Permutatie-fuga



"Misschien wel de meest belangrijke werkwijze die Bach overnam van het klavier is de permutatie-fuga. De permutatie-fuga is zo genoemd omdat de stemmen op een canon-achtige wijze inzetten, terwijl twee of drie neventhema's na het verschijnen van het hoofdthema, als een snoer kralen, in iedere stem inzetten. Na de aanvankelijke expositie kan de volgorde van de inzetten veranderd worden en de hele constructie naar een andere toonaard | worden getransponeerd om verschillende permutaties van het originele materiaal te verkrijgen. Het resultaat is een strak geconstrueerde, zij het wat mechanische fuga. De permutatie-fuga was
Bachs opmerkelijk vernieuwende benadering van het strikte contrapunt, dat hij eerst uitprobeerde in vroege klavierwerken, zoals de fuga's naar Corelli en Legrenzi en de Reinken-transcripties, en die hij vervolgens tot een hoge graad van verfijning bracht in de Fuga in g mineur BWV 568, de Passacaglia in c mineur en andere ambitieuze werken.

In de vroege cantates is de permutatie-fuga wellicht het meest opzienbarende en het meest consistente teken van Bachs hand. We vinden het herhaaldelijk in koren zowel uit Mühlhausen ('Dein Alter sei wie deine Jugend' en 'Muß täglich von Neunen' uit cantate BWV 71 of 'Und er wird Israel' uit cantate BWV 131) als uit Weimar ('Daß er meines Angesichtes Hülfe' en 'Lob, und Ehre, und Preis, und Gewalt' uit cantate BWV 21 of 'So lasset uns gehen in Salem der Freuden' uit de cantate 'Himmelskönig, sei willkommen' BWV 182).
In deze concerterende werken kwam Bach vaak tot de permutatie-fuga door partijen toe te voegen, omdat hij de eerste expositie voor stemmen en continuo alleen schreef en vervolgens de instrumenten één voor één introduceerde in een tweede grote expositie.
Gedurende de jaren vóór Leipzig gebruikte hij opvallend vaak de permutatie-fuga om zijn vocale composities met een climax te besluiten (onder andere cantates BWV 21, 71, 131, 182). Op die manier raakte hij niet alleen vertrouwd met de techniek maar ook met het ontwerp van de grote orgelpreludes en -fuga's die hem beroemd zouden maken."

[George B. Stauffer in: Wolff, WBC 1, pp. 100-101]