historiek
Start historiek exploitatienieuws materieellijsten steekkaart entiteit links fotoalbum historisch materieel

 

Stadstram  Oostende

 De Nationale Maatschappij Van Buurtspoorwegen...Haar Geschiedenis 

Tijdens de tweede helft van de vorige eeuw, kende België een buitengewone ontwikkeling van nijverheid en handel. Het land bevond zich in volle sociale en economische mutatie en om aan de groeiende vervoerbehoeften te voldoen werd het spoorwegnet, waarvan met aanleggen in 1834 was begonnen, aanzienlijk uitgebreid. Wegens hun hoge kostprijs konden de spoorwegen echter slechts de voornaamste verkeersassen bedienen. Zeer vlug deed zich de noodzakelijkheid van een bijkomend net gevoelen om het verkeer tussen het voorstedelijk platteland en de grote steden te bevorderen.

Onmiddellijk na haar oprichting begon de N.M.V.B. met de aanleg van talrijke lijnen en in 1894, dus tien jaar later, had het met stoomtractie geëxploiteerde net reeds een lengte van 1.340 km.  

Door het spoorvervoer in de landelijke streken diep te laten doordringen om aldus de vervoerkosten te verminderen, hoopte de Belgische Staat het concurrerend karakter van de inlandse produkten te verhogen. Later heeft de bedrijvigheid van de N.M.V.B. zich uitgebreid en het personenvervoer, dat in de 19de eeuw slechts bijkomstig was, werd niet alleen de voornaamste, maar vrijwel de enige activiteit van deze maatschappij.

De N.M.V.B. was de eerste die de stoomtractie door elektrische tractie verving op een reeds bestaande lijn, namelijk Brussel (Rouppeplein) – Kleine Hut. Het was uiteraard op de meest rendabele lijnen dat deze tractiewijze werd toegepast.

Kort voor de eerste wereldoorlog beschikte de N.M.V.B. over 4.000 km lijnen waarvan 400 km met elektrische tractie. De oorlog zou echter heel wat ten gronde richten. Ten koste van talloze moeilijkheden vulden de buurtspoorwegen het tekort aan van de bedrijvigheid van de spoorwegen die geheel in handen van de vijand waren, en bewezen aldus de bevolking uiterst belangrijke diensten. In 1918 was meer dan de helft van het net ontmanteld en moest de Maatschappij al haar krachten wijden aan de reconstructie. Zij ging daarmee onverdroten door zodat de nasleep van de inval reeds van 1924 af vrijwel verdwenen was. Maar nieuwe moeilijkheden zouden oprijzen.

Tot op dat ogenblik was bijna geheel het net aan privémaatschappijen verpacht. Maar ingevolge de prijsstijging en de monetaire crisis van de jaren dertig, zagen deze exploiterende maatschappijen zich verplicht voorbarig een einde te stellen aan hun overeenkomst, die normaal voor de duur van dertig jaar was gesloten. De N.M.V.B., die zich tot dan toe beperkt had tot het aanleggen en uitrusten van haar net, moest nu haar organisatie wijzigen en zelf gaan exploiteren. Zij moderniseerde op korte tijd de infrastructuur en het rollend materieel dat door bepaalde exploitanten verwaarloosd was.  

 De elektrificatie van de drukke lijnen werd ijverig voortgezet zodat er in 1938 nagenoeg 1.500 km lijnen door snellere en meer comfortabele voertuigen bediend werden.

Tijdens de jaren 1921 – 1923 verscheen in verscheidene streken van het land een nieuw vervoermiddel: de autobus.

 Zeer geschikt om zich aan alle omstandigheden en aan de behoeften van de bevolking aan te passen, werd de autobus al spoedig een concurrent voor de bestaande vervoermogelijkheden

Het bleek dan ook nodig deze evolutie wettelijk te concretiseren. Met de wet van 11 augustus 1924, werd de oprichtingswet en de statuten van de N.M.V.B. aangepast ten einde, onder bepaalde voorwaarden en voortaan met een zekere prioriteit, de Maatschappij in de mogelijkheid te stellen om autobusdiensten te exploiteren ter aanvulling of in vervanging van een buurtspoorweglijn. Hiermee werd het startsein gegeven voor de invoering van de autobus.

Dan brak de tweede wereldoorlog uit tijdens dewelke de N.M.V.B. opnieuw het belang van haar rol in de economie van het land kon bewijzen: het goederenvervoer en het aantal vervoerde reizigers bereikten per jaar meer dan het dubbel van de cijfers in vredestijd. Het probleem van de reconstructie van het net werd op het einde van de oorlog weer gesteld. Daar zij in 1931 de toelating had gekregen om autobusdiensten te exploiteren, keerde de N.M.V.B. zich vastberaden naar deze nieuwe vervoerswijze, die een goedkopere bediening van de landelijke gemeenten mogelijk maakte en meer geschikt was bij inplantingen van woon-en industriezones.

Het wetsbesluit van 30 december 1946 liet de N.M.V.B. toe de door de wet van 1931 vergunde autobusdiensten te vernieuwen of te wijzigen met het oog op een betere dienstverlening an de bevolking.

Van de lengte van het spoornet, die op het einde van de bezetting nog 4.769 km bedroeg, bleef nog slechts 4.236 km over in 1950, 1.673 km in 1958 en 582 km in 1965. In 1980 bedraagt de lengte van het spoornet nog slechts 205 km.

De lengte van de in eigen beheer geêxploiteerde openbare autobusdiensten, die in 1945 slechts 449 km bedroeg, vermeerderde in 1950 tot 2.037 km, in 1958 tot 7.546 km en in 1965 tot 11.000 km, om 17.250 km te bereiken in 1980, waarvan 10.140 km door pachters geêxploiteerd.

De merkwaardige ontwikkeling van het autobusnet sedert de oorlog is niet alleen toe te schrijven aan de gedeeltelijke afschaffing van het spoornet, maar vooral aan het zoeken naar een steeds doeltreffender bediening van de bevolking door het uitbreiden en omleggen van de reisweg en het inleggen van extra diensten naar nieuwe woonwijken, scholen en fabrieken.  

De autobus, die door zijn technische karakteristieken beschouwd mocht worden als een soepel, snel en vooral goedkoper vervoermiddel dan de spoorvoertuigen bij een middelmatige verkeersdichtheid, verving eerst de dieselmotorrijtuigen en nadien de elektrische lijnen.

Tot in 1964 kon de N.M.V.B. haar globale exploitatierekening in evenwicht houden en zelfs winst maken; in 1965 werd het boekjaar voor het eerst met een negatief saldo afgesloten. Sindsdien en ondanks talrijke tariefverhogingen, boekt de N.M.V.B. ieder jaar een tekort dat door Staatssubsidies gedekt wordt.

De bedrijvigheid van de N.M.V.B. zou in 1977 aanzienlijk toenemen. Bij beslissing van de Heer Jos Chabert, minister van Verkeerswezen, en ter uitvoering van een herstructureringsplan van het gemeenschappelijk vervoer werden al de vervangings-en aanvullingsautobusdiensten, die vroeger aan de N.M.B.S. waren gemachtigd, doch die grotendeels door privé-firma's werden geëxploiteerd, op 1 september 1977 door de N.M.V.B. overgenomen. Deze structuurhervorming maakt van de N.M.V.B. omzeggens de enige exploitant van interstedelijke autobuslijnen en de belangrijkste maatschappij voor openbaar vervoer van België.

Op 31 juli 1990 werd bij decreet de Vlaamse Vervoersmaatschappij/De Lijn opgericht en bestaat uit de voormalige Maatschappijen voor Intercommunaal Vervoer van Antwerpen (MIVA) en Gent (MIVG) en het Vlaamse deel van de N.M.V.B.. De oprichting is het resultaat van de uitvoering van de Bijzondere Wet van 8 augustus 1988 betreffende de hervorming van de instellingen en de federalisering van het stads-en streekvervoer in België.

Op 31 december 1990 hield de N.M.V.B definitief op met haar bestaan, en staat de Vlaamse Vervoersmaatschappij/De Lijn in voor de organisatie van het gemeenschappelijk stads-en streekvervoer in Vlaanderen.