De depressieve positie bij Szondi*
Jean Mélon
* vertaling: Bob Maebe
 
Szondi's grote verdienste houdt essentieel verband met zijn driftsysteem (Triebsystem) en met de vormgeving van het hele psycho(patho)logische veld, die dit systeem toelaat.
 
De Szonditest is het instrument waarmee de positie van iemand in dit veld aanschouwelijk gemaakt kan worden. Dit veronderstelt een perfect begrip van het driftschema en van de logica die het aanstuurt. Szondi's genie reikte niet zo ver dat hij ons de sleutels van zijn systeem kon aanreiken. Die verdienste komt vooral Schotte en zijn school toe, met onderzoekingen die, gespreid over 20 jaar, het mogelijk hebben gemaakt dat de "Szondi" zijn geheimen prijsgaf, en dat hij meteen zijn uitmuntende kwaliteiten als analytisch instrument demonstreerde, niet alleen van individuele klinische tableaus, maar bovendien en voornamelijk, van de psychiatrische en psychoanalytische begrippen zelf. Zo zullen wij er gebruik van maken.
 
Szondi houdt staande dat zijn test de "diagnose van de driften" mogelijk maakt. Ook wij vinden inderdaad dat er terecht naar het begrip drift wordt verwezen, maar we nemen afstand van de Szondi die de genetische oorsprong van de drift als principe vooropstelt.
 
Als er bij de mens iets bestaat dat aanleunt bij het instinct en dus erfelijk overdraagbaar zou kunnen zijn, dan zijn het niet de driften maar de oerfantasmen die als organisatoren en regelaars van het menselijke verlangen aan het werk zijn.
 
Onze testinterpretatie berust dan op drie postulaten:
 
1. Er bestaat een selectieve verwantschap tussen de vier driftdeterminanten van Freud en de vier driftvectoren bij Szondi: vector C is verwant met het driftdoel (Ziel), S met het object (Objekt), P met de drang (Drang) en Sch met de bron (Quelle).
 
2. De drift-"posities" zijn evenzeer, zoniet eerst en vooral, fantasmatische posities. Zij wortelen in de oerfantasmen (Urphantasien) die Freud gelijkstelde met kernen van het onbewuste.
Aan elk van de vier grote oerfantasmen beantwoordt één van de vier vectoren: aan S beantwoordt het fantasme van de Verleiding, aan P het fantasme van de Oerscene, aan Sch het fantasme van de Castratie, en aan C het fantasme van de Terugkeer naar de Baarmoeder. De oerfantasmen verschijnen tevens als steunend kader voor het trauma dat een originele plaats inneemt, zowel voor het ontluiken van een specifiek verlangen als voor een specifieke angst.
 
De volgende tabel geeft een overzicht van al deze voorstellingen:
 
 

Vector

S
P
Sch
C

Drift-determinant

Object
Drang

Bron

Doel

Oerfantasme

Verleiding
Oerscene
Castratie
Regressie

Oertrauma

Indringing
Generatie-verschil
Geslachts-verschil
Spenen

Verlangen

Genot
Zaligheid
Geluk
Plezier

Angst

Objectverlies
Schuld
Castratie
Verlating
 
3. De vier driftposities van elke vector volgen mekaar op in een genetisch bepaalde volgorde, en beschrijven zo een circuit in de vorm van een .
 
 
Elke driftpositie ven een bepaalde vector is zelf weer verwant met een van de vier vectoren, zodat we vier pulsionele reeksen kunnen presenteren in een tabel met dubbele ingang, vergelijkbaar met periodiek stelsel van de elementen van Mendeleev:
 
 
 
Tabel van de pulsionele reeksen
 

I
II
III
IV
C
m+
d-
d+
m-
S
h+
s-
s+
h-
P
e-
hy+
hy-
e+
Sch
p-
k+
k-
p+
 
De eerste tijd (I) kan opgevat worden als de tijd van de immanentie: pre-objectale tijd van het ongescheiden zijn, van de fusie of - om het met geëigende term van Szondi te zeggen - de oerparticipatie.
 
Tijd II (of 2a in de vroegste versie van het schema) impliceert dat er wordt rekening gehouden met de separatie: het is de "auto(s)-tijd van de drift, tijd van de terugwending naar het eigen lichaam, en van de terugtrekking in het fantasme. Het is tevens de tijd van de introjectie - of introversie in freudiaanse zin - die de interne realiteit bevoordeligt, en de identiteit van waarneming en het lustprincipe.
 
Tijd III (2b) is de tijd van de ontkenning, van de afstandname t.o.v. het fantasme en de interne objecten, van de identiteit van denken en van het realiteitsprincipe.
In III (2b) wordt wat in II (2a) gevaloriseerd of gehallucineerd werd, weggeborgen (verdrongen) of vernield (opgeheven).
De posities II (2a) en III (2b) zijn bemiddelaars, vergeleken met de posities I en IV (3), die zij aan een dialectische bewerking onderwerpen. De analytische kuur van de neuroticus speelt zich voornamelijk af op dit niveau II-III (of 2): ze is gericht op een arbeid rond de imaginaire objecten en rond het imaginaire als object, d.i. het ik, per slot van rekening.
 
Tijd IV kunnen we - in tegenstelling tot tijd I - transcendentale tijd heten; het is de tijd van de symbolische castratie: het subject wordt er geconfronteerd met het woord van de Andere en met de vragen rond zijn identiteit en afkomst.
Deze tetrade (I,II,III,IV of triade 1,2a-2b,3) kan in grote trekken vergeleken worden met de trilogie van Lacan: Reële (I), Imaginaire (II & III) en Symbolische (IV), en treedt ook in resonantie met de tweede topica: Es (I), Ik (II & III) en Überich (IV).
Edmond ORTIGUES suggereerde dat het driftsysteem van Szondi in essentiële zin, gelijk te stellen is met een topica, aanzienlijk complexer dan deze van Freud.
 
Uit wat vooraf ging, kan men reeds opmaken hoe het szondiaanse schema de mogelijkheid aanreikt om een reeks begrippen - die men bij Freud als zovele "disjecta membra", zoals de reeks oerfantasmen, de soorten angst, enz... - bij elkaar kan brengen en in een vorm gieten. Aan elke szondiaanse vector beantwoordt een bijzonder veld van psychisch functioneren met een eigen problematiek, o.m. rond de verhouding tot het eigen lichaam, de subject - objectrelatie, de pronominale posities van de personen (ik, gij, hij/zij en het), bepaalde types van agressieve gerichtheid, enz. De overgang van het ene naar het volgende veld gebeurt doorheen een passage binnen dewelke telkens weer een ander dialectisch soort conflict moet doorgemaakt worden. De volgende tabel biedt hiervan een schematisch overzicht.
 

Vector

Psychische activiteit

Subject-object relatie

Specifieke agressiviteit

Lichaamspositie

Pronominale categorieën

Oerfantasme

C

FUSIONEEL VELD SEPARATIE (ANALE) dialectiek

geen object noch subject sensu stricto

verwerping van de moeder (of v.d. familiale ruimte als omvattend geheel)

plaats van onbepaalde sensaties

MEN, HET, ER, ES

Terugkeer nr. baarmoeder

S

SPECULAIR VELD VERLEIDING (SADO- MASO-CHISME)

Subject en object vallen samen

Moord van het dubbel (sibling)

geobjecti-veerde lichaam

derde persoon

HIJ/ZIJ

Verleiding

P

TRANS-GRESSIE (objectaal, œdipaal) Probleem v d WET (HYSTE-RISCHE) dialectiek van verbod en verlangen

(verlangend) subject onderscheiden van (verlangde) object

Moord van de tiran (vader van de horde)

verlangde / verboden lichaam

tweede persoon GIJ (geïnterpelleerde persoon)

Oerscene

coïtus van de ouders

Sch

Probleem v d CASTRATIE SUBJECTIEF VELD

(sec. narcisme) (IDENTI-TEITS-) dialectiek tussen zijn en hebben

Subject in confrontatie

zelf-vernietiging

lichaam als voorstelling

(het ik als erfgenaam van het lichaam)

eerste persoon IK (sprekend subject)

Castratie

 
Vergeef de uitgesproken verdichting van deze voorstelling om ze binnen het bestek van dit artikel te passen. Dit overzicht leek ons noodzakelijk om de essentieel depressieve problematiek te situeren.
 
 
TOPICA VAN DE DEPRESSIE
 
In het driftenschema van Szondi vormen de factoren d en m samen de vector C, vector van het Contact. Szondi verwijst hiervoor in de eerste plaats naar I. Hermann en naar het koppel tegenstellingen "SICH ANKLAMMERN" (aanklampen) / "AUF SUCHE GEHEN" (op zoek gaan) dat door deze auteur ontwikkeld werd. De ethologische, primatologische en phylogenetische referentie wordt hier duidelijk gevonden in de evocatie van de klassieke antinomie tussen de pluk en de jacht. Deze analogie wordt in het algemeen en het meest terecht opgeroepen i.v.m. de manisch&endash;depressieve stoornissen (Demaret).
 
Schotte heeft dan weer uitgebreid fenomenologische uiteenzettingen gewijd aan de dynamiek van vector C. Een uitstekende samenvatting van deze rijke gedachtengang wordt gebracht in het artikel van ALAIN LAROME uit 1979 in "Psychiatries".
 
Onze bedoeling zal zijn de depressieve positie bij Szondi &endash; d.i. al wat met de factor d samenhangt &endash; te situeren in de verhouding tot het geheel van de driftposities die in het driftsysteem vorm krijgen.
 
De posities d&endash; en d+ bevinden zich respectievelijk op de tijden II en III van het Contactcircuit. Het zijn "midden"&endash; posities tussen de twee extreme posities m+ (I) en m&endash; (IV).
 
Zij bieden ruimte aan het dialectisch conflict dat toelaat de specifieke Contactproblematiek &endash; die wij bij voorkeur fusioneel zouden noemen &endash; te overwinnen, op te heffen, te vervullen ("exhausser") (allemaal manieren om "Aufhebung" te vertalen).
 
We bevinden ons hier op een terrein dat tegelijk én pre-objectaal is, pre-narcistisch en zeker ook pre-genitaal, in ieder geval pre-conflictueel en pre-ambivalent.
 
Balint heeft deze regio perfect beschreven in zijn uitwerking van het begrip "basic fault":
Het subject vraagt erom in alle opzichten, door iedereen en door alles wat voor hem telt, bemind en gekoesterd te worden, zonder dat men van hem in ruil hiervoor een inspanning zou vragen, of eender welke andere tegenprestatie. Alleen zijn wensen tellen, zijn interesses en zijn eigen behoeften; iemand waar hij om geeft mag geen andere belangen, wensen of behoeften kennen dan de zijne, en, mochten die er toch zijn, dan moeten ze ondergeschikt zijn aan de zijne, moeiteloos en zonder wrok; in feite moet de ander zijn plezier en zijn vreugde zoeken in de aanpassing aan de wensen van het subject. Als dit gebeurt dan zal het subject goed zijn, gelukkig en tevreden, niets méér. En anders, dan wordt het verschrikkelijk, zowel voor de anderen als voor hemzelf.
 
De manische positie kan opgevat worden als positie van het subject dat het fusionele ideaal verwezenlijkt heeft: één zijn met het object. In de test geeft de reactie m+! de spanning aan, die de meeste depressieven kenmerkt, in de zin van deze ideale onmiddellijke overeenstemming tussen het verlangen van de een en het verlangen van de ander. De termen "subject" en "object", die in strikte zin slechts geschikt zijn om een reeds gedifferentieerde relatie aan te duiden tussen een individu en wat het niet is, en zijn in dit geval dus minder geschikt; ze worden slechts gebruikt omwille van het gemak van de uitdrukking.
Strikt genomen past hier bij elke term het voorzetsel "pre-": we hebben hier te maken met een pre-object en met een pre-subject. De depressieve positie stemt overeen met deze van een (pre)subject dat de ideale fusionele positie alleen nog kan handhaven d.m.v. ontkenning, juist omdat het pas en nog vaag is beginnen ontdekken dat het "in relatie met..." is getreden en dat het zich niet langer "geborgen in..." bevindt. In deze relatie "tot" (mit, met, avec) moet het wel evenzeer (actief of passief) subject worden als object voor de andere in de relatie.
 
Deze kennismaking met een eerste modus van mogelijke conflictualiteit vindt doorgaans plaats op het moment van het anaal stadium en verleent aan deze fase van de libidineuse ontwikkeling dan ook terecht de beslissende betekenis in het proces van individuatie en separatie.
 
Freud zei al dat de fæces zich op het kruispunt bevonden van het objectale en van het narcistische.
 
Het anaal conflict verschaft de toegang tot een register dat niet meer volslagen fusioneel is maar dat ook nog niet afgetekend objectaal of narcistisch is.
 
Het is tevens het conflict dat leidt naar het begrip uitwisseling, tot het probleem van geven en krijgen, van geschenk en schuld; en in het algemeen tot het begrip handel.
 
We moeten dus de depressieve positie - die met d+ samenhangt - opvatten als de positie van een subject dat zich gefrustreerd opstelt (de frustratie is imaginair, maar het object is reëel, zoals Lacan zegt) en dat "iets vordert van de andere".
Dit subject zal door zijn vraag zelf (auteur: "d comme demande!") hiermee een flinke klap toedienen aan de fusionele illusie.
 
Wij hebben in 1977 gesuggereerd dat de "organiserende" momenten volgens SPITZ ons toelieten op een geschikte manier de drie vermelde posities te definiëren:
 
1. antwoorden met een glimlach hoort bij het fusionele ideaal omdat het aangeeft dat het akkoord volmaakt en onmiddellijk plaatsvindt, een volmaakte harmonie, een spontane deelname aan de ambiance, enz.
 
2. schrik voor het vreemde (angst van de achtste maand) stemt overeen met de tijd d-: al wat de fusionele perfectie komt bedreigen wordt geloochend en buiten de fusionele vereniging met de moeder geweerd. Maar de term "Dualunion" (twee-éénheid), die reeds een contradictie "in adjecto" bevat, verraadt dat het principe van dualiteit niet langer uitgebannen kan worden.
 
3. Het stadium van het neen, de derde organisator, met al wat deze inhoudt aan primordiale oppositie tegenover de vraag van de andere, en dat onontbeerlijk is voor de ontwikkeling van een vraag die eigen is aan het subject, is de positie die past bij d+.
 
Merk op dat alle posities III (2b) iets te maken hebben met de weigering: d+ is neen zeggen, s+ is fysiek aanvallen, hy- is zich verbergen, zich onttrekken aan de blik van de ander, k- is ontkennen, in de zin van: gebruik maken van het symbool van de ontkenning.
 
We zouden nog een gepaste definitie moeten vinden in dit referentiekader voor de positie m-. Deze zou kunnen gelijkgesteld worden met de oorspronkelijke negativistische positie van een subject dat niet zou kunnen of willen glimlachen. In een niet pejoratieve zin zou dit overeenstemmen met de positie van iemand die bewust elke modus van fusionele verhouding die noodzakelijkerwijs vertrouwen, geloof, goedgelovigheid of zwijgende instemming veronderstelt, weigert. In deze zin verdient die positie het predikaat: matricide.
 
Szondi maakt gebruikt van de tegenstelling tussen oraal (m) en anaal (d) en brengt ze in verband met de tegenstelling nieuw (d) - oud (m).
 
Wij dit "nieuwe" dan weer in verband met de bevordering van de tweeterm "objectaal - narcistisch"; vooraleer tegenover mekaar te staan, gaan het objectale en het narcistische oorspronkelijk samen, om te beginnen doorheen het anale ding, vervolgens in het beeld van het eigen lichaam, gezien als geobjectiveerde totaliteit, speculair vast te leggen, en drager van de verzameling van de oorspronkelijk verspreide (en verbrokkelde) libido.
 
Deze speculaire verhouding met het eigen lichaam, waarin het subject zich kan investeren als eigen liefdesobject, is hetgeen in de positie van de vector S gevormd wordt:
I. h+: investering van het eigen lichaam als liefdesobject.
II. s-: weigering een ander lichaam te investeren dan het eigen lichaam (versterking van de libidineuse concentratie op het eigen lichaam).
III. s+: agressieve bezetting (verleiding) van het lichaam van de ander (masochistische alter ego) die opgevorderd wordt sexueel genot aan het subject te bezorgen.
IV. h-: desinvestering van het eigen lichaam.
 
Merk op dat de habituele positie in de neurotische en psychotische (melancholische) depressie vertegenwoordigd wordt door de diagonale splitsing S+-, die de uiterste terugtrekking van de libido op het eigen lichaam lat zien met haar onvermijdelijke correlaat: het onvermogen om een ander sexueel object dan zichzelf te bezetten en om op een andere manier sexueel genot te ervaren dan binnen een spiegelverhouding.
 
In het geval van de essentiële depressie vindt men eerder, zoniet altijd, s+.
 
De vector P introduceert ons tot het probleem van de Wet die de eigenlijke œdipale problematiek stuwt en die een klare specificering mogelijk maakt van subject en object, en van de articulatie tussen verlangen en verboden, die de eigenlijke neurotische dialectiek onderbouwt.
 
Op dit gebied onderscheidt de essentieel depressieve zich van de neurotisch depressieve door het feit dat hij zich met grotere energie verzet tegen de onderwerping aan het verbod, wat hem in de richting van de "Kaïneske" splitsing: P-+ stuurt.
 
De vector Sch tenslotte, of Ik-vector, confronteert het subject met zichzelf en vordert hem op zich te identificeren, d.i. te maken dat "hij zichzelf bekomt" (vertaling van het freudiaanse Selbsterhaltung, volgens Schotte) verwijzend naar het verlangen en naar het woord van de Ander, en tegelijk, naar het probleem van de castratie.
 
Schematisch geeft ons dat de vier volgende posities:
 
I. p-: projectie van het verlangen in de Ander (objectivering van het verlangen).
 
II. k+: bevestiging van het eigen verlangen door het subject zelf (hallucinatoire wensvervulling, toeëigening van de moederlijke penis).
 
III. k-: negatie (verdringing, vernietiging, verzaking) van het verlangen door het subject ("Desimagination" (Szondi), afzetting van de moederlijke penis).
 
IV. p+: verdubbeling van zichzelf met zichzelf, instelling van de Ander in zich (subjectivering van het verlangen).
 
Ook in dit geval differentieert de psychotisch depressieve, die het objectverlies loochent door het object te hallucineren of door er zich mee te identificeren door introjectie (k+), zich van de neurotisch depressieven en van de essentieel depressieven die eerder k- zullen geven.
 
 
SYNDROMATIEK VAN DE DEPRESSIES
 
In zijn Triebpathologie (pp. 336-355) geeft Szondi de voorkeur aan het melancholische type van de depressie, in navolging van Freud.
 
De voornaamste depressieve posities worden vertegenwoordigd door de triade d+ k+ s-.
 
Het typische melancholische profiel ziet er uit als volgt:
 

h

s

e

hy

k

p

d

m

+!

-

-

+

+!

-

+!

±

 
Men komt dit tableau inderdaad zo tegen in gevallen van melancholische depressie, en vooral tijdens de prodromale fase (TAILLIEU).
 
Maar het is onmiskenbaar dat de melancholische vormen van depressie slechts een zeer klein deel van de populatie van depressieven vertegenwoordigt.
 
In het overige gedeelte van deze populatie moeten we een onderscheid maken tussen twee groepen: de neurotisch depressieven en wat door een toenemend aantal auteurs erkend wordt als de essentieel depressieven.
 
In de neurotische depressies hebben we te maken met klassieke neurotische structuren (hysterisch, fobisch of dwangneurotisch) met in de Szonditest het Mitte (midden) dat dezelfde naam draagt, bijv.:
 
e
hy
k
p
+
-
-
+
+
+
-
0
±
-
±
+
±
0
±
0
+
-
-
±

enz.

 
geassocieerd met een duidelijk depressief tropisme dat de neiging vertoont om zich in S te manifesteren via de "masochistische" splitsing S+-, en vooral in de vector C, door een uitgesproken aanklampen: C-+!! of C0+!!, dat wij hogerop in de zin van behoud, tegen heug en meug, van het fusioneel ideaal, geduid hebben.
 
Het meest kenmerkend echter van de populatie depressieven is de spanning in factor d op de achtergrond, bij de tweede keuze dus, met, meestal, en dat is een quasi pathognomonische trek, een brutale omkering van d-! en d+! en omgekeerd. Waar de depressieve bij zijn eerste keuze vaak vermijdt de foto's van depressieven te kiezen - zichtbaar in de productie van de reactie d0, zien we hem bij de tweede keuze vaak afwisselen tussen d+! en d-!. Teken van een overdreven ambivalentie die wij -heel bondig- anaal zullen noemen, en waarmee wij de primaire ambivalentie bedoelen die volgt op het zogeheten fusionele relatietype. We hebben m.a.w. te maken met een subject dat tezelfdertijd naar "iets anders" hunkert (d+!) en dat deze wens met even kracht verwerpt (d-!) met het doel de fusionele illusie te vrijwaren. In de volksmond zegt men "dat hij niet weet wat hij wil". Zijn verlangen naar verandering wordt tegengegaan door een even sterk immobilisme.
 
We hebben tenslotte nog een derde groep depressieven te beschouwen, die de grootste vormt in aantal: de essentieel depressieven.
 
We beschikken op dat vlak over de uitstekende oppuntstelling door RICHARD BUCHER (1975).
 
Men vindt bij deze subjecten meestal het globale profiel van de "Alltagsmensch" (jan-met-de-pet), geassocieerd met een typisch depressieve houding in C, die we zopas voorgesteld hebben.
 
Dit is het profiel:
 

h

s

e

hy

k

p

d

m

+

+

-

-

-

-

0

+!

 
We zullen opmerken dat dit profiel gekenmerkt wordt door en overvloed aan "horizontale" (++,--) splitsingen in alle vectoren behalve C; deze splitsing wordt door Szondi als de minst gevaarlijke beschouwd omdat ze wijst op een zekere graad van pulsioneel evenwicht, synoniem van psychische gezondheid in zijn ogen.
 
Zo deze depressieven de naam "essentieel" verdienen, dan is dat precies omwille van hun "essentieel" gedeprimeerd zijn zonder verdere neurotische of psychotische problematiek.
 
Volgens ons moet men deze depressieven niet hergroeperen in een aparte groep van "états-limites" zoals bij BERGERET (1974). Meestal gaat het om subjecten zonder wel bepaalde pathologie die decompenseren op het ogenblik dat de homeostase in hun verhouding met de omgeving verstoord wordt ( moeilijkheden op het werk of in de familie, of veranderingen van regime tengevolge van hun leeftijd). Het is een "Umwelt"-pathologie net zoals in de meeste gevallen de psychosomatische en de psychopatische stoornissen. Dit zijn de gevallen waarbij de antidepressiva het meest kans maken. Maar dat is een ander probleem dan hetgeen ons binnen het bestek van dit artikel voor ogen stond: wij wilden aantonen hoe de depressie vanuit szondiaans perspectief begrepen kon worden en enkele elementen aanreiken om de nosografie van de depressieve toestanden te vernieuwen.
 
 
 
Bibliografie
 
 
BALINT (M.): Le défaut fondamental. Paris, Payot, 1971.
BERGERT (J.): La dépression et les états-limites. Paris, Payot, 1974.
BUCHER (R.): La classifcation des états dépressifs et le test de Szondi. Annales médico-psychologiques, Paris, Masson, t. 1, 133e année, n° 3, pp. 317-345, 1975.
DEMARET (A.): La psychose maniaco-dépressive envisagée dans une perspective éthologique. Acta Psychiatrica Belgica, 71, 429-448, 1971.
FUSCO (M.C.) en SMIRNOFF (V.): Les limbes de la dépression. Espace fusionnel et faille identificatoire. Topique 17, pp 7-34, 1976.
HERMANN (I.): L'instinct filial. Paris, Denoël, 1972.
LAPLANCHE (J.) en PONTALIS (J.B.): Fantasme originaire, fantasmes des origines, origine du fantasme. Les Temps Modernes, n° 215, p. 1868, 1964.
LAROME (A.): Le vecteur Contact selon Jacques Schotte. Elaboration d'une autre séméiologie psychiatrique. Psychiatries, revue française des psychiatres d'exercice privé, n° 36, pp 55-72, 1979./
LEGRAND (M.): Léopold Szondi, son test, sa doctrine. Bruxelles, Mardaga, 1979.
MELON (J.): Le profil psychosomatique au test de Szondi. Réflexions sur les concepts de normalité et de spécificité. Annales médico-psychologiques, 129,
2, 263-271, 1 971 .
MELON (J.): Théorie et pratique du Szondi. Presses Universitaires de Liège, 334 p., 1975.
MELON (J.).: Réflexions sur la structure psychosomatique et son approche à partir des tests de Rorschach et de Szondi. Bull. Soc. Franç. du Rorschach et des Méth. Proj., no 31, pp. 41-51, 1978.
MELON (J.): Les circuits pulsionnels, cycles et structure. Conférence donnée à la decade de Cerisy, 1977. Archives Szondi, Louvain-la-Neuve.
MELON (J.): Positions pulsionnelles, fantasmes originaires et système des pulsions. Conférence donnée à l'occasion du Doctorat honoris causa de Szondi, Université de Paris, 1979. Archives Szondi, Louvain-la-Neuve.
SCHOTTE (J.): Cours de questions approfondies de psychologie différentielle, Université de Louvain, 1971-1972. Archives Szondi, Louvain-la-Neuve.
SCHOTTE (J.): Notice pour introduire le problème structural de la Schicksalsanalyse. Bern, Huber, Szondiana 5, pp. 144-201, 1963.
SCHOTTE (J.): Recherches nouvelles sur les fondements de l'analyse du destin. Cours 1975-1976, Université de Louvain. Archives Szondi, Louvain-la-Neuve.
SCHOTTE (J.): Angoisse et existence. Cours 1978-79, Université de Louvain. Archives Szondi, Louvain-la-Neuve.
SPITZ (R.): De la naissance à la parole. Paris, Presses Universitaires de France, 1 968.
SZONDI (L.): Lehrbuch der experimentellen Triebdiagnostik. Bern, Huber, 1 972.
SZONDl (L.): Triebpathologie. Bern, Huber, 1952.
TAILLIEU (R.): De veranderingen in de Szondi-profielen van een groep endogeen depressieve patiënten. Leuven, Thèse inédite, 1971.