoop JW. Kapsenberg JG. Epstein-Barr-virusinfectie: immunologie en immunopathologie. Ned. Tijdshr. Genneskd. 1986;130:63-7. 3 Horwitz CA. Henle W. Henle G. Schmitz H. Clinical evaluation of patients with infectious mononucleosis and development of anti- bodies to the R component of the Epstein-Barr virus-induced early antigen complex. Am J Med 1975;58:330-8. 4 Tobi M. Ravid Z. Feldman-Weis V. et al. Prolonged atypical illness associated with serological evidence of persistent Epstein-Barr virus infection. Lancet 1982;i:61-4. 5 Ballow M. Seeley J. Purtilo DT. Onge SST. Sakamoto K. Rickles FR. Familial chronic mononucleosis. Ann Intern Med 1982;97:821-5. 6 Hamblin M. Hussain J. Akbar AN. Tang YC. Smith JL. Jones DB. Immunological reason for chronic ill health after infectious mononu- cleosis. Br Med J 1983;287:85-8. 7 Straus SE. Tosato G. Armstrong G et al. Persisting illnes and fatigue in adults with evidence of Epstein-Barr virus infection. Ann Intern Med 1985;102:7-16. 8 Jones JF. Ray CG. Minnich LL. Hicks MJ. Kibler R. Lucas DO. Evidence for active Epstein-Barr virus infection in patients with persistent, unexplained illness: elevated anti-early antigen antibo- dies. Ann Intern Med J 1988;102:1-7. 9 Dubois RE. Seely JK. Brus I. et al. Chronic mononucleosis syndrome. South Med J 1984;77:1376-82. 10 Tosato G. Straus S. Henle W. Pike SE. Blaese RM. Characteristic T Cell dysfunction in patiens with a chronic active Epstein-Barr virus infection (chronic infectious mononucleosis). J Immunol 1985;134: 3082-8. 11 Holmes Gp. Kaplan JE. Stewart JA. Hunt B. Pinsky PF. Schonber- ger LB. A cluster of patients with a chronic mononucleosis-like syndrome. Is Epstein-Barr virus the cause? JAMA 1987;257: 2297-302. 12 Buchwald D. Sullivan JL. Komaroff AL. Frequency of 'chronic active Epstein-Barr virus infection' in a general medical practice. JAMA 1987;257:2303-7. 13 Leninson S. Goldman J. Absorbance nephelometry of immune complexes by reaction with anti-IgG after treatment with polyethyl- ene glycol. Clin Chem 1983;29:2035-8. 14 Ernberg I. Klein G. EB virus-induced antigens. In: Epstein MA. Achong BG. eds. The Epstein-Barr virus. Berlin: Springer, 1979: 39-60. 15 Borysiewicz LK. Haworth SJ. Cohen J. Mundin J. Rickson A. Sissons JGP. Epstein Barr virus-specific immune defects in patients with persistent symptoms following infectious mononucleosis. Q J Med 1986;226:111-21. 16 Horwitz CA. Henle W. Henle G. Rudnick H. Latts E. Long-term serological follow-up of patients for Epstein-Barr virus after recovery from infectious mononucleosis. J infect Dis 1985;151:1150-3 17 Saemundsen AK. Berlel AI. Henle W et al. Epstein-Barr virus- carrying lymphoma in a patient with ataxia-telangiectasia. Br Med J 1981;282:425-7.

Samenvatting
-----------
Bij 10 patienten bij wie op grond van het klachtenpatroon (o.a. gekenmerkt door moeheid, lymfklierzwellingen, subfebriele temperatuur en gewrichtsklachten) en nader onderzoek de diagnose 'chronische-mononucleosissyndroom' was gesteld, werd serologisch onderzoek verricht op antilichamen tegen het Epstein-Barr-virus. De uitslagen werden vergeleken met die bij een groep gezonde personen Voor wat betreft de hoogte in anti-EA- en anti-EBNA-antistoffen werden geen verschillen gevonden tussen patienten en controlepersonen. Wel hadden de patienten als groep significant hogere titers in anti-VCA-IgG dan de controlepersonen (geometrisch gemiddelde 1:705 resp. 1:112; p < 0,01) maar door de overlapping tussen de 2 groepen hebben de bevindingen geen betekenis voor het stellen van de diagnose 'chronische-moeheidsyndroom'.

De rol van het Epstein-Barr-virus in de genese van dit ziektebeeld, dat volgens de auteur een meer algemene benaming zoals 'chronische-moeheidsyndroom' zou moeten hebben, wordt betwijfeld.

Links to

Sjaak's Home Page
ME-NET
ME-Platform
ME Fonds nl
ME Stichting
Homepage Lopend wetenschappelijk onderzoek CVS
Homepage ME/CVS Elizabeth Bax
Frank Ho
Harrie Bosma
Homepage ME/CVS
Joop Reijenga
Homepage ME/CVS Kees Noorlander
Homepage ME/CVS Tim en Linda
Homepage ME/ CVS Davy
Live storye ME/CVS Johny Goossens
Homepage ME/CVS Karin Knijnenburg
Homepage ME/CVS Amsterdam Kliniek
Homepage ME/CVS Actie richting minister Borst
Homepage ME/CVS Bijtankhuis
Homepage CVS Werkgroep Hoge Gezondheidsraad Belgie
Homepage voorlichtingfolder CVS St. Radboud ziekenhuis Nijmegen
St.Radboud ziekenhuis Nijmegen