De laatste reis van de

'Andrea Doria'


25 juli 1956, Atlantische Oceaan

1956, de kust van Nantucket. Op een vredige ochtend in juli ziet Amerika een schokkend tafereel.

Reporter: " We vliegen 150 meter boven de Atlantische Oceaan. In de verte zie ik het wrak van de Andrea Doria. Het ligt op zijn zij in een kalme zee".

Hoe kon dit met een modern oceaanschip gebeuren, temeer daar men bij de bouw lering had getrokken uit het gebeuren met de Titanic. Kwam het door een technische of menselijke fout? En hoe hadden de overlevenden de nacht weten door te komen?

De Andrea Doria was het paradepaardje van de Italiaanse Lijn. Het was pas in 1952 te water gelaten en onderhield sindsdien de vaste verbinding tussen Italië en New York.

17 juli 1956. De Andrea Doria vertrekt uit Italië voor zijn 101ste reis over de Atlantische Oceaan. De kapitein van het schip is Piero Calamai, een doorgewinterde en gerespecteerde zeerot. De Andrea Doria is zijn lust en zijn leven. Vergeleken met andere cruiseschepen is de Andrea Doria een klasse apart. Het is niet het grootste of snelste schip maar volgens velen wel het mooiste. Het is een varend museum, volgestouwd met het werk van Italiaanse kunstenaars speciaal op maat gemaakt voor de gangen en luxe hutten. Het leven op de Andrea Doria is een roes van stijl en glamour waar het feest nooit ophoudt.

Passagier Liliana Dooner bracht haar tijd bij het zwembad door. Ze was een spontane en mooie vrouw, een Italiaanse oorlogsbruid, die naar haar man in Amerika ging. Ze had haar 3 jaar oude dochtertje, Marianne, bij zich. Liliana was een zeer goede zwemster, ze had in Italië met zwemwedstrijden veel medailles gewonnen. Zelf zegt ze: "Ik kon goed zwemmen, god zij dank".

Pat Mastrincola was na een familiebezoek in Italië, met zijn moeder en zus op de terugweg naar Amerika. Hij is dan 9 jaar en haalt graag kattekwaad uit. Op die leeftijd verveel je je snel, dus Pat onderzocht elk plekje op het schip waar hij niet mocht komen. Het was een uitdaging om in de afgesloten ruimten van de tweede klas te komen. Steeds weer klom hij over de reling maar werd steeds gesnapt. Net toen hij er bijna overheen was en hij dacht dat het toch gelukt was, klonk het dan: "Terug jij!".

De 14 jarige Linda Morgan woonde met haar familie in Europa. Ze zou in Amerika naar school gaan. Ze reisde met haar moeder en stiefvader, Camille en Jane Cianfara, en haar stiefzusje. Ze wilden hutten vooraan in het schip maar die waren niet beschikbaar. Op het laatste moment kwam er toch wat vrij toen iemand vertrok. Zij mochten in de hutten 52 en 54. Dat werden twee van de meest cruciale plekken op het schip.

Liliana Dooner: "Het was een ontspannen reis met helder weer en een kalme zee. Twee dagen voor de aankomst droomde ik dat de Andrea Doria zonk. Toen ik opstond was ik erg nerveus en kreeg geen hap door mijn keel. Toen men mij vroeg waarom ik niets at, vertelde ik ze over mijn nachtmerrie. De volgende nacht had ik dezelfde droom en toen werd ik heel bang".

Op de avond van de 25ste juli 1956 waren twee transatlantische schepen met totaal verschillende bestemmingen, zonder het te weten, op volle kracht op weg naar een ontmoeting. Het Italiaanse lijnschip Andrea Doria haastte zich in westelijke richting, en moest de volgende ochtend om 6.00 uur in New York aankomen. De Stockholm van de Swedish-American Line was om 11.30 uur die ochtend uit New York vertrokken en volgde een koers die het schip in oostelijke richting naar het lichtschip van Nantucket en vandaar over de Atlantische Oceaan naar Europa zou brengen. Om 2.40 uur, nog 245 km van het lichtschip verwijderd, begonnen mistbanken de Andrea Doria in te sluiten. Als kapitein van een schip hoor je dan vaart te minderen; maar in de praktijk gebeurt dit zelden. Kapitein Calamai minderde wel vaart, maar niet zo dat ze te laat zouden aankomen. Kapitein Piero Calamai gaf bevel de voorzorgsmaatregelen bij mist in acht te nemen. Om ongeveer 3.00 uur begon de misthoorn met tussenpozen van 100 seconden zijn klagelijke waarschuwing te laten horen. De deuren die de elf waterdichte compartimenten van het schip onder het A-dek verbonden, werden gesloten. De uitkijk in het kraaienest werd naar voren gestuurd om zijn wacht op de bak van het schip te lopen. Bovendien werd de machinekamer gewaarschuwd: We varen in mist. De stoomdruk in de vier ketels werd van 40 tot 37 kg/cm² teruggebracht, hetgeen betekende dat de Andrea Doria 21.8 in plaats van 23 knopen maakte. De scheepstelegraaf op de brug en in de machinekamer bleef volle kracht aangeven. Waarom ook niet? Op de brug, rechts van het stuurrad, was een radarapparaat op het 35-km bereik ingesteld, en één van de twee officieren stond hierbij op wacht. Alles van enige omvang zou als een felgele echo op het radarscherm oplichten voordat het schip ook maar in de buurt ervan kwam. Die avond wordt nog genoten van een laatste overheerlijk Italiaans diner. Sommigen gaan daarna naar hun hut om te pakken en vroeg te gaan slapen¸ anderen blijven op om van hun laatste avond aan boord te genieten.

Liliana Dooner: "Ik ging naar mijn hut en trok een avondjurk aan".

Pat Mastrincola: "We gingen naar de film. Het was de laatste avond aan boord en ik dacht er niet aan om vroeg te gaan slapen".

Beverly en Alfred Green wilden nog iets met vrienden drinken. "Ik was met Jean en Donald Ruth en smeekte ze om samen ons nog een afscheidsdrankje te nemen. Eigenlijk wilden ze inpakken maar ik kon ze toch overhalen. Ik had ook kolonel Carlin en zijn vrouw gevraagd maar die kreeg ik niet mee. Zij gingen naar hun hut en Jean en Donald Ruth bleven". Zoals zoveel willekeurige besluiten maakten die van hen het verschil tussen leven en dood uit.

Kapitein Calamai was een verantwoordelijk zeeman, die minder dan twee jaar van de bij de Italiaanse Lijn verplichte pensioenleeftijd van 60 jaar af was. Hij had 40 jaar op zee doorgebracht en als officier op 27 schepen gediend voor hij het bevel kreeg over de Andrea Doria, de 29.100 ton metende en 214 meter lange trots van de Italiaanse Lijn. In de drie en een halfjaar sinds de eerste reis - het schip had totaal 50 overtochten gemaakt - was hij de enige kapitein geweest. Hij had een vlekkeloze reputatie en het enige wat men hem verweet, was zijn geduldige en zachtmoedige aard. Op deze reis was kapitein Calamai een uur achter op de dienstregeling als gevolg van een storm twee nachten tevoren. Hij had 1.134 passagiers aan boord die er natuurlijk op rekenden dat zij hun bestemming op tijd zouden bereiken. In Genua verwachtte de directie van de Italiaanse Lijn hetzelfde, hoewel om andere redenen. De volgende ochtend zouden 200 havenarbeiders gereed staan op de pier in New York om 401 ton vracht, negen auto's 522 stuks bagage en 1.754 zakken post uit te laden. Zij moesten betaald worden, of de Andrea Doria nu aankwam of niet. Bovendien waren er de brandstofkosten - 10 tot 11 ton olie voor ieder uur dat de Andrea Doria op zee was - genoeg om een huis gedurende twee jaar te verwarmen. En zo ging kapitein Calamai de brug op en vertrouwde op zijn geluk. Tweemaal trok de mist gedurende korte tijd op. De eerste maal ging kapitein Calamai naar zijn hut terug om wat papierwerk af te maken. De tweede keer ging hij onderdeks om zijn witte zomeruniform te vervangen door zijn blauwe avonduniform; het werd kil in de mist. Toen de nevel opnieuw opzette, gaf hij bevel zijn diner op de brug te serveren, en om 8.30 uur maakte hij zich gereed voor zijn lange nachtwacht. De Andrea Doria lag op schema. Met nog geen 10 uur te gaan voer het schip één der drukste scheepsvaartroutes ter wereld op.

Liliana Dooner: "Ik voelde me erg onrustig. Ik voelde heel sterk dat ik niet op het feest moest blijven. Ik zei dus dat ik even naar mijn dochter ging kijken".

Ongeveer tegelijkertijd nam Johan Ernst Cartens-Johannsen, een jonge derde stuurman, de wacht over op de Stockholm die koers zette in de richting van het lichtschip van Nantucket, dat voor de zandbanken van het eiland Nantucket voor anker lag. Kapitein H. Gunnar Nordenson, 63 jaar oud, waarvan hij er 45 op zee had doorgebracht, was in zijn hut. Hij was een strenge schipper en zijn veeleisende aanwezigheid was overal te merken op een lijnschip van de grootte van de Stockholm, die 12.165 ton mat en slechts ongeveer 150 meter lang was. Kapitein Nordenson verbood op de brug van de Stockholm te roken of koffie te drinken - dit om de aandacht van de officieren op wacht niet af te leiden. Gesprekken op wacht dienden zich tot het werk te beperken. Officieren was verboden vriendschappelijk met de bemanning om te gaan, ten einde de discipline niet te laten verslappen. De lucht was dicht bewolkt toen Carstens zijn wacht om 8.30 uur begon. Hij controleerde de navigatielichten telkens wanneer hij aan het eind van de brug kwam: twee witte toplichten, tot op negen km zichtbaar, het groene zijlicht onder de brug aan stuurboord en het rode boord licht aan bakboord, beide tot op 3 km zichtbaar. Dit waren de gangbare navigatielichten, die al vele jaren in gebruik waren. Hiermee waarschuwde een schip andere schepen voor zijn aanwezigheid en gaf het zijn relatieve positie aan. Een matroos stond in het kraaienest op de uitkijk. Het radartoestel stond op 22 km ingeschakeld. Er was niets op het scherm te zien. Rond negen uur verscheen kapitein Nordenson even op de brug. "Roep me als je Nantucket in zicht krijgt", zei hij bij het verlaten van de stuurhut. Het was zijn gewoonte om de eerste nacht op te blijven tot het lichtschip dat nu ongeveer 60 km verderop lag - was gepasseerd. Om 10.20 uur riep Curzio Franchini, de tweede stuurman van de Andrea Doria die bij de radar stond, naar kapitein Calamai, "We zijn ter hoogte van het lichtschip van Nantucket - afstand 1 ½ km". Terwijl de Andrea Doria op volle kracht het in de mist onzichtbare lichtschip passeerde gaf kapitein Calamai opdracht koers te wijzigen: "Koers 268" - bijna pal west. De Andrea Doria begon aan de laatste etappe van zijn reis. Toen merkte men dat nog een ander schip deze route bevoer. Ongeveer 20 minuten na het passeren van Nantucket, ontdekte Franchini een kleine, nauwelijks zichtbare echo aan de rand van zijn radarscherm. Eerst dacht hij dat het een schip was dat de Andrea Doria opliep. Toen hij begreep dat het een tegemoetkomend schip was, waarschuwde hij kapitein Calamai. Op dat moment was de radarecho, op 4° aan stuurboord, nog 25 km van de Andrea Doria verwijderd. Franchini volgde de echo die steeds dichterbij kwam, en paste de vuistregel toe dat schepen elkaar veilig zullen passeren als de richtingshoek groter wordt. Op de brug van de Andrea Doria werden twee veronderstellingen gemaakt: Franchini dacht dat de richtingshoek inderdaad groter werd; kapitein Calamai dacht dat het andere vaartuig een trawler was, op weg naar het eiland Nantucket. Volgens het Scheepvaartreglement moeten schepen die elkaar tegemoet varen, rechts aanhouden om elkaar aan bakboord te passeren. Omdat hij aannam dat het tegemoetkomende schip een trawler was, gaf kapitein Calamai er de voorkeur aan om zo nodig naar bakboord te sturen, in de richting van open zee in plaats van de kust. Hij vertrouwde erop dat er voldoende ruimte zou zijn om de schepen elkaar aan stuurboord te laten passeren. Om ongeveer 10.50 uur verscheen een echo op het radarscherm van de Stockholm, ongeveer 18 km verwijderd. Toen de afstand slechts 15 km werd, besloot Carstens de positie van het naderende schip in de kaart te bepalen. Op dat moment bevond de radarecho zich 2° aan bakboord. Toen de klok op de brug zes glazen sloeg (11.00 uur 's avonds), bepaalde Carstens de positie van de radarecho op 9 km afstand en 4° aan bakboord. Hij trok een lijn tussen zijn twee kruispeilingen en berekende dat de Stockholm op ongeveer 750 à 1.500 meter aan bakboord zou passeren, in overeenstemming met het scheepvaartreglement. Carstens verwachtte het schip geruime tijd daarvoor in zicht te krijgen, want de Stockholm was nog geen sliertje mist tegengekomen. Toen de radar om 11.03 uur aangaf dat het andere schip nog slechts 6 km verwijderd was, nam Carstens aan dat de lichten stuk waren, of dat het een marinevaartuig op oefening was, dat zonder licht voer. Hij kon niet vermoeden dat een dikke, licht-dempende mist op slechts enkele honderden meters als een dot watten over de oceaan hing. Als hij ook maar het geringste vermoeden van mist had gehad, had hij kapitein Nordenson onmiddellijk gewaarschuwd. De kapitein schreef net op dat moment in zijn persoonlijke dagboek : 'Prachtig weer en warm, een lichte nevel aan de horizon. 1131 uit New York vertrokken. Het is heel prettig de hitte van New York te kunnen ontvluchten'. Om 11.06 uur riep de uitkijk van de Stockholm. "Lichten aan bakboord". Carstens keek op zijn radarscherm. De echo was ongeveer 1.800 m verwijderd. Volgens algemene orders van kapitein Nordenson mocht geen schip de Stockholm tot op minder dan 1500 meter naderen. Carstens besloot zijn veiligheidsmarge te vergroten. Hij liet de Stockholm 20° naar stuurboord draaien en hield de nieuwe koers aan. Op de Andrea Doria kwam de Stockholm in zicht toen het schip naar stuurboord zwenkte. "Ze draaien", schreeuwde de derde stuurman naar kapitein Calamai. "We zien hun rode licht! Ze komen onze kant uit!". Calamai kon zijn ogen niet geloven. "Bakboord aan boord", riep hij. Op dat moment nog onwetend van het gevaar, liep Carstens naar de rand van de brug en kreeg een schok die voor die van kapitein Calamai niet onderdeed. Hij keek niet langer naar een echo op het radarscherm, maar stond oog in oog met een schip en plotseling, ongelofelijk maar waar, draaide dat schip voor zijn boeg - een groot zwart schip, met schitterende lichten en één van die lichten was groen. Carstens stortte zich op de scheepstelegraaf en schakelde volle kracht achteruit, terwijl hij "stuurboord aan boord" riep.

Om 11.09 uur nemen twee schepen op deze onafzienbare oceaan op hetzelfde moment dezelfde plaats in. De voorsteven van de Stockholm, opgebouwd uit twee, door 60 cm lucht gescheiden, lagen stalen platen van 24 cm dik, sneed als een bijlblad door de wand van de Andrea Doria. Een felle regen van vonken spoot het nachtelijk duister in, toen staal gierend over staal schuurde. Half verblind door de vonkenregen, sprong Carstens de stuurhut binnen en drukte op de alarmknop die de waterdichte schotten sloot. De boeg van de Stockholm drong de stuurboordwand van de Andrea Doria bijna 10 meter binnen - een derde van de breedte van het schip onder de brug tot op de dubbele bodem.

Liliana Dooner: "Ik dacht dat er een explosie was. Er was een geweldige klap en het schip kantelde op zijn zij".

Pat Mastrincola: "De projector, het scherm, alles viel over elkaar onder veel lawaai. Daar lig je dan, aan de lage kant van het schip met al dat meubilair bovenop je".

Beverly en Alfred Green: "Van onze hut was niets meer over. Hij zat precies in het gat. De hut van Jean en Donald Ruth was ook verwoest. Ze waren omgekomen als ze niet met ons nog wat waren gaan drinken".

De Carlin's die vroeg waren gaan slapen, hadden minder geluk. "We zagen kolonel Carlin alleen van beneden aan komen wankelen. Hij vertelde dat hij in zijn hut was en dat zijn vrouw in bed lag te lezen. Toen de crash plaats vond werd ze de zee in gespoeld. Hij was machteloos en kon helemaal niets doen".

Volgende pagina