Geschiedenis

De armenzorg

Al van in de 13de eeuw was de armen- en ziekenzorg een parochiale aangelegenheid. Het beheer van de armendis werd toever≠trouwd aan twee armmeesters. Te Baardegem stelde de pastoor hen voor twee Jaar aan , het eerste jaar als bijgevoegd armmeester, het tweede Jaar als dienende armmeester, die de rekening van dat jaar moest voorleggen. Daar≠na traden ze af en werden gewoonlijk geen tweede keer aangesteld, aangezien er in de pa≠rochie voldoende mannen deze bediening kon≠den waarnemen. Hun beheer stond onder rechtstreeks toezicht van de pastoor, de landdeken, en zeker al in 1591 van de drossaard van het Land van Asse als vertegenwoordiger van de grondheer.

Sommige armmeesters hebben wel eens mis≠bruik gemaakt van de hun toevertrouwde kas, Zo wendde armmeester van der Kindere in 1592 de armenkas voor bijna de helft in eigen voordeel aan .

De armmeesters

Er bleven ons heel wat namen van armmeesters bekend:

15de eeuw: 1495: Janne Uyttersprot 16de eeuw: 1561 Joos Uyttersprockt, 1562 Jan≠ne Geerts, 1563 Peeter van Langenhove fs. Joos, 1564 Peeter van Mulders, 1591 Peeter van Biesen, 1592 Cornelis de Clerck 17de eeuw: 1616 Peeter van Langenhove, 1617 Joos van Langenhove, 1618 Peeter van Mul≠ders, 1619 Jan de Meersman, 1620 Jan van de Putte, 1621 Jan de Dycker, 1622 Gillis de Meersman, 1623 Jan van Andenhove, 1624 Joris Verhasselt, 1625 Jan den Biesen, 1626 Jan Gillisjans, 1627 Gillis van Langenhove, 1628 Danee! Verherstraeten, 1629 Lauwereys de Brueckere, 1630 Pceter van den Biesen, 1631 Peeter de Meersman, 1632 Philips de Smet, 1633 Peeter Alleyten, 1634 Jan Pissaer, 1635 Jan Hooft de jonge. 1636 Jan van Langenhove, 1637 Peeter de Bruecker, 1638 Jan van Dam-me, 1639 Steven Verherstraeten, 1640 Michiel de Meersman, 1641 Jan van den Bossche, 1642 Pauwel de Backer, 1643 Jaspar Kindt, 1644 Baudewijn† Parmentiers,† 1645† Joos† de Meerschman, 1646 Christoffel van Anderho-ven, 1647 Andries van den Bossche, 1648 Mattheus de Boeck, 1649 Pauwels de Meerschman, 1650 Simon van Bont, 1651 Gillis van Mulders, 1652 Peeter de Brackelaer, 1653 Joos Plassche, 1654 Guilliam van den Broeck, 1655 Joos Gillisjans, 1656 Jan van Mulders, 1657 Joos de Meersman fs. Peter, 1658 Jan Moens fs. Gillis, 1659 Jan Verhasselt fs. Joris, 1660 Hendrick Pissa fs. Jans, 1661 Peeter de Meersman fs. Pe≠ter, 1662 Steven van der Doot fs. Hendrik, 1663 Pauwel Gillisjans, 1664 Jan de Block, 1665 Jan Taelman, 1666 Pauwel de Backer, 1667 Jan de Boeck, 1669 Andries van de Put, 1670 Hieronymus Peeters, 1671 Peeter Verheirstraeten, 1672 Jan Morissens, 1688 Jooris vanden Bossche, 1689 Peeter van Horick, 1691 Albert Stileman, 1692 Jan van den Bossche, 1693 Jan de Backer, 1695 Peeter van den Bos≠sche, 1697, Gillis Verhasselt, 1698 Pauwel Meersman, 1699 Peeter Goossens

18de eeuw: 1701 Peeter Maes, 1703 Peeter de Clerck, 1705 Peeter van Langenhove, 1706 Jan Stileman, 1707 Joos van Malderen, 1709 Peeter van Rossem, 1710 Pauwel de Backer, 1711 Guilliam Verhasselt, 1714 Joos de Kraecker, 1716 Pauwel Verherstraeten, 1718 Steven Hooft, 1720 Adriaan Verherstraeten, 1721 Andries Meersman, 1722 Gillis Mysman, 1724 Jan van den Bossche, 1725 Guillielmus van Ransbeeck, 1727 Adrianus van Malderen, 1728 Hieronymus de Backer,† 1730 Judocus Bauwens, 1732 Jan Baptist Herssens, 1734 Peeter Verhasselt, 1736 Daniel van Langenho≠ve, 1739 Peeter Verheirstraeten, 1741 Marcus Goossens, 1743 Jan de Backer, 1745 Jacobus van Malder, 1747 Guilliam Verhasselt, 1749 Geeraert van Stappen, 1751 Judocus de Valck, 1753 Jan Francis Cooreman, 1755 Jan Plas, 1757 Peeter van Langenhove fs. Peeter, 1761 Jan Vonck, 1763 Guilliam van Langenhove, 1765 Adriaen van der Straeten, 1767 Peeter de Meersman, 1769 Jan Cooreman, 1771 Gillis van Roy, 1775 Peeter Pies, 1777 Cornelis Spinoy, 1779 Judocus van Langenhove, 1781 Cor≠nelis de Wolf, 1783 Jan Antoon Plas, 1785 Guilliam de Ridder, 1787 Daniel Willockx, 1789 Martinus de Kempeneer, 1791 David Ver-beecke, 1793 Andreas de Meersman fs. Petrus, 1795 Jozef van Malder.

De inkomsten

De inkomsten van de armendis bestonden uit de opbrengst van tienden, onroerende goede≠ren, renten in natura en geld, van brood en graanbedelingen ter gelegenheid van gefundeerde jaargetijden.

De armen van Baardegem trok tienden : een 1ste schoof - de 2de kwam aan de koster, de 3de aan de pastoor - op 31 percelen op het Bosveld, samen 51 dw. 55 r. (=16 ha 21 a). Een 2de schoof op 4 percelen op het Broekveld, 6 percelen op de Kerkhofkouter, 6 percelen op de Hoevekouter en op 5 percelen op de Kleine Molenkouter of in totaal op 44 dw. 26 r. (=13 ha 91 a). Een halve schoof genoot de arme op 3 percelen samen groot 13 dw. 31 r. (4 ha 18 a). Deze tienden werden verhuurd aan de meest biedende. Alleen voor de jaren 1714 tot 1766 bleef de opbrengst ervan bekend; ze schom≠melde van 24 g in 1722 tot wel 80 g. in 1753.

Het onroerende bezit van de armen van Baardegem was niet zeer uitgestrekt al is het door de vrijgevigheid van de parochianen steeds maar aangegroeid. Op het einde van de 16de eeuw verhuurde de armen 9 percelen land. In 1638 bezat de H. Geesttafel 935 r. land en 669 r. bos of samen 16 dw. 9 r. (=5 ha 4 a). Volgens het gemeentelijk kaartboek van 1703 omvatte het onroerend bezit 18 dw. 821/2 r. bouwland en 346 r. bos of in totaal reeds 22 dw. 28,5 r (=7 ha). In 1778 was het reeds aangegroeid tot 36 dw. 95 r. (=11 ha 62 a). Daar≠van lagen 3 percelen op het Steenland, l op d'Heerdeghem, l op de Kleynen Molencauter, het Sieckhuyuspleckxken, 't Broeckvelt, H. Geestbosch, Haesevelt, Hooghstraete, Boschstraet, 4 op Kerckhoffcauter,1 op 't Stockt, Hauwelgat, Vinckstraete, Bieseweyde, Baerdeghemcauter, en l op de Hoevecauter en d'Ashage onder Opwijk.

De pachtgelden bedroegen in 1727 143 g., in 1774 al 175 g. Voor de door keizerin Maria Theresia verplichte amortisatie betaalde de armenmeester op 26.9.1755 aan Sr. Desthienne, agent van het Hof te Brussel, wel 350 g. l st. l blank .

Daarnaast bezat de armentafel ook graanrenten m.n. 3 vaten rogge op de hofstee van Hendriek Goossens en evenveel op de Molenmeers, 2 veertel rogge op 99 r. land op de Varent onder Mazenzele en 6 vccrtcl op het aalmoezengoed van Affligem te Baardegem, l sister rogge op 2 dw. bos geh. den Haegeleer, l veertel op een behuisde hofstee en nog eens 2 veertel op 2 dw. op de Betsehaege onder Baardegem. Onder de geldrenten noteren we een van 15 stuivers om op goede vrijdag witte broden van een stuiver aan de armen te geven, bezet op 3 dw. land op het Langeveld, In 1774 bezit Peeter van Langenhove fs. Daniel,

In 1731 liet Hendrik Fransen aan de armen van Baardegem een kapitaal na van 140 g. tot onderhout van sijn kint Gillis (geb. 9.5.1724) omdat hij, na het overlijden van zijn vrouw Catharina van de Velde (f15.6.1729) is wegh getrocken naer sijn vaderlant ontrent Weerdt (in Ned. Limburg).

Andere inkomsten haalde de armen o.m. in 1643 uit bedelbussen hanghende in herbergen ten huyse van Peeter de bruecker ende Mathys de Raedt of in 1637 uit een colder die opt kerckhofvercocht was van een armen die gestorven was int hof ten houte.

Steunverleninig

Waarvoor de Baardegemse noodlijdende al niet ging aankloppen bij de armendis kan men aflezen uit de armenrekeningen die voor Baardegem met een paar hiaten bewaard ble≠ven van 1591 tot 1798.

Er waren bedelingen bv. in 1726 voor volgende kledingstukken: een slaeproxken, een juppon, eenen keuvelen mouwen, een kleyn broeck, een slaepkleei of in speciŽn bv. in 1767 om sijn land om te doen, sijn pacht te betalen, de sieckte van de koy, om een piek te coopen, voor de eerste communie, om sijn huys te repareren, voor een paer schoenen, om stroo voor haer huys te deeken, om het kinderbedt, voor de kin≠deren sieck vande pouck, om de koude, om leyse-saette coopen, voor meel, om een koy te coopen, voor een kintshemde, om een broeck te coopen voor synen jonghen ; in 1669 aan de Vrouw-vrouwe der parochie om een arme vrouw van kinde te. verlossen, in 1686 om Mr. Joos van Langenhove in syne sieckte by te staen, in 1628 aan mulder Jan Wouters voor levering van meel, en in 1647 aan mulder Frederik Maes, in 1651 aan de koster om een graf te delven, in 1630 aan Jan van den Broecke 10 g. om den vindelinghe te onder≠houden, in 1629 aan Hendrik Thomaes 3 g. om 25 dagen lang Anna van Gotom simpel ge≠worden te voeden, in 1714 aan Peeter van Langenhove om op te voeden Hendrick de Clerck so sieck en gezont, sijn lijnwaert te waschen ende alle montcosten en andere dienst te bewysen. Geneeskundige verzorging werd op kosten van de armen gratis verstrekt door volgende heel≠meesters: in 1630 door Mr. Jan de Nil uit Mazenzele, voor het cureren vanden quaden knien van Cornelis de Smedt, Mr. Geeraerdt Verme≠ren en door Mr. Jan de Vettere, in 1634 door Mr. Merten vanden Watere uit Asse , m, 1639 en 1642 door Hendrick van der Gheught barbier uit Opwijk †om een quade, boesem te meesteren, in 1647 door Joos de Ridder, barbier en chiruchyn, in 1650 door den heer Doctoor van den Seype, in 1665 door Mr. Francois de Hauwere vont cureren der lanckdurige sieckte... met het leveren der mede-camenten, in 1662 Adriaen Verdoot, in 1663 door Meester Adriaen Moortgadt, in 1679 Mr. Jan Vergauwen chururgeyn tot Moorsel, in 1727 Peeter vanden Broeck chirusyn, in 1735 Mr. Muyiaert om het quaet seer te genesen, in 1735 P. Haterheeck chyrusyn, in 1797 Doctoor Moens op lebbeke voor cu≠reren en leveren der medicynen; in 1631 le≠verde Mr. Jaecus van Breuscghem apootecarius tot Dermonde geneesmiddelen. Wist men niet goed raad dan transporteerde men de zieke bv. in 1639 naar Aalst of bv. in 1659 op de berre naer het gasthuis van Asse .

De armendis kwam ook tussen in 1629 om naer het vondelinx vaedere te vernemen, in 1660 voor een arme vremde vrouwe in barensnood, in 1640 bij CorneliaVercouter ten tyde haer gelt genoemen was, in 1639 om een arme jongeling te doen zegenen tot halle teghen de quaede sweringhe, in 1657 voor een kleed voor de zoon van Gillis vanden Storme gaende naer Antwerpen het ambacht van seyde te winden leeren, in 1659 aan dezelfde om boven Brussele Bedevaerten te gaen teghen de quaede sweringie.