Poperinge:
Zusters
Benedictinessen
(Zusters van
de heilige Franciscus
- Onze-Lieve-Vrouw Gasthuis)
In
1612 werd te Fauquembergues in Noord-Frankrijk het klooster “Bethlehem”
gesticht. Op verzoek van de plaatselijke bisschop, die een Benedictijn was,
namen de zusters de regel van de heilige Benedictus aan. Kort daarop brak de
oorlog uit en de Franse Geuzen hadden het op de kloosters gemunt.
Op
26 juni 1635 besloten 11 zusters een onderkomen te zoeken in de
St.-Bertinusabdij te St.-Omaars (= Saint Omer in Frankrijk). De abt, die leenheer was van Poperinge, zond de
zusters daarheen en liet hen wonen in een vervallen huis dat zijn eigendom was.
Eenzelfde kamer diende tot koor, eetzaal en werkplaats. Met veel moeite en
spaarzaamheid konden de zusters in hun levensonderhoud voorzien.
Na
de brand van het klooster te Fauquembergues in 1638, kwamen al de zusters naar
Poperinge. Zuster Jeanne Deleloë, gekend om haar begenadigd religieus leven,
werd tot Priorin gekozen. Men noemde haar “Moeder Matthieu”. Veel gunsten
worden aan haar biddende voorspraak toegeschreven. Ook bracht zij de godsvrucht
tot O.-L.-Vrouw van Foy (Dinant) in het klooster.
Van
bij hun aankomst in Poperinge, gaven de zusters onderwijs en opvoeding aan
meisjes. Dit blijkt uit onderhandelingen met het Poperingse stadsbestuur omtrent
het bouwen van een nieuw klooster, voltooid in 1644. In 1679 werden grote
herstellingen en een nieuwbouw voltooid. Nog eens nieuwe lokalen voor de leerlingen werden
bijgebouwd in 1714. In 1751 brandde het klooster bijna volledig uit.
Vanaf
1792 volgden de moeilijke jaren van de Franse Revolutie. De zusters moesten
vluchten, keerden na enkele maanden terug en werden in 1797 opnieuw verdreven.
In 1800 besloot Moeder Angelica de opvoeding van de kinderen te hernemen en
huurde een huis in de Boeschepestraat. Tegen 1803 was het vernielde klooster
heropgebouwd en in 1814 werd de eerste steen gelegd van de huidige kapel.
Gedurende
de oorlog 1914-1918 moesten de zusters het klooster verlaten wegens de vele
bombardementen. Nog tijdens de oorlog werd het onderwijs hervat, nu eens in een
tent, dan in een schuur en een wagenkot op de Werf en in de Belgische
schoolkolonie nabij Rouen in Frankrijk.
Het
verhaal van Godgewijd leven en christelijke opvoeding gaat verder.
De
fakkel wordt verder doorgegeven. Het christelijk geïnspireerd opvoedingswerk
wordt nu door velen meegedragen. Van de leerkrachten en het personeel wordt verwacht dat ze meestappen in het
gezamenlijk christelijk opvoedingsproject. Toch draagt elke campus een eigen gelaat vanuit de oorspronkelijk spirit, in
solidariteit met alle anderen.
Uitlopers van Benedictijnse spiritualiteit zijn er nu nog: de Spiritualiteitskring Moeder Matthieu, de Gebedsgroep van de Kleine Zielen, de Charismatische Gebedsgroep en de Jongerengebedsgroep die allen een gastvrij onthaal vinden in het klooster en in de Boeschepestraat nr. 20.