Ik, Albert. Het geheime dagboek van Albert Einstein.

Naar het begin

Dinsdag 1 maart 1904

Mijn vijfde artikel is verschenen in Annalen der Physik 14. Het gaat weer over de ontwikkeling van de statistische mechanica. Ik heb me meer specifiek de vraag gesteld wat de betekenis is van de constante van Boltzmann en ook hoe ze gemeten kan worden.

Ik heb al uitgelegd dat je op basis van de kinetische gastheorie allerlei eigenschappen van de gassen kunt berekenen. Het allermoeilijkste is het berekenen van de entropie van een gas.

Nu heeft Boltzmann een uitermate belangrijk verband ontdekt tussen de entropie en de waarschijnlijkheid. Boltzmann zegt dat de entropie van een systeem gelijk is aan het getal k (dat is de constante van Boltzmann) vermenigvuldigd met de natuurlijke logaritme van het aantal microstatussen van het systeem. Dat heeft natuurlijk wat uitleg nodig.

We kunnen de betekenis van die microstatussen illustreren met een systeem dat bestaat uit een aantal munten. Stel dat we drie munten hebben. Als we de munten opgooien dan kan elke munt ofwel kruis ofwel munt liggen. Hoeveel mogelijke uitkomsten zijn er? Stel dat de munten genummerd zijn; ze zijn dan van elkaar verschillend en we kunnen de verschillende munten dan van elkaar onderscheiden. Voor de eerste munt zijn er twee mogelijke toestanden: de munt ligt kruis of de munt ligt munt. Voor de tweede munt zijn er ook twee mogelijkheden. Voor de derde munt ook. In totaal zijn er dus 2 maal 2 maal 2 (is dus 8) mogelijkheden waarop de drie munten kunnen neervallen. Elk van die mogelijkheden noemen we een microstatus van het systeem dat uit de drie munten bestaat. We zeggen dus dat het systeem van de drie munten zich in acht microstatussen kan bevinden. Stel nu dat de munten niet genummerd zijn. We kunnen de munten dus niet van elkaar onderscheiden. In hoeveel statussen kan het systeem van de drie munten zich nu bevinden? Er zijn nu vier mogelijkheden: er kunnen namelijk 0 munten kruis liggen of 1 of 2 of 3. Dat noemen we macrostatussen; dat zijn de statussen die wij kunnen onderscheiden. Met elk van die macrostatussen komen er één of meerdere microstatussen overeen. Met de macrostatus “0 munten kruis”, komt er één microstatus overeen, namelijk “alle munten munt”. Met de macrostatus “één munt kruis” komen er drie microstatussen overeen: telkens ligt één van de drie munten op kruis ligt en de twee andere op munt. Enzovoort.

Keren we nu terug op wat Boltzmann van de entropie zegt. De entropie van een systeem dat zich in een bepaalde macrostatus bevindt, is gelijk aan de constante van Boltzmann vermenigvuldigd met het aantal microstatussen waarin het systeem zich voor die macrostatus kan bevinden. En hier speelt de waarschijnlijkheid een rol.

Onze drie munten vormen ook een systeem en we kunnen daar dus de entropie van berekenen. Nemen we de macrostatus “0 munten kruis”. Daar komt maar één microstatus mee overeen. De entropie van onze drie munten in de toestand “0 munten kruis” is dus gelijk aan de constante van Boltzmann vermenigvuldigd met de natuurlijke logaritme van één. Nemen we de macrostatus “één munt ligt kruis”. Daar komen drie microstatussen mee overeen. De entropie van het systeem van de munten dat zich in die macrostatus bevindt, is dus gelijk aan de constante van Boltzmann vermenigvuldigd met de natuurlijke logaritme van drie.

Met die formule van Boltzmann kunnen we inzien waarom de entropie van een systeem steeds stijgt. Stel eens dat we 100 munten hebben en dat 20 munten kruis liggen en 80 munten munt. Stel dat we uit die 100 munten 10 willekeurige munten kiezen en ze alle 10 opgooien. De verwachting is dat na het opgooien de helft van die 10 munten kruis zal liggen en de helft munt. De verwachting is dat er na het opgooien van die 10 munten dus meer dan 20 munten kruis zullen liggen en minder dan 80 munten munt. Als we zo een aantal keer doorgaan, dus telkens 10 willekeurige munten opnemen en opgooien, dan gaan we naar een toestand evolueren waarbij er op een bepaald moment ongeveer 50 munten kruis liggen en 50 munten munt. En dat zal vanaf dan zo ongeveer blijven. Er gaan er misschien wel eens 49 kruis liggen of 48 maar we blijven rond de 50 kruis. Als we van al die toestanden de entropie zouden berekenen, dan zouden we zien dat de entropie bij 20 munten kruis zeer laag is, en bij 50 munten kruis het allerhoogste. Dat komt omdat er bij 50 munten kruis veel meer mogelijke microstatussen zijn dan bij 20 munten kruis. De entropie stijgt dus inderdaad en dat komt door de waarschijnlijkheid die een rol speelt bij het opgooien van die munten. Kun je dat geloven dat de waarschijnlijkheid een grote rol speelt in de fysica?

Die wet van Boltzmann passen we nu toe op een gas. Een gas is een systeem dat uit moleculen bestaat. Die moleculen kunnen op een groot aantal manieren geordend zijn: elke molecule kan zich op zeer veel plaatsen bevinden. Elke mogelijke ordening is een microstatus. Boltzmann zegt dus dat de entropie van dat gas gelijk is aan de constante van Boltzmann vermenigvuldigd met de logaritme van het aantal microstatussen van het gas. In een liter gas heb je onvoorstelbaar veel moleculen. Er zijn dus nog onvoorstelbaarder meer mogelijkheden om ze te ordenen. Om hierover een idee te hebben, kijken we bijvoorbeeld naar een stel speelkaarten. Voor een stel speelkaarten van 52 kaarten zijn er bijvoorbeeld mogelijkheden om die 52 kaarten in een bepaalde volgorde te leggen. Dat is een 8 met 67 nullen! Geen mens kan begrijpen hoe groot dat getal is en we hebben slechts 52 kaarten. Voor een gas kunnen we ons dat nog veel minder voorstellen. Want we hebben vele miljarden keer vele miljarden moleculen. Gelukkig nemen we daar de natuurlijke logaritme van en bekomen we een getal dat al een heel pak kleiner is. Bij onze 52 speelkaarten moeten we de logaritme van  nemen en dat is ongeveer gelijk aan 3 keer 67. Bij de moleculen moeten we de logaritme van een onvoorstelbaar getal nemen en dan bekomen we een getal dat nog steeds vele miljarden keer miljard is. Dat vermenigvuldigen we dan met de constante van Boltzmann (gelukkig een zeer klein getal) en dan hebben we de entropie van ons gas.

Het is een wonder van de natuur dat zoiets als entropie, dat bij thermodynamische processen gedefinieerd is in termen van warmte en temperatuur, iets met waarschijnlijkheid te maken heeft. Ongelooflijk hoe alles met alles te maken heeft.

We kunnen hieruit al direct iets heel belangrijks afleiden. Nemen we aan dat elke microstatus even waarschijnlijk is; dat is een heel redelijke veronderstelling. Stel dat we een machine hebben die ons pak van 52 speelkaarten totaal willekeurig kan schudden. Er zijn dus  mogelijke uitkomsten. Bij hoeveel van die uitkomsten zullen de kaarten op een of andere manier netjes geordend zijn? Dat kan bijvoorbeeld zijn: eerst de 13 harten, dan de 13 klaveren, dan de 13 schoppen, dan de 13 ruiten. Of eerst de 4 heren, dan de 4 zevens, dan de 4 vijven, enzovoort. Of eerst een rode, dan een zwarte, dan weer een rode, dan weer een zwarte, enzovoort. Voor elk van die mogelijkheden (macrostatussen) zijn er een of meerdere microstatussen. Maar ook al zijn er duizenden mogelijkheden (macrostatussen) waarbij de kaarten op een of andere manier netjes geordend zijn, en ook al zijn er voor elk van die duizenden macrostatussen duizenden verschillende microstatussen, dan is de kans dat onze machine door puur toeval een nette ordening maakt zo goed als onbestaande. Want als er een miljard microstatussen zouden zijn voor alle nette ordeningen samen, dan verzinkt dat miljard in het niets bij die  van het totaal aantal microstatussen. Er zijn onvoorstelbaar meer microstatussen waarbij er geen ordening is, dan er microstatussen zijn waarbij er wel ordening is. Onze machine zal dus altijd iets produceren waarbij er geen ordening is.

Vandaar het belangrijke gevolg: in de natuur streeft alles naar wanorde. We kunnen dat illustreren met een aantal andere voorbeelden dan onze speelkaarten. Stel dat je een druppel inkt in een glas water laat vallen. Geleidelijk aan zal die druppel inkt zich verspreiden over het water. Hierbij neemt de entropie van het systeem toe. Want elke nieuwe positie van de verspreide inkt is een macrostatus waarbij er steeds meer en meer microstatussen zijn. Tot de inkt gelijk verdeeld is over het water. Dan is er geen evolutie meer en blijft het aantal microstatussen en dus de entropie constant. Het zal nooit voorkomen dat die verspreide inkt zich weer samentrekt tot één druppel. Er is namelijk maar één microstatus waarbij de inkt een druppeltje is, terwijl er onvoorstelbaar veel zijn waarbij de inkt verspreid is.

Door het verband van die entropie met de waarschijnlijkheid en het feit dat er veel meer mogelijkheden voor wanorde zijn dan voor orde, en aangezien de entropie in een geïsoleerd systeem steeds toeneemt en de wanorde ook, is de entropie dus een maat voor de wanorde van een systeem. Als we zeggen dat de natuur streeft naar een stijging van de entropie, dan is dat hetzelfde als zeggen dat de natuur naar wanorde streeft.

En wat gebeurt er in een niet-geïsoleerd systeem? Dat is een systeem waarbij er van buitenaf in het systeem ingegrepen wordt. Hier kunnen we wel de entropie laten dalen. Als we zelf bijvoorbeeld de kaarten ordenen, dan bekomen we een systeem met een lagere entropie. Maar tegelijk zal de entropie in de wereld buiten de kaarten toenemen. Als we dan entropie van de kaarten en de entropie van de wereld buiten de kaarten zouden optellen, dan zou die entropie na het ordenen van de toegenomen zijn.

Dan is er nog een heel belangrijk punt. Kijken we naar ons voorbeeld met de 100 munten. We hebben gezien dat we streven naar een toestand waarbij er 50 munten kruis zijn en 50 munten munt. Hierbij hebben we immers de hoogste entropie. Maar als we van die 100 munten nu 10 willekeurige munten pakken en we gooien ze op, dan is het toch wel mogelijk, zelfs waarschijnlijk, dat we toch wel eens 49 munten kruis hebben of 48 munten kruis. Dat betekent dus dat de entropie wel kan dalen! En dat is ook zo bij thermodynamische processen in een geïsoleerd systeem. Dat betekent dus dat de stijging van de entropie geen 100% absolute wet is, alleen een 99,9999999999999% of zoiets absolute wet. Het is alleen maar heel heel heel waarschijnlijk. Eigenlijk zou het dus wel eens kunnen dat de entropie van een systeem daalt, bijvoorbeeld dat onze machine plots de kaarten wel ordent! In een thermodynamisch systeem zijn er echter zo ongelooflijk veel microstatussen dat de kans zo goed als onbestaande is dat de entropie ooit zou dalen, maar het zou dus wel kunnen, maar dan alleen heel heel heel uitzonderlijk. Zo is het dus strikt genomen niet absoluut uitgesloten dat de inkt in een glas water zich plots weer tot een druppel samentrekt, of bijvoorbeeld dat de scherven van een glas zich vanzelf weer tot een glas samenvoegen. Maar zelfs als zou ons heelal nog miljarden keer langer bestaan dat het vandaag al bestaat, dan nog zou zo een entropiestijging in het hele heelal voor alle mogelijke systemen samen nog niet één keer zijn waargenomen.

Nu ja, dat betekent ook dat ik in mijn vierde artikel een fout heb gemaakt. Want daar heb ik een redenering opgebouwd, die gebaseerd is op het feit dat de entropie altijd stijgt en dus niet enkel dat het ongelooflijk waarschijnlijk is dat de entropie steeds stijgt. Iedereen maakt wel eens een foutje.

Tussen haakjes, die constante van Boltzmann heeft haar naam en haar symbool k aan Planck te danken. Boltzmann zelf had het getal geen naam en zelfs geen symbool gegeven. Dat symbool k werd de eerste keer in de lezing van Planck van 14 december 1900 over de straling van zwarte voorwerpen en de kwantisering van de energie gebruikt. Hoe alles toch met alles te maken heeft.

Planck was ook de eerste die de formule van Boltzmann heeft neergeschreven onder de vorm waaronder ze bekend is geworden: S = k log W. Hierbij staat S voor de entropie van een systeem, k is dus de constante van Boltzmann, log is de wiskundige functie “natuurlijke logaritme” en W is het aantal microstatussen van het systeem.

Boltzmann heeft dus dat verband gevonden tussen entropie en waarschijnlijkheid. Hij was echter niet de eerste. Dat was immers Maxwell: hij was de eerste die ingezien heeft dat de tweede hoofdwet van de thermodynamica statistisch van aard is en dus met de waarschijnlijkheid te maken heeft. Dat statistische karakter van de tweede wet was een van de grote ontdekkingen van de negentiende eeuw. Toen Boltzmann begon te werken, in 1866, had hij nog niet door dat de tweede hoofdwet op statistiek en dus op waarschijnlijkheid is gebaseerd. Pas rond 1871 had hij dit inzicht. Rond 1872 deed hij dan belangrijke ontdekkingen rond de equipartitie en hij leidde de wet van Dulong-Petit in 1876 af.

Ook toen was Boltzmann nog niet helemaal juist. Hij dacht dat de tweede hoofdwet absoluut was, dat entropie nooit kan stijgen. Hij zette de laatste stap na een opmerking van Johann Joseph Loschmidt die zei dat het niet kon dat de entropie met zekerheid steeds stijgt en dus een absolute wet is. In 1877 publiceerde Boltzmann dan dat de stijging van de entropie de meest waarschijnlijke toestand is en niet noodzakelijk de echte toestand is.

In mijn vierde artikel, dat ik vorig jaar heb geschreven, heb ik diezelfde fout gemaakt. Daarin heb ik gebruik gemaakt van het feit dat de entropie steeds stijgt en dus niet dat dit enkel maar de meest waarschijnlijke toestand is. Dat lijkt maar een klein verschil maar het is het niet. Het is een fundamenteel verschil en het heeft te maken met de fundamenten van de natuur!

Planck werd door het werk van Boltzmann ook beïnvloed, want hij gebruikte voor zijn straling van zwarte voorwerpen aanvankelijk ook de entropiestijging als een absolute wet. Maar als die mensen, die tot de grootste wetenschappers aller tijden behoren, zich hebben kunnen vergissen, dan bevind ik mij in goed gezelschap als ik dezelfde fout heb gemaakt.

Woensdag 2 maart 1904

In onze Academie hebben we het boek La Science et l’Hypothèse van Henri Poincaré besproken. Poincaré spreekt hier onder andere over de relatieve beweging van de aarde ten opzichte van de ether. Hij beweert ook dat er geen absolute tijd is: het is zinloos te zeggen dat twee tijdsintervallen gelijk zijn. Ik begrijp heel goed wat hij bedoelt. Tijd is helemaal anders dan ruimte. Je kunt gemakkelijk zeggen dat twee voorwerpen even lang zijn: je kunt ze naast mekaar leggen en je ziet of ze even lang zijn of niet. Maar voor tijdsintervallen kan je dat niet. Je kunt geen tijdsintervallen naast mekaar leggen. Bijvoorbeeld de tijd die ik nodig heb om een appel te schillen en de tijd die ik daarna nodig heb om een peer te schillen. Ik kan die twee tijdsintervallen niet naast elkaar leggen zoals ik twee latten naast elkaar kan leggen. We zijn echt weken bezig geweest om dat boek te lezen en te bespreken.

Donderdag 14 april 1904

Vandaag heb ik een brief geschreven naar Konrad Habicht om te zeggen dat we binnen enkele weken een kind krijgen. Ons eerste officiële kindje.

Zaterdag 14 mei 1904

Vandaag ben ik vader geworden. Van een wolk van een baby, een zoon. We gaan hem Hans Albert noemen. Hans Albert Einstein. Klinkt goed, nietwaar?

Vrijdag 16 september 1904

Ik doe mijn werk op het octrooibureau goed en men is hier erg tevreden. Mijn proefperiode is afgelopen en ik heb nu een vast contract. In de toekomst zit er voor mij nog promotie in maar dan moet ik meer leren over de technologie van machines.

Dinsdag 8 november 1904

Dat foto-elektrisch effect van Hertz en Lennard fascineert mij. Een paar collega’s hebben erover gepraat en dat heeft mijn interesse weer opgewekt. Ik ben nu een oplossing van dat fundamentele probleem aan het zoeken. Ik heb daar ideeën over maar ze zijn zo bijzonder dat ik er nog met niemand durf over spreken.

Donderdag 1 december 1904

Dit jaar hebben J.J. Thomson en Lord Kelvin hun zogenaamde plumpuddingmodel van het atoom voorgesteld. Ze stellen zich voor dat materie uit een combinatie van positieve massa en negatieve elektronen bestaat. Dat moet zo zijn want materie bevat elektronen die negatief geladen zijn. Materie is elektrisch neutraal en dus moet er evenveel positieve lading als negatieve lading zijn. In het model van J. J. Thomson en Lord Kelvin ziet die positieve massa er uit als pudding en de negatieve elektronen zijn als krenten in de pudding. De positieve lading is dus gelijkmatig verdeeld over zowat de hele materie terwijl de negatieve lading zich als hele kleine bolletjes op heel specifieke plaatsen bevindt.

Zaterdag 10 december 1904

Ik heb gehoord dat Lord Raleigh, met zijn echte naam John William Strutt, de Nobelprijs Fysica heeft gekregen. Voor zijn ontdekking van argon. Dat is een edelgas.

Vrijdag 16 december 1904

Ik heb gehoord dat een zekere Marian Ritter von Smolan-Smoluchowski, blijkbaar een heel knap theoretisch en experimenteel fysicus, zich ook bezighoudt met de statistiek van ideale gassen. We gaan daar nog van horen.

 

Naar het begin

Copyright Frank Vermeulen

Contacteer ons: Nils de Waarnemer

Free Hit Counter
free hit counter