Bestemming
Oorspronkelijk zonder specifieke liturgische bestemming. Later toegewezen
aan Oculi (3de zondag van de vasten) op grond van het evangelie op die
zondag: de bekoring van Jezus door de duivel in de woestijn.
De sobere bezetting (één solostem, enkel strijkers en
continuo) en structuur (3 delen: aria - recitatief - aria) past goed bij
de bestemming voor de vastentijd. Dit is trouwens naast BWV 182 (bestemd
voor Palmzondag) de enige [bewaard gebleven] cantate bedoeld voor de vasten.
Bezetting:
- alt (solostem)
- viool I & II,
- altviool I & II
- BC
Tekst: Georg Christian Lehms (Gottgefälliges Kirchen-Opffer, Darmstadt, 1711).
Structuur
Voortdurend zit in deze cantate een symboliek van drieledigheid (volmaaktheid)
en tweeledigheid (gespletenheid, onvolmaaktheid, dubbelzinnigheid).
In de opbouw: er zijn drie delen, maar slechts twee aria's, verbonden
door een recitatief.
In de bezetting: twee viool- en altvioolpartijen in de eerste aria,
verdubbelde viool- en altvioolpartijen in de tweede aria.
Overzicht1. Aria Alto: Widerstehe doch der Sünde2. Recitativo Alto: Die Art verruchter Sünden3. Aria Alto: Wer Sünde tut, der ist vom Teufel |
| Widerstehe doch der Sünde,
Sonst ergreifet dich ihr Gift. Laß dich nicht den Satan blenden; Denn die Gottes Ehre schänden, Trifft ein Fluch, der tödlich ist. |
De structuur van deze aria: da capo (ABA), maar de buitenste delen (A) zijn onevenredig lang [42 maten] in verhouding tot het middendeel (B) [13 maten], waardoor de luisteraar eerder de indruk krijgt van een tweeledige structuur dan van de eigenlijke drieledige. Bovendien bestaat dit middendeel uit twee zinnen afgesloten door onvolmaakt opgeloste cadensen ("een dodelijke vloek").
De tweeledigheid kunnen we ook terugvinden in de per twee herhaalde achtsten in de altviool- en continuopartijen, die in de vioolpartijen geleidelijk aan meer en meer worden opgesplitst in groepjes van tweemaal twee zestienden.
De regelmatig herhaalde basnoten beelden waarschijnlijk de standvastigheid
uit waarop hier een beroep wordt gedaan; de continuo-partij, het fundament,
blijft aanvankelijk de tonica benadrukken [Mib groot: 3 mollen, de volmaakte
toonaard]. Maar de tonaliteit wordt bedreigd, want vanaf het eerste akkoord
is er een dubbelzinnigheid: boven de tonica (mib), zijn de septiem en de
kwint van de dominant (resp. lab en fa) te horen.
De aangehouden toon op widerstehe vraagt om de
standvastigheid
die nodig is om weerstand te bieden. Merk op dat zo'n standvastige
bas, een stevig fundament, ontbreekt in het middengedeelte waar het gaat
over de zondaars.
En ook de vloek die degenen treft die zich door de Satan laten verblinden,
is hoorbaar door de opzettelijk foutieve oplossingen van de cadens op ist.
De eerste maal eindigt de alt op do (tonica van Do klein), maar de instrumentale
begeleiding geeft het dominant-akkoord van Sol (re - fa# - la), zodat de
do, die eigenlijk grondnoot (consonant in het tonica-akkoord) moest zijn,
de septiem (dissonant) wordt in een akkoord dat maar heel ver familie is
van de toonaard [Do klein] (nl. de dominant [Re] van de dominant [Sol]).
De tweede maal wil de alt op sol eindigen (tonica van Sol klein), maar
de instrumentale begeleiding vult die aan tot de derde omkering van het
dominant-septiemakkoord van Do (fa - si - re - sol), met de fa (dissonerende
septiem) als diepe basnoot. Hier is de sol wel de grondnoot van het akkoord,
maar die ligt niet in de bas.
De vloek wordt dus twee keer weergegeven door harmonische dubbelzinnigheden,
verkeerde oplossingen en dissonanten. In beide gevallen bevinden de noten
die de tritonus (vergrote kwart, diabolus in musica) vormen,
zich in naburige partijen (do - fa# (alt - altviool I); fa - si (continuo
- altviool II)). In beide gevallen "vergist" de continuo-partij zich in
de laatste sprong van de cadens, die dominant-tonica - dus een stijgende
kwart - zou moeten zijn), met een grote secunde: de eerste keer een stijgende
reine kwint (sol - re), een secunde te hoog; de tweede keer een stijgende
kleine terts (re - fa), een secunde te laag.
Het geheel werkt als pleidooi zeer overtuigend.
| Die Art verruchter Sünden
Ist zwar von außen wunderschön; Allein man muß Hernach mit Kummer und Verdruß Viel Ungemach empfinden. Von außen ist sie Gold; Doch, will man weiter gehn, So zeigt sich nur ein leerer Schatten Und übertünchtes Grab. Sie ist den Sodomsäpfeln gleich, Und die sich mit derselben gatten, Gelangen nicht in Gottes Reich. Sie ist als wie ein scharfes Schwert, Das uns durch Leib und Seele fährt. |
De diepste toon (fa) vindt men vanzelfsprekend op het woord Grab.
De uitbeelding van de woorden Sie ist als wie ein scharfes Schwert
door
staccato toonladders in de cello spreekt erg tot de verbeelding.
| Wer Sünde tut, der
ist vom Teufel,
Denn dieser hat sie aufgebracht. Doch wenn man ihren schnöden Banden Mit rechter Andacht widerstanden, Hat sie sich gleich davongemacht. |
Bachs "eerste fuga-aria" [Peter Wollny in: Wolff, WBC
1, p. 196]. Bach heeft hier op grandioze wijze de symmetrie van de da-capo-aria
met het intensiveringsprincipe van de fuga weten te combineren.
Een vierstemmige fuga: de eerste stem wordt door de twee violen all'
unisono gespeeld; de tweede stem wordt door de beide altviolen eveneens
all'
unisono gespeeld; de derde stem wordt door de alt gezongen; de vierde
stem wordt gevormd door de continuo.
Aanvankelijk lijkt het alsof de continuo-partij zich in gelijkmatige
achtsten zal blijven bewegen en niet zal deelnemen aan de eigenlijke fuga
daarboven: in tweeledige motieven die sterk doen denken aan het thema van
het eerste deel. Maar al in de vijfde maat is in verkorte vorm het hoofdthema
in de continuo te horen. En achteraf blijkt dat ook het contrasubject in
de continuo door de zangstem wordt opgenomen bij de woorden "denn dieser
hat sie aufgebracht". De continuo neemt dus wel degelijk als volwaardige
partner deel aan de fuga.
Het begin van het fugathema is met zijn twee dalende kleine secunden
verwant aan het beroemde BACH-subject uit de laatste fuga van de Kunst
der Fuge. Eigenlijk is het een omkering daarvan: de tonen CH-BA zouden
de transpositie van het subject in do groot zijn; bovendien komt deze reeks
daadwerkelijk in deze fuga voor, en wel tot driemaal toe, nl. in maat 28-29
(in de vioolpartij) en in maat 35-36 en 42-43 (in de altvioolpartij).
De dalende chromatiek van het hoofdthema verwijst zeker naar de zondeval
en de verleiding door de duivel.
Als tekstuitbeelding kan ook hetvolgende tellen: de parallelle loopjes
in de viool en altviool telkens na het woord davon [hat
sie sich gleich davongemacht] illustreren de zonde die
zich uit de voeten maakt.
Schitterende, diabolisch virtuoze, fugatische imitaties in alle stemmen!