In zijn boek
'Trainen vroeger en nu' besteedt Willy Goossens uitvoerig aandacht
aan de werkmethoden van twintig trainers van bij ons. In het eerste deel wordt
een beeld opgehangen over de evolutie van de systematiek in de training van het
afstandslopen. Zestien jaar lang was ik inderdaad de frainer van Vincent. Toen hij twee jaar
geleden naar Charleroi opstapte, zijn we als vrienden uit elkaar gegaan. We
houden nog steeds contact; het werk van zovele jaren veeg je natuurlijk niet met
één klap van tafel. Ik ben blij dat hij er nu de vruchten kan van plukken. In
feite heeft Vincent niets wezenlijks aan zijn training veranderd. Integendeel,
eens men de plooi gepakt heeft, gaat men die op 31-jarige leeftijd niet meer
veranderen. Het voornaamste is wel dat de druk nu weggenomen is. Toen hij in
1990 aangeduid werd voor het WK veldlopen in Aix-les-Bains, voelde Vincent zich
onvoldoende voorbereid. Om de bondsmensen plezier te doen, ging hij toch maar.
"Slechter dan negende Belg kan ik toch niet" gekscheerde hij. Na zijn opgave
werd zijn manier van handelen langs alle kanten op de korrel genomen.
"Vincentlaat het op de grote momenten steeds afweten", heette het dan. Maar over
de ware omstandigheden bekommerde zich niemand. Nu kan Vincent zich eindelijk
voorbereiden op de objectieven die hij zelf gekozen heeft, zonder de druk van
minima en of kampioenschappen."
"Drie Belgische trainers hebben hun stempel op mij gedrukt. Eerst was er mijn
persoonlijke trainer Marcel Alavoine, een man die me voorhield dat snelheid een
groot wapen was. "Als je nu eens een snelle honderd meter-loper kon opleiden tot
een 5.000 meter-loper, dan had je zeker een kampioen in handen", beweerde hij:
een vrij pertinente redenering voorwaar. Toch zat er een grond van waarheid in:
het is erg mooi over een goede uithouding te beschikken. Wanneer je daarnaast
niet snel bent, kan je geen hoge toppen scheren. Dan was er Mon Vanden Eynde, de
fijne psycholoog, die zijn atleten liet balanceren op de koord tussen uithouding
en weerstand. Hij drukte vooral op het anaërobe werk, mits het behoud van de
uithouding als basis. Limburger Frans Borremans tenslotte was de man die zijn
atleten heel veel kilometers deed trainen. En zo raakt de cirkel rond :
uithouding is wis en waarachtig nodig, maar deze moet blijvend gekoppeld
worden aan weerstand en snelheid. De afstand waarop ik me baseer om deze erg belangrijke anaërobe drempel te
bepalen, bedraagt 200 meter. De test in kwestie is bedoeld voor lopers die
al minstens een jaar training achter de rug hebben en die gemakkelijk het ritme
vinden waarin ze minstens twintig keer zo'n 200 meter kunnen uitvoeren, zonder
compleet uitgeput te geraken. De rustpauze tussen de "tweehonderden" schommelt
tussen l' en 1'30". Tijd in seconden van de "tweehonderden" x (hartslag ca. 175) Deze tempo's controleer ik vervolgens tijdens een duurloop van 15 km.
Indien de atleet uit bovenstaand voorbeeld tegen 4' per km loopt, dus net onder
zijn drempel, en hij nadien nog kan versnellen, zitten we goed. Natuurlijk pak je met deze test geen beginnelingen aan. Wanneer iemand
voor de eerste keer bij mij komt, of het nu een jonge knaap is of een oudere
jogger, laat ik hem eerst wat op de piste lopen. Ondertussen kijk ik goed toe.
Ik let aandachtig op de voeten, hun profiel, zowel links als rechts, en geef al
een aantal raadgevingen mee betreffende hun loopstijl. Weerstand
Om het fysiologisch fenomeen "weerstand" goed te begrijpen, kan je volgende
eenvoudige voorstelling maken. Je kan 200 meter lopen in een bepaalde snelheid.
Wil je met deze snelheid een langere afstand afleggen, dan ga je dra
moeilijkheden ondervinden. De spieren worden stijver, op het randje af van
verkrampen. Daar waar de zuurstof tijdens een uithoudingstraining mooi
gerecycleerd wordt, kom je nu in een toestand van zuurstofschuld terecht, met
verstikking tot gevolg. Je zal de loop noodgedwongen moeten onderbreken omdat je
de kritische drempel overschreden hebt. 2u48
Nemen we het voorbeeld van een marathonloper die 2u48 wenst te lopen, wat
dus neerkomt op het ronde cijfer van vier minuten per kilometer. Welke
specifieke trainingen zijn dan aangewezen ? Kilometers
Vanaf het tweede jaar kan een kadet iedere dag trainen. Voor de overgang naar
de categorie van de scholieren wordt gestreefd naar een geleidelijke toename van
de kilometeromvang met 40 %. "TRAINEN VROEGER EN NU" geeft een overzicht van de verschillende
trainingsmethoden die deze eeuw in het afstandslopen van toepassing waren.
Vervolgens komen twintig bekende Belgische trainers aan bod, die haarfijn
uitleggen hoe men een trainingsschema precies in mekaar steekt. Het boek werd
geïllustreerd met een aantal gebruiksklare schema's. Van 5.000 meter tot en met
de marathon komen alle klassieke afstanden aan bod, terwijl geregeld de link
gelegd wordt naar training voor halvefondlopers.
"TRAINEN VROEGER EN NU" is een nieuwe uitgave van Belgian Road Runners
Club. Het boek telt 292 bladzijden en is verkrijgbaar door een gekruiste check
van 550 BEF te zenden naar BRRC, Postbus 73, 3980 Tessenderlo.
avzk@belgacom.net © 2000 - BERLAAR
In het tweede deel komen dan de trainers één voor één aan
bod. Hoe moet er deskundig opgebouwd worden ? Hoe bereid je best een marathon
voor? . Hoe moet een jaarinde1ing gemaakt worden ? Hoe wordt de anaërobe drempel
bepaald ?
Eén van deze eminente trainers is Guy Pierart (l936), een
naam die altijd zal verbonden blijven met de beste 5.000 meter- en marathonloper
van België, Vincent Rousseau. Met Guy Pierart hebben we het over uithouding
en weerstand, en de grens die niet altijd gemakkelijk te trekken is.
Nu kan je maandenlang uitsluitend
uithouding trainen om in een eindfase de nadruk te leggen op de kwaliteit. Maar
dit lijkt me niet het meest verstandige systeem. Nee, je moet de verschillende
componenten tegelijk ontwikkelen. Er moet steeds een parallellisme bestaan
tussen uithouding enerzijds, en weerstand-snelheid anderzijds. Wat nu het
precieze aandeel is van de verschillende componenten in het trainingsgeheel
hangt natuurlijk af van de gekozen discipline. Zo zal een 5.000 meter-loper
ongeveer 80 % in uithouding trainen, waarbij evenwel de kwaliteit centraal
staat, en zich voor 20 % bezighouden met weerstand en snelheid.
Met
uithouding moet je wel opletten, wanneer je snelle duurlopen uitvoert. Sommigen
leggen namelijk al te vaak de nadruk op snel, te snel dan, zodat de anaërobe
drempel overschreden wordt. Daarom is het essentieel dat de trainer deze drempel
op één of andere manier kan bepalen. Want wat in een labo gemeten wordt,
komt niet altijd overeen met wat op het terrein gebeurt. De meet-omstandigheden
kunnen immers totaal verschillend zijn. Ook met Rousseau berekende ik alles
zelf, ik had geen wetenschappers rond mij.
Bij sterke atleten kan deze rust nog ingekort worden. Die
rust hangt uiteraard af van de recuperatie. Bij de volgende start moet de
hartfrequentie systematisch onder 140 gedaald zijn. Van bij de start van de
eerste 200 meter hou ik de loopstijl in de gaten om te zien of de atleet op het
goede spoor zit. Eventueel kan ik dan vragen iets trager te gaan. Na iedere vijf
"tweehonderden" wordt de polsslag genomen. Voor de gevestigde atleten moet deze
schommelen rond 175. Opnieuw is een ingreep mogelijk, waarbij de atleet
aangemaand kan worden trager of sneller te gaan. Wanneer blijkt dat de looptijd
van deze " tweehonderden" rond een bepaald cijfer schommelt, kan ik me aan het
rekenen zetten. Na deze test mag de atleet hoegenaamd niet uitgeput zijn: hij
moet in staat zijn, indien nodig, de "tweehonderden" nog een poosje verder te
zetten. Maar boven een hartfrequentie van 180 heb ik bewust nooit
gewerkt.
Indien de atleet er na tien (van de voorziene twintig) uitvoeringen
zou doorzitten, wordt de test gedurende enkele minuten gestopt. Daarna kan hij,
indien hij voldoende gerecupereerd is, de test verderzetten in een trager ritme.
Voor veteranen gelden natuurlijk andere schalen omdat hun theoretische maximale
hartfrequentie lager ligt. Zo kan een veertigjarige tijdens deze test eerder
naar waarden rond 160 streven. Nemen we nu aan dat de looptijd van deze "
tweehonderden" rond 40" schommelt, hetgeen overeenkomt met een tempo van 3'20"
per kilometer. Mijn hypothese zegt dan dat de atleet met deze snelheid de
kilometer niet kan afleggen zonder in verzuring te komen.
Dit betekent dat we
met 3'20" duidelijk in het anaërobe gebied vertoeven. Om de anaërobe drempel te
bepalen nemen we hiervan 80 %, te weten 4'00" per km: wanneer de atleet zijn
kilometers in 4' loopt zal hij ongeveer 4 mmol/llactaat produceren. Met 70 %
komt het tempo overeen van de gemiddelde duurloop: met 4'20" per km wordt 2
mmol/l lactaat geproduceerd. Het tempo voor de continue duurloop wordt berekend
op 60 %, in dit geval 4'40" per km. We vatten deze cijfers nog eens samen in de
hierna volgen de tabel.
Zet deze
tijd om in een gemiddelde snelheid km/uur = v
0,8 v komt overeen met de
gemiddelde snelheid net onder de drempel (4 mmol/l lactaat)
0,7 v komt
overeen met de gemiddelde snelheid van de gemiddelde duurloop (2 mmol/ 1
lactaat)
0,6v komt overeen met de gemiddelde snelheid van de continue
duurloop.
Hij heeft dan
tijdens zijn duurloop deze drempel zeker niet overschreden. Indien hij
daarentegen onderweg moeilijkheden krijgt, knippert meteen het signaal dat hij
in het rood is gegaan en de drempel overschreden werd. Zo wordt op
empirische wijze op het terrein gewerkt. De observatie van de trainer is hierbij
van goudwaarde. De atleet moet tijdens de training ook technisch de perfectie
nastreven, zonder echter de efficiëntie uit het oog te verliezen.
Want
technisch perfect zijn en tegelijk onefficiënt dient natuurlijk tot niets. Deze
testvorm werd door de wetenschappers aanvankelijk met veel scepticisme onthaald,
maar na verloop van tijd moesten ze toegeven dat mijn meetmethode erg
betrouwbaar was.
Ook Jan Olbrecht stond verbaasd over de precisie waarmee ik
de anaërobe drempel kon bepalen.
Dan vraag ik hen ook
hun polsslag te meten, om te beginnen , s morgens bij het ontwaken: ik raad hen
dan aan gedurende een volle minuut rustig te blijven liggen. Ook op training
wordt de polsslag geregeld genomen: voor het in gang zetten, vlak na het rustige
loslopen, en eveneens één minuut later, om na te gaan hoe de polsslag gedaald
is. Indien deze na één minuut rust 50 tellen minder bedraagt, kunnen we al van
een behoorlijke recuperatie spreken.
Anderzijds zijn er joggers die bij hun
trainingsloop tegen 5' per km een polsslag meten van 170, die na één minuut
amper naar 160 daalt. Zo weten we dat er nog heel wat te doen valt op het vlak
van de uithouding.
Mijn atleten leren ook de polsslag te nemen tijdens een
meting van zes seconden. Dan mag je uiteraard geen enkele overslaan, zoniet maak
je een fout van tien tellen.
Eens de uithouding op punt staat en de atleet
ook langere afstanden kan afleggen, worden de reeksen van 200 meter
ingeschakeld. Ook bij jongeren starten we met 5 x 200 meter, bij kadetten in 44"
bijvoorbeeld. Wanneer alles goed verteerd wordt, klimmen we naar twee, drie of
vier reeksen van telkens 5 x 200 meter.
Eens het goede ritme gevonden, loopt
met deze "tweehonderden" alles als vanzelf. Bij atleten die deze herhalingen (op
de piste of in het bos) mentaal goed verdragen, kunnen we zelfs tot 50 x 200
meter gaan.
Voor diegenen die deze "tweehonderden" monotoon vinden, moet er
wat meer variatie ingelegd worden, zoals het inschakelen van een 600 meter-loop.
Deze manier van werken geldt als basis voor iedereen: van de 5.000 meter-loper
tot de marathon-freak.
Vincent Rousseau is ooit als kadet begonnen met 10 x
200 meter in 42", met een pauze vanl'30" Nu doet hij er vijfentwintig ... dertig
in 28"2, met slechts 30" pauze. Uiteraard daalt zijn polsslag tijdens deze pauze
naar 150 ... 160, in plaats van naar de gebruikelijke 140. Maar dat beschouw ik
dan als een vorm van krachttraining.
Vooral 800 en 1500 meter-lopers
moeten een deel van hun trainingsarbeid in weerstand uitvoeren. Maar ook
5.000 meter-lopers hebben er alle baat bij behoorlijk hun streng te trekken op
1500 meter, niet alleen omwille van de basissnelheid, maar ook omdat ze tijdens
de laatste honderden meters over een stevige finish moeten beschikken.
Je
kan weerstand trainen met een hele waaier van concrete trainingsvormen: zowel
met reeksen van 400 als van 1.000 of 1.200 meter. Van het allergrootste belang
is hierbij de rusttijd. Je mag immers bij de volgende versnelling nog niet
helemaal gerecupereerd hebben: in wetenschappelijke termen mag je niet onder de
2 mmol/l lactaat geraken. Voor gevorderde atleten worden eerder reeksen van
honderd meter gebruikt, met honderd meter tussenin, wat ik toch nog altijd
verkies boven de "ins and outs" over vijftig meter, die op lange termijn nogal
wat blessure-risico's inhouden.
De weerstand wordt natuurlijk niet van in
den beginne in zijn totaliteit geoefend. Bij het begin van de winter stellen we
80 % als streefdoel; om dit cijfer na verloop van tijd naar 85 ... 90 % van het
maximum te brengen. Tijdens de zomer wordt de weerstandstraining onderhouden,
waarna deze tijdens de wedstrijdfase helemaal wegvalt Maar er zijn nog andere
manieren om weerstand te trainen: fartlek bijvoorbeeld. Vermits Vincent zoveel
van de natuur hield, trachtte ik hem ervan te overtuigen tijdens de
wintervoorbereiding ook fartlekrrainingen in te lassen. Fartlek op het gevoel
dan, en geen geprogrammeerde fartlek, zoals sommige trainers voorhouden. Want
eens je afstanden en tijden inschakelt, doe je geen echte fartlek meer.
Bij
een fartlek kent men immers op geen enkel ogenblik de intensiteit Dit laatste
houdt wel een gevaar in: de atleet moet zichzelf verdraaid goed kennen om niet
te vroeg in vorm te geraken. Voor een kampioen mag dit echter geen probleem
zijn.
In feite hebben alle lopers een dosis weerstand nodig. Bij
afstandslopers zalhet percentage duidelijk lager liggen: 5 ... 10 %, afhankelijk
van het feit of de atleet deze soort trainingen gemakkelijk kan verdragen of
niet. Cijfers zijn immers maar cijfers. Zo voerden Rousseau en Walem de meeste
van hun trainingen niet samen uit Wat voor de ene nodig was, was niet
noodzakelijk goed voor de andere. Indien we bij beide toplopers een biopsie
zouden uitvoeren, zouden we bij Vincent een groter percentage aan witte, dus
snelle, spiervezels terugvinden: een genetische kwestie dus, waar je als trainer
oog moet voor hebben.
Joggers moeten minstens drie jaar ervaring hebben
vooraleer ze met dit soort werk mogen beginnen. Voordien is er genoeg te doen in
het uithoudingsbereik en net onder de anaërobe drempel.
Voor iemand die alle dagen
traint, is één weerstandstraining per week zeker voldoende. De totale
intervalafstand zal 6 kilometer bedragen, terwijl de richtsnelheid voor de
1.000 meter in de buurt van 3'20" zal liggen. Nu dient deze 6 km niet direct
het resultaat te zijn van een ronde vermenigvuldiging zoals 6 x 1.000 of 3 x
2.000 meter. Integendeel, variatie blijft de hoofdtroef! Zo kunnen we starten
met 2 x 1.000, om vervolgens een 300 meter telopen, een 600 meter en een 2.000
meter, telkens in de aangepaste snelheid en met de aangepaste rust.
Voor het
tempo van de 2.000 meter mag naar de besttijd op 10.000 meter,die in de buurt
van 34 minuten zalliggen : 6'45" ... 6'50" dus. De recuperatie bedraagt in
principe 5 ... 6 minuten, maar het is zinloos ook regels hier aan vaste vast te
houden.
Wanneer men aan de hand van de hartfrequentie na drie minuten
vaststelt dat cardiologisch de recuperatie bereikt is, geeft men nog een
minuutje extra voor de musculaire recuperatie. Nog langer wachten om opnieuw te
vertrekken, is verloren tijd. Men moet de atleet immers zo lang mogelijk in
beweging houden. Ook bij de "tweehonderden" is dit zo: een rustpauze van 1' is
te verkiezen boven één van 1'30". Bij de 1000 meter (tempo 3'20") neemt men in
principe 3' rust terwijl men voor de 300 meter (57" in dit geval) de rust
beperkt tot 1'...1'15".
De afstanden zullen van training tot training zoveel
mogelijk variëren. Men zal zich dus geenszins vastklampen aan een training zoals
5 x 1.000 meter.
Bij een marathonvoorbereiding komt natuurlijk parallel
hiermee het volume kijken. Zo kan men in een ultieme fase tot 4-x 5.000 meter
komen in een tempo dat lichtjes hoger ligt dan de beoogde 4 minuten per
kilometer."
Een tweedejaars scholier zal bij voorkeur 55 km
per week trainen. Diezelfde procentuele verhoging vinden we ook bij de overstap
naar de juniores (75 km). Bij de overgang naar senior wordt de kilometeromvang
met 30 % verhoogd. Ieder jaar kan men 10 ... 15 % verhogen. Op die manier
bereikt de atleet 120 km per week. Voor de goede 5.000 meter-lopers is 160 ...
170 km meer dan voldoende. Goede marathonlopers kunnen naar 180..200 km streven,
maar het is niet bewezen dat dergelijke omvang voor iedereen efficiënt
is.
Wanneer we over kilometers per week spreken, hebben we het, natuurlijk
over een jaargemiddelde. Nu kan het zijn dat in de winter meer kilometers worden
gelopen dan in de zomer, en dat bij het naderen van de veldloopkampioenschappen
meer kilometers op het programma staan dan het gemiddelde aangeeft.
Nog
altijd constateer ik dat men er niet in slaagt de anaërobe drempel van sommige
atleten te bepalen. Dertig jaar geleden was er uiteraard nog geen sprake van
drempels, maar toch werd ik in die tijd reeds gefascineerd door het bepalen van
het juiste tempo voor de diverse trainingsvormen. Toen ik in 1971 in Obourg als
trainer van start ging, heb ik alles zelf moeten uitzoeken.
Wanneer die
drempel niet berekend wordt, zal de atleet zonder het te beseffen te veel
weerstand trainen, zelfs op het ogenblik dat hij denkt uithouding te trainen. Je
moet trouwens steeds opletten wanneer een atleet zegt: ik voel me bij een bepaal
de snelheid goed, ik kan toch niet in het rood zitten. Het gevoel alleen zegt
niets.
Natuurlijk moet je als trainer niet systematisch iemand afremmen die
eventjes in het rood gaat. Af en toe mag je hem wel eens laten gaan. Zo ben ik
er zeker van dat Rousseau ook af en toe in het rood ging. Maar dan gebeurde dat
niet met de regelmaat van een klok. Wie regelmatig over de drempel traint,
pleegt roofbouw Anderen denken dan weer dat men door het opdrijven van de
kilometers de weerstandstraining kan laten vallen.
Wie kilometers opdrijft,
neemt om te beginnen een mechanisch risico. Maar buiten deze mogelijke
blessurelast zal de atleet ook geen vooruitgang meer boeken, integendeel.
W
anneer een auto ingereden wordt, moet je geregeld de snelheid optrekken. Een
auto die niet degelijk gerodeerd wordt, zal bij de minste poging tot versnelling
tegensputteren.
