Laat de waarneming weerklinken
(Que le langage résonne, Ph. Lekeuche,
vert. B. Maebe)
Het Entwurf van Freud uit 1895 doet taal en oordeel wortelen in het vlees (la chair) van onze gewaarwording en waarneming (sensation et perception) zoals we deze kunnen begrijpen vanuit de basale dimensie in de M-K relatie.
Het oordelen beantwoordt aan een praktische nood, omdat er slechts een gelijkenis (Ähnlichkeit) bestaat en geen gelijkheid (Identität) tussen de voorstellingen door de wens gedragen (in het systeem Psy: ik & herinnering) en de objectwaarneming thv het systeem Omega, systeem van de waarneming: het individu moet de overgang maken tussen de aangeboden waarneming en de gewenste waarneming om een Identitätsempfindung tot stand te brengen. In dit model van denken geeft het lichaam vorm aan de Wahrnemungswelt door actief waarnemingen terug op te roepen, Körpererfahrungen en Bewegungsbilder.
"Begrijpen" betekent "stof tot nadenken geven". Het oordeel ontstaat vanuit een associatie die tot stand komt tussen investeringen van buiten (bijv. gezichtswaarnemingen) en investeringen geworteld in het eigen lichaam (gewaarwordingen). Begrijpen vraagt herkenning. Erkenning is herkenning.
De gewaarwording van de hand moet de waarneming van de hand ontmoeten opdat de hand als hand (h)erkend zou worden. Op zich is kan de louter gewaargeworden hand niet als "hand" bestaan. Hierop kan het zg. spiegelstadium van Lacan of spiegelmoment van het kennisproces aansluiten.
De Sprachäusserung knoopt volgens Freud, langs twee wegen aan op deze oordeels-performantie: 1) pijn verwekt door de waarneming doet schreeuwen. Een klank associeert zich met een complexe waarneming en brengt het vijandige object meer op de voorgrond. De aankondiging van de kreet richt de aandacht op de waarneming. Het is de drempel van de ontdekking van taal.
2) het object brengt een geluid voort, dat deel uitmaakt van de waarneming van het object. Door associatie van deze waarneming met het imiterend, onwillekeurig, oproepen van een gelijkaardig bewegingsbeeld (zelf een klank voortbrengen), horen we het object een geluid voortbrengen. Het ik komt pas een rol spelen in de vrijwillige associatie tussen klanken en waarnemingen in de ontwikkeling van het spraakgedrag.
Het object en de waarneming ervan verwekken een pijnlijke gewaarwording die een kreet kan ontlokken die dan weer het object komt kenmerken, beoordelen, en een zin aan de waarneming toekent. Lichaam, taal en lichaam zijn onderling verstrengeld in de ontwikkeling van zin. Het woord is niet het label van een bepaalde gewaarwording maar onderhoudt er een circulaire verband mee. Het is een typische structuur in het werk van Freud.
Ook in de Studien rijzen taal en zin op nauw aansluitend op gewaarwording en waarneming. De bron van het woord is het lichaam zelf. De bewegingstaal van de hysterie, de beeldentaal van de droom, de gedachtentaal van de dwangneurose zijn diverse taalvormgevingen die het woord komen aflossen.
In de Vorlesungen zegt Freud, dat onze gedachten ontstonden uit Sinnesbilder, die oorspronkelijk Sinneseindrücke - of juister sporen ervan - waren. Pas nadien werden hiermee woorden verbonden, die onderling tot gedachten verbonden werden.
In de Traumdeutung stelt Freud dat de (latente) droomgedachten en de (manifeste) droominhoud beide voorstellingen zijn van hetzelfde maar "ik in een eigen uitdrukkingswijze die we moeten leren kennen met hun specifieke tekens en syntaxis, door ze te vertalen en te vergelijken met het oorspronkelijke. De droominhoud is een Bilderschrift, een beeldtaal die moet omgezet worden, niet volgens de Bilderwert van de tekens maar volgens hun Zeichenbeziehung: het fameuze rebusmodel van de room. De droomarbeid is gericht op het produceren van voorstellingen (Darstellung) door het omvormen van de droomgedachten tot een meer archaïsche taal- en denkvorm, de primaire, sensoriële, visuele vorm.
Wat is het rebus? het is een spel van beeldelementen die samenhangen door een bepaalde zinsordening die moet ontcijferd worden. Het rebus roept op en mobiliseert de verbeelding, daardoor dat het iets te zeggen heeft. Het is op zich niet verbijsterend, maar op het eerste zicht zinloze verzameling die zingeving uitlokt, de kijker uitnodigt zelf het woord te nemen. Ook de droombeelden zetten ons alleen in de waaktoestand aan tot verwondering en bevraging. In de slaap slorpen ze ons imaginair op. De droom zegt iets dat we in de slaap slechte even te zien krijgen. Het beeld heeft ons iets te vertellen omdat wij het woord kunnen nemen.
De gehallucineerde ondergaat zijn ervaring, eerder dan dat ze hem iets zou te zeggen hebben. De metafoor regresseert naar het beeld.
De waarneming lokt uit of nodigt uit tot spreken, opent een plek voor het spreken, zet aan tot spreken. Dit kan pas door de herinnering van lichamelijke waarnemingen waarin het oordeel wortel schiet. Zo geven lichaam en gewaarwording stof tot spreken en worden ze vergoed met zingeving. Voor Freud is een spreken zonder imaginaire verwijzing, zonder verankering in de waarneming niet denkbaar.
II. De realiteit in het werk van Freud
Dit begrip speelt tussen de uitwendige pool van de ananke, de Lebensnot en de realiteit van onbewuste wensen.
De eerste is onverzettelijk zoals de wetten van de natuur en zoals sommige wetten van de samenleving. Ze verzet zich tegen wensvervulling. Aan het ene einde ervan vinden we het onverdraaglijke van het reële. het Reale waarover Freud spreekt in hoofdstuk zeven van Traumdeutung veroorzaakt die onvermijdelijke onlust waarmee dat reële zich te kennen geeft.
De onbewuste wensen moeten met de nood leren omgaan. Zou realiteit dan een compromisvorming zijn zoals het neurotisch symptoom?
Het is hier daarom nog niet kiezen of delen. In ons dagelijks leven stuiten we op een realiteit die dicht bij ons staat, opgebouwd uit onze libidinale investeringen in verschillende graden. Volgens deze vector van realiteit situeren zich de mogelijkheden en grenzen van de menselijke kennis. Het narcistische individu herkent en vindt zichzelf in de dingen waarover het zich buigt.
Kennis vraagt echter een niet-weten, plaats te ruimen voor het weten of het kennen. Maar zijn Weltanschauung kent geen tekort, is af, zonder vragen. Freud zegt dat in de phallische fase de blik op de penis gelijk komt te staan met een kijk op de wereld. De phallus kapitaliseert alle investeringen. Pas door het perspectief van de castratie wordt deze kijk op de wereld grondig verstoord. Het gevoel voor realiteit van het subject wordt bepaald door deze libidinale investeringen. Nog andere investeringen kunnen de wereld van het individu structureren, maar voor Freud krijgt de wereld pas zin door de libido, die de stof zelf die hem zwaarte en consistentie geeft, in hem doet weerklinken.
De verplaatsing van de narcistische libido bij het jongetje op een object verheft dit object tot de orde van het mysterieuze, onvatbare. Het blijft onuitputtelijk zowel voor de liefde als voor de kennis; terwijl het aanwezig is voor de andere ontbreekt het hem zonder pardon. Het ontsnapt, is Rätsel im Wesen, en provoceert in zijn aanwezigheid de verwondering. Het is reëel.
In Zur Dynamik der Übertragung wordt de investering van de wereld voorgesteld als beweging van de libido naar het bewustzijn en naar de realiteit, terwijl de onbewuste libido zich van de realiteit afwendt. Later, in Neurose und Psychose (1924), wordt het deel van de realiteit dat door het Es verlaten wordt bij de verdringing, gedevaloriseerd, en verliest betekenis voor het onbewuste.
Investeren is niet een beweging naar buiten die een object aanklampt; het is de investering van wat het object vertegenwoordigt in het onbewuste. Die verandering in de opvatting van de investering vinden we terug in Das Unbewusste, waar volgens Freud de (voor)bewuste (in de systemische zin) voorstelling van het object - voorheen radicaal gescheiden van het onbewuste - de onbewuste dingvoorstelling impliceert, als referent naar het Ongekende. De bewuste objectvoorstelling komt tot stand op het ogenblik dat de voorbewuste woordvoorstelling die ermee samenhangt in verbinding treedt met de onbewuste Sachvorstellung die deel uitmaakt van de "eerste en werkelijke objectbezettingen". M.a.w., een reëel object is meer dan gewoon maar beeld en woord. Elk object is vooraf altijd reeds een ander ding. Het wordt pas reëel vanaf het moment waarop met er van alles weet over te zeggen, zonder einde. Als illustratie zien we wat er in de schizofrenie gebeurt. De schizofreen weet dat de dingen in de wereld buiten hem liggen; en hij beschikt over beelden van de objecten, en over hun namen. Zoals Schreber schreef: "van buiten af bekeken lijkt alles als weleer, onveranderd. Dat er echter geen diepe inwendige verandering heeft voorgedaan, daar zullen we het later nog over hebben."
De schizofreen heeft noch het beeld, och het woord gedesinvesteerd, maar de onbewuste Sachvorstellung die voor ons het hart van de dingen laat bestaan, hen diepgang geeft, kalmte en betekenis. Deze Sachvorstellung kunnen we als zodanig niet kennen, evenmin als het reëel object in de buitenwereld: "Net zoals Kant er ons voor waarschuwde de subjectieve determinatie van onze waarneming niet over het hoofd te zien en onze waarneming niet als identiek op te vatten met het onkenbare (unerkenbar) waargenomene, op dezelfde wijze verwittigt de psychoanalyse ons er voor de waarneming via het bewustzijn in de plaats te stellen van het onbewuste psychische gebeuren dat zijn object is. Het psychische object, net zoals het fysieke object, heeft het niet nodig in werkelijkheid te zijn zoals het voorkomt"
We leren de onbewuste Sachvorstellung slechts kennen langs de omweg van een vertaling ervan in bewuste elementen. Het is geen beeld dat dicht bij de waarneming staat. Evenmin een abstract begrip zoals het woord. Toch is het concreet.
Desinvestering van deze voorstelling uniformiseert de wereld der dingen; objecten verliezen hun eigenheid, hun details, hun scherpe kanten, hun individualiteit; de hoeken zijn afgerond. De Sachvorstellung bevindt zich in het systeem Obw waarvan de elementen ontdaan zijn van kwalitatieve eigenschappen maar bestaan uit relaties tussen voorstellingen. De onbewuste voorstelling heeft eigenschappen nodig om bewust te worden. Die zijn afkomstig van de energetische binding met de voorbewuste woordvoorstellingen.
Voor de psychoanalyse is elke object dat van belang is, dus meer dan beeld en woord. Wat zou het zijn? Geen enkel betoog zal het mysterie er van ontsluieren. De onbewuste Sachvorstellung verleent het object zijn enigmatische kant van "ding". Zoals men zegt "Het is iets vreemds", "Iets...", enz... Het ding is datgene in het object dat ons niet wordt aangereikt. Het volle, reële, liefdesobject ontbreekt voor altijd. Het is onverdraaglijke juist omdat het, zelfs wanneer het aanwezig is, het zich nog steeds onttrekt. We verlangen er nog steeds meer naar. In de mate dat het de onbewuste wens onbevredigd laat, werkt het zelf als een soort anangke, een noodzaak te verzaken. Deze wonderbaarlijke dimensie van de realiteit wordt geactiveerd door de onbewuste Sachvorstellungen die in het onbewuste met libido bezet zijn.
De neuroticus is afgesneden van een andere dimensie van de realiteit. Hij wendt zich af van het reële object, slaat op de vlucht. Hij onderhoudt met hem een onbewuste, fantasmatische relatie, die niet langer onderworpen is aan de realiteitstoetsing. Hij heeft de waarneming van het object, zijn naam, de greep op het object (net als in de Amentia) opgegeven. Deze zijn allen verbonden met wijzigingen van de systemen Vbw en W-Bw. Zo het reele object niet verward wordt noch met de waarneming er van of zijn beeld, noch met het woord dat het benoemt, toch is het ook niet puur raadsel of helemaal niet onder woorden te brengen. We kennen inderdaad niet precies de dingen die door een object voor ons worden opgeroepen, wat het voor ons betekent, maar wij zijn in het bezit van een woord een beeld, een object. De realiteit van het object ontstaat tegelijk door de onbewuste, de voorbewuste en de bewuste investeringen van wat het vertegenwoordigt. Object en subject zijn verdeeld, gesplitst.
 
De realiteit erkennen in de volle zin van het woord is een "anerkennen", een er-kennen zoals een vader zijn pasgeborene erkent zonder hem ooit vooraf te hebben gekend. De erkenning is niet het zelfde als een kennismaking, het is een legitimatie. Het raakt aan de etische en sociale dimensie van de realiteit. Nu moeten we de eigen historiciteit ervan onderstrepen, in de bestemming van Œdipus die we allen delen. We kunnen hierbij denken aan het kritisch moment van de ontknoping van dit drama bij de vorming van het Überich (door introjectie). De onbewuste wensen en het snijmes van de anangke krijgen hier de ruimte voor hun dialectiek, wanneer het Überich zich tegenover het Ideaal opstelt door een verzoening in te stellen tussen de vereisten van de buitenwereld en die van het Es. Dat Freud op een bepoaald ogenblik er aan dacht de realiteitstoetsing aanhet Ikideaal toe te kennen, laat goed het structurerend vermogen van deze instantie zien in de constructie van de realiteit.
 
De vorming van het Überich zou het moment zijn waarop een realiteit gepromoot wordt voor het subject waarin de psychische realiteit en de materiële realiteit met elkaar te maken krijgen. Het is echter een compositie waarbij de innerlijke discordantie van het subject niet zal wijken voor een éénmaking. Het zou fout zijn te veronderstellen dat op dat moment een heilzame intrede van een "realiteitsprincipe" de nieuwe sluiting (recollage) van het subject zou komen effenen en polijsten. Zijn gespletenheid blijft in alle richtingen bestaan; het is verscheurd (Zergliederd) volgens lijnen die Freud in detail beschreef: Ich, Es, Überich. Het indivdu is een "trompe-l'œil" en de "werkelijkheid voor het subject" kan niet veel meer betekenen dan de realiteit van het subject, een realiteit in verscheidene stukken. Wat het bewustzijn als "wereld" in zijn totaliteit ervaart, dat is iets anders, dat behoort tot andere kategorieen van het dneken en raakt aan een domein dat buiten het bestek van dit betoog reikt.
 
Het Überich laat in het subject de stemmen weerklinken, die, nu opgeheven, zijn omwereld hebben bevolkt. Het Ik is voornamelijk visueel van aard, het Überich daarentegen wordt gevormd uit een amalgaam van akoestisch materiaal. De taalstructuur van de menselijke realiteit is aldus elders gaan blijken te zijndan in het hoger genoemde onzegbare. Aangezien deze formatie van het onbewuste - om een ander woord te gebruiken dan psychische formatie - die in het subject de "Zumtungen" vertegenwoordigt van de menselijke maatschappij, bezet wordt door narcistische en homosexuele libido, vinden wij opnieuw deze waarheid terug, nl. dat het de liefde is (het geheel van erotische investeringen) die de zin voor de realiteit doet ontstaan.
 
Teonslotte vormt de doodsdrift (door Freud niet expliciet verbonden met het begrip realiteit) een essentiële vector binnen de "condition humaine"; men kan dit waarschijnlijk hier en daar aan het werk zien, wanneer neurose en psychose stukken van de realiteit doen springen.
 
We weerhouden van dit alles:
a) de talige weerslag van de realiteit in het (onbewuste) subject;
b) de overvloed aan zingeving die het onbewuste er voortbrengt;
c) de onuitputtelijke betekenisgeving die uit te spreken valt.
 
III. Een waarheid
De tijd is ver heen toen waarheid louter een zaak was van logica alleen, een eigenschap die we konden toekennen aan een uitspraak in overeenstemming met feiten. De Engelse filosoof, J. L. Austin, bewijst voortreffelijk in zijn boek "Quand dire c'est faire" dat de waarheid of onwaarheid van een bewering niet alleen vastgesteld kunnen worden vanuit haar verhouding tot feiten. Men moet evenzeer de verhouding met degene die de bewering uitspreekt onderzoeken, met zijn bedoelingen, zijn doel, zijn contect. (voorbeeld van "Le chat est sur le paillason").
 
Austin wordt door zij opvatting van de taal er toe gebracht het begrip waarheid opnieuw te denken. Taal dient voor hem niet om de inwendige of zg. objectieve stand van zaken te beschrijven, we leggen getuigenis af van onszelf: "ons woord is ons engagement". Zo is elke bewering tegelijk "performantie": ze fundeert, stelt iets. Beweren is een akt van betoog dat plaatsvindt in een situatie tussen mensne, een daad die op verschillende niveau's effecten sorteert bij de toehoorder: op niveua van de uitspraak, buiten het uitspreken, voorbij de uitspraak. Austin legt de nadruk op het geloof dat maakt dat een bewering geen onoprechtheid zou zijn, geen leugen.
Bij Freud heeft "Glauben" een pejoratieve zin, maar het is toich de overtuiging (Überzeugung) vol oprechtheid (Aufrichtigkeit) die laat zien of het subject in zijn woord geëngageerd is. Uit de grond van het onbewuste komt immers geen twijfel, geen ontkenning, geen enkele gradatie van geloof. Voor J.P. Sartre is geloof een lichamelijk engagement (fysiologische veranderingen) dat maakt dat emotie geen formeel gedrag is zonder enig zinvolheid. Zonder geloof is de emotie vals, zoals ook de eigenschappen verbonden met het object dat emoties oproept, ook als de situatie waarachtig is (d.i; niet geënsceneerd). We kunnen hieraan toevoegen: wat het individu zal zeggen, zal vals zijn, ook als het in extase geraakt in zijn betoog voor een of andere wonderbare eigenschap van zijn object. "De valsheid is, immers, geen logisch kenmerk van bepaalde beweringen, maar een existentiële eigenschap".
 
We zeggen niet de waarheid over iets, het is de waarheid die spreekt.
 
We mogen ons niet vergissen omtrent de gedachte van Freud wanneer hij wat snel en schematisch, beweert dat de waarheid binnen de wetenschap definieert als Übereinstimmung met de feiten. De realiteit kan volgens hem slechts gekend worden tot op de dremple van het reele; de reele stand van zaken kan alleen maar benaderd worden. De onderzoeker is verplicht zijn observaties onder woorden te brengen, ze te vertalen in de taal van zijn waarnemingen. De moeilijkheden ontstaan wanneer het er op aankomt juist te zijn. De taal dient hier niet als instrument ter beschrijving.
cfr Freud over de creatieve kracht van een (wetenschappelijk auteur)
 
Verwijzing naar de sexuele nieuwsgierigheid als bron van wetenschappelijke interesse
rol van de sexuele bevrediging in de theorievorming
 
waarheid is niet af, is geen bezit
waarheid neemt bezit van ons
waarheid sticht realiteit
waarheid vraagt om erkenning door de ander in de uitspraak die tot de ander wordt gericht
hij die ze zegt heeft ze uit te spreken en te (h)erkennen
 
IV. Omtrent Loochening
Dit begrip komt maar in stukken en brikken voor in het Werk, wel van begin tot einde, maar in verschillende betekenissen en draagwijdten.
 
Loochening kenmerkt steeds een onttrekken van geloof en weigering van de erkenning van iets: waarneming, realiteit, de dood, de waarheid, een verdrongen wens, de historische waarheid. Dit gebeurt in verschillende gradaties (en drietal), alleen ontwarbaar mbt waarnemingen en uitwendige realiteit.
 
a) loochening van de afwezigheid van de penis bij het meisje
het jongetje minimaliseert de draagwijdte ervan: hij is klein, moet nog groeien, enz...
Er zit een grond van waarheid in
Het individu devaloriseert een fragment van de realiteit door verdringing van de overeenkomstige driftbeweging
Hij loochent een beetje...
 
b) het individu wil niets weten van de realiteit van de castratie
de waarneming wordt niet uitgewist, ze wordt gescotomiseerd, maar ze blijft verder functioneel. De loochening blijft bestaan naast de erkenning
de loochening wordt onderhouden door de erkenning die weggedrukt moet worden
 
in a) ontstaat de loochening nog voor het castratiedreiging en zet aan tot de theorievorming van phallus
in b) krijgt de infantiel theorie over het ontstaan van de twee geslachten door castratie bevestiging door waarnemeing omdat het subject onder de invloed staat van het complex; in b) werkt de loochening Nachträglich op de waarneming en verandert er de zin van.
Het fantasme wrdt ahw realiteit, wat dichter staat bij het psychotische proces.
 
c) tensloote is er een loochening die elke erkenning uitsluit en de psychose kenmerkt. Een stuk realiteit wordt verworpen. Hierop volgt een hallucinatie.
Freud die eerste de loochening berschouwt als oorzaak van de psychose, komt van dit standpunt in de tekst over het fetichisme, en associeert de loochening weer eerder met de verschuivingen zoals in de neurosen.
 
Wie loochent?
het narcistische ik aanvaardt geen erkenning van wat het kwetst. Maar het ik is geen meester van de waarneming. Als het kan loochenen dan is dat owv een pulsioneel vermogen ontleend aan het Es, tot wiens dienst het staat.
De dood kwetst op zijn beurt het narcisme, maar krijgt totaal geen plaats in het onbewuste.
 
De loochening keert zich tegen de waarneming. Maar Freud gebruikt uitdrukkingen die zijn bezorgdheid tonen het gebeuren van de "loochening" in de orde van de taal te situeren. Freud geeft een talige verwijding aan de waarnemingsprocesen. (cfr begin) Van bij het Entwurf zijn de "neuronen" "dingen", "prdicaten", "Zerlegung" van "waarnemingscomplexen", en wordt het oordeel voltrokken binnen de taal.
 
Voor de loochening:
 
1) het kind antwoordt op de waarneming met "De penis zal wel groeien!";
2) want de waarnemeing heeft iets aan het subject gezegd;
3) de loochening slaat op de bewering van de castratie, op de getuigenis van de zinnen, op een vraag, op een eis van de realiteit; het Ik loochent wat de realiteit beweert, namelijk het verlies van het liefdesobject, in dit geval, de penis;
4) "Neen, dat kan niet waar zijn..." alsof de waarneming iets had beweerd.
 
Besluit
 
De realiteit en de waarneming die er van getuigt hebben een bijzondere weerklank: namelijk een raadsel te zijn dat ruimte schept voor het spreken. Ons gezichtspunt op de dingen en de wezens in de wereld nodigt ons uit om het woord te nemen en doet ons spreken.
 
De waarheid schemert doorheen het daglicht. Want de realiteit van het subject wordt bepaald tussen het subject en zijn verdrongen waarheid. Ze verschijnt op de scène van het leven, in de objectrelaties van liefde en haat bij haar terugkeer en dringt ons haar woord op. Ieder die waarneemt wordt zo geconfronteerd met zijn waarheid die ook waarheid is van de ander.
 
De zin, de kreet, een taalknop, tieren welig op het niveau van het sensoriële door, temidden van de lichamelijke gewaarwordingen. Gewaarwordingen en waarnemingen geven stof tot spreken. Geloof in de realiteit betekent lichamelijk engagement.