Lopen met een hartslagmeter vindt de laatste jaren steeds meer opgang. De
hartslagmeters zijn zeer betrouwbaar geworden en blijken een uitstekend
hulpmiddel om objectief de juiste intensiteit tijdens de trainingen te kunnen
bepalen. Veel lopers hebben er immers moeite mee om zichzelf in toom te houden.
Er wordt te vaak veel te intensief getraind.
Tabel. De hartslagfrequenties tijdens de inspanning voor gevorderde"
Het bovenste grijze gebied geeft de 'anaërobe' zone aan. Dit is gebied
waarin (zeer) hard gelopen kan worden, maar waarin de inspanning korte(re)
tijd kan worden volgehouden vanwege het zich vormende melkzuur en de snel
toenemende vermoeidheid. .
Maar met een hartslagmeter moet
je ook leren omgaan. Er zijn ons immers reacties van lopers bekend die er
stellig van overtuigd waren dat hun hartslagmeter niet deugde daar die altijd
van die belachelijk hoge hartslagfrequenties aangaf, terwijl zij toch heel
rustig aan het hardlopen waren.
Bij de
betrouwbare hartslagmeter wordt om de borst een band gedragen waar een
lichtgewicht zendertje zit ingebouwd. Deze borstband meet kleinde elektrische
stroompjes die het hart afgeeft en stuurt dit draadloos naar de ontvanger
(polscomputer) die als horloge kan gedragen worden. Van de ontvanger kan
digitaal de hartslagfrequentie (hsf) worden afgelezen. Elke paar seconden
wordt de hsf opnieuw bepaald.
Met
een hartslagmeter wordt niet de snelheid gemeten maar de intensiteit van de
training. Hoe hoger de hsf, hoe intensiever de training. Goede
langeafstand-training bestaat uit een combinatie van diverse trainingsvormen
(verschillende vormen van duurloop-training en extensieve intervaltraining)
die alle verschillende doelen nastreven en alle met een andere intensiteit
dienen te worden uitgevoerd. Met een hartslagmeter wordt het gemakkelijker
gemaakt om te kunnen trainen met de juiste intensiteit. Verder kan zeer goed
bepaald worden hoe snel het herstel na de trainings-inspanning
plaatsvindt.
Door het gebruik van een hartslagmeter is het eenvoudiger een
standaardisering van trainingsvormen te verkrijgen. Op zondag loop je
bijvoorbeeld de ene week precies 60 minuten met een hsf van 150, de volgende
week loop je precies 65 minuten met een hsf van 150, vervolgens 70 minuten met
een hsf van 150, enz. Of je blijft dezelfde tijdsduur lopen, maar je loopt de
volgende keer met een hsf van 152, dan 154, enz.
Prestaties bij duur-inspanningen, zoals het
lange afstandlopen, worden vooral bepaald door de hoeveelheid energie die met
behulp van zuurstof kan worden geleverd. Een goede zuurstofvoorziening is dan
ook onontbeerlijk. Het vermogen om zuurstof via de longen op te nemen en via
het bloed met behulp van het hart naar de spieren te transporteren en het
vermogen van de spieren om de zuurstof op te nemen, heet de aërobe
capaciteit.
De aërobe capaciteit wordt het beste getraind door
trainingsvormen waarbij de loopsnelheid niet té hoog is, zoals dat het geval
is bij de verschillende soorten duurlooptraining en extensieve
intervaltraining, als die tenminste met de juiste intensiteit worden
uitgevoerd.
Door al deze trainingsvormen met een juiste intensiteit te
lopen, vindt er een duidelijke vergroting van het hart-volume plaats. Het hart
kan per slag meer, zuurstofrijk, bloed verwerken en doorpompen naar de
(loop)spieren. Bovendien zorgt de duurlooptraining ervoor dat de (loop)spieren
meer zuurstofrijk bloed kunnen verwerken. Verder bevordert de, langzame,
duurloop de vetverbranding in het lichaam en versterkt de intervaltraining de
kracht van de hartspier en die van de loopspieren.
Daar bestaan meerdere methoden
voor om dat te bepalen. Eén daarvan is dat de verschillende hsfs worden
herleid van 'de hsf bij het omslagpunt'. Het is van belang dat er altijd van
een 'zone' uitgegaan wordt en niet van één enkele hsf-waarde.
De DL Tl-5
(de 'langzame' halve of hele marathon-specifieke duurloop tot max. 3u30) wordt
ongeveer gelopen in gebied 'hsf bij omslagpunt min 40 tot min 30', de
'rustige' DL Tl in 'hsf bij omslagpunt min 30 tot min 20', de 'gemiddelde' DL
T2 in 'hsf bij omslagpunt min 20 tot min 10; de 'vlotte' DL T3 in 'hsf bij
omslagpunt min 10 tot 0' en de 'snelle' extensieve interval-traning in 'hsf
bij omslagpunt min 5 tot plus 5'. ( Zie tabel).
Het witte gedeelte is de 'aërobe' zone.
In dit
gebied dienen de, langdurige, duur-inspanningen zich met name af te spelen. Om
te weten te komen welke kolom voor u van toepassing is, moet u uw omslagpunt
bepaald hebben. Elke trainings-vorm kent zijn eigen intensiteits-zone.
Aangegeven staan de (halve en hele marathon-specifieke) DL Tl-S, de DL Tl (tot
1 u30), de DL T2 (tot 1 u30), de DL T3 (tot Ou45) en de extensieve
intervaltraining. De hsf moet gedurende de gehele inspanningstijd in die zone
blijven.
Wordt er in het onderste, grijze gebied getraind, dan is de
intensiteit zó gering dat er wel aan het fitheidsniveau gewerkt wordt, maar
niet aan het duuruithoudings-niveau. Onderaan vindt u tussen haakjes de
'kalenderleeftijd'. Uit onderzoek is gebleken dat de getrainde loper van 40
jaar gemiddeld een hsf.max heeft van 186, en eenzelfde loper van 50 jaar 180,
enz.
Er
bestaat, tot op zekere hoogte, een lineair verband tussen loopsnelheid en hsf
: hoe hoger/lager de snelheid, hoe hoger/lager de hsf. Bij de drempelsnelheid
(de maximale snelheid die maximaal één uur volgehouden kan worden), is er nog
net sprake van dat lineaire verband. Zal de snelheid nog verder stijgen en
komt de hsf boven het omslagpunt, dan kan de snelheid nog wel verder worden
verhoogd, maar de hsf zal nog maar weinig verder toenemen. Hier is de
evenredigheid weg. Gebleken is ook, dat bij een hsf bóven het omslagpunt de
snelheid niet lang volgehouden kan worden, doordat er melkzuur gevormd wordt,
waardoor de spieren niet meer goed kunnen blijven functioneren. (Zie grafiek)
Om het
omslagpunt te bepalen zijn allerlei methoden in de loop der tijd bedacht. De
een nog ingewikkelder dan de ander. Vaak is de hulp van een deskundige vereist
(en duur materiaal) om tot een vrij nauwkeurige bepaling te komen. Het is
daarom eenvoudiger om een eigen test uit te voeren: de 'omslagpunt-test' of
'de hsf.max-test'.
Na een goede
warming up wordt er op een vlak terrein minimaal 40 en maximaal 60 minuten
achtereen voluit hardgelopen. De snelheid dient van begin tot eind zo gelijk
mogelijk te blijven. De snelheid moet maximaal 60 minuten volgehouden kunnen
worden (dus als u langer dan 60 minuten zou lopen, zou u die snelheid niet nog
langer kunnen handhaven).
Tijdens de test wordt de hsf met een hartslag
meter geregistreerd. In het begin zal de hsf stijgen, maar na een aantal
minuten blijft de hsf practisch gelijk: die hsf die u gedurende circa 90% van
de looptijd stabiel heeft, is 'de hsf bij het omslagpunt'. Doe ook een goede
cooling down.
Ja zeker. Wilt u effectief meteen hartslag
meter lopen, maar haat u het uitvoeren van testen, dan kunt u (redelijk
betrouwbaar) uw omslagpunt vaststellen door de volgende som uit te rekenen:
220 min leeftijd (=hsf.max) min 15. Iemand van 40 jaar heeft dan een
omslagpunt van 165. Beginners of weer-beginners wordt aangeraden het
omslagpunt altijd op deze manier te bepalen. U zit dan altijd aan de veilige
kant.
Ja. Door goede, gevarieerde training kan het omslagpunt inderdaad
verhoogd worden. Dat kan iedereen bereiken, hoewel de een nu eenmaal meer
aanleg heeft dan de ander. Om het omslagpunt te kunnen verhogen, moet men in
staat zijn stevig te trainen. U dient in staat te zijn om tenminste 60 minuten
achtereen in een gelijkmatige snelheid te kunnen blijven hardlopen. Als u dat
niet kunt, is het aan te raden om uw omslagpunt altijd constant te houden op
'220 min leeftijd min 15' en geen verhoging na te streven.
Door een test bepaalt u uw maximale hsf (hsf.max). Die
hsf.max-test gaat als volgt in z'n werk: na een goede warming up 6 minuten
vlot gaan
Getrainde lopers
Ongetrainde lopers
Als u niet van testen houdt, beginnend of nog niet ver-gevorderd
bent, kunt u voor de bepaling van de hoogte van uw hsf.max als uitgangspunt
nemen: 220 min leeftijd.
Bij iemand van 35 jaar is de hsf-max dan 185. Bij
getrainde, oudere, lopers ligt de hsf.max veelal een stuk hoger dan 220 min
leeftijd, vandaar dat voor hen het uitvoeren van een hsf.max-test aan te raden
is als ze hun precieze hsf.max willen weten.
Nee. De hsf.max neemt af naarmate men ouder wordt, maar die afname
is door goede, gevarieerde training echter wel sterk te vertragen. Met name de
trainings-vormen waarbij de hsf 'het gehele gebied' doorloopt, zijn daarvoor
de aangewezen middelen (intervaltraining bijvoorbeeld, minutenlopen e.d.). De
hsf.max verschilt per tak van sport (het aantal werkende spieren speelt ook
een rol).
Ja. Met deze
mogelijkheid wordt uitgegaan van de hsf.max en de hsf in rust (hsf.rust).
Daarbij wordt rekening gehouden met 'de hsf-reserve'.
Iemand met een lagere
hartslag in rust heeft een groter traject af te leggen voordat hij bij zijn
hsf.max is.
U kunt d.m.v. de hsf.max-test uw hsf.max vrij exact bepalen,
ook uw hsf.rust is vrij exact te bepalen. De verschillende trainings-vormen
worden gelopen op een bepaald percentage van de hsf.max. (Hier gaan we dus,
i.t.t. hierboven, uit van de hsf.max en niet van het omslagpunt). De DL Tl-5
wordt gelopen met een intensiteit die ongeveer ligt op 67-76% van de hsf.max;
de DL Tl op 76-82% van de hsf.max; de DL T2 op 82-87% van de hsf.max; de DLT3
op 87-92% van de hsf.max en de ext.ivt op 9095% van de hsf.max; (het
omslagpunt ligt op ca. 91-93% van de hsf.max). Voorbeeld. Bij een hsf.max van
189 en een hsf.rust van 48 en een gewenste trainings-intensiteit van 85%, gaat
de som als volgt: van de hsf.max trek je de hsf.rust af: 18948=141; neem
daarvan 85%= 120; die 120 tel je op bij je rustpols: 120+48= 168. En bepaal
aan de hand daarvan de intensiteits-zone (165175 bijvoorbeeld).
Voor de bepaling van de
juiste trainingsintensiteit, is de hoogte van de rustpols zeker van belang. De
rustpols geeft namelijk aan hoe de conditie van de loper op een bepaald
moment is. Niet alleen bij de berekening in de vorige vraag, ook in de tabel
is rekening gehouden met de lagere rustpols die getrainde lopers hebben. Want,
heeft een beginner (ongetrainde) een hartslag van tussen de 72 (mannen) en 84
(vrouwen), voor getrainden liggen die waarden veel lager (tussen, pakweg, de
40 en 60).
Doe dat 's
ochtends voor het opstaan. U kunt het liggend in uw bed doen of zittend op de
rand van uw bed, wacht in dat geval een minuutje, en neem uw hartslag op. Dit
kan met een hartslag meter of door 60 seconden lang uw polsslag te tellen.
Mocht u 's ochtends nooit zo uitgeslapen zijn, doe het dan 's avonds
voordat u naar bed gaat, als u ontspannen bent. Neem de rustpols eens een
week achtereen op, zo kunt u goed uw gemiddelde rustpols bepalen. Mocht de
rustpols gedurende meerdere dagen verhoogd zijn, dan traint u teveel (nog
niet hersteld), bent u een beetje 'gestresst', of er komt een griepje aan,
o.i.d. Doe in dat geval even rustig aan om uw 'oude' rustpols weer terug te
krijgen.
Individuele testen geven uiteraard de beste resultaten.
'Top'sporters kunnen groot belang hebben bij een regelmatige en exacte
bepaling van hun omslagpunt, zodat zij hun trainings-schema kunnen
bijstellen, Elke verhoging van het omslagpunt (dus het komt dichter bij de
hsf.max, er is langer sprake van het verband tussen toenemende hsf en
toenemende loopsnelheid) of verlaging van het omslagpunt houdt in dat er
respectievelijk harder of langzamer gelopen kan worden. En bij topsport, waar
het om seconden gaat, kan dat van belang zijn. Voor de trainingspraktijk van
alledag, luistert het allemaal wat minder nauw. Die test kan één keer per
maand gedaan worden als u in een opbouwperiode zit, anders bijvoorbeeld één
keer in de drie maanden of wanneer u er gewoon eens zin in heeft.
Dit is afhankelijk van de tijdsduur van de wedstrijd, In het
algemeen kan men zeggen dat een goed getrainde loper maximaal 60 minuten op
zijn omslagpunt kan lopen. Wedstrijden over kortere duur kunnen dus gelopen
worden met een hsf bóven het omslagpunt. Een 10 km loop je op ca, 104 -101%
(gemiddeld 102%; omslagpunt 180; 10 km-hsf 184). Een halve marathon kan
gelopen worden op 100 -97% (gemiddeld 98%; omslagpunt 180; halve marathon-hsf
176) en wedstrijden van langere duur, bijvoorbeeld de marathon, loopt iedereen
met een hsf onder het omslagpunt: ca. 96-94% (gemiddeld 94,5%; omslagpunt 180;
marathonhsf 170).
Ja. In de trainings-praktijk werkt het
inderdaad beter om de hsf als uitgangspunt te nemen i.p,v. de
loopsnelheid. De hsf houdt rekening met een zware nacht, met heuvelend
terrein, tegenwind e.d. Dat doet de loopnelheid niet. Als de loopsnelheid
4'40" per km moet bedragen dan kan het best zijn dat de hsf, heuvel-op, zelfs
tot boven het omslagpunt moet stijgen als de snelheid gelijk gehouden moet
worden. Als het omslagpunt als uitgangspunt geldt, dan zou heuvelop veel
langzamer gelopen moeten worde. Dus bij een gelijke hsf kunnen iverse
loopsnelheden horen.
Er kan natuurlijk regelmatig op
de polscomputer gekeken worden, maar bij veel hartslag meters kan een onder-
en bovengrens ingesteld worden. Als de duurloop gelopen moet worden in de
intensiteitszone '145 tot 155', stel je de ondergrens in op 145 en de
bovengrens op 155; bij 157-167, doe je bijvoorbeeld 155170. Als de hsf
buiten dit gebied komt, klinkt er een piepsignaal. Er moet dan snelheid
geminderd worden of een tandje bijgezet worden om het gewenste trainingseffect
bereiken. Als de hartslagmeter 'piept', is de intensiteit dus niet juist. Het
piepsignaal kan mogelijk ook uit worden gezet
U heeft een goede conditie als na afloop van de
duurloop of na beëindiging van de intervaltraining de hsf na één minuut
hersteltijd tussen de 3040 slagen is teruggelopen. Dus als u stopt, is uw
hsf bijvoorbeeld 160; als die nu na één minuut tot onder de 130 is
teruggelopen, is uw conditie o.k. Is het al 120 geworden, dan bent u in een
uitstekende conditie.
De daling van de hsf zal in de eerste minuut
(minuten) bijzonder snel verlopen en daarna nog maar slechts langzaam. Na een
zware training moet u met uw hsf na 3 minuten in het onderste grijze gebied
zitten (zie tabel).
Op de markt zijn kwalitatieve hartslagmeters te verkrijgen, maar
toch kunnen ook bij goede hartslagmeters soms problemen optreden. Redenen
hiervoor kunnen zijn :
a) invloeden van buitenaf waarop men geen invloed
heeft, zoals electronica in de nabijheid, hoogspanningsmasten e.d.;
b) een
te droge huid of juist hevige transpiratie of nat weer, waardoor de tem eten
electrische stroompjes niet goed worden doorgegeven.
Verder borstbandje
los, batterij leeg, e.d.
Ziwel storingen ten gevolge van a) en b) kunneni
sterke schommelingen in de hsf geven. Schrik dus niet als uw pas gekochte
hartslagmeter aan het begin van de training een hsf van bijvoorbeeld 230
aangeeft. Het belangrijkste lijkt ons dat, voordat met de training begonnen
wordt, de twee rechthoekige, geribbelde platen (elektrodenplaten) aan de
binnenzijde van de borstband natgemaakt worden (als de hartslagmeter over het
T-shirt gedragen wordt, moet het T-shirt ter plaatse nat zijn). Een goede
hartslagregistratie kan alleen dan plaatsvinden als die elektroden platen nat
zijn (als u kouwelijk bent, houd de elektrodenplaten dan even onder de
warmwaterkraan voordat u de borstband om doet).
Goede,
betrouwbare hartslagmeters zijn reeds te koop vanaf 4000 frank. Deze hartslag
meter meet 'enkel' de hartslag. Dat lijkt genoeg, ware het niet dat bij een
iets duurder model ook de boven- en ondergrens kan worden ingesteld. Verder
zijn er hartslagmeters met stopwatch, kloktijd, rondeteller, verlicht display
en een minder of meer uitgebreid geheugen, waardoor na de training de gegevens
teruggelezen kunnen worden en zelfs met behulp van een interface in een
computer kunnen worden overgebracht. Hoe meer mogelijkheden de hartslagmeter
heeft, hoe hoger de prijs. Overtuig u er eerst van welke mogelijkheden voor u
van belang zijn voordat u een hartslagmeter koopt. De betrouwbare hartslag
meter is in de goed uitgeruste loopspeciaalzaak te koop.
Het is
en blijft een stukje techniek. Dat kan stukgaan. Op de goede hartslag meter
zit uiteraard garantie. De hartslagmeters zijn de laatste tijd in aanschaf een
stuk goedkoper geworden. Maar een nadeel is dat bij diverse modellen hartslag
meters de batterijen in de borstband niet meer los vervangbaar zijn. Als ze
leeg zijn, dient er een geheel nieuwe borstband te worden gekocht. Een
batterij kan best een hele tijd meegaan, maar bij zéér intensief (want
dagelijks) gebruik kan de batterij na circa twee, tweeënhalf jaar leeg zijn.
In dat geval zal er dus een nieuwe borstband moeten worden aanschaffen, en die
kost ongeveer 2000 fr.
Dat valt te bezien. Maar U gaat ongetwijfeld wel
verstandiger trainen. En de kans dat u datgene uit u haalt wat in u zit, wordt
een stuk groter. Maar puur 'talent' is nog niet te koop Ook niet met een
hartslagmeter.
Nee. Alhoewel bij alle trainingsvormen objectief de
trainingsintensiteits en de snelheid van herstel bepaald kan worden
(bijvoorbeeld: er moet wat langzamer gelopen worder bij tegenwind of heuvel-op
en wat harder bij wind mee en heuvel-af, want de hsf moet in de gewenste
intensiteitszone blijven), moet men na verloop van tijd zelf ook in staat zijn
de intensiteitszones 'op gevoel' (subjectief) te kunnen bepalen: 'langzaam',
'rustig', 'gemiddeld', 'vlot' en 'snel', zie tabel). Men moet geen 'slaaf
worden van de techniek. Lopen bliift mensenwerk.