Bestemming: niet overgeleverd, maar het karakter van de
tekst duidt op een boetedienst [Wolff, WBC
1, pp. 19 en 27].
"De uitvoering hiervan [nl. van Cantate 131] hield mogelijk verband
met de verschrikkelijke, catastrofale brand op 30 mei 1707 waarbij 360
huizen van de benedenstad [nl. Mühlhausen] in de onmiddellijke nabijheid
van de Blasiuskirche werden verwoest." [Andreas Glöckner in:
Wolff, WBC 1, p. 68]
De opdracht voor de compositie kreeg Bach overigens niet van de dominee
van de Blasiuskirche, Johann Adolph Frohne, maar - zoals hij aan het eind
van zijn partituur zelf opmerkte - van Georg Christian Eilmar (1665-1715),
de dominee van de Marienkirche. Deze laatste "onderhield vriendschappelijke
banden met Bach. Zo werden Eilmar en zijn dochter peetouders van de eerste
twee kinderen van Bach."
Bezetting
(solisten) sopraan (deel 2), alt (deel 4), tenor (deel 4), bas (deel
2); hobo (deel 2); koor, viool, altviool I en II, fagot & BC
Bach experimenteerde in zijn jonge jaren blijkbaar graag met ongebruikelijke
bezettingen.
De keuze voor hobo en fagot en de verdubbeling van de altvioolpartij
i. p. v. de vioolpartij bevorderen de diepe en donkere klankkleur in overeenstemming
met titel en sfeer.
Merkwaardig is dat de partijen worden onderscheiden door het gebruik
van verschillende sleutels en voortekeningen:
- hobo in sib (solsleutel 2de lijn; niets aan de sleutel);
- viool (solsleutel 2de lijn; 2 mollen);
- altviool I (utsleutel 3de lijn; 2 mollen);
- altviool II (utsleutel 4de lijn; 2 mollen);
- fagot in sib (fasleutel 4de lijn; niets aan de sleutel);
- sopraan (utsleutel 1ste lijn; 2 mollen);
- alt (utsleutel 3de lijn; 2 mollen);
- tenor (utsleutel 4de lijn; 2 mollen);
- bas (fasleutel 4de lijn; 2 mollen);
- BC (fondamento) (fasleutel 4de lijn; 2 mollen).
Tekstbronnen
- Psalm 130
- 2 strofen (nl. strofe 2 en 5 van de 8) uit het koraal Herr Jesu
Christ, du höchstes Gut (1588), gedicht door Bartholomäus
Ringwaldt.
Structuur
1. koor - Ps. 130.1-2 (volledig orkest)
2. arioso bas & koraal sopraan - Ps. 130.3-4 + Strofe 2
van Herr Jesu Christ, du höchstes Gut (solisten, hobo, BC)
3. koor - Ps. 130.5 (volledig orkest)
4. aria tenor & koraal alt - Ps. 130.6 + Strofe 5 van Herr
Jesu Christ, du höchstes Gut (solisten, BC)
5. koor - Ps. 130.7-8 (volledig orkest)
Hoewel bijvoorbeeld deel 1 uit een tweeluik bestaat en onmiddellijk
in deel 2 overgaat, is door de instrumentatie (afwisseling volledig orkest
(deel 1, 3 en 5) / solisten (deel 2 en 4)) en door de toevoeging van de
koraalstrofen aan de bijbeltekst van deel 2 en deel 4 de geleding in 5
delen toch heel duidelijk gemaakt.
Het koraal Herr Jesu Christ, du höchstes Gut werd door
Bartholomäus Ringwaldt gedicht naar Psalm 51, een gebed om vergeving:
"3 Wees mij, God, in uw goedheid genadig,
neem in uw oneindig erbarmen mijn overtredingen weg.
4 Zuiver mij geheel van mijn zonde,
reinig mij van wat ik misdeed.
[...]
18 Ik weet: offers zult Gij niet verkiezen,
bràcht ik brandoffers - Gij wees ze af;
19 mijn offer aan God: mijn berouw,
een berouwvol en nederig hart zult Gij, God, niet als te gering zien.
[...]"
Waarom nu deze geleding in juist vijf delen?
Martin Petzoldt ontwikkelt [in: Wolff, WBC
1, p. 123] de volgende redenering.
De theoloog Johann Olearius zegt in een commentaar bij de gelijkenis
van de Farizeeër en de tollenaar (Luc. 18.9-14) dat men "vijf woorden
1. God 2. zij 3. mij 4. zondaar 5. genadig dagelijks ... moet herhalen
naar aanleiding van de vijf hoofdstukken van de catechismus ... en zich
daardoor niet alleen de zonde maar ook de gerechtigheid van Christus ...
herinneren." (Biblische Erklärung, deel V, Leipzig, 1681, Sp.
532b)
[Bach bezat dit vijfdelig commentaar op de
Bijbel van deze Johannes Olearius (1611-1684):
cf. Wolff, JSB,
p. 100. Niet te verwarren overigens met diens jongere neef Johann Gottfried
Olearius (1635-1711) en diens zoon Johann
Christoph (1668-1747), eveneens theologen.]
Ieder van deze vijf woorden staat voor één van de hoofdstukken
uit de catechismus van Luther, zodat in Bachs cantate het schema van de
catechismus als het ware muzikaal wordt gepresenteerd.
Het nawoord in Bachs handschrift van deze cantate - "naar de wens van
dominee Georg Christian Eilmar op muziek gezet" - zou dan kunnen slaan
op deze structurering.
Eilmar zou Bach kunnen gewezen hebben op Olearius' gedachte bij Luc.
18.13 over de correcte houding van de zondaar en Luthers leidraad bij biecht
en boete.
Hij zou bovendien kunnen gesuggereerd hebben om twee koraalstrofen
van Ringwaldt, die duidelijk verwijzen naar Christus' kruisdood, het offer
dat de zonden van de mensheid wegneemt, in de tekst van Psalm 130 te verweven,
zodat er een vijfdelige geleding ontstaat.
Tot zover Petzoldts redenering (die ik wat explicieter heb gemaakt
en aangevuld).
Heel iuteressante theologische bespiegelingen, dat wel, maar helaas
zullen we nooit met zekerheid kunnen achterhalen wat er in dit verband
in Bachs gedachten omging.
Wel krijgen we een vermoeden van dieper liggende redenen die bij de
keuze voor precies die strofen uit precies dat koraal kunnen hebben meegespeeld.
Overzicht1. Coro: Aus der Tiefen rufe ich, Herr, zu dir2. Arioso Basso & Corale Soprano: So du willst, Herr, Sünde zurechnen3. Coro: Ich harre des Herrn4. Aria Tenore & Corale Alto: Meine Seele wartet auf den Herrn5. Coro: Israel hoffe auf den Herrn |
|
Ps. 130: Uit diepten van schuld ---------------------------------------- 2 hoor mij, Heer, ik blijf vragen. O, mocht uw oor het verstaan hoe ik schrei om erbarmen. 3 Onthield Gij de schulden, o God,
5 Ik wacht de Heer, ik wacht Hèm,
6 stil verbeid ik de Heer,
7 Dat Israël wachte de Heer;
|
| 1 Aus der Tiefen rufe ich,
Herr, zu dir.
2 Herr, höre meine Stimme, laß deine Ohren merken auf die Stimme meines Flehens! |
|
Een korte sfeerscheppende instrumentale inleiding (Sinfonia)
gaat over in het openingskoor.
Bij de woorden Aus der Tiefen horen we herhaaldelijk
zeer diepe - een enkele maal zelfs de diepst mogelijke - tonen in de baspartij.
Ook de echo-effecten op rufe zijn heel fijn gevonden.
Dit deel is opgebouwd als een contrasterend tweeluik:
- v. 1: Aus der Tiefen ... - maatsoort: 3/4 - tempo: Adagio;
- v. 2: Herr, höre meine Stimme ... - maatsoort: 4/4 -
tempo: Vivace.
De zin laß deine Ohren merken auf die Stimme meines Flehens!
is getoonzet als een fuga.
Bemerk de smekende melismen op Fle-hens.
| 3 So du willst, Herr, Sünde
zurechnen, Herr, wer wird bestehen?
4 Denn bei dir ist die Vergebung, daß man dich fürchte. |
|
| Erbarm dich mein in solcher
Last,
Nimm sie aus meinem Herzen, Dieweil du sie gebüßet hast Am Holz mit Todesschmerzen, Auf daß ich nicht mit großem Weh In meinen Sünden untergeh, Noch ewiglich verzage. |
Herr Jesu Christ, du höchstes Gut (strofe 2) |
Dit arioso sluit onmiddellijk bij het vorige deel aan (dominant - tonica).
De maatsoort blijft behouden; het tempo wordt Andante.
Ter ondersteuning van de bijbeltekst, getoonzet als een arioso van de
bas, zingt de sopraan een koraalstrofe.
Merk de vijf verschillende melismen op wer wird bestehen,
die het wankelend standhouden van de zondaar uitbeelden. Dan volgt een
lange aangehouden toon op dezelfde lettergreep en dan wordt nog eens het
eerste melisme herhaald.
De dalende lijn verwijst naar de zonde.
Verrassend en opgelucht klinken dan de woorden: Denn bei dir
ist die Vergebung.
Ook op de woorden daß man dich fürchte horen
we melismen: de ronddraaiende figuurtjes wijzen op de vrees. De triller
op het eind past eveneens in deze sfeer.
| 5 Ich harre des Herrn, meine Seele harret, und ich hoffe auf sein Wort. |
|
Na de drievoudige roep Ich harre des Herrn (Adagio) volgt er
een fuga (Largo) op de woorden meine Seele harret, und ich hoffe auf
sein Wort, waarbij de stemmen inzetten van laag naar hoog met een instrumentaal
contrasubject afwisselend in hobo en viool:
- bas + hobo;
- tenor + viool;
- alt + hobo;
- sopraan + viool.
De tweede maal zetten de stemmen in in dezelfde volgorde, maar korter
na elkaar (stretto).
| 6 Meine Seele wartet auf
den Herrn
von einer Morgenwache bis zu der andern. |
|
| Und weil ich denn in meinem
Sinn,
Wie ich zuvor geklaget, Auch ein betrübter Sünder bin, Den sein Gewissen naget, Und wollte gern im Blute dein Von Sünden abgewaschen sein Wie David und Manasse. |
Herr Jesu Christ, du höchstes Gut (strofe 5) |
De hoopvol afwachtende houding wordt schitterend geschilderd door de
tenor met telkens weer andere melodieën op het ene zinnetje Meine
Seele wartet auf den Herrn.
Bemerk de lang aangehouden tonen en de melismen op wartet.
Op de achtergrond zingt de alt heel geduldig een koraalstrofe in lange
notenwaarden en met lange tussenpauzen tussen de verzen: dezelfde melodie
als in deel 2 klinkt hier in do klein (i. p. v. sol klein) en in 12/8 (i.
p. v. in 4/4).
Tenor en alt worden sober begeleid door de continuo-partij.
Als een verrassing komt: von einer Morgenwache bis zu der andern.
Dit is het soberste deel van de cantate en het duurt het langst (ca.
7 min.), wat ook symbool staat voor het hoopvol wachten op de Heer.
| 7 Israel hoffe auf den
Herrn;
denn bei dem Herrn ist die Gnade und viel Erlösung bei ihm. 8 Und er wird Israel erlösen aus allen seinen Sünden. |
|
Een koor vol afwisseling:
- Adagio. Driemaal de homofone roep: Israel.
- Un poc' allegro: hoffe auf den Herrn.
- Adagio: denn bei dem Herrn ist die Gnade.
- Allegro: und viel Erlösung bei ihm. De stijgende progressie
wijst op de verlossing.
- Permutatiefuga: Und er wird
Israel erlösen / aus allen seinen Sünden.
"De karakteristieken van het bijbels proza (...) hebben een sterke invloed
op de muzikale constructie. In navolging van het model van het laat-zeventiende-eeuwse
vocale concerto bestaan veel van deze koren uit secties, waarbij het metrum,
het tempo en de textuur en het affect bij iedere frase veranderen. (...)
BWV 131/5 begint met drie langzame, vermanende uitroepen ('Israel,
Israel, Israel...'), maar presenteert het vervolg van de zin ('...hoffe
auf den Herrn') in een veel geanimeerdere toonzetting. Vervolgens vertraagt
de declamatie in de volgende frase ('denn bei dem Herrn ist die Gnade'),
om tenslotte uit te barsten in een snelle vocale en instrumentale beweging
van zinnen die dit deel van de tekst beëindigen en naar het slot leiden
('und viel Erlösung bei ihm. Und er wird Israel erlösen aus allen
seinen Sünden'). (...)
Veel van deze gelede koordelen uit de vroege cantates monden uit in
een fugatische (imitatieve) schrijfwijze voor grote delen van de tekst,
in het bijzonder de slotzinnen van de meerdelige koren. In deze fugatische
stukken vallen twee tendensen op. In de eerste plaats heeft Bach de neiging
om zijn materiaal over een betrekkelijk grote lengte uit te werken, waarbij
hij vaak tekstelementen met hun muzikale ondersteuning in elk van de stemmen
en in vele combinaties presenteert (bijvoorbeeld BWV 131/5, 'Und er wird
Israel erlösen'). In de tweede plaats is in veel van deze delen een
speciale techniek toegepast, de zogenaamde permutatie-fuga,
waarin de componist ieder van de vier tekstfrasen op vier verschillende
muzikale motieven | plaatst, om vervolgens hieruit een fuga op te bouwen
waarin deze thema's over alle vier de stemmen in steeds veranderende permutaties
worden verdeeld. (...)
In de meeste koren uit de vroegere cantates gaat het om zowel de stemmen
als de instrumenten. Hun onderlinge relatie wisselt van deel tot deel,
maar een gemeenschappelijke karakteristiek is dat Bach stemmen en instrumenten
gelijkwaardig behandelt. De stemmen zingen soms frasen na die eerst door
instrumenten zijn gespeeld, terwijl instrumenten vaak extra muzikale lijnen
aan het imitatieve, vocale weefsel toevoegen. (...)" [Daniel R. Melamed
in:
Wolff, WBC 1, pp. 172-173]
De slotfuga verdient wat meer diepgaande bestudering.
Zij is uit drie muzikale motieven opgebouwd:
- a) op de tekst Und er wird Israel (één toon
per lettergreep);
- b) op de tekst erlö-sen (melisme op lö-);
- c) op de tekst aus allen seinen Sünden (chromatisch stijgende
kwart).
Het jubelende melisme op erlö-sen wijst op
de blijdschap om de verlossing.
De toonzetting van de tweede zinsnede aus allen seinen Sünden
- op een chromatisch stijgende kwart - beeldt de vergeving van de zonden
uit: de Heer haalt de mensen door zijn vergevingsgezindheid uit de diepten
waar ze door eigen schuld in verzeild waren geraakt.
Het slotakkoord is trouwens sol groot (de basistoonaard is sol klein):
de zonden zijn vergeven.
Bach behandelt a) als de kop en b) als de staart van het subject (thema
van de fuga),
terwijl c) de rol van contrasubject (neventhema van de fuga) krijgt
toebedeeld en meestal gelijktijdig met b) klinkt.
Hier volgt een overzicht van de volgorde waarin deze drie basismotieven
worden gepresenteerd door de verschillende stemmen en instrumenten, waarbij
abstractie is gemaakt van bijkomende muzikale lijnen die de harmonie verder
aanvullen.
|
|
|
|
| sopraan | ||
| sopraan | bas + BC | |
| tenor | ||
| tenor | alt | |
| bas + BC | ||
| sopraan | tenor | |
| bas + fagot + BC | ||
| bas + fagot | viool | |
| sopraan | tenor + altviool II | bas + fagot + BC |
| sopraan + viool (+ hobo) | alt + altviool I | |
| alt + altviool I | tenor + altviool II | |
| tenor + altviool II | ||
| bas + fagot (+ BC) | ||
| bas + fagot | sopraan + viool | |
| alt + altviool I | ||
| sopraan + hobo | bas + fagot + BC | |
| alt + altviool I | tenor + altviool II | |
| tenor + altviool II | alt + altviool I | |
| bas + fagot | sopraan + hobo |
Van deze slotfuga bestaat er ook een orgelbewerking: Fuga in sol klein
(BWV 131a).
Het is onzeker wie in feite het arrangement maakte, maar de gevorderde
behandeling van het pedaal zou voor Bach zelf kunnen pleiten.