Niets ontgaat.
Harmonie
en Melodie
Het stemmen van klassieke muziekinstrumenten bij middel
van objectieve toonhoogtemeting
Appendum 1
Kenmerken van de muzikale temperaturen.....(inhoud)
1 Elementaire muzikale
kenmerken.....(inhoud)
Hieronder volgt de beschrijving van een aantal elementaire muzikale kenmerken
van de belangrijkste muzikale temperaturen.
Volgende webpagina geeft een zeer uitgebreide bibliografie:
De Pythagorische temperatuur wordt bekomen door het opeenvolgend vormen
van reine kwinten of kwarten (toonhoogteverhoudingen 3/2, respectievelijk
4/3), maar wordt in de praktijk niet gebruikt, omdat deze temperatuur leidt
tot onderscheiden enharmonische noten (vb: cis en des), en dus problemen
geeft bij instrumentenbouw en bij het transponeren van muziekstukken.
De Pythagorische temperatuur vormt de basis voor de klassieke muziektheorie,
wat betreft:
-
de volgorde van ontstaan van de noten: de noten ontstaan door het opeenvolgend
vormen van kwinten, en dit bepaalt eveneens de volgorde voor het noteren
van kruisen (fa, do, sol, re, la, mi, si) en bemols (si, mi, la, re, sol,
do, fa) als wijzigingstekens op een notenbalk
-
het verschil tussen enharmonische noten: volgens deze temperatuur is een
dis (re kruis) iets hoger in toonhoogte dan een es (mi bemol), enz …
-
het bepalen van toonafstanden in komma’s: een hele toon omvat 9 komma’s,
een chromatische halve toon 5 komma’s, en een diatonische halve toon 4
komma’s
-
enz…
De ligging van de verschillende noten en het quasi samenvallen van de enharmonische
noten in de Pythagorische temperatuur, leidt ertoe dat muziek kon evolueren
van pentatoniek (5 noten per octaaf) over diatoniek (7 noten per octaaf)
naar chromatiek en dodekafonie (12 noten per octaaf).
De kans is betrekkelijk groot dat klassieke muziek nooit verder zal
komen dan een systeem met 12 noten per octaaf voor klavierinstrumenten,
indien uitvoerbaarheid door muzikanten gewenst is (zie ook noot hieronder).
.
Noot:
De hierboven beschreven verdeling van toonafstanden in komma's is zuiver
wiskundig bekeken niet 100 % exact, maar is wel een zeer goede benadering.
De Pythagorische komma is de toonafstand tussen twee enharmonische
noten, zoals bijvoorbeeld dis (re kruis) en es (mi bemol).
Er kan nagerekend worden dat de toonafstand tussen enharmonische noten
in de Pythagorische temperatuur steeds de volgende waarde heeft:
1 Pythagorische komma..=..3^12
/ 2^19..=..1,013643265....(^
betekent "verheven tot de macht...").
Van hieruit kan gemakkelijk nagerekend worden hoeveel maal een komma ("ongeveer")
past in een gehele toon of in een chromatische of diatonische halve toon.
Enharmonische noten, en dus ook de Pythagorische komma, ontstaan uit
het feit dat het in de Pythagorische temperatuur nooit mogelijk is om terug
te vallen op de oorspronkelijke toonhoogte van waaruit men vertrokken is,
bij de opeenvolgende noten die men creëert. Dit volgt uit de wiskundige
eigenschap:
3^m / 2^n.....kan nooit.....=...1
..........(indien....m....en....n....een
willekeurig....geheel....getal)
.
Verdere (wiskundige) merkwaardigheden:
-
De Pythagorische komma ontstaat bij het creëren van een 13-de noot
(dit is dus bij de 12-de machtsverheffing van drie). Men kan nagaan dat
12 de eerste macht van 3 is waarvoor de uitdrukking
voor het eerst zeer dicht de waarde 1 benadert, voor combinaties van gehele
waarden van m en n (3^12 / 2^19..=..1,013643265...)
-
Met kan natellen dat er in totaal 53 kommas zijn in één octaaf
(5x9 + 2x4 = 53).
Men kan echter ook nagaan dat voor m = 53 de uitdrukking....3^m
/ 2^n....opnieuw een waarde heeft zeer dicht
bij de waarde 1 (3^53 / 2^84..=..1,002090314...).
De benadering van de waarde 1 is merkelijk beter dan bij de macht 12.
Er zijn zeer vroeg reeds voorstellen geweest om instrumenten met 53
noten per octaaf te bouwen (o.a. door Mercator).
-
Ook voor m = 41 heeft men een goede benadering van de waarde 1 : beter
dan voor m = 12, maar toch merkelijk minder goed dan voor m = 53 (3^41
/ 2^65..=..0,988602548...)......
-
De volgende waarden van m, waarvoor de uitdrukking....3^m
/ 2^n....opnieuw beter de waarde 1 benadert
zijn:
-
m = 306.....3^306 / 2^485..=..0,998978283...
-
grotere waarden van m: deze bestaan, maar konden met de beschikbare rekenmiddelen
niet eenvoudig opgezocht worden... (bij m = 647, of n = 1024 werden geen
bruikbare rekenwaarden meer afgeleverd)
De afstand tot nog betere benaderingen groeit dus zeer snel.
Alleszins worden waarden van m bekomen die geen zin meer hebben voor
de bouw van muziekinstrumenten die nog door muzikanten bespeelbaar zouden
zijn.
-
Voor de volgende waarde van m is de benadering ook goed, maar toch minder
goed dan voor 12:
-
m =.024....3^24
/ 2^38..=..1,027472668
Er werd reeds geëxperimenteerd
met muziek en instrumenten met 24 noten per octaaf (met toonafstanden van
het vierde van een toon), blijkbaar zonder overtuigend resultaat totnogtoe.
|
. |
De natuurlijke temperatuur wordt bekomen door reine tertsen (verhouding
5/4 of 6/5) te vormen, op een aantal plaatsen in het octaaf waar dit mogelijk
of muzikaal wenselijk is, ten koste van enkele kwinten of kwarten die daardoor
wat aan "rein"-heid inboeten.
Deze temperatuur wordt in de praktijk niet gebruikt, om dezelfde redenen
als voor de Pythagorische temperatuur.
Deze temperatuur vormt door haar welluidendheid dank zij de reine tertsen,
de basis tot verdere ontwikkeling naar de middentoon-temperatuur en talloze
selectiestemmingen.
Noot:
Het valt op dat in deze temperatuur de enharmonische noten zo liggen
dat de kruisen een lagere toonhoogte hebben dan de enharmonische bemols,
zoals kan nagerekend worden uit tabel
1 (dit is tegenovergesteld met de eigenschap bij de Pythagorische temperatuur,
waar de kruisen een hogere intonatie hebben dan de enharmonische bemols). |
1.3 De gelijkzwevende temperatuur.....(inhoud)
De gelijkzwevende temperatuur wordt bekomen door een octaaf in twaalf strikt
gelijke delen in te delen, volgens een meetkundige reeks:
-
De rede van deze reeks is dus de twaalfde wortel uit 2, dit is: 1,059463…
.
-
Eenvoudige stemapparaten zijn volgens deze schaal geijkt, wat ertoe leidt
dat men deze temperatuur dikwijls toepast in het geval men elektronisch
stemt.
De naam van deze temperatuur komt voort uit haar eigenschap dat men bij
tweeklanken steeds dezelfde waarde bekomt voor de verhouding tussen de
frequenties van de klanken en de frequentie van hun onderlinge zweving.
De gelijkzwevende temperatuur heeft vooral grote waarde als genormeerde
meeteenheid bij het berekenen, meten en vergelijken van intervals tussen
noten. Om de mogelijke meetresolutie te verhogen wordt het octaaf verder
ingedeeld in 100 cents per halve toon, of dus 1200 cents in totaal per
octaaf.
Het is een wiskundig toeval dat de gelijkzwevende toonhoogtes redelijk
nauw aansluiten bij de toonhoogtes die men "klassiek" bekomt in de andere
temperaturen.
Muzikale toepassing van de gelijkzwevende temperatuur heeft de volgende
belangrijkste gevolgen:
-
Er zijn geen reine tertsen meer, noch groot noch klein, maar de kwarten
en kwinten blijven wel zo goed als rein
-
Het eigen muzikaal karakter van de verschillende toonaarden gaat volledig
verloren, doordat alle gelijknamige toonafstanden steeds een absoluut gelijke
toonhoogteverhouding hebben (want gelijkzwevend)
-
De harmonie wordt iets minder briljant of gekleurd, voornamelijk door gebrek
aan reine tertsen
1.4 Middentoon-temperatuur.....(inhoud)
De middentoon-temperatuur is ontstaan uit de natuurlijke temperatuur.
In de middentoon temperatuur worden er zoveel als mogelijk reine tertsen
gevormd op goed uitgekozen plaatsen (zie tabel 3.2),
en wordt de grote terts in twee gelijke hele tonen verdeeld, wat aan de
oorsprong van de naam van deze temperatuur ligt.
De middentoontemperatuur leidt tot een eenvoudige instrumentenbouw
(slechts 12 toetsen per octaaf). Bovendien laat de middentoon-temperatuur
toe om muziekstukken beperkt te transponeren. Het transponeren wordt vooral
beperkt door één "wolfskwint" (op gis of as), een kwint die
zeer sterk afwijkt van de reine kwint. Deze wolfskwint laat anderzijds
toe om bepaalde (meestal tragische, treurige) muzikale effecten te bereiken.
De middentoon-temperatuur wordt nog steeds veel toegepast bij het stemmen
van orgels en klavecimbels en is enigszins cultuur- en tijdgebonden: voor
sommige werken is het een vereiste om deze temperatuur toe te passen, indien
men het werk muzikaal ten volle wenst te ervaren zoals het uitgevoerd werd
in zijn tijd.
1.5 Selectiestemmingen.....(inhoud)
De
selectiestemmingen zijn ontstaan uit een algemene zoektocht om uit de beperkingen
van de middentoon-temperatuur te ontsnappen. Er zijn talloze selectiestemmingen
gekend, meestal uit de periode van Bach, soms echter ook vroeger, en het
vergelijken van deze temperaturen zou het onderwerp van talloze salondiscussies
hebben uitgemaakt in die tijd (cfr.
Prof. H. Kelletat).
We noemen er gewoon een aantal op bij naam, als historische referenties
(zie "Zur musikalischen Temperatur",
prof. H. Kelletat): Schlick (1511), Silbermann, Mattheson, Werckmeister
I, II, III (1691) en IV, Kirnberger I, II en III (1779), Neidhardt I, II
en III.
Recent ook nog: Kelletat (1966), Kellner (1977) en Billeter (1979)
(zie "Zur musikalischen Temperatur",
prof. H. Kelletat).
Bij het stemmen op het oor van klassieke muziekinstrumenten zal er
steeds volgens de middentoon-temperatuur of volgens een van de temperaturen
uit deze paragraaf, of aanverwante, worden gestemd. Gelijkzwevend stemmen
op het oor is nauwelijks mogelijk (cfr.
Prof. H. Kelletat).
1.6 "Welgetemperde" stemwijze.....(inhoud)
Een aantal selectiestemmingen hebben de eigenschap dat ze voor alle toonaarden
kunnen toegepast worden met behoud van een goede harmonie en behoud van
de herkenbaarheid van de karakteristieken van de verschillende toonaarden.
Ze worden dan "Wohltemperiert" genoemd.
Prof. H. Kelletat probeert
in zijn gerefereerde werken aan te tonen dat de temperaturen van Kirnberger
toonaangevend waren in de tijd van Bach en in verband kunnen worden gebracht
met "Das Wohltemperierte Klavier", een meesterwerk van Bach.
Nog steeds volgens Prof. H. Kelletat,
en in tegenstelling tot een nu reeds meer dan twee eeuwen volhardend misverstand,
mag het "Wohltemperiert Klavier" niet worden gelijkgesteld met een "Gleichschwebend
Klavier" (gelijkzwevende temperatuur: zie 1.3).
Welgetemperde manieren van stemmen zijn onder andere: Kirnberger I,
II en III (1779), Kelletat (1966), Kellner (1977), Billeter (1979) (zie
"Zur musikalischen Temperatur", prof. H. Kelletat).
Een eerste meer grondige kennismaking met de temperatuur van Kellner
is mogelijk via zijn internet-publicaties:
Noot (toegevoegd aan de nederlandstalige tekst):
In deze tekst vertalen we het begrip "Wohltemperiert" naar "Welgetemperd":
"goed en in zijn geheel getemperd".
Welgetemperd is geen correct Nederlands, toch gebruik ik de naam "Welgetemperd"
omwille van de zeer specifieke betekenis die er kan aan toegekend worden,
met de hoop zelfs dat deze naam op termijn eventueel een zinvol en goed
begrepen term zou kunnen worden.
Minstens in het Duits, Engels en Frans is de hier gebruikte naam (welgetemperd)
een reeds lang ingeburgerde en een door ieder welbegrepen term:
"Wohl-temperiert", "well-tempered", "bien tempéré"; deze
termen worden
zeer duidelijk gebruikt in een onderscheiden, verschillende
betekenis van de termen "Gleichschwebend", "equally tempered", "tempérament
égal" (gelijkzwevend).
Het komt natuurlijk de musicologen en de taalkundigen toe om een juiste
Nederlandse term te definieren voor het woord "Wohltemperiert", maar veel
naar het Nederlands vertalende woordenboeken maken de fout om "Wohl-temperiert"
te vertalen naar "Gelijkzwevend", wat zeer uitgesproken in tegenspraak
is met de breedvoerige en grondig gedocumenteerde uiteenzettingen hierover
door prof. H. Kelletat. |
1.7 Verdere studie.....(inhoud)
De bespreking ten gronde van de verschillende muzikale temperaturen, harmonie
en toonaarden is onderdeel van de hogere muziekleer in het algemeen.
Hierover bestaat zeer uitgebreide literatuur en het is een belangrijk
onderdeel van het leerprogramma aan de muziekconservatoria. Daarom wordt
er hier niet verder op ingegaan.
2 Muziek-technische analyse.....(inhoud)
2.1 Basisgegevens.....(inhoud)
Basisgegevens over toonladders, zoals algemeen gepubliceerd, worden hieronder
voor de volledigheid en de bevordering van de leesbaarheid nogmaals weergegeven.
Tabel 1: Frequentieverhoudingen in toonladders
(^: "^" betekent "verheven tot de macht …")
|
Pythagorisch
|
Natuurlijk
|
Middentoon |
Kirnberger II |
Temperatuur |
|
2/1
|
2/1
|
2/1 |
2/1 |
C
|
|
3^12/2^18
|
125/ 64
|
. |
. |
his
|
|
243/128
|
15/8
|
15/8 - 1/4c |
15/8 |
h
|
|
16/9
|
16/9
|
16/9 + 1/2c |
16/9 |
b
|
|
3^10/2^15
|
225/128
|
. |
. |
ais
|
|
27/16
|
5/3
|
5/3 + 1/4c |
161/96 |
a
|
|
128/81
|
8/5
|
. |
. |
as
|
|
3^8/2^12
|
25/16
|
25/16 |
128/81 |
gis
|
|
3/2
|
3/2
|
3/2 - 1/4c |
3/2 |
g
|
|
1024/ 729
|
64/45
|
. |
. |
ges
|
|
729/512
|
45/32
|
25/18 + 1/2c |
45/32 |
fis
|
|
4/3
|
4/3
|
4/3 + 1/4c |
4/3 |
f
|
|
3^11/2^17
|
125/96
|
. |
. |
eis
|
|
81/64
|
5/4
|
5/4 |
5/4 |
e
|
|
32/27
|
6/5
|
6/5 - 1/4c |
32/27 |
es
|
|
3^9/2^14
|
75/64
|
. |
. |
dis
|
|
9/8
|
9/8
|
9/8 - 1/2c |
9/8 |
d
|
|
256/243
|
16/15
|
. |
. |
des
|
|
3^7/2^11
|
25/24
|
25/24 + 1/2c |
256/243 |
cis
|
|
1/1
|
1/1
|
1/1 |
1/1 |
c
|
Uit tabel 1 kunnen in tabel 2 een aantal "klassieke" toonafstanden worden
bepaald.
Tegelijk met de toonafstanden geven we ook de maximum en minimum waarde
op van de afwijking die overeenstemt met een halve komma (= ±
0,656 %).
Tabel 2: Frequentieverhoudingen van enkele toonafstanden
|
Afstand + 1/2 komma
|
1,073664
|
1,118400
|
1,132380
|
1,207872
|
1,258200
|
1,192960
|
1,273928
|
1,509840
|
|
Berekende afstand
|
16/15 =
1,06667
|
10/9 =
1,11111
|
9/8 =
1,125
|
6/5 =
1,2
|
5/4 =
1,25
|
32/27 =
1,185185
|
81/64 =
1,265625
|
3/2 =
1,5
|
|
Afstand -
1/2 komma
|
1,059669
|
1,103822
|
1,117620
|
1,192128
|
1,241800
|
1,177410
|
1,257323
|
1,490160
|
|
Toon-afstand
|
Halve toon
|
Kleine seconde
|
Grote seconde
|
Reine kleine terts
|
Reine grote terts
|
Kleine Pytha-gorische terts
|
Grote Pytha-gorische terts
|
Kwint
|
2.2 Karakteristieken van tweeklanken:
overzicht.....(inhoud)
Voor het berekenen van de verhoudingen van de tweeklanken hieronder, werden
de gegevens over toonhoogtes of toonverhoudingen gebruikt zoals opgegeven
in de reeds gerefereerde werken van prof.
H. Kelletat. Een ingekort of aangepast overzicht van deze gegevens
werd reeds gegeven in de hoofdtekst onder de paragrafen 2.1,
2.2,
en in dit appendum onder paragraaf 2.1.
Met de tabel hieronder wordt er gepoogd om de kenmerken van de belangrijkste
tweeklanken in functie van de gekozen muzikale temperatuur op een overzichtelijke
grafische wijze af te beelden.
Tabel 3.1: gelijkzwevende temperatuur
|
Halve toon
|
1,059
|
1,059
|
1,059
|
1,059
|
1,059
|
1,059
|
1,059
|
1,059
|
1,059
|
1,059
|
1,059
|
1,059
|
1,059
|
|
Kleine seconde
|
1,123
|
1,123
|
1,123
|
1,123
|
1,123
|
1,123
|
1,123
|
1,123
|
1,123
|
1,123
|
1,123
|
1,123
|
1,123
|
|
Grote seconde
|
1,123
|
1,123
|
1,123
|
1,123
|
1,123
|
1,123
|
1,123
|
1,123
|
1,123
|
1,123
|
1,123
|
1,123
|
1,123
|
|
Kleine terts
|
1,183
|
1,183
|
1,183
|
1,183
|
1,183
|
1,183
|
1,183
|
1,183
|
1,183
|
1,183
|
1,183
|
1,183
|
1,183
|
|
Grote terts
|
1,260
|
1,260
|
1,260
|
1,260
|
1,260
|
1,260
|
1,260
|
1,260
|
1,260
|
1,260
|
1,260
|
1,260
|
1,260
|
|
Kwint
|
1,498
|
1,498
|
1,498
|
1,498
|
1,498
|
1,498
|
1,498
|
1,498
|
1,498
|
1,498
|
1,498
|
1,498
|
1,498
|
|
Gelijkzwevend
|
c
|
cis
|
d
|
es
|
e
|
f
|
fis
|
g
|
gis
|
a
|
b
|
h
|
C
|
Tabel 3.2: Middentoon stemwijze
|
Halve toon
|
1,045 |
1,070 |
1,070 |
1,045 |
1,070 |
1,045 |
1,070 |
1,045 |
1,070 |
1,070 |
1,045 |
1,070 |
1,045 |
|
Kleine seconde
|
1,118
|
1,145
|
1,118
|
1,118
|
1,118
|
1,118
|
1,118
|
1,118
|
1,145
|
1,118
|
1,118
|
1,118
|
1,118
|
|
Grote seconde
|
1,118
|
1,145
|
1,118
|
1,118
|
1,118
|
1,118
|
1,118
|
1,118
|
1,145
|
1,118
|
1,118
|
1,118
|
1,118
|
|
Kleine terts
|
1,196
|
1,196
|
1,196
|
1,168
|
1,196
|
1,168
|
1,196
|
1,196
|
1,196
|
1,196
|
1,168
|
1,196
|
1,196
|
|
Grote terts
|
1,25
|
1,28
|
1,25
|
1,25
|
1,25
|
1,25
|
1,28
|
1,25
|
1,28
|
1,25
|
1,25
|
1,28
|
1,25
|
|
Kwint
|
1,495
|
1,495
|
1,495
|
1,495
|
1,495
|
1,495
|
1,495
|
1,495
|
1,531
|
1,495
|
1,495
|
1,495
|
1,495
|
|
Middentoon
|
c
|
cis
|
d
|
es
|
e
|
f
|
fis
|
g
|
gis
|
a
|
b
|
h
|
C
|
Tabel 3.3: Kirnberger II
|
Halve toon
|
1,054 |
1,068 |
1,054 |
1,055 |
1,067 |
1,055 |
1,067 |
,1054 |
1,061 |
1,06 |
1,055 |
1,067 |
1,054 |
|
Kleine seconde
|
1,125
|
1,125
|
1,111
|
1,125
|
1,125 |
1,125
|
1,124
|
1,118
|
1.125
|
1,118
|
1,125
|
1,124
|
1,125
|
|
Grote seconde
|
1,125
|
1,125
|
1,111
|
1,125
|
1,125 |
1,125
|
1,124
|
1,118
|
1.125
|
1,118
|
1,125
|
1,124
|
1,125
|
|
Kleine terts
|
1.185
|
1.187
|
1,185
|
1,187
|
1,2
|
1,185
|
1,193
|
1,185
|
1,187
|
1,193
|
1,185
|
1,2
|
1,185
|
|
Grote terts
|
1,25
|
1,266
|
1,25
|
1,266
|
1,262
|
1,258
|
1,262
|
1,25
|
1,266
|
1,253
|
1,266
|
1,262
|
1,25
|
|
Kwint
|
1,5
|
1,5
|
1.491
|
1,5
|
1,5
|
1,5
|
1.498
|
1,5
|
1,5
|
1.491
|
1,5
|
1,5
|
1,5
|
|
Kirnberger II
|
c
|
cis
|
d
|
es
|
e
|
f
|
fis
|
g
|
gis
|
a
|
b
|
h
|
C
|
.
| Kleurcode: |
reine toonafstand |
| |
rein ± 0,5 komma (0,656 %) |
| |
Pythagorische terts |
| |
Pythagorische terts ± 0,5 komma (0,656
%) |
| |
buiten tolerantie van ± 0,5 komma |
2.3 Karakteristieken van tweeklanken:
Kwintencirkel.....(inhoud)
Het is ook mogelijk om de eigenschappen van de belangrijkste tweeklanken
op een kwintencirkel weer te geven, zoals in figuur 1.
De kleurcode van de lijnen in de figuur is gelijk aan de kleurcode
in de tabellen hierboven.
Figuur 1
De tekening werd uitgewerkt voor het geval van een temperatuur volgens
Kirnberger II.
De kwinten liggen zoals steeds op bogen van 30 graden op de cirkel,
en de tertsen zijn koorden van 90 graden (kleine tertsen) of 120 graden
(grote tertsen).
Figuur 1 bevat alle reine kleine tertsen, maar de andere kleine tertsen
en de seconden en halve tonen werden voor de overzichtelijkheid niet getekend.
In figuur 1 valt op dat ALLE noten met elkaar verbonden zijn via groene
(= reine) elementen, behalve de a ("la"). In andere woorden: de relatieve
ligging van ALLE noten (behalve de a of "la") is heel precies bepaald op
basis van eenvoudige toonhoogteverhoudingen (reine toonafstanden). De structuur
van deze figuur is dus zeer star: deze figuur is niet vervormbaar zonder
wijziging in de karakteristieken van de toonafstanden.
Het is zeer opvallend dat het precies de a ("la") is die buiten de
groep valt, zeker indien men bedenkt dat het de a ("la") is die zo goed
als steeds de referentietoonhoogte is in de klassieke muziek !
Een en ander dient hier gezien te worden in zijn geschiedkundige en
traditionele context, om te begrijpen of aanvaarden dat de "la" tóch
dé muzikale referentie-toonhoogte is. Het onderzoek hiervan is een
studie op zich.
Zuiver technisch wetenschappelijk ware het op basis van bovenstaande
vaststelling beter geweest een referentienoot te kiezen die zo centraal
mogelijk ligt en met zoveel mogelijk groene verbindingslijnen, zoals bijvoorbeeld
de g ("sol") die via vier reine tweeklanken met andere noten verbonden
is, en die de "dominante" noot is van de grote terts toonladder in C ("do").
Gebruiken en tradities zijn in de klassieke muziek echter zo sterk
dat elk mogelijk voorstel voor verandering van referentie-toonhoogte niet
de minste kans op aanvaarding heeft. Hier dient onder andere ook te worden
overwogen dat mits aanvaarding van zeer kleine afwijkingen ten overstaan
van de volledige reinheid, de a ("la") nóg méér goede
tweeklanken heeft: de a ("la") is in figuur 1 met ZES gele lijnen met andere
noten verbonden.
Mogelijk praktisch gebruik van figuur 1:
De zwarte halve cirkel bedekt steeds de diatonische noten van
één octaaf, en staat hier in een stand die overeenkomt met
de toonaarden C (groot) en a (klein).
De grondnoten van de grote en kleine terts toonladders zijn op deze
zwarte halve cirkel aangegeven door een zwart en een wit punt.
Gepaste rotatie van de zwarte halve cirkel laat toe om de karakteristieken
van de akkoorden van andere toonaarden snel te overzien. De typerende karakteristieken
van de verscheidene toonaarden zijn het gevolg van de verschillende karakakteristieken
van de tweeklanken die in een toonaard bevat zijn, zoals zeer uitgebreid
besproken in de werken van prof. H.
Kelletat.
Men kan op de kwintencirkel hierboven nakijken dat de toonaarden C
en a zeer veel reine toonafstanden bezitten, bij de stemwijze volgens Kirnberger
II.
2.4 Karakterisiteken van de tweeklanken:
Grafische vergelijking.....(inhoud)
In zijn boek geeft Kelletat voor de belangrijkste temperaturen afzonderlijke
grafische voorstellingen van de afwijkingen van kwint, en van de grote
en kleine terts.
Combinatie van de grafieken leidt tot de figuren die hieronder kunnen
opgevraagd worden, waarbij de Pythagorische ladder voor deze figuren op
een alternatieve wijze werd gedefinieerd (*).
Opvallende kenmerken van de "Bach-temperaturen" (zie paragraaf 1.6):
-
Ze sluiten zeer nauw bij elkaar aan, en zijn in groep tamelijk verschillend
van de andere temperaturen
-
de afwijkingen van de kwinten zijn zeer beperkt (steeds kleiner dan ongeveer
5 cents)
-
de (grote en kleine) tertsen zijn zeer rein voor de hoofdtoonaarden, en
ze gaan geleidelijkaan over in (grote en kleine) Pythagorische tertsen
voor verwijderde toonaarden (+ 21,5 cents afwijking voor de grote Pythagorische
terts, en - 21,5 cents afwijking voor de kleine Pythagorische terts)
.
| (*) Alternatieve definitie van
de Pythagorische toonladder:
De normale definitie van de Pythagorische toonladder gebeurt
als volgt:
-
Vertrekkend van a opwaarts kwinten vormen die leiden tot d, g, c, f, bes,
es, as, des, ges, ces, fes, beses, eses, …
-
Vertrekkend van a afwaarts kwinten vormen die leiden tot e, b, fis, cis,
gis, dis, ais, eis, bis, fisis, cisis, gisis, …
Voor het tekenen van de grafieken hierboven werd de Pythagorische ladder
echter op een alternatieve wijze opgebouwd, opdat de vier meest zuivere
grote tertsen in deze ladder zouden vallen op de noten d, g, c en f.
.
Deze alternatieve opbouw wordt bekomen door vetrekkend van a
opwaarts kwinten te vormen, waarbij op sommige punten de naam van een noot
dient vervangen te worden door de naam van een enharmonische noot. Dit
geeft de reeks:
.
a, e, b, fis, cis, gis,
(dis
->) es, (ais ->) bes,
(eis ->) f, (bis ->) c,
(fisis ->) g, (cisis ->)
d |
.
INHOUD
Het stemmen van klassieke muziekinstrumenten bij middel van objectieve
toonhoogtemeting
1 Inleiding.....
2 Toonhoogtes
2.1 Algemeen
2.2 Meten
van de toonhoogte
2.3 Meetinstrumenten
3 Besluit
Appendum 1 Kenmerken van de muzikale
temperaturen....
1 Elementaire muzikale
kenmerken
1.1 De
Pythagorische temperatuur
1.2 De
natuurlijke (reine) temperatuur
1.3 De
gelijkzwevende temperatuur
1.4 De
middentoon-temperatuur
1.5 Selectiestemmingen
1.6 De
"Welgetemperde Stemwijze"
1.7 Verdere
studie
2 Muziek-technische analyse
2.1 Basisgegevens
2.2 Karakteristieken
van de tweeklanken in functie van de temperatuur: overzicht
2.3 Karakteristieken
van de tweeklanken: kwintencirkel
2.4 Karakteristieken
van de tweeklanken: Grafische vergelijking
Appendum 2 Toonhoogte-meettechnieken...
1 Gebruik
van bestaande apparatuur
2 Mogelijke
verdere ontwikkelingen
3 Praktische
implementatie van de autocorrelatietechniek
Revision 2002-07-26 |