BWV 51

Jauchzet Gott in allen Landen



Plaats & datum van ontstaan: Leipzig, 17 september 1730 (?) [Wolff, WBC 3, p. 32].

Bestemming: 15de zondag na Drievuldigheidszondag.

Bezetting
- sopraan (solostem)
- trompet
- viool I & II, altviool, BC

Tekst
Een lofzang op God in de trant van psalmen als Ps. 66 en 148.
De uitdrukking "Jauchzet Gott" (in de betekenis "bejubel God, juich God toe") komt overigens maar twee keer voor in Luthers bijbelvertaling: Ps. 47.2 en Ps. 66.1 (Jauchzet Gott, alle Lande!).
Aan vrije poëzie van een onbekende dichter [deel 1-3] is de tekst van een oud kerklied gekoppeld: "Sei Lob und Preis mit Ehren" (Johann Gramann, 1549) [deel 4].
Deel 5 is een Alleluja! ("Loof de Heer!") tot besluit.



 

Overzicht

1. Aria Soprano: Jauchzet Gott in allen Landen!
2. Recitativo Soprano: Wir beten zu dem Tempel an
3. Aria Soprano: Höchster, mache deine Güte
4. Corale Soprano: Sei Lob und Preis mit Ehren
5. Aria Soprano: Alleluja!


Commentaar

1. Aria Soprano: Jauchzet Gott in allen Landen! [himtv]

 Jauchzet Gott in allen Landen!
    Was der Himmel und die Welt
    An Geschöpfen in sich hält,
    Müssen dessen Ruhm erhöhen,
    Und wir wollen unserm Gott
    Gleichfalls itzt ein Opfer bringen,
    Daß er uns in Kreuz und Not
    Allezeit hat beigestanden.

Dit eerste deel is opgevat als een combinatie van een da-capo-aria en een openingsbeweging van een Italiaans concerto (Allegro). De solisten zijn hier de sopraan en de trompet. Aanvankelijk wisselen ze elkaar af: de sopraan zet in op de laatste toon van de trompet en omgekeerd. Op sommige momenten dialogeren de solisten met elkaar als in een heus dubbelconcerto.
Vooral van de sopraan wordt hier heel wat stemacrobatiek gevraagd: de sopraanpartij zit vol melismen en virtuoze loopjes en klimt op tot de hoge do.
In het middengedeelte ("Was der Himmel und die Welt ...") is de sfeer minder uitbundig en het aandeel van de trompet minder groot.
En dan kan het jubelen herbeginnen ...


2. Recitativo Soprano: Wir beten zu dem Tempel an [himtv]

 Wir beten zu dem Tempel an,
 Da Gottes Ehre wohnet,
 Da dessen Treu,
 So täglich neu,
 Mit lauter Segen lohnet.
 Wir preisen, was er an uns hat getan.
 Muß gleich der schwache Mund von seinen Wundern lallen,
 So kann ein schlechtes Lob ihm dennoch wohlgefallen.

Hoe uitbundig het eerste deel was, zo ingetogen klinkt het volgende. Recitativo staat in de partituur, maar in feite heeft dit deel het karakter van een arioso.
Wondermooie, delicate melodieën.
Prachtige toonsverandering vóór de woorden  "Wir preisen ...".
En vanaf de woorden "Muß gleich der schwache Mund ..." gaat het karakter nog meer op dat van een aria lijken: door de tempoverandering (Andante) en het wegvallen van de rustgevende strijkersbegeleiding.
De sopraan gaat verder, alleen begeleid door continuo.
De machtig mooie melismen op het woord lallen ("stamelen") klinken als valse bescheidenheid: misschien bedoelt Bach dat al wie, hoe onvolkomen ook, Gods wonderen verkondigt, op zijn onvoorwaardelijke welwillendheid kan rekenen. Stamelen klinkt zo als een wondermooie lofzang in de oren van God.


3. Aria Soprano: Höchster, mache deine Güte [hmtv]

 Höchster, mache deine Güte
 Ferner alle Morgen neu.
    So soll vor die Vatertreu
    Auch ein dankbares Gemüte
    Durch ein frommes Leben weisen,
    Daß wir deine Kinder heißen.

Hoe teder, schroomvol en bescheiden zou deze aria kunnen klinken. Ook hier wordt de sopraan alleen begeleid door continuo. Er is dus geen groot contrast met het vorige deel, maar eerder een geleidelijke overgang. Een sfeer van volmaaktheid wordt opgeroepen door het drieledige ritme.


4. Corale Soprano: Sei Lob und Preis mit Ehren [cfhm+]

 Sei Lob und Preis mit Ehren
 Gott Vater, Sohn, Heiligem Geist!
 Der woll in uns vermehren,
 Was er uns aus Gnaden verheißt,
 Daß wir ihm fest vertrauen,
 Gänzlich uns lass'n auf ihn,
 Von Herzen auf ihn bauen,
 Daß uns'r Herz, Mut und Sinn
 Ihm festiglich anhangen;
 Drauf singen wir zur Stund:
 Amen, wir werdn's erlangen,
 Glaub'n wir aus Herzensgrund.
Johann Gramann, 1549

Een koraalbewerking, maar wat voor één!
Dit deel is opgevat als een triosonate met supplementaire koraalmelodie.
Hier is geen altvioolpartij, maar de twee violen zetten fugatisch in boven een obligate baslijn.
En dan komt daar telkens de koraalmelodie nog bij, met regelmatige tussenpozen en prachtig gedoseerd: telkens twee verzen met een kleinere pauze (bijna steeds twee maten) tussen beide en vervolgens een langere pauze. Maar ook hier heeft Bach vooral naar het einde toe voor de nodige afwisseling gezorgd, zodat het geheel toch niet te mechanisch en voorspelbaar wordt.
Geniet van dit hemels contrapunt! Wat een buitenaards meesterschap!


5. Aria Soprano: Alleluja! [cfhiv]

 Alleluja!

Het vorige deel gaat naadloos over in een besluit zoals dat hoort voor een lofzang op God: "Loof de Heer!"
Een concertant contrapuntisch slotdeel. De perfecte tegenhanger voor het openingsdeel.
25 keer zingt de sopraan Alleluja! op alle mogelijke manieren: van min of meer wijd uitgesponnen melismen tot staccato, van elkaar gescheiden noten. De 14de keer klimt ze evenals in het openingsdeel op tot de hoge do.
Formeel is dit deel een combinatie van fuga en concertant slotdeel: vergelijk bijvoorbeeld met het slot van het 2de, het 4de en het 5de Brandenburgse Concerto.
Alle instrumenten zijn hier weer van de partij. En nu beseffen we pas hoeveel zorg Bach heeft besteed aan de bezetting:
 

 
Deel 1
Deel 2a
Deel 2b
Deel 3
Deel 4
Deel 5
 Trompet
x
       
x
 Viool I
x
x
   
x
x
 Viool II
x
x
   
x
x
 Altviool
x
x
     
x
 Sopraan
x
x
x
x
x
x
 Continuo
x
x
x
x
x
x

En dan zien we dat Bach de da-capo-structuur [ABA] van deel 1 en deel 3 heeft afgewisseld met de tweeledige structuur [AB] van deel 2 en deel 4-5.
Naast de voor de hand liggende vijfdelige structuur is er ook een driedelige te bespeuren: de grondstructuur van het Italiaanse concerto in de stijl van Vivaldi, Albinoni, ...
- Deel 1: allegro / volledige bezetting
- Deel 2-3: meer ingetogen van karakter / sobere bezetting
- Deel 4-5: allegro / fugatisch / (bijna) volledige bezetting


Ter vergelijking

30 september 2005
Johan De Wael