
Bij geen andere tweekleurige kattensoort vind je zoveel patroonvarianten als bij de zwart-witgekleurde kat. Want waar het wit zit en hoe groot het aandeel wit in de kattenvacht is, is puur een kwestie van toeval... en niets anders.
Eigenlijk zijn het allemaal zwarte katten bij wie de kleur opeens op bleek te zijn. Als zich in de nog piepkleine kattenfoetus pigmentcellen gaan vermeerderen (dit gebeurt bij de wervelkolom), worden zij hierin gehinderd door het zogenaamde 'Spottong-gen', dat ervoor zorgt dat de cellen zich niet over het hele lichaam kunnen spreiden. Zo blijkt ook of beide ouders de kleine het Spotting-gen hebben doorgegeven en hoe sterk dit gen is. Want in sterkte is dit gen behoorlijk variabel.
Als het kleurpigment zich doorzet, dan hebben de kleintjes alleen in de koppartij, de teentjes en rond het snuitje wat witte haren ; de plekken die ver van de wervelkolom zijn verwijderd. In deze gevallen hebben de pigmentcellen goed hun best gedaan en hebben ze het pas aan de 'uiteinden' opgegeven. Hoe sterker hun onderdrukker is, des te sneller stoppen ze met de celvermeerdering van de kleurpigmenten. Als de onderdrukker erg sterk is, zie je vaak witte pootjes en flanken en de buik tot aan de kop is dan ook wit : eigenlijk een witte kat met wat zwarte vlekjes. Oorspronkelijk is de kat echter zwart met veel onderdrukte kleuren. Het Spotting-gen kan zich overigens helemaal doorzetten. Op z'n minst blijven de punten van de oren van de zwart-witte katten donker van kleur.


