BWV 54

Widerstehe doch der Sünde



Plaats & datum van ontstaan: Weimar, 1713 (?) [Wolff, JSB, p. 184].

Bestemming
Oorspronkelijk zonder specifieke liturgische bestemming. Later toegewezen aan Oculi (3de zondag van de vasten) op grond van het evangelie op die zondag: de bekoring van Jezus door de duivel in de woestijn.
De sobere bezetting (één solostem, enkel strijkers en continuo) en structuur (3 delen: aria - recitatief - aria) past goed bij de bestemming voor de vastentijd. Dit is trouwens naast BWV 182 (bestemd voor Palmzondag) de enige [bewaard gebleven] cantate bedoeld voor de vasten.

Bezetting:
- alt (solostem)
- viool I & II,
- altviool I & II
- BC

Tekst: Georg Christian Lehms (Gottgefälliges Kirchen-Opffer, Darmstadt, 1711).

Structuur
Voortdurend zit in deze cantate een symboliek van drieledigheid (volmaaktheid) en tweeledigheid (gespletenheid, onvolmaaktheid, dubbelzinnigheid).
In de opbouw: er zijn drie delen, maar slechts twee aria's, verbonden door een recitatief.
In de bezetting: twee viool- en altvioolpartijen in de eerste aria, verdubbelde viool- en altvioolpartijen in de tweede aria.



 

Overzicht

1. Aria Alto: Widerstehe doch der Sünde
2. Recitativo Alto: Die Art verruchter Sünden
3. Aria Alto: Wer Sünde tut, der ist vom Teufel


Commentaar

1. Aria Alto: Widerstehe doch der Sünde [chmt+]

 Widerstehe doch der Sünde,
 Sonst ergreifet dich ihr Gift.
    Laß dich nicht den Satan blenden;
    Denn die Gottes Ehre schänden,
    Trifft ein Fluch, der tödlich ist.

De structuur van deze aria: da capo (ABA), maar de buitenste delen (A) zijn onevenredig lang [42 maten] in verhouding tot het middendeel (B) [13 maten], waardoor de luisteraar eerder de indruk krijgt van een tweeledige structuur dan van de eigenlijke drieledige. Bovendien bestaat dit middendeel uit twee zinnen afgesloten door onvolmaakt opgeloste cadensen ("een dodelijke vloek").

De tweeledigheid kunnen we ook terugvinden in de per twee herhaalde achtsten in de altviool- en continuopartijen, die in de vioolpartijen geleidelijk aan meer en meer worden opgesplitst in groepjes van tweemaal twee zestienden.

De regelmatig herhaalde basnoten beelden waarschijnlijk de standvastigheid uit waarop hier een beroep wordt gedaan; de continuo-partij, het fundament, blijft aanvankelijk de tonica benadrukken [Mib groot: 3 mollen, de volmaakte toonaard]. Maar de tonaliteit wordt bedreigd, want vanaf het eerste akkoord is er een dubbelzinnigheid: boven de tonica (mib), zijn de septiem en de kwint van de dominant (resp. lab en fa) te horen.
De aangehouden toon op widerstehe vraagt om de standvastigheid die nodig is om weerstand te bieden. Merk op dat zo'n standvastige bas, een stevig fundament, ontbreekt in het middengedeelte waar het gaat over de zondaars.
En ook de vloek die degenen treft die zich door de Satan laten verblinden, is hoorbaar door de opzettelijk foutieve oplossingen van de cadens op ist. De eerste maal eindigt de alt op do (tonica van Do klein), maar de instrumentale begeleiding geeft het dominant-akkoord van Sol (re - fa# - la), zodat de do, die eigenlijk grondnoot (consonant in het tonica-akkoord) moest zijn, de septiem (dissonant) wordt in een akkoord dat maar heel ver familie is van de toonaard [Do klein] (nl. de dominant [Re] van de dominant [Sol]). De tweede maal wil de alt op sol eindigen (tonica van Sol klein), maar de instrumentale begeleiding vult die aan tot de derde omkering van het dominant-septiemakkoord van Do (fa - si - re - sol), met de fa (dissonerende septiem) als diepe basnoot. Hier is de sol wel de grondnoot van het akkoord, maar die ligt niet in de bas.
De vloek wordt dus twee keer weergegeven door harmonische dubbelzinnigheden, verkeerde oplossingen en dissonanten. In beide gevallen bevinden de noten die de tritonus (vergrote kwart, diabolus in musica) vormen, zich in naburige partijen (do - fa# (alt - altviool I); fa - si (continuo - altviool II)). In beide gevallen "vergist" de continuo-partij zich in de laatste sprong van de cadens, die dominant-tonica - dus een stijgende kwart - zou moeten zijn), met een grote secunde: de eerste keer een stijgende reine kwint (sol - re), een secunde te hoog; de tweede keer een stijgende kleine terts (re - fa), een secunde te laag.

Het geheel werkt als pleidooi zeer overtuigend.


2. Recitativo Alto: Die Art verruchter Sünden [t]

 Die Art verruchter Sünden
 Ist zwar von außen wunderschön;
 Allein man muß
 Hernach mit Kummer und Verdruß
 Viel Ungemach empfinden.
 Von außen ist sie Gold;
 Doch, will man weiter gehn,
 So zeigt sich nur ein leerer Schatten
 Und übertünchtes Grab.
 Sie ist den Sodomsäpfeln gleich,
 Und die sich mit derselben gatten,
 Gelangen nicht in Gottes Reich.
 Sie ist als wie ein scharfes Schwert,
 Das uns durch Leib und Seele fährt.

De diepste toon (fa) vindt men vanzelfsprekend op het woord Grab.
De uitbeelding van de woorden Sie ist als wie ein scharfes Schwert door staccato toonladders in de cello spreekt erg tot de verbeelding.


3. Aria Alto: Wer Sünde tut, der ist vom Teufel [cfhtv]

 Wer Sünde tut, der ist vom Teufel,
 Denn dieser hat sie aufgebracht.
    Doch wenn man ihren schnöden Banden
    Mit rechter Andacht widerstanden,
    Hat sie sich gleich davongemacht.

Bachs "eerste fuga-aria" [Peter Wollny in: Wolff, WBC 1, p. 196]. Bach heeft hier op grandioze wijze de symmetrie van de da-capo-aria met het intensiveringsprincipe van de fuga weten te combineren.
Een vierstemmige fuga: de eerste stem wordt door de twee violen all' unisono gespeeld; de tweede stem wordt door de beide altviolen eveneens all' unisono gespeeld; de derde stem wordt door de alt gezongen; de vierde stem wordt gevormd door de continuo.
Aanvankelijk lijkt het alsof de continuo-partij zich in gelijkmatige achtsten zal blijven bewegen en niet zal deelnemen aan de eigenlijke fuga daarboven: in tweeledige motieven die sterk doen denken aan het thema van het eerste deel. Maar al in de vijfde maat is in verkorte vorm het hoofdthema in de continuo te horen. En achteraf blijkt dat ook het contrasubject in de continuo door de zangstem wordt opgenomen bij de woorden "denn dieser hat sie aufgebracht". De continuo neemt dus wel degelijk als volwaardige partner deel aan de fuga.
Het begin van het fugathema is met zijn twee dalende kleine secunden verwant aan het beroemde BACH-subject uit de laatste fuga van de Kunst der Fuge. Eigenlijk is het een omkering daarvan: de tonen CH-BA zouden de transpositie van het subject in do groot zijn; bovendien komt deze reeks daadwerkelijk in deze fuga voor, en wel tot driemaal toe, nl. in maat 28-29 (in de vioolpartij) en in maat 35-36 en 42-43 (in de altvioolpartij).
De dalende chromatiek van het hoofdthema verwijst zeker naar de zondeval en de verleiding door de duivel.
Als tekstuitbeelding kan ook hetvolgende tellen: de parallelle loopjes in de viool en altviool telkens na het woord davon [hat sie sich gleich davongemacht] illustreren de zonde die zich uit de voeten maakt.
Schitterende, diabolisch virtuoze, fugatische imitaties in alle stemmen!


Ter vergelijking


 
11 september 2005
Johan De Wael