Vragen:
1. Hoe ben je er toe gekomen om voor het kloosterleven te kiezen?
2. Wanneer heb je dat voor jezelf beslist?
3. Waarom de abdij van Averbode?
4. Wat omvat het kloosterleven?
5. Wat betekenen elk van de geloften voor u?
6. Wat is de hiërarchie in de abdij?
9. Wat moest je toen achterlaten?
12. Het aantal kerkgangers is sterk afgenomen. Hoe komt dat?
13. Is dit de schuld van de Kerk?
14. Zou deze niet mee moeten evolueren met deze kritische maatschappij waarin wij leven?
15. Hoe zou jij het aanpakken om meer mensen in de Kerk te krijgen?
16. Welke boodschap zou jij de mensen willen meegeven om tot een betere leefgemeenschap te komen?
1. Hoe ben je er toe gekomen om voor het kloosterleven te kiezen?
Het leven is één groot
geschenk van God. Er is niets dat we zijn, hebben of kunnen dat we niet
gekregen hebben.
Tot die conclusie kwam
ik al vrij vroeg, zowat rond mijn 12e jaar. Van toen af ben ik beginnen zoeken
naar een levenswijze, waardoor ik dat enorme geschenk zou kunnen nuttig maken.
Je kan immers jaren knoeien met je leven en pas achteraf tot de conclusie komen
dat je het verbrast hebt. Een andere oplossing is je leven – geheel of
gedeeltelijk – te delen met anderen. En dan bedoel ik delen in de zuiverste vorm
van het woord: een stuk ervan wegschenken aan iemand anders. In de eerste
plaats vond ik dat ik mijn leven ter beschikking moest stellen van God, die het
me gaf. Maar rechtstreeks iets aan God geven is nogal moeilijk. God is immers
oneindig groter dan onze zintuigen en gedachten vatten kunnen. Maar we kunnen
God wel ervaren in onze medemensen. Dus… als ik mijn leven met God wil delen,
zal ik dat via mijn medemensen moeten doen. Er is natuurlijk ook het gebed,
waarin we God de eer brengen die Hem toekomt. Ook dat zou een basiscomponent
van mijn geloofsbeleving worden. Vermits ik mijn eigen ideeën in de leer van de
Katholieke Kerk terugvond, besloot ik om me daarin te verdiepen. Ik nam de
beslissing dat ik gevormd wilde worden, om zo voor God en Zijn volk mijn geloof
uit te spreken. Mijn vormsel was een heel bijzonder moment, dat ik me tot op
dit moment nog zeer goed herinner, ook al is het al zo lang geleden.
Na een periode van
zoeken ben ik tot de conclusie gekomen dat ik het priesterschap als een zinvolle
levenskeuze voor mezelf kon aanvaarden. Door beschikbaarheid, gebed en
dienstbaarheid te combineren, de drie kernbegrippen van mijn roeping, kon ik op
weg gaan naar een door mij realiseerbaar levensideaal.
Helemaal zal ik het
nooit bereiken, maar ik ben ervan overtuigd dat ik met de hulp van God en mijn
medemensen tot op grote hoogte dit ideaal kan vervullen.
Maar… priesterschap
bestaat in twee verschillende vormen. Seculier priesterschap (in dienst van een
bisschop, meestal als pastoor, aangesteld voor één of meerdere parochies) en
regulier priesterschap (in een congregatie of een kloosterorde). Beide hebben voor- en nadelen, maar omdat ik
niet dikwijls de behoefte heb om eenzaam te zijn en ook omdat ik het niet zag
zitten op mijn 50 jaar eenzaam weg te kwijnen in een pastorij (om dan nog niet
te spreken over mijn oude dag), besloot ik dat het kloosterleven voor mij een
goede keuze kon zijn. Ook het kloosterleven kent eenzaamheid. Samenleven is
niet altijd eenvoudig. Toch denk ik dat samenleven in een gemeenschap op een
bijzondere wijze ons geloof uitdiept en verbreedt tot een echte levenswijze, in
woord en gedachte, doen en laten.
2. Wanneer heb je dat voor jezelf beslist?
Reeds in de herfst van
1997, op 16-jarige leeftijd, heb ik voor mezelf besloten dat de kans groot was
dat ik ooit kloosterling zou worden. Toen verbleef ik voor een weekend in een
benedictijnenabdij. Daarbij heb ik toen ook besloten dat het monnikendom voor
mij niet was weggelegd. De component
van de pastoraal was voor mij een noodzakelijke factor, die in de
benedictijnenorde niet zo uitdrukkelijk tot uitdrukking komt.
Toen ik in de zomer van
1998 voor het eerst in de abdij van Averbode verbleef, onder het statuut van
“meeleef-jongen” (ik volgde hun dagschema en nam deel aan hun leven,
uitgezonderd de lessen en bepaalde bijeenkomsten als vergaderingen en
dergelijke), sloeg de vonk van het Norbertijnenleven definitief over.
In februari 1999, op
18-jarige leeftijd, heb ik formeel mijn aanvraag ingediend aan de prelaat van Averbode
om opgenomen te worden in het religieuze leven van de abdij en dus bijgevolg
het noviciaat te mogen beginnen.
3. Waarom de abdij van Averbode?
Mijn Vormsel heb ik ontvangen uit handen van… de prelaat van Averbode. Hij had tijdens zijn homilie een beetje lacherig gezegd: “Ik zou jullie binnen een jaar of zes wel eens terug willen zien, om te zien wat er van jullie geworden is.” Die woorden ben ik nooit vergeten.
In 1998 Was ik ongeveer 6
jaar gevormd. Omdat ik op zoek was naar een vorm van kloosterleven, die bij mij
paste, besloot ik eens een bezoek te brengen. Via een broeder van het
Sint-Michielscollege in Brasschaat (dat een huis is van onze abdij) nam ik
contact op met de novicemeester van de abdijgemeenschap. Met hem sprak ik af in
juli een weekje te komen meeleven met de jonge mannen in de gemeenschap. Toen
ik weer thuis kwam, deed ik – naar men mij vertelde – zo raar, dat mijn moeder
me zei: “Je lijkt wel verliefd”. Dat was voor mij genoeg om mijn diepste
gevoelens ten opzichte van de abdij voor ogen te zien. Ik besloot het rustig
aan te doen en geen keuzes te maken op zuiver emotionele basis. Na lang
nadenken en verschillende verblijven in de abdij, hakte ik uiteindelijk de
knoop door.
4. Wat omvat het kloosterleven?
Er bestaat eigenlijk niet zoiets als “het kloosterleven”. Kloosterleven kan heel verschillende gedaanten aannemen, zelfs binnen een zelfde kloostergemeenschap. In onze gemeenschap is er altijd een samenspel tussen actief leven (werken) en contemplatief leven (beschouwend leven). Het één kan niet zonder het andere. We hebben het gebed nodig om vol enthousiasme aan de slag te gaan en zonder het werken zou ons gebed hol en leeg worden.
Voor onze orde, de
Norbertijnen (of Reguliere kanunniken van Prémontré, of Premonstratenzers),
zijn er drie grote zuilen waarop ons leven gebouwd is: Liturgie, Apostolaat en
Communio.
Liturgie
omvat het geheel van de gebedsdiensten die samen gevierd worden. In onze
gemeenschap zijn dat er 3: een morgendienst, een eucharistieviering op de
middag en een avonddienst. Dat zijn de drie scharniermomenten in onze
dagindeling. Verder hebben we de kans om individueel of in kleine groep
(bijvoorbeeld: alle jongeren in opleiding) nog andere gebedsmomenten in te
lassen. Zo houden de jongeren in opleiding iedere zaterdagavond nog een extra
gebedsdienst die, volgens een beurtrol, telkens door iemand anders wordt
samengesteld en voorgegaan. Zo leren we voorgaan in een gebedsdienst en ook
werken met teksten, liederen enz… Op die manier leren we ook elkaars accenten
kennen en waarderen.
Apostolaat is
een moeilijk woord voor dienstbaarheid. Er zit het woord “apostel” in: leerling
of volgeling van Jezus. Concreet wil dit zeggen: ten dienste staan van het
Godsvolk en zo de boodschap van Jezus verspreiden, niet alleen door prediking,
maar ook door daden. Zo zijn zeer velen van onze medebroeders pastoor van een parochie,
hebben we een sterk uitgebouwd bezinningscentrum en uitgebreide mogelijkheden
om gasten te ontvangen voor korte (een dag) of langere tijd (een weekend of
week of zelfs langer). Bijna elke week komen er twee klasgroepen op bezinning
in onze abdij, voor twee of drie dagen. Zij hebben een eigen dagindeling, maar
één dag eten zij ‘s avonds mee in de stille avondrefter en volgen de
avondgebedsdienst. Dat is voor hen vaak een boeiende en verrijkende ervaring.
Verder zijn er een
10-tal medebroeders actief in het onderwijs, waarbij het grootste deel in het
Sint-Michielscollege in Brasschaat woont.
Ook in het buitenland
zijn Norbertijnen van Averbode actief. In Denemarken, Italië (Rome), Brazilië
en India wonen en werken verschillende medebroeders in parochies.
Een niet te vergeten
apostolaatstak is onze uitgeverij, bekend van de tijdschriften voor jongeren
(onder andere Zonnekind, iD, Reflector, Vlaamse Filmpjes, Doremi, … ). Hoewel
er niet altijd expliciet over de christelijke godsdienst wordt gesproken,
probeert men altijd een christelijke invalshoek te behouden.
Communio is
de diepste en moeilijkste zuil van ons kloosterleven. Het is een Latijnse term,
die eigenlijk niet te vertalen valt. Enkele woorden die de zin ervan aangeven
zijn: gemeenschap, samenzijn, eenheid, verbondenheid, …
De sterkste uitdrukking
ervan ervaren we in het samenleven in de gemeenschap. Maar er is ook communio
tussen de leden binnen en buiten de abdijmuren. Het gaat om een sterke
liefdesband tussen alle leden van een gemeenschap, of ze nu binnen de muren
wonen of niet. Het gemeenschappelijk bezit is er ook een uitdrukking van. Maar
er is ook communio tussen onze gemeenschap en de gehele wereld, tussen onze
gemeenschap en de Kerk, tussen God en onze gemeenschap. Je merkt het: juist het
mooiste aspect van ons leven is het moeilijkst onder woorden te brengen. Een
bijbelcitaat kan helpen:
“De menigte die het
geloof had aangenomen, was één van hart en één van ziel en er was niemand die
iets van zijn bezittingen zijn eigendom noemde; integendeel, zij bezaten alles
gemeenschappelijk.” (Hand. 4, 32)
5. Wat betekenen elk van de geloften voor u?
Bij onze eeuwige professie worden de geloften afgelegd volgens volgende formule:
“Ik, frater NN, draag mijzelf op en geef mij aan de kerk van NN, en ik
beloof een leven van bekering en communio te leiden, dat vooral gekenmerkt
wordt door armoede, gewijd celibaat en gehoorzaamheid, volgens het evangelie
van Christus en de levenswijze van de apostelen, volgens de regel van de
heilige Augustinus en de constituties van de premonstratenzerorde, ten
overstaan van NN, prelaat van deze kerk, en mijn medebroeders.”
Er worden dus drie
geloften afgelegd: armoede, gewijd celibaat en gehoorzaamheid.
Armoede wordt
in onze orde geïnterpreteerd zoals de heilige Augustinus, de schrijver van onze
kloosterregel, dat zag: gemeenschappelijk bezit, zoals bij de apostelen en in
de eerste Kerk het geval was. Concreet betekent dit dat in onze gemeenschap in
theorie alles tot het gemeenschappelijk bezit hoort. In de praktijk behouden we
wel het gebruiksrecht over de dingen die we nodig hebben: kleding, materiaal,
bepaalde boeken, enzovoort. Toch noemen we niets van wat we hebben “van mij”,
maar steeds proberen we het “van ons” te noemen en te beleven. We krijgen van
de gemeenschap wat we nodig hebben uit wat we gemeenschappelijk bezitten.
Dingen die we niet echt altijd
nodig hebben, zoals keukengerei, een televisie, een auto enzovoort, blijven
strikt gemeenschappelijk bezit. Er zijn enkele ruimtes ingericht waar we
televisie kunnen gaan kijken. Op onze kamer mogen we geen televisie hebben, wel
een radio of andere muziekinstallatie. De meeste auto’s zijn gemeenschappelijk.
Dat wil zeggen dat, wanneer we met de auto ergens naartoe willen, we de sleutel
gaan vragen aan de huisoverste, de prior. Verder heb ik bijvoorbeeld mijn
computer op de kamer, omdat dit voor mij een belangrijk werkinstrument is voor
studie en ander werk.
Door zonder strikt
persoonlijk bezit te leven, stellen we ons ten dienste van onze medebroeders,
die dezelfde gelofte hebben afgelegd. Ook proberen we zo tegemoet te komen aan
de noden van armen en hulpbehoevenden. Onze gemeenschap doet dit onder andere
door jaarlijks naast de gaven van de kerkbezoekers tijdens de middernachtmis
van Kerstmis, dit bedrag uit eigen vermogen te verdubbelen en dat geheel te
schenken aan goede doelen.
Gewijd celibaat is een gelofte die de laatste tijd in de media nogal ter discussie
staat. Elk lid van onze gemeenschap is echter naar hier gekomen met het
volledige besef van deze gelofte. Mensen die voor het kloosterleven kiezen,
kiezen voor de drie geloften, dus ook voor het celibaat. Een
kloostergemeenschap zonder de celibaatsverplichting lijkt me moeilijk leefbaar.
Dit in tegenstelling tot de parochiepriesters, die verbonden zijn aan een
bisdom, die het celibaat erbij moeten nemen. Indien men het celibaat zou
afschaffen voor seculiere parochiepriesters, verandert er voor ons,
kloosterlingen, NIETS. Ook niet voor de medebroeders-buitenheren. Zij blijven
volwaardig lid van de gemeenschap en blijven gebonden aan hun celibaatbelofte.
Wat houdt het celibaat
nu in, volgens de objectieve interpretatie van de Kerk?
Het gaat om drie dingen:
1. Onthouding van
seksuele betrekkingen
2. Onverdeelheid van
hart
3. Er geen levenswijze
op nahouden die de schending van de vorige twee punten inhoudt, tot risico
heeft, of de schijn ertoe wekt.
“Onverdeeldheid van hart”
gaat erom dat we geen exclusieve relaties aangaan, geen relaties waarbij je
echt kan spreken van een “koppel”.
De behoefte aan
tederheid en seksualiteit is geen “knop” die je kan omdraaien en zo het hele
systeem uitschakelen. Het gaat om een groeiproces met vallen en opstaan. In
tegenstelling tot wat vroeger wel eens gebeurde, worden we nu op een positieve
manier begeleid om op een zo natuurlijk en zinvol mogelijke manier te groeien
in het celibaat. Belangrijk daarbij is dat we lichaam en lichamelijkheid niet
beschouwen als “slecht” of “zondig”.
Tederheid en liefde zijn twee van de mooiste dingen die bestaan. Dat mogen we
niet ontkennen. Wij kiezen echter om “vrij te zijn van exclusieve relaties”, we
willen zo veel mogelijk beschikbaar zijn voor alle mensen. Daarom blijven we
ongehuwd en zonder persoonlijke relatie die verder gaat dan een broederlijke of
zusterlijke band. In die zin blijft dus het celibaat een menselijk gegeven: een
knuffel of een kus (binnen de grenzen van het gepaste, welteverstaan) kunnen
dus wél. Iemand die celibatair is kan gerust zijn beste vriend(in) begroeten
met een knuffel. Zolang beide betrokkenen weten waar ze staan, zolang dit niet
een uitdrukking is van een één-één relatie is dit absoluut geen probleem.
Een woordspel: wij
willen niet éénzaam zijn, niet tweezaam (=1+1-relatie), maar méérzaam: we
willen proberen onze liefde te verdelen aan alle mensen. Natuurlijk zijn er
mensen met wie we beter overweg kunnen, maar we willen minstens een poging in
de goede richting doen.
We willen een andere
vorm van liefde beleven, dan die vormen die tegenwoordig zo gretig in de media
worden uitgesmeerd. De kern van het celibaat ligt niet in het vraagstuk “seks
of geen seks”, het gaat erom van mensen te houden op een niet-exclusieve
manier. Wij proberen te houden van mensen, zonder dat we er iets voor terug
willen.
Gehoorzaamheid.
In onze gemeenschap wordt onze overste als een vader gehoorzaamd, in navolging
van Christus’ gehoorzaamheid tot de dood toe. Dit gaat dat vooral om belangrijke
en zwaarwichtige materie. Wij kunnen vrij aan onze oversten onze verlangens en
moeilijkheden, bekwaamheden en beperkingen bekendmaken. Meestal wordt voor heel
belangrijke dingen beslist in samenspraak met de gehele gemeenschap, vergaderd
in het canoniekapittel. (bijvoorbeeld voor de toelating tot de plechtige
professie)
Het belang van de gehele
gemeenschap primeert, maar dat wil niet zeggen dat de medebroeders afzonderlijk
iets tekort mogen komen. Hoofddoel is de levenskwaliteit in de gemeenschap op
peil te houden.
In onze gemeenschap
gebeuren benoemingen en andere beslissingen meestal als gevolg van broederlijke
gesprekken, maar de oversten behouden steeds het recht van de eindbeslissing,
waartegen slechts in extreme gevallen beroep nodig is. Iemand dit tegen zijn
zin ergens benoemd wordt, doet namelijk meestal zijn werk ook niet erg goed. Er
wordt binnen mogelijkheden en interessesfeer een gepaste taak gezocht, wat niet
wegneemt dat iemand totaal onverwacht een andere functie krijgt, die op het
eerste gezicht minder aantrekkelijk is, maar waaruit gewoonlijk later rijke
vruchten voortkomen.
6. Wat is de hiërarchie in de abdij?
Aan het hoofd van een canonie staat de prelaat. Een canonie is het geheel van huizen, verbonden aan één kerk. Bijvoorbeeld Averbode: de canonie Averbode bestaat uit alle mensen die door professie of intrede verbonden zijn aan de kerk van Maria en Sint-Jan de Doper te Averbode. Daar horen dus alle buitenheren ook bij en ook alle missionarissen en mensen die andere taken hebben buiten de abdijmuren.
Een prelaat is een
priester die de leiding heeft over een canonie. Die prelaat kan abt zijn, maar
dat hoeft niet. Abt wordt iemand die de abtszegening ontvangt. Een prelaat die
geen abt is, is een prior. (Alle mussen zijn vogels, maar niet alle vogels
mussen. Alle abten zijn prelaat, maar niet alle prelaten abt.)
In onze abdij is onze
prelaat abt. De tweede in rang is de prior. Het woord prior komt uit het Latijn
en betekent zoveel als “eerste”. Hij is dus de eerste in rang onder de abt.
Onder de prior staat de
supprior. Vervolgens is er een circator. Wij zijn één van de weinige
gemeenschappen die nog een circator hebben. Vroeger stond die in voor de orde
en tucht in het huis. Nu is hij gewoon de vierde overste in de rij, die de
anderen bij afwezigheid vervangt.
De abt wordt bijgestaan
door zijn raad, bestaande uit de oversten, enkele mensen die er vanwege hun
functie in zetelen en nog enkele leden, die door het canoniekapittel worden
gekozen.
Het canoniekapittel is
eigenlijk het hoogste orgaan in de canonie. Het bestaat uit alle leden die
plechtige professie hebben afgelegd. Het is ook dit orgaan dat de nieuwe abt
kiest.
Als je duizend boeken
over gebed zou lezen, zou je duizend verschillende antwoorden krijgen. Bidden
is voor mij in contact treden met God, me openstellen voor Zijn Stem en mijn
noden, klachten, vragen, verlangens, dankbaarheid en twijfels voor Hem
openleggen. Bidden is voor mij in de eerste plaats luisteren naar God. Maar ook
samen biddend zingen is een zeer sterke ervaring voor mij, telkens weer. Bidden
is de motor van mijn geloofsleven. Daaraan voel ik of het goed gaat of minder
goed: als het bidden niet lukt, voel ik meteen dat er nog iets schort. Het is
een lang groeiproces. Soms is bidden gewoon “oorlog”, een gevecht tegen alles
wat me overspoelt. En toch vind ik er telkens weer rust en kracht in om verder
te gaan in mijn levensavontuur.
Dat heeft onder andere
te maken met de tijdsgeest. Mensen zijn tegenwoordig minder geneigd om
engagementen te maken op lange termijn. Zeker wanneer dit engagement invloed
heeft op hun gehele leven, schrikt dat af. Ook vroeger was de keuze voor het
kloosterleven geen evidente keuze, maar het gebeurde meer, zodat het aanvaard
werd. Voor de persoon in kwestie gaat het om een grote stap, vroeger ook. Maar
de mensen waren er vroeger meer aan gewend. Ik zou overigens een kleine
correctie willen aanbrengen. Het lijkt mij realistischer te spreken over
“veertig jaar geleden”. Twintig jaar geleden werd iemand die bekend maakte een
toegewijde levenskeuze te willen maken ronduit uitgelachen. Tegenwoordig lijkt
men er meer respect, maar minder begrip voor te hebben. Men vindt het
fantastisch dat iemand nu nog zoiets durft, maar men heeft er in de verste
verte geen idee van hoe toch iemand op het idee zou komen. Vroeger was het
omgekeerd. Men vond het geen onmogelijke keuze, maar beschouwde het als het
vergooien van je eigen leven door je vrijheid en zo op te geven.
Nu kan ik zeggen dat je
juist géén verlies doet aan de keuze voor het kloosterleven. Er zijn inderdaad
enkele dingen die je moet achterlaten, maar je krijgt er heel veel voor in de
plaats.
9. Wat moest je toen achterlaten?
Onder andere een groot deel van mijn bewegingsvrijheid. Vroeger kon ik van de ene moment op de andere beslissen dat ik ergens naartoe wilde. Het volstond dit even aan mijn ouders te zeggen, zodat ze wisten waar ze me konden vinden, en weg was ik. Hier in de abdij is dat minder evident, temeer omdat we op een redelijke afstand van de grootsteden wonen. Momenteel heb ik nog geen rijbewijs, dus moet ik voor de minste grotere verplaatsing een chauffeur vinden of het openbaar vervoer nemen. Voor kortere afstanden is natuurlijk de fiets ideaal, die ik van thuis meenam.
Wat ik ook moet missen
is natuurlijk mijn gezin en vriendenkring. Ik houd nauw contact met hen, maar
kan nu niet meer iedere week bij mijn beste vrienden en vriendinnen zitten.
Tijdens de opleidingsperiode hebben we normaal gezien 10 (tien) dagen verlof
per jaar. Dat is heel weinig. Aan de andere kant mag ik bezoek ontvangen zoveel
er te organiseren valt. Mijn lessen, taken en nachtrust mogen er niet onder
lijden. Ook de andere communicatiekanalen, zoals brieven, telefoon en e-mail
zijn altijd vrij toegankelijk. Toch is het helemaal anders wanneer iemand een
brief schrijft, of wanneer ik er gezellig mee zit te praten in een jeugdcafé.
Daarmee raak ik ook een
derde punt aan. In het laatste jaar voor mijn intrede was ik een regelmatige
gast van het jeugdhuis in ons dorp. Ik zat er bijna ieder weekend. Vooral voor
het plezier, maar ook als “praatpaal”. Iedereen die dat nodig had, kon me even
apart nemen en praten over wat hem of haar bezighield. Verschillende keren heb
ik lange, zeer diepe gesprekken gehad met mensen die het niet meer zagen
zitten, of die vragen hadden rond allerlei zaken, vooral relatieproblemen
natuurlijk.
Soms mis ik het directe contact met mijn vrienden en gezin wel wat, maar meestal is dat met een deugddoend telefoontje wel opgelost. Ook een deel van de bewegingsvrijheid, die ik vroeger had, moet ik tijdens mijn opleidingsjaren missen. Maar op zich valt dat nog wel mee, hoor.
In ieder geval moet ik toestemming vragen aan mijn rechtstreeks overste, in mijn geval de novicemeester. Indien hij afwezig is, is zijn assistent verantwoordelijk, ofwel de prior.
Normaal moet ik ‘s
avonds om 21 uur binnen zijn. Kwestie van 's morgens uit mijn bed te kunnen.
12. Het aantal kerkgangers is sterk afgenomen. Hoe komt dat?
Daar zijn verschillende redenen voor te bedenken, die allemaal wel een deel van de waarheid in zich hebben. Er is het feit dat de laatste twee generaties niet meer zo kerkelijk zijn opgevoed, onder het mom van: “Ik laat mijn kinderen vrij en zelf kiezen.” Op zich is die redenering niet slecht, maar geloof kan je maar meekrijgen via je opvoeding. Als ouders dus denken dat ze hun kinderen de vrijheid geven, ontnemen ze hen eigenlijk een kans. Beter is het dan dat het kind op latere leeftijd zelf kan beslissen of het al dan niet verder gaat in het geloof.
Een andere mogelijkheid
is het negatieve beeld dat de media van de Kerk schetsen. De Kerk reageert niet
meer zo hevig op aantijgingen als vroeger, dus voelen de media zich bevestigd
in hun vooroordelen. De Kerk is een goddelijk instituut, bestaande uit mensen.
Dat wil zeggen dat er altijd figuren zullen bijzitten die de scheve schaats
rijden, maar dat hoeft geen reden te zijn om het kind met het badwater weg te
gieten.
Verder, nogmaals, is er
het probleem van het engagement. Ook niet-christelijke groeperingen klagen dat
de mensen zich tegenwoordig niet meer durven inzetten voor een doel. Dat is
spijtig, want wie de stap wel durft zetten komt achteraf meestal tot de
conclusie dat het een goede keuze was.
13. Is dit de schuld van de Kerk?
Daar heb ik momenteel nog geen volledig beeld over, maar ook ik ben met die vraag bezig.
Het zou echter dwaas
zijn zomaar op korte termijn een hele reeks veranderingen in te voeren, zonder
eerst rustig de kat uit de boom gekeken te hebben. We moeten zoeken naar een
realistische en universele visie op geloof en Kerk. Van daaruit kunnen we verder
naar oplossingen zoeken.
14. Zou deze niet mee moeten evolueren met deze kritische maatschappij waarin wij leven?
Neen. Het christendom is altijd een tegenbeweging geweest tegen de valse waarden van de tijd. Rijkdom, zinloze zelfzucht, machtswellust en bandeloze seksualiteit zijn toestanden die al eeuwen de mensheid teisteren en waartegen de Kerk zich steeds verzet heeft, hoewel ze soms zelf in de strik dreigde te trappen.
Deze maatschappij is een beetje té kritisch geworden. De media spugen om te spugen, omdat dat lezers en kijkcijfers trekt. Ze zetten wel vraagtekens, maar niemand waagt het om die vragen zelf in vraag te stellen. Moet het privé-leven van een mens, of die nu priester, prins of minister is, zomaar uitgesmeerd worden in paginagrote scheldartikels? Dat lijkt me de ontaarding van de persvrijheid. De pers moet de waarheid verkondigen, akkoord, maar dat moet wel op een tactvolle en vooral waarachtige en zinvolle manier gebeuren, niet zoals het de laatste jaren spijtig genoeg wel eens het geval was… Een prachtig, niet-kerkelijk, voorbeeld daarvan vind ik de mediaheisa die er was rond de relatie van prins Filip en prinses Mathilde. Is het echt nodig dat die twee brave mensen zo, bijna als dieren in een dierentuin, tentoongesteld moeten worden? Als het zo verder gaat plakt ook dit lieve koppel binnen enkele jaren tegen een brugpeiler in de Jubeltunnel…
15. Hoe zou jij het aanpakken om meer mensen in de Kerk te krijgen?
Eerst en vooral is het belangrijk om de mensen weer kennis te laten maken met de Kerk. Veel mensen, vooral jongeren, weten niet eens meer wat er binnen een kerkgebouw allemaal gebeurt. Ze weten dat er christenen samenkomen, meestal oude mensen en dat er dan een dienst wordt gehouden die per definitie saai is.
En dat terwijl in veel
kerken juist wél jongeren komen en dat de diensten verre van saai zijn. Men
verwacht echter teveel een spektakel, zoals op TV. Een kerkdienst is nu eenmaal
geen tv-show. Het gaat nog altijd om godsdienstige bijeenkomsten, die als
voornaamste doel het gebed en het samenzijn hebben.
Het heeft geen zin
populair te doen. De boodschap van Jezus is jong en fris genoeg om zonder
overbodige showelementen te verkondigen. Dat neemt niet weg dat een mooie
gebedsdienst heel goed kan zijn. Alles tot eer van God. Maar soms eert men meer
een bepaalde muzikant. Dan kan men beter een concert organiseren na de Mis. Het
moet ook geen saaie bedoening zijn. Het gaat om een evenwicht tussen
plechtigheid en menselijkheid.
De meeste mensen denken
dat de leer van de Kerk alleen in de oude catechismus te vinden is. Dat is fout.
Bij het Tweede Vaticaans Concilie is de volledige kerkelijke leer herzien
(daarom nog niet veranderd) en bij de tijd gebracht, zonder teveel slaaf te
zijn van modegrillen. Het zou goed zijn als de mensen even de moeite namen te
luisteren naar wat hedendaags christendom inhoudt, in plaats van enkel de
kritiek gretig op te nemen, zonder dat men eigenlijk beseft waar het om gaat.
16. Welke boodschap zou jij de mensen willen meegeven om tot een betere leefgemeenschap te komen?
De heilige Augustinus schreef: “Bemin, en doe dan wat je wil”. Hij bedoelde dat onze eerste betrachting de onderlinge liefde moest zijn. Als iedereen op een eerlijke manier probeert zijn of haar naaste lief te hebben, zijn we al een heel eind op weg. God bemint ons, hoe dan ook, daar mogen we op vertrouwen.
Men moet ook niet bang
zijn om met zijn geloof bezig te zijn. Het is normaal dat men zich vragen
stelt, maar het is gevaarlijk wanneer men bij het minste spoor van
godsdienstigheid dichtklapt. God is niet gevaarlijk. God houdt van ons, maar
laat ons vrij om op die uitnodiging in te gaan. In die zin is iedereen geroepen
om iets te doen in deze wereld: daden van liefde. De eigenlijke kern, waarom ik
ben ingetreden in deze kloostergemeenschap is de liefde: ik bemin God en zijn
volk, soms meer dan ik zelf besef. Daar heb ik alles voor over, alles. Niet
iedereen hoeft zo’n radicale keuze te maken. Ik heb gewoon voor mezelf besloten
dat dit voor mij een zinvolle keuze was.
Het begin is er, wanneer
iemand belangeloos iets voor een ander durft doen. Niet alles wat je doet moet
tegen beloning zijn. Niet alles wat je geeft moet een wederdienst tot gevolg
hebben.
Je hebt het leven gratis
gekregen, waarom zou je er dan niet iets mee voor een ander doen? Gratis. Jezus
zegt dat ook: voor niets heb je gekregen, voor niets moet je geven.
Ons leven is op zich
eigenlijk waardeloos. We kunnen er alleen waarde in leggen als we ons ervan
durven losmaken en een stukje van onze zo kostbare tijd delen met anderen, die
daar nood aan hebben. Een bezoek aan een eenzame bijvoorbeeld, kan zowel de
bezoeker als de bezochte heel gelukkig maken…
Maar ja… we hebben het
toch zo druk met onszelf…
fr. Vincent Ceulemans.(2001)