Vandaag de dag word je in tljdschriften en boeken
overstelpt met wijze trainings raadgevingen. Toch worden er door joggers en
atleten nog een hele reeks vermijdbare fouten gemaakt, die je in plaats van in
de zevende atletiekhemel naar de wachtkamer van de sportdokter brengen. Samen
met Johan Roeykens, als sportwetenschapper verbonden aan het Brussels
Laboratorium voor Inspanning en Topsport, maken we nog eens een roundup over wat
mag en niet. In dit overzicht komen zowel de toplopers als de beginners aan hun
trekken. Met als eerste vraag: Hoe belangrijk Is het kennen van zijn persoonlijk
omslagpunt ?
Ter herinnering : het omslagpunt wordt meestal bepaald
aan de hand van een lactaattest en situeert zich gemiddeld rond een
lactaatgehalte van 4 mmol/l. Men spreekt ook van omslagpols, anaëorbe drempel of
buigpunt van de lactaatcurve. Boven deze zone werken, betekent onvermijdelijk in
het rood gaan, omdat de aanvoer van zuurstof onvoldoende wordt om de functie van
de spier in stand te houden. Wanneer je op training in de buurt van het
omslagpunt komt, wordt het spreken met een partner almaar moeilijker. Eén van de
grote trainingsdoelstellingen bestaat erin deze situatie zo lang mogelijk uit te
stellen. Weerstand
Welke atleten moeten af en toe toch boven het omslagpunt trainen ? "Sowieso
zal iedereen die competitie loopt, zonder uitzondering, met hogere snelheden in
contact moeten komen en in weerstand moeten kun nen gaan. De afstand die je in
competitie loopt, speelt hierbij een essentiele rol. Marathonlopers zullen voor 99% in uithouding trainen en slechts 1%
in weerstand. Een 5000 meterloper daarentegen moet tijdens de laatste kilometers
heel wat in weerstand moeten kunnen gaan. Berekenen omslagpols
Kan men de waarde van de omslagpols statistisch bepalen? Zonder lactaattesten
dus. "Uit wetenschappelijke gegevens is bekend dat een
getraind atleet zijn omslagpunt gemiddeld op 90% van zijn maximale
hartfrequentie zal terugvinden", stelt Roeykens. "Laten we het voorzichtig bij
een marge van 85 tot 95% houden. Bij wielrenners vinden we het omslagpunt
doorgaans op 80% van de maximale waarde. Getrainde wielrenners gaan naar 85 tot
90%, maar die percentages zijn eerder uitzonderlijk. Een grove schatting
van het omslagpunt is dus zeker mogelijk. Ken je lichaam
"Beginners zouden in de eerste plaats een balans moeten
opmaken. In de zin van : wat is voor mij haalbaar? De vraag die uiteindelijk
iedereen moet kunnen beantwoorden is : hoe goed ken ik mijn lichaam ? Op
dat punt kunnen bewegingswetenschappers (zoals licentiaten L.O- en
kinesitherapeuten) een heel belangrijke inbreng hebben. Wie van in het begin met
een verkeerde rughouding loopt, zal vroeg of laat met rugklachten kampen. Hoe
vaak stelt men niet achteraf vast hoe verkeerd men getraind heeft. Het is niet
omdat je cardiovasculaire systeem je progressie goed volgt, dat je automatisch
goed bezig bent. "Wanneer op je parcours een heuvel voorkomt, gaat je
polsslag onvermijdelijk naar omhoog. Beginners zullen op de minste heuvel zelfs
vrij snel verzuren. Bergop lopen gaat immers gepaard met een stijging van je
lactaatwaarden. Daarom wordt aan beginners de raad gegeven een parcours uit te
kiezen dat zo weinig mogelijk hindernissen bevat. Je lichaam zal het
sowieso al moeilijk genoeg hebben om zich aan te passen aan hetgeen ervan
gevraagd wordt. Lactaatproductie
Om efficient te werken, moet er fysiologisch een bepaalde
lactaatproductie zijn. "Je kan daar bij beginners moeilijk waarden aan
vastkleven. We kennen allemaal wel de standaardcijfers van 2 en 4 mmol/l, de
zone waarin demeeste trainingsarbeid geschiedt. Een beginner zal automatisch
rond de4 mmol/l werken. Het omslagpunt wordt immers zeer snel bereikt, met
hyperventilatie als gevolg. Beginners gaan automatisch verzuren.Op het einde van
training wordt zelfs 5 tot 6 mmol/l bereikt. Daarom hebben bij beginners
lactaattesten geen zin. Variatie in de training
"Voor wie ongeveer elke dag loopt en een wekelijks volume
in de buurt van 80 km bereikt, is de variatie in de intensiteit en de duur van
de training van enorm belang. Zeker wanneer er nog bepaalde objectieven
nagestreefd worden : je besttijd verbeteren of in een of andere jogging je beste
vriend verslaan. De basistraining
Hoe verdeel je nu de verschillende trainingsintensiteiten over de dagen van
de week? In de alIereerste voorbereidingsperiode ligt de
nadruk sowieso op volumetraining waarin toch bepaalde prikkels van snelheid en
weerstand mogen ingebouwd worden, maar zeer beperkt moeten blijven. Wie een
weektotaal van 70 tot 80 km wilhalen mag rekenen op drietal lange
duurtrainingen. Wat niet betekent dat je dan telkens 30 km moet lopen, maar
hooguit 15 tot 20 km. Daarnaast is de extensieve duurtraining zeer belangrijk,
een trainingsvorm waarbij ook snelheidsoefeningen kunnen ingelast worden, om de
snelheid waarover je beschikt niet te verliezen. Hierbij wordt bijvoorbeeld
gebruik gemaakt van de zogenaamde déboulés : 150 meter progressief versnellen,
om vervolgens de continue extensieve duurtraining verder te
zetten. Specifieke voorbereiding
' In de specifieke voorbereidingspe riode wordt ook de
intensieve duurtraining ingeschakeld, maximaal één keer per week dan. Een
beginnend loper houdt het bij twintig minut en een geoefend atleet kan het tot
drie kwartier volhouden. Er wordt dan voornamelijk rond het omslagpunt gewerkt,
waarbij men net niet te veel in rood probeert te gaan. In een week waarin
minder volume voorzien is, kan men eventueel nog een tweede intensieve
duurtraining voorzien. Vooral niet vergeten correct op te warmen en correct uit
te lopen. Er moet zeker voIdoende tijd aan de opwarming besteed worden. Het heeft geen zin van bij de start van de training onmiddellijk
naar intensief over te schakelen. Het metabolisme moet daar kIaar voor zijn,
anders krijg je direct te hoge lactaatwaarden. Wie traint, moet ook
,liefst de volgende dag, een recuperatietrainlng vo.orzien in zijn schema. Dan
probeer je te lopen aan een zo laag mogelijke polsslag : 60% van je maximale
polsslag bijvoorbeeld. Anderzijds mag je biomechanisch gezien ook niet te traag
lopen. Bij te traag lopen bestaat het gevaar dat je je verkeerd beweegt, wat nu
ook niet de bedoeling is. Deze trainingsvorm mag maximaal één uur in beslag
nemen. Voor een beginner is een half uur zelfs meer dan voldoende. De extensieve
duurlopen worden in het programma behouden, maar gaan iets specifieker
evolueren, met snelheidsoefeningen in functie van het doel waarnaar je piekt."
Wedstrijdvoorbereiding
"Naarmate de wedstrijd nadert, kom je in de fase van de specifieke
wedstrijdvoorbereiding terecht. Voor de ene duurt deze periode twee maanden,
voor anderen die zeer snel hun optimale weerstand bereiken, kan die periode een
stuk korter zijn. Hiervoor kan het bepalen van de lactaatcurve erg revelerend
zijn. Hoe sterk is iemand weerstandsgetraind, hoe sterk uithoudingsgetraind?
Dergelijke vraag kan na een lactaattest beantwoord worden. De capaciteit lactaat op te stapelen bepaalt immers je
weerstandstraining. In deze periode kunnen ook tempolopen ingeschakeld
worden, waarbij het wedstrijdtempo over korte afstanden, in intervalvorm dus,
zal aangewend worden. Bij dergelijke training is de loopsnelheid echter
belangrijker dan de hartslag. Een mooie controle hierbij is dat de eerste
duizend meter even snel moet afgelegd worden als de laatste, hoewel op het eind
van de training de polsslag doorgaans vijf tot tien tellen hoger ligt. Hoe meer
er intensief gewerkt wordt richting wedstrijdtempo, hoe belangrijker ook de
recuperatie wordt. Het volume moet dan in stand gehouden worden met
recuperatietrainingen. Tussenin blijf je vlotte duurlopen uit voeren op
extensief niveau."
De meest gemaakte fouten
"De grootste fout die je op training kan maken, is het verkeerd inschatten
van jezelf. ledere loper zou de slogan 'ken je lichaam' hoog in zijn vaandel
moeten schrijven. De eigen gewaarwording moet ten allen tijde gerespecteerd
worden. Zo zullen heel wat atleten tijdens een intensieve duurloop net die
intensiteit opzoeken waarbij ze gauw de eerste vermoeiheidsverschijnselen
vertonen : een gewaarwording die overeenkomt met een branderig gevoel in de
spieren en met hvperventilatie. "Wanneer je je een concreet doel voor ogen gesteld hebt,
zoals de 20 km van Brussel, moet je er ook voor zorgen op tijd met je programma
te starten. Dergelijke wedstrijd kan je niet in één maand tijd voorbereiden. Om
zonder risico op blessures te lopen, heb je zeker een half jaar voorbereiding
nodig. De voorwaarde om in een marathon te starten, is gedurende minstens één
jaar blessurevrij te kunnen trainen. Daar zijn zowat alle lopers bet mee eens.
Gezond ?
"Een gouden raad : probeer altijd pijnvrij te
trainen. Als je dat kan, train je ergens gezond en kan je je levens
kwaliteit optimaal benutten. Je hoeft niet altijd gezond te zijn om een goede
levenskwaliteit te hebben, dat bewijzen de rokers, maar je moet proberen het
omgekeerde te doen. In die zin dat je probeert je levenskwaliteit op een hoger
niveau te brengen door gezond te gaan lopen. Gezondheid en sporten gaan meestal
samen. Meestal, zeggen we, omdat je bij topsport nog moeilijk van
gezondheidssport kan spreken. Erger nog, topsport is radicaal ongezond, omdat je
de hele tijd balanceert op de limiet van overtraining en blessures. Een beginner
mag wel zijn bewondering tonen voor topsportpres taties, maar mag ze zeker niet
proberen te imiteren."
avzk@belgacom.net ©2000 - AVZK
"'Een omslagpunt is zeer belangrijk vanaf het moment dat je
op een bepaald niveau werkt" stelt Roeykens. "Bij joggers, die slechts een paar
keer per week buiten komen, is deze parameter uiteraard van minder betekenis.
Wie weinig traint, heeft er geen baat bij lactaattesten te laten uitvoeren. Pas
wanneer je beter of meer gestructureerd wil trainen, spelen de verschillende
loopintensiteiten een belangrijke rol. Het omslagpunt wordt belangrijk wanneer
je in je programma naast je gewone duurloop ook een stuk intensiever wil werken.
Het omslagpunt zal dan een uitstekende referentie zijn om te bepalen wanneer je
in weerstand (lichte of zware), of in uithouding traint.
De meeste beginners
begaan echter de fout te lopen tot aan een intensiteit die hen in het rood
brengt, maar dan is het uiteraard te laat om nog bij te sturen. Wie geregeld in
competitie uitkomt, mag deze fout zeker niet maken. Daarom is het interessant de
snelheid of de hartfrequentie te kennen die overeenkomt met het omslagpunt.
Hoeveel procent men nu in
uithouding en in weerstand moet trainen, hangt af van persoon tot persoon. Daar
zijn wel richtinggevende tabellen maar geen exacte formules voor. Bij het
opstellen van een trainingsschema moet je eerder zoeken welke zwakke punten er
verbeterd moeten worden. Of iemand gemakkelijk weerstand aankan, heeft trouwens
veel te maken met de fysionomie van zijn lichaam, of hij snelle dan wel trage
spiervezels heeft.
Belangrijk is ook te weten hoe zijn omslagpunt zich
situeert ten opzichte van zijn maximale hartfrequentie. Pas op basis van die
gegevens kan men zeggen dat iemand nood heeft aan specifieke weerstandstraining.
Topatleten kennen hun lichaam doorgaans zo goed, dat ze zelf wel weten wanneer
ze in in uithouding of weerstand trainen. Bij dergelijke atleten moet je
trouwens voorzichtig zijn om te veel te focussen op een bepaalde hartfrequentie
of snelheid. Het gevoel van de dag blijft immers een belangrijk gegeven voor het
bepalen van de trainingsintensiteit. Enerzijds zijn er de objectieve
wetenschappelijke kenmerken, maar daarnaast is er het pure gevoelsmatige,
waarmee toch ook rekening moet gehouden worden. Het optimum ligt ergens tussen
beide in.
Daarom is het verkieslijk dat wetenschappers hun atleten niet
alleen in een labo observeren, maar ook op het terrein. Dan alleen kan de
opvolging van de training optimaal verzekerd worden. Maar dat is uiteraard in de
eerste plaats een kwestie van tijd en middelen."
Ook de loopstijl en de
looptechniek beinvloeden dit cijfer wezenlijk. De biomechanica is in dat oogpunt
zeker niet te verwaarlozen. Wanneer je niet efficient loopt, zal je ook veel
sneller het omslagpunt bereiken. Voor iemand die pas met een loopprogramma
gestart is kan men volgende algemene raad meegeven: overschrijd op een vlakke
ondergrond de 80% van je maximale polsslag niet."
Preventie blijft zeker in de loopsport een zeer belangrijk
element. Het grote probleem is dat men doorgaans pas optreedt wanneer de
blessures zich al gemanifesteerd hebben. Dan pas stelt men niet zonder weemoed
vast wat men al die maanden of jaren gemist heeft. Het is niet omdat je met een
bepaalde formule bezig bent, dat die formule ook op jezelf van toepassing
is. Zo zie je in de boekjes vaak de stelregel: de maximale
polsslag komt overeen met 220 min leeftijd. Maar hoe zeker ben je dat deze
eveneens voor jou het geval is ? Wanneer je je dan hierop baseert om je
omslagpunt uit te rekenen, kan je er een flink stuk naast zitten."
Beginners
Loop daarom in het begin niet te hard van stapel en wissel
geregeld van lopen naar stappen. Eens je een uur continu kan
lopen - er bestaan voldoende schema's voor beginners die je na verloop van tijd
zover kunnen brengen - kan je naar een verdere begeleiding stappen om andere
doeleinden waar te maken.
Voor mensen dle ouder zijn dan veertig
wordt daarenboven een medisch onderzoek in een inspanningslabo warm aanbevolen.
Zeker wanneer je gedurende lange tijd helemaal geen sport beoefend hebt. Lopen is immers een activltelt dle met een zware biomechanische
belasting te maken heeft. Gewrichten, spieren en pezen worden tijdens een
looptraining serieus op de proef gesteld. Het lichaam moet deze belasting ook
aankunnen. Daarom is in de aanvangsfase een frequentie van maximaal driemaal
trainen per week meer dan voldoende.
Ook een juiste keuze van het
type loopschoen is voor een beginner erg belangrijk. Gelukkig wordt vandaag de
dag niet meer met tennispantoffels gejogd, maar het is even erg wanneer je met
een verkeerde loopschoen opgezadeld zit. Voor loopspeciaalzaken is op dit vlak
een belangrijke rol weg gelegd.
Toch nog dit : wanneer
je werkelijk van nul moet beginnen, is het aan te raden vooraleer te joggen
eerst te fietsen en te wandelen, sporten waar de biomechanische belasting een
flink stuk lager ligt. Pas wanneer je na een aantal weken of maanden de eerste
fysiologische effecten van je training waarneemt, kan je joggen inschakelen. Met
joggen wordt uiteraard niet hardlopen bedoeld. Ofwel loop je alleen,
ofwel met een groep andere beginners van dezelfde waarde. Iemand willen volgen
die een flink stuk sneller is, heeft geen enkele zin. Het is de bedoeling een
inspanning te leveren die je aankan, niet enkel op mentaal niveau, maar
voornamelijk op het niveau van het hart, de longen, de pezen, de spieren en de
gewrichten.
Wel kan je als raad meegeven tijdens de
training onder een bepaalde hartfrequentie te blijven. Een schema voor beginners
dient enkel om het lichaam (voornamelijk de spieren) efficient te laten
omspringen met de koolhydratenvoorraad. Wie wil vermageren, komt daarom in het
begin wat bedrogen uit. Het lichaam verbrandt tijdens de training geen vetten,
maar koolhydraten. Tenzij de inspanningsintensiteit zo laag ligt en deze zo lang
aangehouden wordt, dat het lichaam toch naar de verbranding van vetstoffen
overschakelt."
Bij een recuperatie training, waarbij
je maximaal een uur lolsloopt, ontstaat een lactaatgehalte rond 1,5 mmol/l. De
polsslag neemt daarbij waarden aan die schommelen rond 60% van de maximale pols.
Ga je over naar de lange duurlopen, dan zal het lactaatgehalte in de buurt van 2
mmol/l komen, een waarde die aangezien wordt als de aërobe grens. Bij de
voorbereiding van een marathon kunnen deze lange duurlopen tot 35 km opgevoerd
worden. De polsslag mag dan nlet meer bedragen dan 70 % van de maximale
hartfrequentie. Vervolgens is er de extensieve duurloop, waarbij het
lactaatgehalte tussen 2 en 4 mmol/l schommelt. De polsslag stijgt nu naar 80%,
van de maximale pols. Bij een intensieve duurloop, waarbij je polsslag zich
tussen 80 en 90%, situeert van je maxlmale pols, wordt gemiddeld een
lactaatwaarde van 4 mmol/l bereikt, maar het is perfect mogelijk dat deze waarde
bij jou een stuk lager of hoger ligt. Een hogere waarde bereik je bijvoorbeeld
wanneer je over veel snelle spiervezels beschikt. De interpretatie van 4 mmol is
dus zeker niet voor iedereen dezelfde en algemene regels zijn er op dat vlak
niet. Ook het aantal jaren loopervaring speelt hierin een grote
rol.
Ten slotte is er de trainingsarbeid die boven bet omslagpunt
verricht wordt, wanneer je polsslag waarden aanneemt tussen 85 en 100 % van je
maximale pols. Hier komen we op het terrein van de intervaltrainingen waar het
bepalen van de gewenste hartfrequentie wat moeilijker ligt. Er bestaan immers
zeer weinig regels die vertellen hoe de maximale pols best bereikt wordt. Neem
aan dat je tienmaal driehonderd meter interval doet, hoe weet je dan wanneer
precies je de maximale pols moet bereiken? Hier zal het gevoel meer uitsluitsel
kunnen geven dan welke wetenschappelijke theorie ook. Op dat ogenblik zou
ammoniak, in aanvulling van de lactaattest, een zeer nuttige parameter kunnen
zijn. Waarbij we ons voorhouden dat tijdens de intervaltraining het
ammoniakgehalte bepaalde waarden niet mag overschrijden. Zo wordt de maximale
pols op een gerichte manier bereikt."
Ook de krachtopbouw mag niet uit het oog verloren worden.
Bepaalde oefeningen zijn zelfs onontbeerlijk voor pistelopers, omdat deze vooral
in de bochten wat schuinlopen. Een dynamisch onderzoek en een houdings onderzoek
kunnen op dat gebied een aantal lacunes aan het licht brengen, zodat onder de
leiding van een kinesitherapeut correctief en blessurepreventief kan ingegrepen
worden : een gegeven waarmee in onze contreien bijna geen rekening gehouden
wordt. Lange duurtrainingen extensieve duurtrainingen en krachttraining, op een
goede manier uitgevoerd, zijn de hoekstenen van de opbouwperiode."
Niet te snel
Dat kan een goede training zijn, wanneer je
daar effectief klaar voor bent. Een beginner die te snel op
een te hoog niveau wiI geraken, zal de dag nadien met spierpijn en stijfheid
kampen, iets wat normaal niet de bedoeling is. Een hartslagmeter kan dan als
richtlijn gebruikt worden om niet te snel van stapel te lopen. Op
voorwaarde dat je de cijfers correct kan interpreterenn Meestal denkt men dat
een bepaalde polsslag tijdens de training absoluut bereikt moet worden.
Uiteindelijk moet je lichaam je zeggen : bij die polsslag heb ik die bepaalde
gewaarwording, zodat je na verloop van tijd kan vaststellen of je niet te ver
bent gegaan. Het is trouwens beter iets te traag te lopen
dan iets te snel. Daarom is trainen met lopers van je eigen niveau bijna een
must."
Fouten die je best vermijdt
Ervaring speelt immers een erg belangrijke rol : de signalen van het
lichaam interpreteren zoals het moet.
Heel wat lopers nemen het niet zo nauw
met hun uit rusting.Het materiaal dat je aan je voeten bindt, is uitermate
belangrijk om blessures te vermijden. Daarom is het goed je looppatroon
efficient te laten onderzoeken. Er bestaan nu voldoende professionele
sportwinkels die over een loopband met video apparatuur beschikken.
Vaststellingen zoals supinatie of hyperpronatie mogen zeker niet onderschat
worden.
Een andere fout is, zeker wanneer het wat warmer is, onvoldoende te
drinken. Gebrek aan vloeistof kan leiden tot heel wat problemen, zoals
voortijdige krampen of in bet meest extreme geval tot een hitteslag. Zorg daarom
dat je op het einde van de training de gelegenheid hebt onmiddellijk de
vochtbalans in evenwicht te herstellen . Een flesje water in je wagen kan
wonderen doen. Naast de drank is ook het voedsel belangrijk.In ons land is het
bekend dat veel mensen te veel verzadigde vetten eten. Je hoeft daarom niet in
één keer heel je levensstijl om te schakelen. Pro beer toch je voeding dermate
aan te passen dat je na de geleverde inspanning optimaal kan recupereren. In elk
geval zal de vetopname moeten beperkt worden. Het lichaam heeft tijdens de
sportbeoefening veel nood aan koolhydraten. Hoe je die dan neemt, is uiter aard
een ander verhaal. Daar bestaan honderden boeken en tijdschriften over Bij het
opstellen van een trainingsschema moet je al die factoren naast elkaar leggen en
daar kan de specialist, de ervaren trainer met name, heel wat in helpen. Te veel
te snel willen doen, is uiteraard nefast. Want dan kom je na verloop van tijd
bij de kinesitherapeut terecht om je te laten behandelen voor een achillespees-
of een ander biomechanisch probleem."
Monotonie Wat dan gezegd van monotoon trainen, iedere
dag met dezelfde matige snelheid op hetzelfde parcours? "Voor een beginner maakt
dit niet veel uit. Wanneer je slechts driemaal per week traint, is de
afwisseling in volume en tempo niet essentieel. Toch zal je op een bepaald
ogenblik variatie in je training moeten brengen. Monotonie op training leidt,
wanneer er geen andere problemen zijn, tot een afvlakking van de prestaties. Na
verloop van tijd ga je geen vooruitgang meer boeken. Door te trainen probeer je
immers steeds een soort prikkel toe te dienen aan je lichaam, zodat je lichaam
verplicht wordt erop te reageren. Monotonie betekent steeds dezelfde
trainingsprikkel, die geen overbelasting veroorzaakt, zodat je op de duur geen
aanpassing van je lichaam meer krijgt. Het lichaam blijft misschien op een goed
niveau van steady state (evenwicht). Toch ga je na jaren een soort leereffect
krijgen, waarbij je biomechanisch de efficiëntie van je loopstijl zal
verbeteren. Je zal echter niet optimaal trainen en een super-doel moet je je ook
niet stellen. Wil je echt voorwaarts, dan zal variatie in de training
onontbeerlijk zijn. Loop je op een ideaal parcours (in een bos bijvoorbeeld),
hou dan die monotonie. Loop je echter met slecht schoeisel, dan kan die
monotonie heel snel tot overbelasting leiden. Alles hangt er natuurlijk van af
welke doelstellingen je je gesteld hebt. Loop je nu iedere dag een tiental
kilometer met een snelheid van 5'30" per kilometer, dan is het perfect mogelijk
dat je tij dens een wedstrijd over 10 km met een snelheid van 4'00" kan
uitpakken. Maar dan krijg je met een serieuze overbelastingsprikkel te maken.
Ben je gezond, dan zal je lichaam wel enkele keren je
vergissing door de vingers zien. Maar op een dag krijg je een spierscheur of een
peesprobleem cadeau. Het verschil tussen je trainingen en hetgeen je je tijdens
een wedstrijd oplegt, mag af en toe groot zijn, maar niet super. Daarom
is het goed dat je tijdens de training af en toe een wedstrijd simuleert of in
de buurt komt van je wedstrijdtempo. Want hoe langer de wedstrijdafstand, hoe
vlugger je tot het besef gaat komen dat je je lichaam, in geval van te grote
sprongen, te zwaar belast. Bij een korte stratenloop kan je nog wel iets
forceren , maar de recuperatie die je daarna nodig hebt, zal niet te
onderschatten zijn."