De ramp met de 'Dakota'


7 maart 1907, Grote Oceaan

Na een felle storm brak de Dakota in stukken

De Dakota was de trots van de Amerikaanse Great Northern Steam Ship Company. Meer dan 20.700 ton zwaar en 191 meter lang, had de Dakota ruimte voor 2700 passagiers. Het schip was het grootste door Amerikanen gebouwde passagiersschip toen het in 1905 besteld werd, een record dat tot het einde van de twintiger jaren zou blijven bestaan. De loopbaan van de Dakota zou echter kort zijn. De Dakota was samen met de Minnesota het geesteskind van de eigenaar van de Great North Railroad, James Hill. Hij zag een gat in de markt op de lijn Amerika - Verre Oosten. Zowel de Dakota als de Minnesota werden gebouwd om passagiers en vracht te vervoeren, die zijn spoorlijn van en naar het Verre Oosten bracht. Speciaal voor de oriëntaalse reizigers liet men op ieder schip een opiumkit aanbrengen. Op 7 maart 1907 kwam er een einde aan het bestaan van de Dakota. Het schip kwam van de Stille Oceaan en was op weg naar Japan. Het zou de reis niet volbrengen. Ongeveer 64 km voor de kust van Yokohama, de belangrijkste haven van de Baai van Tokio en de eerste Japanse haven toegankelijk voor westerlingen in de 19de eeuw, liep de Dakota op een rif. Het schip zat muurvast en de opvarenden konden het schip zonder problemen verlaten. Een storm op 23 maart maakte een einde aan alle hoop het schip te redden. Het brak in stukken en werd tegen sloopwaarde verkocht. De kapitein gaf zijn leven op zee op, hetzij uit schuldgevoel of van de schrik, en werkte de rest van z'n leven als bewaker op een scheepswerf in San Francisco.

Volgende pagina