.
(Door Clemens Vollebergh in Runners World)
Bent u in training voor de marathon ? Uiteraard
is dan uw trainingsprogramma van groot belang, maar u moet ook 'goed' eten en
drinken. Onlangs promoveerde triatleet Asker Jeukendrup op een onderzoek naar de
koolhydraten- en vetstofwisseling tijdens duursporten. Zijn voornaamste
conclusie : duursporters kunnen hun
fysieke grenzen verleggen door uitgekiende voeding. Het aanvullen van de
energievoorraden tijdens en direct na de inspanning is daarbij van groter belang
dan het eten vlak voor de inspanning.
In ons lichaam vindt voortdurend stofwisseling plaats. Iedereen weet dat
vanaf de geboorte al het voedsel dat we eten, er in vloeibare of vaste vorm weer
uitkomt. Maar wat er met dat voedsel gebeurt tijdens de tocht door het lichaam,
is niet bij iedereen en niet in detail bekend.
Alle energie die we nodig
hebben om onze spieren te laten werken, bevindt zich in het voedsel dat we
opnemen en wordt daaruit door verbranding (oxidatie) vrijgemaakt. Het voedsel
moet daartoe verteerd worden en geassimileerd (gelijkgemaakt). De vertering
maakt de voedingsstoffen vervoerbaar, de assimilatie geeft ze een bruikbare
vorm.
Door afsplitsing van een atoom kan adenosinetrifosfaat (ATP) energie
vrijmaken. Daardoor kan een spier samentrekken. Omdat de voorraad ATP in lever
en spieren slechts gering is, moet deze steeds weer worden aangevuld. Dit
zogenaamde resynthetiseren van ATP vindt plaats in de citroenzuurcyclus, een
aantal ingewikkelde chemische reaties.
Een mix
Al naar gelang de intensiteit en duur van de inspanning beschikt het lichaam
over een dominant stofwisselingssysteem.
Globaal zijn er drie energie leverende systemen in ons lichaam te
onderscheiden :
directe energie voor zo'n 15 seconden. Er is bij de
energielevering geen zuurstof nodig en er wordt geen lactaat (melkzuur)
gevormd.
Dit systeem levert
De glycolyse levert twee a drie millimol ATP
gedurende
Het aëroob (met zuurstof) systeem
levert 36 millimol ATP en is dominant
Superbenzine
De twee belangrijkste energiebronnen
tijdens de aërobe inspanning zijn koolhydraten en vetten.
Koolhydraten
vormen een soort superbenzine, die is opgeslagen in de vorm van glycogeen in de
spieren en de lever.
Het voordeel van deze superbenzine is dat je deze
energiebron bij hoge snelheid gedurende langere tijd kunt aanwenden.
Het
nadeel van koolhydraten is dat er slechts kleine hoeveelheden van kunnen worden
opgeslagen.
Een man van zeventig kilo
heeft ongeveer 400 gram spierglycogeen en 100 gram leverglycogeen. De totale
koolhydraatvoorraad komt neer op ongeveer 8000 kilojoules (kJ) of 2000
kilocalorieën (kcal) .
In tegenstelling tot koolhydraten hebben vetten een
negatief imago. Van vetten word je dik en zwaar, en dat is het laatste wat een
duursporter wil. Het lichaam
heeft echter een enorme capaciteit om vet op te slaan. Percentages van het totale lichaamsgewicht variëren van vijf
tot vijftig procent. De gemiddelde normen die gehanteerd worden, liggen tussen
tien en twintig procent voor de man en twintig en dertig procent voor de
vrouw.
Bij tachtig kilo lichaamsgewicht voor een man en zestig kilo voor een
vrouw resulteert dit in respectievelijk 450.000 kj (110.000 kcal) en 550.000 kj
(135.000 kcal). Vertaald naar de
marathon zou dit beteken dat de koolhydratenvoorraad genoeg energie zou leveren
voor 95 minuten marathonlopen en de vetvoorraad voor 119 uur. Vetverbranding
heeft echter ook een duidelijk nadeel : bij dit proces is veel zuurstof nodig.
Met andere woorden : als we overschakelen naar vetverbranding, gaan we langzamer
lopen.
Kokosolie
Volgens Asker Jeukendrup is de rol van vetten bij duurinspanningen lange tijd
onderschat.
Uit onderzoek is gebleken dat een vetrijke maaltijd en een
infuus met heparine tot glycogeensparing leiden tijdens een inspanning als
bijvoorbeeld een marathon. Heparine zorgt ervoor dat enzymen gestimuleerd
worden, die triglyceriden splitsen in vetzuren en glycerol.
Omdat je een
loper die bezig is met de voorbereiding of uitvoering van een marathon, moeilijk
aan een infuus kunt leggen, heeft Jeukendrup als alternatief een drankje
ontwikkeld. Dat is gebaseerd op koolhydraten, met daaraan toegevoegd
middellange-keten-vetzuren (MCT's) in de vorm van kokosolie. De MCT's hebben een
laag smeltpunt en zijn daardoor snel op te nemen. Zij maken de membranen van de
stofwisselingscellen soepeler en zorgen ervoor dat de rode bloedcellen
gemakkelijker door de celwand komen, waardoor de zuurstofopname beter
verloopt.
Het lichaam kent verschillende vetbronnen : vetzuren vanuit het
vetweefsel, die via het bloed naar de spieren getransporteerd kunnen worden, en
de triglyceriden die in de spiercellen in depots dicht bij de mitochondriën (de
energiefabriekjes van de cel) zijn opgeslagen.
Gebleken is dat getrainde
mensen veel meer triglyceriden bezitten dan ongetrainde mensen. Er zijn
aanwijzingen dat de vetzuurverbranding afhankelijk is van de beschikbaarheid van
koolhydraten. Bij afwezigheid van koolhydraten is de vetzuurverbranding
geremd.
Nieuw evenwicht
Het lichaam is gespecialiseerd in het handhaven van evenwicht. Allerlei
verstoringen
Dit houdt in dat het lichaam ook
geconditioneerd kan worden om meer vetten voor de energieproductie te gebruiken.
Dit kan worden afgeleid uit het toegenomen aantal oxidatieve enzymen en een
verminderde afbraak van leverglycogeen tijdens inspanning.
Na deze deels
theoretische stof volgen hier aanwijzingen voor de praktijk. Stel u wilt een
marathon lopen en u beschikt al over trainingsschema's. Maar hoe moet het nu met
de voeding ?
In de voorbereiding :
Maximaal aanvullen van de
glycogeendepots. U begint hiermee een week voor de marathon. De volgende zes
dagen gebruikt u een koolhydraatrijk dieet, waarbij het percentage koolhydraten
van 50 a 55 procent toeneemt tot 70 a 75 procent. Tijdens dezelfde periode
vermindert u de omvang van de trainingen, terwijl de trainingsintensiteit gelijk
blijft. Tijdens dit proces, dat tapering genoemd wordt, stijgen de
glycogeenvoorraden tot 150 procent van de normale hoeveelheid.
U moet zich niet vergissen in hoeveelheid voedsel (600
gram koolhydraten per dag) dat u moet eten om werkelijk deze percentages te
halen. Daarnaast dient u te waken voor een te grote darmactiviteit.
Tijdens
de laatste drie dagen voor de wedstrijd dient vezelrijk voedsel - zoals
bladgroente, rauwkost, grof volkorenbrood, onrijpe bananen, bruine rijst en
muesli - vermeden te worden.~Drink veel tijdens de dagen voor de wedstrijd, ook
in het kortere duurwerk. Als er warm weer verwacht wordt tijdens de marathon,
voeg dan een mespuntje zout aan het vocht toe. Oefen het drinken van grote
hoeveelheden tijdens de training. Gebruik twee tot vier uur voor de wedstrijd een koolhydraatrijke maaltijd
: vloeibaar of vast voedsel en zo min mogelijk vet en eiwit.
Tijdens de wedstrijd :
| Het opnemen van koolhydraten tijdens de wedstrijd bevordert de prestatie. Het verdient aanbeveling vooral in begin van de marathon veel koolhydraatrijk te drinken, omdat dan het maag-darmkanaal het meest actief is. | |
| Maak gebruik van een sportdrank. De ideale sportdrank geeft een optimale aanvulling van de koolhydraten, veroorzaakt geen gassen en smaakt goed. Wat in de mond goed smaakt, wordt meestal goed door de maag ontvangen en direct aan het bloed afgegeven. |
Na de wedstrijd :
Snel herstel is van groot belang voor de training en regelmatige deelname aan
wedstrijden. Drie factoren zijn daarbij van belang :
| De hoeveelheid koolhydraten : Voor aanvulling van de glycogeenvoorraad is 50 gram in twee uur het maximum. Meerdere kleine maaltijden zijn niet beter dan een paar grote maaltijden. | |
| Het type koolhydraten. Bepaalde koolhydraten worden beter en sneller opgenomen dan andere. | |
| De timing van de koolhydraatopname na de inspanning. Het aanvullen van de glycogeenvoorraden moet vrij snel na de inspanning geschieden. Er is ongeveer 10 tot 36 uur nodig om de glycogeenvoorraad weer helemaal op niveau te hebben. 1 |
Energiebehoefte
De gemiddelde energiebehoefte voor mannen en vrouwen in verschillende leeftijdsgroepen bij verschillende graden. van lichamelijke activiteit in kiloJoules (kJ) en kilocalorieën (kcal) per kilogram lichaamsgewicht per dag.
-----------------------------------------------------------------------------
20-35 jaar 35-55 jaar 55-75 jaar
MAN kj kcal kJ kcal kj kcal
------------------------------------------------------------------------------
Zeer geringe activiteit 141 33,5 130 31,0 126 30,0
Geringe activiteit 151 36,0 141 33,5 130 31,0
Matig actief 166 39,5 155 37,0 147 35,0
Zeer actief 193 46,0 181 43,0 172 41,0
------------------------------------------------------------------------------
VROUW
-------------------------------------------------------------------------------
Zeer geringe activiteit 126 30,0 122 29,0 116 27,5
Geringe activiteit 141 33,5 130 31,0 126 30,0
Matig actief 155 37,0 147 35,0 134 32,0
Zeer actief 181 43,0 168 40,0 - -
-------------------------------------------------------------------------------