LIVIUS, DE AFFAIRE VAN DE BACCHANALIA (AUC 39, 8-19)

door Marjorie Hoefmans
Dit dossier bevat een aantal teksten uit: Didactica Classica Gandensia 35 (1995)
en teksten van de studiedag van 5 maart 1996




Klik op het gewenste onderwerp:

Terug naar CyCADE hoofdpagina


INLEIDING

De leerplannen van de 3e graad bevatten richtlijnen voor het behandelen van o.a. de historiografie, juridische teksten, Latijnse lyriek, het drama. Ieder genre modulair aanpakken heeft zijn nut, omdat dan per module een zekere diepgang bereikt kan worden. Aan de andere kant moeten we ernaar streven onze leerlingen het inzicht bij te brengen, dat er in de oudheid, net zoals nu, een samenhang bestaat tussen alle aspecten van de samenleving. Daarom is het goed, om bij het behandelen van een centrale tekst, allerlei tekst-materiaal aan te bieden, dat niet noodzakelijk tot hetzelfde genre behoort, maar wel het onderwerp van de centrale tekst ondersteunt en helpt uitdiepen. Livius' relaas van de Bacchanaliënaffaire van 186 v.C. leent zich ideaal om de kerntekst te vormen van zo'n gevarieerde lessencyclus. De tekst biedt raakvlakken met verschillende genres en met verschillende aspecten van het maatschappelijk leven.

Het is niet de bedoeling geweest om een compleet leerlingenhandboek uit te werken. Hoofdopzet is het illustreren van een thema voor de leraar. Een aantal bladzijden kunnen echter voor klasgebruik gecopieerd worden. De Latijnse teksten zijn vertaald en er is een beperkt vocabularium. Er zijn geen grammaticale aantekeningen bijgevoegd; in de derde graad kan de leraar hier beter zijn eigen accenten leggen. Inhoudelijk commentaar, krantenknipsels en leesteksten ter informatie zijn ondergebracht in het hoofdstuk Documentatie.

***

Livius, AUC 39, 8-19 als centrale tekst is allereerst geschiedkundig interessant. Tot de realia behoort dan ook de situering van de tekst in het tijdsgebeuren. Het hoofdonderwerp, de beteugeling van de Bacchusriten, is een sociaal gegeven, met godsdienstige en bestuurlijke aspecten. Het eigene van Livius' geschiedschrijving, het inventariseren en op een voetstuk zetten van wat 'echt' Romeins is, komt eveneens duidelijk aan bod. Het geheel kan fungeren als een exemplum van wat Romeinse godsdienstpolitiek behoort te zijn. De tekst leent zich minder voor een illustratie van Livius' notoire slordigheid met het omspringen van historische gegevens.

Literair is de Bacchanaliënaffaire één van die passages in Livius' werk, die er als het ware uitgelicht kunnen worden als een kant en klaar kortverhaal, met een eigen plot, die naar een climax toewerkt, met psychologische typeringen, retorische finesse, een mengeling van komedie en drama, kortom, een juweeltje van de grootmeester in de vertelkunst Livius. De petite histoire van

Aebutius en Hispala Faecenia leent zich uitstekend voor een zijsprong naar juridische teksten, liefdeslyriek en het theater.

De hoofdstukken vormen een evenwichtige balans tussen romantiek en realiteit: het een thriller noemen zou wat te ver gaan, maar de gevoelens van sympathie, die in het eerste gedeelte voor het liefdespaartje aangekweekt worden, doen het tweede, voor de meeste leerlingen 'droge', gedeelte over voorouders en senaatsbesluiten, in een interessant perspectief overkomen. Ze voelen nu beter aan, wat er daar allemaal in Italië gebeurt, 'omdat ze er al een paar mensen kennen'. Ze kijken er natuurlijk met een gekleurde bril naar, maar dat is wat Livius juist wilde. Een ideaal gegeven voor een discussie over objectieve en subjectieve geschiedschrijving.

Kortom, alle elementen zijn aanwezig om een voor de leerlingen gevarieerde en aantrekkelijke Livius-unit uit te bouwen.

***

Het zich beperken tot het met de leerlingen lezen en bespreken van de teksten over en rond deze Bacchanalia, is, wat de diepgang en gevarieerdheid van de stof betreft, m.i. volledig te verantwoorden. Ongetwijfeld zullen ieder, bij het lezen van de centrale tekst, nog heel wat ideeën voor andere, hier niet opgenomen, teksten te binnen schieten, want het onderwerp is veelzijdig. Er zijn bijvoorbeeld in Plautus heel wat passages te vinden met liefdesperikelen. In Cicero's Pro Caelio vinden we een aanklacht wegens gebrek aan pietas jegens ouders besproken, om van Clodia's 'bacchantisch' gedrag niet te spreken. Maar onze lestijd is beperkt. We zullen onze eigen keuze moeten maken.

We kunnen ons hierbij natuurlijk nog een schoolmediatheek dromen, vol met encyclopedieën, kunstboeken, video's, cd-roms, én bij voorkeur een aansluiting op het Internet, zodat onze leerlingen zich ook visueel in bacchanalen kunnen onderdompelen en hun research tot de uiterste limiet opdrijven. Enkelen onder u zijn misschien al zo fortuinlijk met hun school, voor de anderen zijn hier een paar bescheiden afbeeldingen opgenomen. Als film valt 'A funny thing happened on my way to the forum' van Richard Lester nog altijd zeer warm aan te bevelen en de televisiereeks 'Ik Claudius' biedt een schat aan documentatie. En misschien gaat u ook eens naar een toneeluitvoering, of organiseert u een bacchanten-workshop? Zolang we daar met alle lichaamsdelen intact doorheen geraken...

naar boven

LIVIUS, AUC 39, 8-19 : KORTE INHOUD

1. Romantiek

Je heet Aebutius, je bent zeventien en het leven is één happening. Je vader is al gestorven, je moeder is hertrouwd en is samen met je stiefvader je voogd. En nu kondigt je moeder aan, dat ze je zal laten inwijden in de eredienst van Bacchus. Zij had dit in een plechtige eed gezworen, omdat hij je leven gered heeft toen je ziek was. Er komt wat voorbereiding aan te pas: tien dagen onthouding, een banket, rituele reiniging en dan initiatie in het heiligdom. Toch fijn, dat je een schat van een meisje hebt aan wie je alles kan vertellen...

Livius zegt van in het begin duidelijk hoe de zaken staan. Stiefvader Sempronius kan geen verantwoorde boekhouding voorleggen van zijn voogdijbeheer. De alternatieven zijn: ofwel zijn pupil doden, ofwel hem van zich afhankelijk maken, zodat hij niet tegen hem kan procederen. De meest effectieve manier is hem de Bacchische eed te laten zweren. Moeder Duronia staat aan de kant van haar tweede man. Maar ze hebben buiten Hispala (de 'Spaanse') Faecenia gerekend, Aebutius' vriendin. Zij is een prostituee, een vrijgelatene, die als klein slavinnetje met haar meesteres mee moest naar de Bacchanalia, en daar toen ingewijd is. Als Aebutius haar het nieuwtje vertelt, dat hij tien dagen niet bij haar zal kunnen slapen, en waarom, wordt ze bijna hysterisch en bezweert hem zich niet te laten inwijden. Heel de bacchanalenhistorie komt eruit, over losbandigheid en misdaden en sexuele misbruiken. Tenslotte belooft Aebutius haar, dat hij zich niet zal laten inwijden. Hij deelt zijn moeder zijn besluit mee, die op haar beurt in een hysterische aanval hem gebrek aan respect voor zijn ouders verwijt en hem het huis uit gooit.

Aebutius gaat ten einde raad naar de zuster van zijn vader, die hem adviseert om consul Postumius in te lichten. De consul pakt het voorzichtig aan: via zijn schoonmoeder Sulpicia contacteert hij Aebutia en Hispala, die bijna een appelflauwte krijgt, zo is zij onder de indruk van het hoge gezelschap. Na een lange aarzeling vertelt zij de consul alles wat zij over de Bacchanalia weet, maar smeekt hem haar naar het buitenland te laten vertrekken. Als hij eens wist, wat die bacchanten allemaal met een afvallige doen! Maar de consul bedaart haar en brengt haar onder bij zijn eigen schoonmoeder, onder veilige bewaking. (Een uitzonderlijk eerbewijs voor een prostituee, maar, zoals Livius zegt, zij is veel te goed om zo'n beroep te moeten uitoefenen). Aebutius moet bij een cliënt van hem gaan logeren. Dan pas vindt de consul het veilig om een vervolgingsprocedure te starten.

2. De confrontatie

Zodra de consul de senaat inlicht over de Bacchanalia, raakt men in paniek. De staat is natuurlijk in groot gevaar, maar ieder denkt ook aan zijn privébelangen: wie weet is er iemand van de familie in die zaak verwikkeld. Na een officiële dankbetuiging aan de consul voor zijn omzichtigheid vaardigt de senaat een aantal maatregelen uit om een onderzoek te voeren naar de Bacchussekte en deze te beteugelen. De consul licht het plebs hierover in. Livius neemt de gelegenheid te baat om nog eens precies te vertellen wat het protocol van een volksvergadering allemaal inhoudt.

In zijn speech bespeelt Postumius heel het register van de oude Romeinse mores. Alleen de erkende Romeinse goden zouden vereerd mogen worden en niet die verdorven buitenlandse. De sekte gedraagt zich als een staat in de staat. Het is een poel van misdaad en verderf. Als iemand zich daarmee inlaat is hij een vijand van de staat. Voorlopig treden zij alleen nog maar op als enkelingen en hebben zij nog schrik van de burgers als groep. Maar als zij de rangen gaan sluiten, betekent dat het einde van de republiek. "Wees niet bang om deze duivelse sekte met wortel en tak uit te roeien: dit is geen godenschennis." De maiores wisten precies wat ze in deze situatie moesten doen, en dat zal nu ook gedaan worden.

Paniek neemt bezit van Rome en Italië. Sekteleden worden aangehouden en ondervraagd, leiders opgesloten. Het blijkt om duizenden aanhangers te gaan, mannen en vrouwen. Er hebben honderden executies plaats. Dan vaardigt de senaat het decreet uit, waarin de Bacchanalia verboden worden. (Inscriptie van Tiriolo)

3. Happy end: beloningen voor Aebutius en Hispala Faecenia.

naar boven

DE TEKST (Livius, AUC 39, 8-19)

8.1 Insequens annus Sp. Postumium Albinum et Q. Marcium Philippum consules ab exercitu bellorumque et provinciarum cura ad intestinae coniurationis vindictam avertit. 8.2 Praetores provincias sortiti sunt, T. Maenius urbanam, M. Licinius Lucullus inter cives et peregrinos, C.Aurelius Scaurus Sardiniam, P. Cornelius Sulla Siciliam, L. Quinctius Crispinus Hispaniam citeriorem, C. Calpurnius Piso Hispaniam ulteriorem. 8.3 Consulibus ambobus quaestio de clandestinis coniurationibus decreta est. Graecus ignobilis in Etruriam primum venit nulla cum arte earum, quas multas ad animorum corporumque cultum nobis eruditissima omnium gens invexit, sacrificulus et vates; 8.4 nec is qui aperta religione, propalam et quaestum et disciplinam profitendo, animos errore imbueret, sed occultorum et nocturnorum antistes sacrorum. 8.5 Initia erant, quae primo paucis tradita sunt, deinde vulgari coepta sunt per viros mulieresque. Additae voluptates religioni vini et epularum, quo plurium animi illicerentur. 8.6 Cum vinum animos incendissent, et nox et mixti feminis mares, aetatis tenerae maioribus, discrimen omne pudoris exstinxissent, corruptelae primum omnis generis fieri coeptae, cum ad id quisque, quo natura pronioris libidinis esset, paratam voluptatem haberet. 8.7 Nec unum genus noxae, stupra promiscua ingenuorum feminarumque erant, sed falsi testes, falsa signa testamentaque et indicia ex eadem officina exibant: 8.8 venena indidem intestinaeque caedes, ita ut ne corpora quidem interdum ad sepulturam exstarent. Multa dolo, pleraque per vim audebantur. Occulebat vim quod prae ululatibus tympanorumque et cymbalorum strepitu nulla vox quiritantium inter stupra et caedes exaudiri poterat.

8.1. Het jaar daarop werd gekenmerkt door een verschuiving van de consulaire taken van Spurius Postumius Albinus en Quintus Marcius Philippus (met name hun militaire bevelsfunctie en de organisatie van militaire en bestuurlijke activiteiten) naar de bestraffing van een binnenlandse samenzwering. 8.2. De pretoren lootten hun ambtsgebied uit: Titus Maenius kreeg de stad toegewezen, Marcus Licinius Lucullus burger- en vreemdelingenzaken, Caius Aurelius Scaurus Sardinia, Publius Cornelius Sulla Sicilia, Lucius Quinctius Crispinus Hispania Citerior, Caius Calpurnius Piso Hispania Ulterior. 8.3. Aan de beide consuls werd het onderzoek naar geheime genootschappen opgedragen: in een eerste stadium was er een Griek van lage afkomst naar Etruria gekomen - iemand met absoluut niets van die culturele bagage, die dit volk, het hoogst ontwikkeld van al, ons in overvloed heeft aangebracht ten bate van onze geestelijke en lichamelijke vorming - een offerpriester en waarzegger. 8.4. Het was er niet zo een, die, door zijn godsdienstige overtuiging openlijk te belijden en voor ieder duidelijk te maken dat hij met de verkondiging van deze leer in zijn onderhoud voorziet, verkeerde opvattingen in de hoofden doet postvatten, maar eerder iemand die voorgaat in geheime en nachtelijke riten. 8.5. Het ging hier om initiatieriten, die eerst aan enkelen geopenbaard werden, en daarna meer en meer bekend begonnen te raken onder mannen en vrouwen. Aan de eredienst werd het genot van wijn en banketten gekoppeld, om zo nog meer mensen te lokken. 8.6. Wanneer de wijn de gemoederen had opgezweept en de nacht en de losse omgang van mannen en vrouwen en van ouderen met jongeren iedere vorm van schaamtegevoel gesmoord had, was dat de startsituatie voor allerlei verdorven gedrag, omdat voor ieder de gelegenheid aanwezig was juist die lusten bot te vieren, waartoe men van nature een uitgesproken neiging bezat. 8.7. Maar dit libertijnse wangedrag van vrijgeboren mannen en van vrouwen was niet het enige soort vergrijp: ook valse getuigeverklaringen, schriftvervalsing, testamentvervalsing en leugenachtige aangiftes werden in datzelfde milieu geproduceerd. 8.8. Verder hield men er zich bezig met vergiftigingen en moorden, zozeer in besloten kring gepleegd, dat men zelfs de lijken soms niet meer kon terugvinden om hen een behoorlijke begrafenis te geven. Veel van die vermetele daden werden op een bedekte manier gepleegd, maar meestal met geweld. Het geweld echter bleef onopgemerkt, doordat de hulpkreten van de slachtoffers tijdens verkrachting en doodslag door het gekrijs en het geraas van trommels en cymbalen absoluut niet hoorbaar waren.

9.1 Huius mali labes ex Etruria Romam veluti contagione morbi penetravit. Primo urbis magnitudo capacior patientiorque talium malorum ea celavit: tandem indicium hoc maxime modo ad Postumium consulem pervenit. 9.2 P. Aebutius, cuius pater publico equo stipendia fecerat, pupillus relictus, mortuis deinde tutoribus sub tutela Duroniae matris et vitrici T. Sempronii Rutili educatus fuerat. 9.3 Et mater dedita viro erat, et vitricus, quia tutelam ita gesserat, ut rationem reddere non posset, aut tolli pupillum aut obnoxium sibi vinculo aliquo fieri cupiebat. Via una corruptelae Bacchanalia erant. 9.4 Mater adulescentem appellat: se pro aegro eo vovisse, ubi primum convaluisset, Bacchis eum se initiaturam; damnatam voti benignitate deum exsolvere id velle. Decem dierum castimonia opus esse: decimo die cenatum, deinde pure lautum in sacrarium deducturam. 9.5 Scortum nobile libertina Hispala Faecenia, non digna quaestu, cui ancillula adsuerat, etiam postquam manumissa erat, eodem se genere tuebatur. 9.6 Huic consuetudo iuxta vicinitatem cum Aebutio fuit, minime adulescentis aut rei aut famae damnosa: ultro enim amatus appetitusque erat, et maligne omnia praebentibus suis meretriculae munificentia sustinebatur. 9.7 Quin eo processerat consuetudine capta, ut post patroni mortem, quia in nullius manu erat, tutore ab tribunis et praetore petito, cum testamentum faceret, unum Aebutium institueret heredem.

9.1. De schadelijke invloed van dit verderfelijke fenomeen drong vanuit Etruria tot in Rome door als een besmettelijke ziekte. Aanvankelijk bleef zij verborgen door de uitgestrektheid van de stad, die ontvankelijker is en langer bestand tegen dergelijke kwaadaardige aantastingen. Maar uiteindelijk kwam een aanwijzing ervan vooral op de volgende manier onder de aandacht van consul Postumius. 9.2. Publius Aebutius, wiens vader zijn legerdienst vervuld had in de ruiterij, was als wees achtergebleven, en, na de daaropvolgende dood van zijn voogden, grootgebracht onder de voogdij van zijn moeder Duronia en zijn stiefvader Titus Sempronius Rutilus. 9.3. Daarbij kwam, dat zijn moeder volledig aan de kant stond van haar man en dat de stiefvader het verlangen koesterde om (aangezien hij de voogdij op zo'n manier uitgeoefend had, dat hij geen rekenschap kon geven van zijn beheer) ofwel zijn pupil te laten verdwijnen, ofwel hem door een of andere verplichting afhankelijk te maken. Eén manier om hem te compromitteren waren de Bacchanalia. 9.4. De moeder liet de jongen roepen: zij had, zo zei ze, voor hem tijdens zijn ziekte een plechtige gelofte gedaan, dat ze hem, zodra hij hersteld zou zijn, in de riten van Bacchus zou laten inwijden; de goden waren goedgunstig geweest en dus wilde zij haar gelofte, waardoor zij gebonden was, nakomen. Er was een onthouding van tien dagen nodig: op de tiende dag zou ze hem dan, na een maaltijd en een reinigend bad, naar het heiligdom brengen. 9.5. Een algemeen gekende prostituee, de vrijgelaten Hispala Faecenia, eigenlijk te goed voor haar beroep, waarmee zij als jong slavinnetje vertrouwd gemaakt was, was ook na haar vrijlating op dezelfde wijze in haar onderhoud blijven voorzien. 9.6. Zij had een vaste relatie met Aebutius (zij waren praktisch buren), en dit was allerminst ten nadele van het vermogen of de reputatie van de jongeman: want zij hield van hem en trok hem aan om hemzelf, en, terwijl zijn eigen mensen altijd uitgesproken gierig waren om hem ook maar iets te gunnen, kon hij slechts rondkomen dank zij de vrijgevigheid van deze prostituee. 9.7. Zij was, in de ban van hun relatie, zelfs zo ver gegaan dat ze na de dood van haar beschermheer - ze stond dan immers niet meer onder iemands zeggingschap - een voogd had aangevraagd bij de tribunen en de pretor, en Aebutius, toen ze haar testament opmaakte, als enige erfgenaam had aangewezen.

10.1 Haec amoris pignora cum essent, nec quicquam secretum alter ab altero haberent, per iocum adulescens vetat eam mirari, si per aliquot noctes secubuisset: 10.2 religionis se causa, ut voto pro valetudine sua facto liberetur, Bacchis initiari velle. Id ubi mulier audivit, perturbata 'dii meliora.' inquit: mori et sibi et illi satius esse quam id faceret; et in caput eorum detestari minas periculaque, qui id suasissent. 10.3 Admiratus cum verba tum perturbationem tantam adulescens parcere exsecrationibus iubet: matrem id sibi adsentiente vitrico imperasse. 10.4 'Vitricus ergo' inquit 'tuus - matrem enim insimulare forsitan fas non sit - pudicitiam famam spem vitamque tuam perditum ire hoc facto properat.' 10.5 Eo magis mirabundo quaerentique, quid rei esset, pacem veniamque precata deorum dearumque, si coacta caritate eius silenda enuntiasset, ancillam se ait dominae comitem id sacrarium intrasse, liberam numquam eo accessisse. 10.6 Scire corruptelarum omnis generis eam officinam esse; et iam biennio constare neminem initiatum ibi maiorem annis viginti. 10.7 Ut quisque introductus sit, velut victimam tradi sacerdotibus. Eos deducere in locum, qui circumsonet ululatibus cantuque symphoniae et cymbalorum et tympanorum pulsu, ne vox quiritantis, cum per vim stuprum inferatur, exaudiri possit. 10.8 Orare inde atque obsecrare, ut eam rem quocumque modo discuteret nec se eo praecipitaret, ubi omnia infanda patienda primum, deinde facienda essent. 10.9 Neque ante dimisit eum, quam fidem dedit adulescens ab his sacris se temperaturum.

10.1. Omdat de bewijzen van haar liefde in dit stadium gekomen waren en zij geen enkel geheim meer voor elkaar hadden, zei de jongen als een grapje, dat ze niet verwonderd mocht zijn, als hij een paar nachten niet bij haar zou slapen: 10.2. hij wilde zich om een godsdienstige reden - namelijk om een gelofte in te lossen, die gedaan was voor zijn genezing - in de Bacchische riten laten inwijden. Zodra de vrouw dit hoorde, zei ze, hevig verontrust: "Mogen de goden dit verhoeden!": het zou verkieslijker zijn, zowel voor haar als voor hem, te sterven, dan dat hij dit zou doen. En over het hoofd van hen, die hem daartoe hadden aangezet, riep zij kwade invloeden en verderf af. 10.3. Verrast over haar woorden én haar zo hevige ongerustheid zei de jongen scherp, dat zij haar verwensingen voor zich moest houden: het was zijn moeder die hem deze opdracht gegeven had, met instemming van zijn stiefvader. 10.4. "Jouw stiefvader zit er dus achter - want het is misschien onbehoorlijk om je moeder te beschuldigen," zei ze. "Je kuisheid, je goede naam, je toekomstverwachtingen, je leven: als het aan hem ligt, zullen die snel naar de verdoemenis gaan door deze inwijding." 10.5. Toen zijn verwondering nog groter werd en hij vroeg, wat dan eigenlijk het probleem was, smeekte zij genade en vergiffenis af van goden en godinnen, als zij, uit liefde voor hem, zaken zou verklappen waarover eigenlijk gezwegen moet worden. Dan vertelde zij, dat zij, als jong slavinnetje haar meesteres vergezellend, dat heiligdom betreden had, maar dat zij daar nooit, na haar invrijheidstelling, nog een voet had binnengezet. 10.6. Zij wist, dat al wat daar bekokstoofd werd door en door rot was; en het was al twee jaar een feit, dat niemand die ouder was dan twintig daar nog ingewijd werd. 10.7. Van het moment, dat men binnengeleid was, werd men als een offerdier overgeleverd aan de priesters. Zij brachten je dan naar een plaats, waar het aan alle kanten weergalmde van luide kreten, van gezang onder begeleiding van muzikanten en het ritmische geluid van cymbalen en trommels, met de bedoeling dat geen enkele hulpkreet, wanneer iemand onder dwang aan verkrachting onderworpen werd, te horen zou zijn. 10.8. Dan smeekte en bezwoer ze hem, dat hij zich op eender welke manier zou distantiëren van deze zaak en zich niet in dat milieu zou storten, waar allerlei onuitsprekelijke handelingen eerst ondergaan moesten worden, om ze daarna zelf toe te passen. 10.9. En ze liet de jongeman niet eerder gaan, dan wanneer hij zijn woord gegeven had, dat hij zich van deze riten afzijdig zou houden.

11.1 Postquam domum venit, et mater mentionem intulit, quid eo die, quid deinceps ceteris, quae ad sacra pertinerent, faciendum esset, negat eorum se quicquam facturum, nec initiari sibi in animo esse. 11.2 Aderat sermoni vitricus. Confestim mulier exclamat Hispalae concubitu carere eum decem noctes non posse; illius excetrae delenimentis et venenis imbutum nec parentis nec vitrici nec deorum verecundiam habere. Iurgantes hinc mater, hinc vitricus cum quattuor eum servis domo exegerunt. 11.3 Adulescens inde ad Aebutiam se amitam contulit, causamque ei, cur esset a matre eiectus, narravit, deinde ex auctoritate eius postero die ad consulem Postumium arbitris remotis rem detulit. 11.4 Consul post diem tertium redire ad se iussum dimisit; ipse Sulpiciam gravem feminam, socrum suam, percunctatus est, ecquam anum Aebutiam ex Aventino nosset. 11.5 Cum ea nosse probam et antiqui moris feminam respondisset, opus esse sibi ea conventa dixit: 11.6 mitteret nuntium ad eam, ut veniret. Aebutia accita ad Sulpiciam venit, et consul paulo post, velut forte intervenisset, sermonem de Aebutio fratris eius filio infert. 11.7 Lacrimae mulieri obortae, et miserari casum adulescentis coepit, qui spoliatus fortunis, a quibus minime oporteret, apud se tunc esset, eiectus a matre, quod probus adulescens - dii propitii essent - obscenis, ut fama esset, sacris initiari nollet.

11.1. Toen hij thuisgekomen was en zijn moeder hem instructies gegeven had over wat hij die dag moest doen, en wat hij de andere volgende dagen met betrekking tot de riten moest doen, verklaarde hij, dat hij niets daarvan zou doen en dat hij niet van plan was om zich te laten inwijden. 11.2. De stiefvader was bij het gesprek aanwezig. Terstond schreeuwde zijn vrouw dat hij het slapen bij Hispala zelfs geen tien nachten kon missen; dat hij doortrokken was van de lokmiddelen en het vergif van die valse slang en dat hij geen ontzag had, noch voor zijn moeder, noch voor zijn stiefvader, noch voor de goden. Onder een vloed van scheldwoorden gooiden zijn moeder en zijn stiefvader hem, met een geleide van vier slaven, het huis uit. 11.3. Daarop begaf de jongeman zich naar zijn tante van vaders kant, Aebutia. Aan haar vertelde hij de reden, waarom hij door zijn moeder het huis was uitgezet. Daarop informeerde hij de volgende dag, op haar aanraden, onder vier ogen consul Postumius over de zaak. 11.4. De consul liet hem weer gaan met het bevel dat hij na drie dagen terug moest komen; zelf polste hij Sulpicia, een dame van aanzien - zijn schoonmoeder - , of zij misschien de oude dame Aebutia van de Aventijn kende. 11.5. Haar antwoord was, dat zij wist dat deze vrouw een fatsoenlijk leven leidde, volgens de oude stempel. Daarop zei hij dat het noodzakelijk was dat hij een ontmoeting met haar had: zou zij zo vriendelijk willen zijn om haar een bericht te sturen met het verzoek om te komen? 11.6. Zo gebeurde en Aebutia kwam naar het huis van Sulpicia. De consul, die deed alsof hij heel toevallig langsgekomen was, bracht na een tijdje het gesprek op Aebutius, de zoon van haar broer. 11.7. Tranen welden op bij de vrouw en ze hief een klaagzang aan over de ongelukkige situatie van de jongen, die beroofd was van zijn fortuin, nog wel door die mensen, die dat allerminst hadden mogen doen. Hij woonde nu bij haar, omdat zijn moeder hem op straat gezet had, omdat die ingoede jongen - mogen de goden hem gunstig gezind blijven - zich niet wilde laten inwijden in riten, die, naar verluidde, onzedelijk waren.

12.1 Satis exploratum de Aebutio ratus consul non vanum auctorem esse, Aebutia dimissa socrum rogat, ut Hispalam indidem ex Aventino libertinam, non ignotam viciniae, arcesseret ad sese: eam quoque esse quae percunctari vellet. 12.2 Ad cuius nuntium perturbata Hispala, quod ad tam nobilem et gravem feminam ignara causae arcesseretur, postquam lictores in vestibulo turbamque consularem et consulem ipsum conspexit, prope exanimata est. 12.3 In interiorem partem aedium abductam socru adhibita consul, si vera dicere inducere in animum posset, negat perturbari debere; fidem vel a Sulpicia, tali femina, vel ab se acciperet; 12.4 expromeret sibi, quae in luco Stimulae Bacchanalibus in sacro nocturno solerent fieri. 12.5 Hoc ubi audivit, tantus pavor tremorque omnium membrorum mulierem cepit, ut diu hiscere non posset. 12.6 Tandem confirmata puellam admodum se ancillam initiatam cum domina ait: aliquot annis, ex quo manumissa sit, nihil quid ibi fiat scire. 12.7 Iam id ipsum consul laudare, quod initiatam se non infitiaretur: sed et cetera eadem fide expromeret. 12.8 Neganti ultra quicquam scire, non eandem dicere, si coarguatur ab alio, ac per se fatenti veniam aut gratiam fore; eum sibi omnia exposuisse, qui ab illa audisset.

12.1. Toen hij genoeg inlichtingen over Aebutius had, oordeelde de consul dat hij als informant betrouwbaar was, en na het vertrek van Aebutia vroeg hij aan zijn schoonmoeder, of zij nu Hispala, de vrijgelatene van de Aventijn, die overbekend was in de omgeving, bij haar wilde ontbieden; ook haar wilde hij uitvragen. 12.2. De ontvangst van het bericht van deze dame verontrustte Hispala zeer, omdat ze niet wist wat de reden was, waarom ze bij zo'n hooggeplaatste en voorname vrouw ontboden werd. En toen ze lictoren in de hal én het gevolg van de consul én de consul zelf opgemerkt had, viel ze bijna in zwijm. 12.3. Nadat men haar naar een binnenkamer van het huis gebracht had, zei de consul, in aanwezigheid van zijn schoonmoeder, dat, als zij zich ertoe kon brengen de waarheid te vertellen, zij absoluut geen reden tot ongerustheid had; zij kon daarvoor rekenen op het erewoord van Sulpicia, toch een belangrijke vrouw, én op dat van hem; 12.4. ze moest gewoon aan hem uitleggen, wat er in het woud van Stimula bij de Bacchanalia in de nachtelijke eredienst placht te gebeuren. 12.5. Toen zij dat hoorde, beving de vrouw zo'n siddering en trilling van haar leden, dat ze lange tijd geen geluid kon uitbrengen. 12.6. Toen ze zich eindelijk vermand had, zei ze, dat ze, een meisje nog, als slavin met haar meesteres ingewijd was: ze wist nu al een paar jaren, sinds haar vrijlating, niet meer wat daar gebeurde. 12.7. Dat was een punt waarover de consul onmiddellijk zijn waardering uitsprak, dat ze niet ontkende dat ze ingewijd was: maar ook de rest zou ze met dezelfde waarheidslievendheid moeten vertellen. 12.8. Maar wanneer zij zou beweren dat zij verder niets wist, dan, zei hij, zou zij, als iemand anders zou bewijzen dat zij wel meer wist, niet dezelfde vergiffenis en dank krijgen als wanneer zij uit eigen beweging met inlichtingen zou komen; een man, die het van haarzelf gehoord had, had trouwens alles al aan hem verteld.

13.1 Mulier haud dubie, id quod erat, Aebutium indicem arcani rata esse, ad pedes Sulpiciae procidit, 13.2 et eam primo orare coepit, ne mulieris libertinae cum amatore sermonem in rem non seriam modo sed capitalem etiam verti vellet: se terrendi eius causa, non quod sciret quicquam, ea locutam esse. 13.3 Hic Postumius accensus ira tum quoque ait eam cum Aebutio se amatore cavillari credere, non in domo gravissimae feminae et cum consule loqui. Et Sulpicia attollere paventem, simul illam adhortari, simul iram generi lenire. 13.4 Tandem confirmata, multum incusata perfidia Aebutii, qui optime de ipso meritae talem gratiam rettulisset, 13.5 magnum sibi metum deorum, quorum occulta initia enuntiaret, maiorem multo dixit hominum esse, qui se indicem manibus suis discerpturi essent. 13.6 Itaque hoc se Sulpiciam, hoc consulem orare, ut se extra Italiam aliquo ablegarent, ubi reliquum vitae degere tuto posset. 13.7 Bono animo esse iubere eam consul, et sibi curae fore dicere, ut Romae tuto habitaret. 13.8 Tum Hispala originem sacrorum expromit. Primo sacrarium id feminarum fuisse, nec quemquam eo virum admitti solitum. Tres in anno statos dies habuisse, quibus interdiu Bacchis initiarentur; sacerdotes in vicem matronas creari solitas. 13.9 Pacullam Anniam Campanam sacerdotem omnia, tamquam deum monitu, immutasse: nam et viros eam primam filios suos initiasse, Minium et Herennium Cerrinios; et nocturnum sacrum ex diurno, et pro tribus in anno diebus quinos singulis mensibus dies initiorum fecisse. 13.10 Ex quo in promiscuo sacra sint et permixti viri feminis, et noctis licentia accesserit, nihil ibi facinoris, nihil flagitii praetermissum. 13.11 Plura virorum inter sese quam feminarum esse stupra. Si qui minus patientes dedecoris sint et pigriores ad facinus, pro victimis immolari. 13.12 Nihil nefas ducere, hanc summam inter eos religionem esse. Viros, velut mente capta, cum iactatione fanatica corporis vaticinari; matronas Baccharum habitu crinibus sparsis cum ardentibus facibus decurrere ad Tiberim, demissasque in aquam faces, quia vivum sulpur cum calce insit, integra flamma efferre. 13.13 Raptos a diis homines dici, quos machinae illigatos ex conspectu in abditos specus abripiant: eos esse, qui aut coniurare aut sociari facinoribus aut stuprum pati noluerint. 13.14 Multitudinem ingentem, alterum iam prope populum esse; in his nobiles quosdam viros feminasque. Biennio proximo institutum esse, ne quis maior viginti annis initiaretur: captari aetates et erroris et stupri patientes.

13.1. De vrouw, die absoluut zeker was, dat Aebutius de tipgever was (wat inderdaad het geval was), wierp zich aan Sulpicias voeten. 13.2. Eerst probeerde ze het nog met een beroep op haar begrip, dat ze het gesprek tussen een vrijgelaten vrouw en haar minnaar toch niet mocht opvatten als een ernstige zaak, laat staan een zaak van leven of dood: ze had dat gezegd om hem schrik aan te jagen, niet omdat ze iets wist. 13.3. Daarop ontstak Postumius in woede en zei dat zij ook op ditzelfde moment blijkbaar dacht dat zij tegen haar minnaar Aebutius aan het leuteren was, in plaats van dat ze het woord voerde in het huis van een zeer hooggeplaatste vrouw, en dan nog wel tegen de consul. Ondertussen hielp Sulpicia de sidderende vrouw overeind, haar bemoedigend toesprekend, terwijl ze tegelijkertijd de woede van haar schoonzoon probeerde in te tomen. 13.4. Eindelijk vatte ze moed, en na heel wat verwijten aan het adres van de trouweloosheid van Aebutius, die haar stank voor dank gegeven had, terwijl ze hem toch van zeer grote dienst geweest was, 13.5. verklaarde ze, dat ze heel erg bang was voor de goden, van wie ze de geheime initiatieriten ging verklappen, maar veel banger nog voor de mensen, die haar, een verklikster, met hun eigen handen in stukken zouden scheuren. 13.6. Daarom vroeg ze met klem aan Sulpicia en de consul, dat zij haar een verblijfplaats ergens buiten Italië zouden toewijzen, waar ze de rest van haar leven veilig zou kunnen doorbrengen. 13.7. De consul verzekerde haar dat ze gerust mocht zijn en zei dat hij er persoonlijk voor zou zorgen, dat ze veilig in Rome zou kunnen blijven wonen. 13.8. Daarop onthulde Hispala de oorspronkelijke aard van de riten. In oorsprong was het heiligdom een vrouwenaangelegenheid, en het was de regel, dat geen enkele man mocht worden toegelaten. Er werden drie vaste dagen per jaar aangehouden, waarop de Bacchische inwijdingen, overdag, plaatsvonden; volgens de gewoonte werden de matronae bij beurtrol tot priesteres aangesteld. 13.9. Tijdens haar priesterschap had Paculla Annia uit Campania, zogenaamd op bevel van de goden, alles veranderd: want zij had als eerste ook mannen, haar eigen zonen, ingewijd, Minius en Herennius Cerrinius; en zij had de inwijding die normaal overdag gebeurde naar de nacht verplaatst, en het aantal inwijdingsdagen van driemaal per jaar gebracht op vijf iedere maand. 13.10. Sindsdien waren de riten gemeenschappelijk en gemengd voor mannen en vrouwen, en was er 's nachts de losbandigheid bijgekomen; daar werd geen enkele misdaad, geen enkele schanddaad overgeslagen. 13.11 Er waren meer sexuele uitspattingen tussen mannen onderling, dan tussen vrouwen. Als er personen bij waren die de ontering niet zo goed konden verwerken en niet enthousiast genoeg waren om schanddaden te begaan, dan werden zij als offerdieren geofferd. 13.12. Niets onbehoorlijk vinden, dat was bij hen het toppunt van godsdienstigheid. Mannen, als beroofd van hun verstand, deden voorspellingen terwijl hun lichaam bezeten schokte; de matronae liepen in bacchantenkledij met loshangende haren naar de Tiber, met brandende fakkels, staken deze fakkels in het water en haalden ze er met de vlam intact weer uit, omdat er een mengsel van levende zwavel en kalk opzat. 13.13. Zij noemden die mensen 'meegesleurd door de goden', die zij, vastgebonden aan tuigen, aan het blikveld ontrukten, een verborgen holte in: het ging om die personen, die niet de gezamenlijke eed hadden willen zweren, niet mee hadden willen doen met de schanddaden of geen onterende sexuele handelingen hadden willen ondergaan. 13.14. Het betrof een enorme menigte mensen, al bijna een ander volk; onder hen een aantal mannen en vrouwen van hoge afkomst. Het was nog maar net twee jaar geleden, dat er bepaald was dat niemand van boven de twintig jaar ingewijd mocht worden: er werden nu dus personen aangetrokken van een leeftijd, die wangedrag en verkrachting docieler ondergaat.

14.1 Peracto indicio advoluta rursus genibus preces easdem, ut se ablegaret, repetivit. 14.2 Consul rogat socrum, ut aliquam partem aedium vacuam faceret, quo Hispala immigraret. Cenaculum super aedes datum est, scalis ferentibus in publicum obseratis, aditu in aedes verso. 14.3 Res omnes Faeceniae extemplo translatae et familia arcessita, et Aebutius migrare ad consulis clientem iussus. Ita cum indices ambo in potestate essent, rem ad senatum Postumius defert, omnibus ordine expositis, quae delata primo, quae deinde ab se inquisita forent. 14.4 Patres pavor ingens cepit, cum publico nomine, ne quid eae coniurationes coetusque nocturni fraudis occultae aut periculi importarent, tum privatim suorum cuiusque vicem, ne quis adfinis ei noxae esset. 14.5 Censuit autem senatus gratias consuli agendas, quod eam rem et cum singulari cura et sine ullo tumultu investigasset. 14.6 Quaestionem deinde de Bacchanalibus sacrisque nocturnis extra ordinem consulibus mandant; indicibus Aebutio ac Faeceniae ne fraudi ea res sit curare et alios indices praemiis invitare iubent; 14.7 sacerdotes eorum sacrorum, seu viri seu feminae essent, non Romae modo sed per omnia fora et conciliabula conquiri, ut in consulum potestate essent; edici praeterea in urbe Roma et per totam Italiam edicta mitti, 14.8 ne quis, qui Bacchis initiatus esset, coisse aut convenisse sacrorum causa velit, neu quid talis rei divinae fecisse. Ante omnia ut quaestio de iis habeatur, qui coierint coniuraverintue, quo stuprum flagitiumve inferretur. 14.9 Haec senatus decrevit. Consules aedilibus curulibus imperarunt, ut sacerdotes eius sacri omnes conquirerent, comprehensosque libero conclavi ad quaestionem servarent; aediles plebis viderent, ne qua sacra in operto fierent. 14.10 Triumviris capitalibus mandatum est, ut vigilias disponerent per urbem servarentque, ne qui nocturni coetus fierent, utque ab incendiis caveretur; adiutores triumviris quinqueviri uls cis Tiberim suae quisque regionis aedificiis praeessent.

14.1 Na deze getuigenis deed zij opnieuw een voetval voor zijn knieën en sprak opnieuw dezelfde smeekbede uit, of hij haar namelijk naar het buitenland wilde zenden. 14.2. De consul verzocht zijn schoonmoeder om een gedeelte van haar huis vrij te maken, waar Hispala haar intrek zou kunnen nemen. Zij kreeg een kamer op de bovenste verdieping: de trap, die naar buiten leidde, werd afgesloten en de toegang bevond zich nu in het binnenhuis. 14.3. Al Faecenias bezittingen werden terstond verhuisd en haar slaven gehaald, en Aebutius kreeg het bevel in te trekken bij een client van de consul. Toen beide informanten op die manier onder zijn controle waren, legde Postumius de zaak voor aan de senaat, bij zijn exposé alle elementen in volgorde presenterend, eerst welke informatie hij gekregen had, daarna wat de resultaten van zijn onderzoek geweest waren. 14.4. Een overweldigende angst beving de leden van de senaat: aan de ene kant vreesden zij, vanuit het oogpunt van het algemeen belang, dat die eedverbonden en nachtelijke vergaderingen een subversieve toestand van misdaad en doodsbedreiging zouden veroorzaken. Maar aan de andere kant had ieder persoonlijk schrik voor zijn naastbestaanden, dat iemand betrokken zou kunnen zijn bij dit vergrijp. 14.5. De senaat nu besloot de consul te bedanken, omdat hij deze zaak met buitengewone zorgvuldigheid én zonder enige ruchtbaarheid had onderzocht. 14.6. Vervolgens droegen zij de consuls op om bij buitengewone maatregel het onderzoek te leiden naar de Bacchanalia en de nachtelijke riten; zij moesten erop toezien, dat dit geen schade zou berokkenen aan de informanten Aebutius en Faecenia en zij moesten beloningen uitloven om andere tipgevers aan te lokken. 14.7. De priesters van die riten, weze het man of vrouw, moesten opgespoord worden, niet alleen in Rome, maar ook in alle provinciesteden en dorpen, opdat ze onder de controle van de consuls zouden komen te staan; bovendien moest in Rome de verordening uitgevaardigd worden, en over heel Italië bekend gemaakt worden, 14.8. dat niemand, die in de Bacchusriten was ingewijd, naar een vergadering mocht gaan of samenkomen om de riten te vieren, noch enige dergelijke godsdienstige handeling stellen. Maar bovenal moest er een onderzoek gebeuren naar hen, die in een vergadering verenigd een gezamenlijke eed gezworen hadden, met de bedoeling om onzedelijke handelingen en schanddaden uit te voeren. 14.9. Dat was de beslissing van de senaat. De consuls gaven het bevel aan de aediles curules, om alle priesters van die sekte op te sporen, op te pakken en met het oog op een verhoor in vrije bewaring te houden; de aediles plebis moesten erop toezien, dat er geen riten in het geheim plaatsgrepen. 14.10. De triumviri capitales kregen de opdracht om permanente wachtposten uit te zetten in de stad, met het doel nachtelijke bijeenkomsten tegen te gaan en ook als uitkijkpost tegen branden; de adjuncten van de triumviri, de quinqueviri uls cis Tiberim, moesten ieder de gebouwen in hun sector beschermen.

15.1 Ad haec officia dimissis magistratibus consules in rostra escenderunt, et contione advocata cum sollemne carmen precationis, quod praefari, priusquam populum adloquantur, magistratus solent, peregisset consul, ita coepit. 15.2 'Nulli umquam contioni, Quirites, tam non solum apta sed etiam necessaria haec sollemnis deorum comprecatio fuit, quae vos admoneret hos esse deos, quos colere venerari precarique maiores vestri instituissent, 15.3 non illos, qui pravis et externis religionibus captas mentes velut furialibus stimulis ad omne scelus et ad omnem libidinem agerent. 15.4 Equidem nec quid taceam nec quatenus proloquar invenio. Si aliquid ignorabitis, ne locum neglegentiae dem, si omnia nudavero, ne nimium terroris offundam vobis, vereor. 15.5 Quidquid dixero, minus quam pro atrocitate et magnitudine rei dictum scitote esse: ut ad cavendum satis sit, dabitur opera a nobis. 15.6 Bacchanalia tota iam pridem Italia et nunc per urbem etiam multis locis esse, non fama solum accepisse vos sed crepitibus etiam ululatibusque nocturnis, qui personant tota urbe, certum habeo, ceterum quae ea res sit, ignorare: 15.7 alios deorum aliquem cultum, alios concessum ludum et lasciviam credere esse, et qualecumque sit, ad paucos pertinere. 15.8 Quod ad multitudinem eorum attinet, si dixero multa milia hominum esse, ilico necesse est exterreamini, nisi adiunxero qui qualesque sint. 15.9 Primum igitur mulierum magna pars est, et is fons mali huiusce fuit; deinde simillimi feminis mares, stuprati et constupratores, fanatici, vigiliis, vino, strepitibus clamoribusque nocturnis attoniti. 15.10 Nullas adhuc vires coniuratio, ceterum incrementum ingens virium habet, quod in dies plures fiunt. 15.11 Maiores vestri ne vos quidem, nisi cum aut vexillo in arce posito comitiorum causa exercitus eductus esset, aut plebi concilium tribuni edixissent, aut aliquis ex magistratibus ad contionem vocasset, forte temere coire voluerunt; et ubicumque multitudo esset, ibi et legitimum rectorem multitudinis censebant esse debere. 15.12 Quales primum nocturnos coetus, deinde promiscuos mulierum ac virorum esse creditis? 15.13 Si quibus aetatibus initientur mares sciatis, non misereat vos eorum solum, sed etiam pudeat. Hoc sacramento initiatos iuvenes milites faciendos censetis, Quirites? 15.14 His ex obsceno sacrario eductis arma committenda? Hi cooperti stupris suis alienisque pro pudicitia coniugum ac liberorum vestrorum ferro decernent?

15.1 Zodra de magistraten met deze opdrachten belast waren, bestegen de consuls de rostra. Het volk werd ter vergadering geroepen en, nadat de consul de ceremoniële gebedsformule, die magistraten plegen op te zeggen voordat zij zich tot het volk richten, uitgesproken had, ving hij als volgt aan: 15.2. "Voor geen enkele volksvergadering, medeburgers, is ooit het plechtig gebed tot de goden zo toepasselijk, ja zelfs noodzakelijk geweest als dit hier, dat jullie eraan herinnert, dat dit onze goden zijn, waarvan jullie voorouders oorspronkelijk bepaald hebben dat zij geëerd, vereerd en aanbeden moesten worden, niet die goden, die het denken van de mensen geïnfiltreerd hebben met verdorven en onromeinse godsdienstige praktijken en hen als het ware met prikkels van de Furiën tot elke misdaad en tot iedere losbandigheid drijven. 15.4. Ik van mijn kant echter heb echt geen idee, waarover ik het best zwijg of hoe ver ik met mijn uiteenzetting moet gaan. Ik vrees dat ik, als jullie iets niet te weten komen, mijn plicht verwaarloos, maar als ik alles tot op het bot zal blootleggen, dat ik dan te veel angst over jullie zal uitstorten. 15.5. Weet, dat wat ik zal zeggen minder erg klinkt dan wat in verhouding tot het gruwelijke en de belangrijkheid van de zaak gezegd zou kunnen worden: maar wij zullen ervoor zorgen, dat dat volstaat om u op uw hoede te doen zijn. 15.6. Dat de Bacchanalia van vroeger al in heel Italië en nu zelfs op veel plaatsen verspreid over de stad bestaan, dat hebben jullie, daar ben ik van overtuigd, niet alleen vernomen van horen zeggen, maar ook door het nachtelijke gedreun en gegil, dat door heel de stad heen weerklinkt. Verder weten jullie eigenlijk niet, wat het precies inhoudt: 15.7. sommigen denken dat het een of andere godencultus is, anderen dat het een toegelaten uitbundig volksfeest is, en dat er hoe dan ook weinig mensen mee te maken hebben. Om het over hun aantal te hebben: als ik zeg dat het vele duizenden mensen betreft, dan brengt dat jullie begrijpelijkerwijze van jullie stuk, als ik er niet tegelijk bijzeg wie en wat voor mensen het zijn. 15.9. Welnu, allereerst is er een groot aantal vrouwen bij, en dat is de bron van dit onheil; verder mannen, die precies op vrouwen lijken, die zich sexueel laten gebruiken of die de onterende daad stellen, bezetenen, in trance door slaapontbering, wijn, en het nachtelijke geraas en geschreeuw. 15.10. De samenzwering heeft voorlopig nog geen invloed, maar kent een enorme aangroei van medestanders, die met de dag talrijker worden. 15.11 Het was de wil van jullie voorvaderen, dat jullie alleen maar zouden vergaderen, als het vaandel op de burcht geplaatst was om een volksvergadering aan te kondigen en het leger daartoe naar buiten geleid was, of als de tribunen een volksvergadering afgekondigd hadden, of als iemand van de magistraten tot een volksvergadering opgeroepen had, en niet zomaar toevallig; en waar die massa zich ook bevond, daar, oordeelden zij, hoorde ook een wettige leidsman voor die massa te zijn. 15.12. Wat vinden jullie van dat soort vergaderingen, die niet alleen 's nachts doorgaan, maar bovendien met vrouwen en mannen ondereen? 15.13. Als jullie zouden weten op welke leeftijd de mannen ingewijd worden, dan zouden jullie niet alleen medelijden met hen hebben, maar ook om hen beschaamd zijn. Medeburgers, vinden jullie, dat jongemannen, die met dit soort ritueel ingewijd zijn, soldaat mogen worden? Dat aan hen, die uit dit onzedelijke 'heiligdom' te voorschijn komen, wapens toevertrouwd mogen worden? Zullen deze personen, die beladen zijn met sexuele schanddaden, of zij ze nu ondergaan hebben of uitgevoerd, met het zwaard strijden voor de kuisheid van jullie echtgenotes en kinderen?

16.1 Minus tamen esset, si flagitiis tantum effeminati forent - ipsorum id magna ex parte dedecus erat - a facinoribus manus, mentem a fraudibus abstinuissent: numquam tantum malum in re publica fuit, nec ad plures nec ad plura pertinens. 16.2 Quidquid his annis libidine, quidquid fraude, quidquid scelere peccatum est, ex illo uno sacrario scitote ortum esse. 16.3 Necdum omnia, in quae coniurarunt, edita facinora habent. Adhuc privatis noxiis, quia nondum ad rem publicam opprimendam satis virium est, coniuratio sese impia tenet. Crescit et serpit quotidie malum. Iam maius est, quam ut capere id privata fortuna possit: ad summam rem publicam spectat. 16.4 Nisi praecavetis, Quirites, iam huic diurnae, legitime ab consule vocatae, par nocturna contio esse poterit. Nunc illi vos singuli universos contionantes timent: iam ubi vos dilapsi domos et in rura vestra eritis, illi coierint, consultabunt de sua salute simul ac vestra pernicie: tum singulis vobis universi timendi erunt. 16.5 Optare igitur unusquisque vestrum debet, ut bona mens suis omnibus fuerit. Si quem libido, si furor in illum gurgitem abripuit, illorum eum, cum quibus in omne flagitium et facinus coniuravit, non suum iudicet esse. 16.6 Ne quis etiam errore labatur vestrum, Quirites, non sum securus. Nihil enim in speciem fallacius est quam prava religio. 16.7 Ubi deorum numen praetenditur sceleribus, subit animum timor, ne fraudibus humanis vindicandis divini iuris aliquid immixtum violemus. Hac vos religione innumerabilia decreta pontificum, senatus consulta, haruspicum denique responsa liberant. 16.8 Quotiens hoc patrum avorumque aetate negotium est magistratibus datum, uti sacra externa fieri vetarent, sacrificulos vatesque foro circo urbe prohiberent, vaticinos libros conquirerent comburerentque, omnem disciplinam sacrificandi praeterquam more Romano abolerent. 16.9 Iudicabant enim prudentissimi viri omnis divini humanique iuris nihil aeque dissolvendae religionis esse, quam ubi non patrio sed externo ritu sacrificaretur. 16.10 Haec vobis praedicenda ratus sum, ne qua superstitio agitaret animos vestros, cum demolientes nos Bacchanalia discutientesque nefarios coetus cerneretis. 16.11 Omnia diis propitiis volentibusque [ea] faciemus; qui quia suum numen sceleribus libidinibusque contaminari indigne ferebant, ex occultis ea tenebris in lucem extraxerunt, nec patefieri, ut impunita essent, sed ut vindicarentur et opprimerentur, voluerunt. 16.12.Senatus quaestionem extra ordinem de ea re mihi collegaeque meo mandavit. Nos, quae ipsis nobis agenda sunt, impigre exsequemur; vigiliarum nocturnarum curam per urbem minoribus magistratibus mandavimus. 16.13 Vos quoque aequum est, quae vestra munia sunt, quo quisque loco positus erit, quod imperabitur, impigre praestare, et dare operam, ne quid fraude noxiorum periculi aut tumultus oriatur.'

16.1. Toch zou het minder erg zijn, als ze slechts verwijfd zouden zijn door hun schandelijke gedrag - deze oneer is voornamelijk hun eigen zaak - en niet de hand zouden hebben in misdaden of schadelijke plannen zouden beramen: 16.2. maar nooit heeft zo een kwalijke dreiging in de republiek bestaan, met een grotere impact op meer mensen en in meer opzichten dan ooit tevoren. Al wat deze jaren misdaan is door losbandig gedrag, kwaad opzet, misdaad, weet, dat dat aan dat ene 'heiligdom' ontsproten is. 16.3. En ook is bij hen nog niet alles, wat het voorwerp uitmaakte van hun eed, open en blote misdaad. Tot nu toe houdt die goddeloze samenzwering zich nog bezig met het toebrengen van schade aan privépersonen, aangezien ze over nog niet genoeg sterkte bezit om de staat onder druk te zetten. Maar het kwaad groeit aan en infiltreert iedere dag verder. Het is te omvangrijk, om nog enkel een zaak te kunnen zijn voor een privé-initiatief: dit heeft met het hoogste staatsbelang te maken. 16.4. Als jullie geen voorzorgsmaatregelen nemen, medeburgers, dan zou die nachtelijke bijeenkomst wel eens de evenknie kunnen worden van deze vergadering hier overdag, die op wettige manier door de consul bijeengeroepen is. Nu zijn zij nog bang voor jullie, zij als enkelingen, voor jullie allen tesamen in volksvergadering bijeen. Straks, wanneer jullie verspreid zullen zijn over jullie huizen en erven, zullen zij samenkomen, en zullen zij zich beraden over wat heilzaam is voor hen, dus, met andere woorden, jullie ondergang: dan zullen zij het zijn die allen tesamen gevreesd moeten worden door ieder van jullie afzonderlijk. 16.5. Dus kan ieder van jullie beter wensen, dat al zijn dierbaren hun gezond verstand bewaard hebben. Want als iemand door losbandigheid, door verblinding in die maalstroom meegezogen is, als hij er één is van hen, met wie hij een eedverbond gesloten heeft tot het begaan van iedere schand- en misdaad: dan mag niemand hem nog tot zijn eigen familie rekenen. 16.6. Ik ben er zelfs niet gerust in, dat niemand van jullie in die dwaling verzeild zal raken. Niets is immers bedriegelijker aan de buitenkant dan een corrupte eredienst. 16.7. Zodra er maar gezwaaid wordt met 'Het is de wil van de goden' om misdaden te verbloemen, krijgen we schrik, dat wij, met het straffen van door mensen begane misdrijven, iets schenden, dat te maken heeft met het goddelijke territorium. Maar deze godsdienstige schroom nemen de ontelbare decreten van het pontificaat, senaatsbesluiten, ja zelfs de antwoorden van de erkende waarzeggers bij jullie weg. 16.8. Hoe dikwijls niet werd in de tijd van onze voorouders aan de magistraten de opdracht gegeven om het houden van vreemde godsdienstige riten te verbieden, om offerpriesters en verkondigers te weren uit forum, circus en stad, om waarzeggersboeken op te sporen en te verbranden, om ieder offerritueel dat afweek van de Romeinse zede te vernietigen! 16.9. Deze mannen, die zo'n buitengewoon inzicht hadden in alles wat tot het goddelijk en het menselijk rechtsgebied behoort, oordeelden immers, dat niets méér gelijkt op de afbraak van de godsdienst, dan wanneer men niet offert volgens de eigen rite, maar volgens een volksvreemd ritueel. 16.10. Dit heb ik gemeend jullie duidelijk te moeten maken, opdat geen godsdienstige dwaalideeën jullie gemoed zouden verontrusten, wanneer jullie ons de Bacchanalia zien vermorzelen en de schandelijke bijeenkomsten uiteen zien slaan. 16.11. Met de volle goedkeuring en instemming van de goden zullen wij dit alles uitvoeren ; zij zijn het - omdat zij het als een smaad beschouwden, dat hun heiligheid onteerd werd door de misdaden en de uitspattingen - die die praktijken vanonder de sluier van het schemerduister vandaan aan het licht hebben gebracht, en gewild hebben, dat ze onthuld zouden worden, niet opdat ze ongestraft zouden blijven, maar opdat ze gestraft en vernietigd zouden worden. 16.12. De senaat heeft mij en mijn collega opgedragen bij buitengewone maatregel het onderzoek in deze zaak te voeren. Wij zullen met volharding uitvoeren, wat ons te doen staat; wij hebben aan de lagere magistraten de opdracht gegeven om nachtelijke bewakingsdiensten in de stad te organiseren. 16.13. Het is niet meer dan redelijk, dat ook jullie met volharding zullen meewerken, wanneer het erop aankomt jullie deel van de verplichtingen op jullie te nemen, jullie posities in te nemen en aan de bevelen gevolg te geven; en dat jullie ervoor zullen waken, dat er door kwaad opzet van de boosdoeners geen levensgevaarlijke situatie of opschudding zou ontstaan."

17.1 Recitari deinde senatus consulta iusserunt, indicique praemium proposuerunt, si quis quem ad se deduxisset nomenve absentis detulisset. 17.2 Qui nominatus profugisset, diem certam se finituros, ad quam nisi citatus respondisset, absens damnaretur. Si quis eorum, qui tum extra terram Italiam essent, nominaretur, ei laxiorem diem daturos, si venire ad causam dicendam vellet. 17.3 Edixerunt deinde, ne quis quid fugae causa vendidisse neve emisse vellet; ne quis reciperet, celaret, ope ulla iuvaret fugientes. 17.4 Contione dimissa terror magnus urbe tota fuit, nec moenibus se tantum urbis aut finibus Romanis continuit, sed passim per totam Italiam, litteris hospitum de senatus consulto et contione et edicto consulum acceptis, trepidari coeptum est. 17.5 Multi ea nocte, quae diem insecuta est, quo in contione res palam facta est, custodiis circa portas positis fugientes a triumviris comprehensi et reducti sunt: multorum delata nomina. 17.6 Quidam ex iis viri feminaeque mortem sibi consciverunt. Coniurasse supra septem milia virorum ac mulierum dicebantur. Capita autem coniurationis constabat esse M. et C. Atinios de plebe Romana et Faliscum L. Opicernium et Minium Cerrinium Campanum: 17.7 ab his omnia facinora et flagitia orta, eos maximos sacerdotes conditoresque eius sacri esse. Data opera, ut primo quoque tempore comprehenderentur. Adducti ad consules fassique de se nullam moram indicio fecerunt.

17.1. Vervolgens bevalen zij de senaatsbesluiten voor te lezen en loofden een beloning voor tipgevers uit, voor het geval dus dat men iemand bij hen zou voorleiden of de naam van iemand, bij verstek, zou aangeven. 17.2. Zij zouden, als iemand van de genoemde personen voortvluchtig bleef, een dag vaststellen, waarop hij, tenzij hij aan de dagvaarding gehoor zou geven, bij verstek veroordeeld zou worden. Als er bij de genoemden iemand zou zijn, die zich op dat moment buiten het grondgebied van Italië zou bevinden, dan zouden zij een soepeler dagvaarding opstellen, voor het geval dat hij zijn zaak zou willen komen verdedigen. 17.3. Daarna vaardigden zij het edict uit, dat niemand iets om redenen van ballingschap mocht verkopen of kopen; niemand mocht vluchtelingen opnemen, verbergen, of op enigerlei wijze hulp bieden. 17.4 Na de volksvergadering hing er een intense sfeer van angst in heel de stad, en dit bleef niet slechts beperkt tot de wijken binnen de muren, of tot de stadsgrenzen van Rome, maar verspreid over heel Italië ontstond paniek, zodra men brieven van relaties over het senaatsbesluit en de volksvergadering en het edict van de consuls toegekregen had. 17.5. Velen werden die nacht nog, die volgde op de dag, waarop de zaak in de volksvergadering openbaar gemaakt was, in hun vlucht door de triumviri opgepakt en teruggebracht, omdat bij de stadspoorten bewakingsposten op wacht stonden: van velen werden de namen verklikt. 17.6. Sommigen van hen, mannen én vrouwen, pleegden zelfmoord. Naar verluidt zouden meer dan zevenduizend mannen en vrouwen de gezamenlijke eed gezworen hebben. Maar de kopstukken van het eedverbond waren zeker Marcus en Gaius Attinius, Romeinse plebejers, en Faliscus Lucius Opicernius en Minius Cerrinius uit Campania: 17.7 zij waren de aanstichters van alle misdaden en schanddaden, zij waren de belangrijkste priesters en grondleggers van deze sekte. Er werd in het bijzonder op toegezien, dat zij ook bij de eerste arrestaties zouden zijn. Voor de consuls gebracht gingen zij onmiddellijk over tot bekentenissen en verstrekten informatie.

18.1 Ceterum tanta fuga ex urbe facta erat, ut, quia multis actiones et res peribant, cogerentur praetores T. Maenius et M. Licinius per senatum res in diem tricesimum differre, donec quaestiones a consulibus perficerentur. 18.2 Eadem solitudo, quia Romae non respondebant nec inveniebantur, quorum nomina delata erant, coegit consules circa fora proficisci ibique quaerere et iudicia exercere. 18.3 Qui tantum initiati erant et ex carmine sacro, praeeunte verba sacerdote, precationes fecerant, [in] quibus nefanda coniuratio in omne facinus ac libidinem continebatur, nec earum rerum ullam, in quas iureiurando obligati erant, in se aut alios admiserant, eos in vinculis relinquebant: 18.4 qui stupris aut caedibus violati erant, qui falsis testimoniis, signis adulterinis, subiectione testamentorum, fraudibus aliis contaminati, eos capitali poena adficiebant. 18.5 Plures necati quam in vincula coniecti sunt. Magna vis in utraque causa virorum mulierumque fuit. 18.6 Mulieres damnatas cognatis, aut in quorum manu essent, tradebant, ut ipsi in privato animadverterent in eas: si nemo erat idoneus supplicii exactor, in publico animadvertebatur. 18.7 Datum deinde consulibus negotium est, ut omnia Bacchanalia Romae primum, deinde per totam Italiam diruerent, extra quam si qua ibi vetusta ara aut signum consecratum esset. 18.8 In reliquum deinde senatus consulto cautum est, ne qua Bacchanalia Romae neve in Italia essent. Si quis tale sacrum sollemne et necessarium duceret, nec sine religione et piaculo se id omittere posse, apud praetorem urbanum profiteretur, praetor senatum consuleret. 18.9 Si ei permissum esset, cum in senatu centum non minus essent, ita id sacrum faceret, dum ne plus quinque sacrificio interessent, neu qua pecunia communis neu quis magister sacrorum aut sacerdos esset.

18.1. Overigens was men zo massaal uit de stad gevlucht, dat, aangezien processen en borgstellingen voor velen aan het verlopen waren, de pretoren Titus Maenius en Marcus Licinius zich genoodzaakt zagen om op gezag van de senaat de zaak dertig dagen te verdagen, totdat het onderzoek door de consuls zou afgerond zijn. 18.2. Dezelfde ontstentenis van verdachten (want diegenen, van wie de namen verklikt waren, gaven zich in Rome niet aan en werden evenmin opgespoord) noopte de consuls naar de omliggende provincieplaatsen te gaan en daar het onderzoek te leiden en de rechtszaken te laten plaatsgrijpen. 18.3. Zij, die alleen maar ingewijd waren en slechts de gebeden hadden opgezegd volgens een rituele formule waarbij de priester de woorden voorzegt (gebeden, die de goddeloze verbintenis bevatten tot het begaan van elke schanddaad en uitspatting) en die zich aan niets van die zaken, waartoe zij zich door hun eed verbonden hadden, schuldig gemaakt hadden of ze bij anderen gedoogd hadden, die personen lieten zij in verzekerde bewaring. 18.4. Maar wie zich door onzedelijk of moorddadig gedrag onteerd had, wie zich verlaagd had tot valse getuigeverklaringen, vervalsing van handtekeningen, verwisseling van testamenten en ander bedrog, hen lieten zij ter dood brengen. 18.5. Meer werden er ter dood gebracht dan in de gevangenis geworpen. In beide gevallen was het aantal mannen en vrouwen aanzienlijk. 18.6. De veroordeelde vrouwen werden overgedragen aan hun verwanten, of aan hen onder wier gezag zij stonden, opdat zij zelf aan hen in de beslotenheid van de familie de straf zouden voltrekken: maar als er geen gepaste uitvoerder van het doodvonnis voorhanden was, werd de straf van staatswege voltrokken. 18.7. Vervolgens werd aan de consuls de taak opgedragen om alle Bacchanalia, eerst in Rome, daarna in heel Italië, te ontmantelen, uitgezonderd wanneer het de cultus rond een aloud altaar of beeld betrof. 18.8. Verder werd door een senaatsbesluit verordend, dat in het vervolg geen Bacchanalia meer gehouden mochten worden in Rome, noch in Italië. Als iemand zou vinden, dat een dergelijke rite tot het gebruik behoorde en noodzakelijk was, en dat hij deze niet achterwege mocht laten of anders een goddeloze en strafbare daad zou begaan, dan moest die persoon dit komen verklaren bij de praetor urbanus, en deze moest dan de senaat hierover raadplegen. 18.9. Ingeval het hem toegestaan zou worden - en dan moesten er minstens honderd senatoren aanwezig zijn - dan mocht hij deze rite slechts uitvoeren met niet meer dan vijf deelnemers aan de offerdienst, en er mocht geen gemeenschappelijke kas opgericht worden, noch mocht iemand fungeren als voorganger in de rituele plechtigheden, of als priester.

19.1 Aliud deinde huic coniunctum referente Q. Marcio consule senatus consultum factum est, ut de iis, quos pro indicibus consules habuissent, integra res ad senatum referretur, cum Sp. Postumius quaestionibus perfectis Romam redisset. 19.2 Minium Cerrinium Campanum Ardeam in vincula mittendum censuerunt, magistratibusque Ardeatium praedicendum, ut intentiore eum custodia adservarent, non solum ne effugeret, sed ne mortis consciscendae locum haberet. 19.3 Sp. Postumius aliquanto post Romam venit: eo referente de P. Aebutii et Hispalae Faeceniae praemio, quod eorum opera indicata Bacchanalia essent, senatus consultum factum est, uti singulis his centena milia aeris quaestores urbani ex aerario darent; 19.4 utique consul cum tribunis plebis ageret, ut ad plebem primo quoque tempore ferrent, ut P. Aebutio emerita stipendia essent, ne invitus militaret neve censor ei invito equum publicum adsignaret; 19.5 utique Faeceniae Hispalae datio, deminutio, gentis enuptio, tutoris optio item esset, quasi ei vir testamento dedisset; utique ei ingenuo nubere liceret, neu quid ei qui eam duxisset ob id fraudi ignominiaeve esset; 19.6 utique consules praetoresque, qui nunc essent quive postea futuri essent, curarent, ne quid ei mulieri iniuriae fieret, utique tuto esset. 19.7 Id senatum velle et aequum censere, ut ita fieret. Ea omnia lata ad plebem factaque sunt ex senatus consulto; [et] de ceterorum indicum impunitate praemiisque consulibus permissum est.

19.1. Er werd verder nog op voorstel van consul Quintus Marcius een ander senaatsbesluit opgesteld, dat gekoppeld werd aan het voorgaande, namelijk om de senaat bevoegd te verklaren de zaak van de informanten, van wie de consuls zich bediend hadden, in zijn geheel af te handelen, zodra Spurius Postumius zijn onderzoek afgesloten had en weer terug in Rome was. 19.2. Zij stemden voor opsluiting van Minius Cerrinius de Campaniër in Ardea. De Ardeatische magistraten moest op het hart gedrukt worden, dat zij hem zeker zorgvuldig in het oog moesten houden, niet alleen om een vluchtpoging tegen te gaan, maar ook om hem geen kans te laten zichzelf van het leven te benemen. 19.3. Iets later keerde Spurius Postumius terug naar Rome. Op zijn aanwijzingen werd in verband met de beloning van Publius Aebutius en Hispala Faecenia (door hun inzet immers waren de Bacchanalia ontmaskerd) een senaatsbesluit geformuleerd met de volgende bepalingen: 19.4. aan ieder van hen zouden de quaestores urbani honderdduizend asses uit de schatkist uitkeren; de consul moest met de volkstribunen regelen, dat zij in de eerstvolgende volksvergadering die plaatshad zouden voorstellen om aan Publius Aebutius de status van veteraan toe te kennen, te dien einde dat hij niet tegen zijn zin dienst zou moeten nemen of door de censor een equus van staatswege toegewezen zou krijgen; 19.5. Hispala Faecenia verkreeg de datio, de deminutio, de gentis enuptio evenals de tutoris optio, precies alsof een echtgenoot dit te haren gunste bij testament had bepaald; zij kreeg het recht om met een vrijgeboren burger te mogen huwen en dit zou aan degene, die haar zou huwen, geen schade berokkenen, ook niet aan zijn reputatie; 19.6. de huidige consuls en pretoren, evenals hun opvolgers, moesten erop toezien, dat deze vrouw geen enkel onrecht zou geschieden, en zij moesten haar veiligheid waarborgen. Dat was de wil van de senaat en zij vonden dit een billijke maatregel. 19.7. Dit alles werd aan de volksvergadering voorgelegd en gebeurde in de zin van het senaatsbesluit; wat de overige tipgevers betreft, werd het aan het oordeel van de consuls overgelaten om hen straffeloosheid te garanderen en hen te belonen.

naar boven

SENATUSCONSULTUM DE BACCHANALIBUS VAN 186 v.C.

Het senatus consultum De Bacchanalibus (CIL I2,581,30) gevonden in Tiriolo in Calabria, op een bronzen plaat gegrift. Nu in Wenen in het Kunsthistorisches Museum (de nummers verwijzen naar de regels):

1.Q. MARCIVS L.F. S. POSTVMIVS L.F. COS. SENATVM CONSOLVERVNT N. OCTOB. APVD AEDEM

2.DVELONAE SC. ARF. M. CLAVDI M.F. L. VALERI P.F. Q. MINVCI C.F. DE BACANALIBVS QVEI FOIDERATEI

3.ESENT ITA EXDEICENDVM CENSVERE NEIQVIS EORVM BACANAL HABVISE VELET SEI QVES

4.ESENT QVEI SIBEI DEICERENT NECESVS ESE BACANAL HABERE EEIS VTEI AD PR. VRBANVM

5.ROMAM VENIRENT DEQVE EEIS REBVS VBEI EORVM VERBA AVDITA ESENT VTEI SENATVS

6.NOSTER DECERNERET DVM NE MINVS SENATORIBVS C ADESENT QVOM EA RES COSOLERETVR

7.BACAS VIR NEQVIS ADIESE VELET CEIVIS ROMANVS NEVE NOMINVS LATINI NEVE SOCIVM

8.QVISQVAM NISEI PR VRBANVM ADIESENT ISQVE DE SENATVOS SENTENTIAD DVM NE

9.MINVS SENATORIBVS C ADESENT QVOM EA RES COSOLERETVR IOVSISENT CENSVERE

10.SACERDOS NEIQVIS VIR ESET MAGISTER NEQVE VIR NEQVE MVLIER QVISQVAM ESET

11.NEVE PECVNIAM QVISQVAM EORVM COMOINEM HABVISE VELET NEVE MAGISTRATVM

12.NEVE PROMAGISTRATVD NEQVE VIRVM NEQVE MVLIEREM QVISQVAM FECISE VELET

13.NEVE POST HAC INTER SED CONIOVRASE NEVE COMVOVISE NEVE CONSPONDISE

14.NEVE CONPROMESISE VELET NEVE QVISQVAM FIDEM INTER SE DEDISE VELET

15.SACRA IN OQVOLTOD NE QVISQVAM FECISE VELET NEVE IN POPLICOD NEVE IN

16.PREIVATOD NEVE EXSTRAD VRBEM SACRA QVISQVAM FECISE VELET NISEI

17.PR VRBANVM ADIESET ISQVE DE SENATVOS SENTENTIAD DVM NE MINVS

18.SENATORIBVS C ADESENT QVOM EA RES COSOLERETVR IOVSISENT CENSVERE

19.HOMINES PLOVS V OINVORSEI VIREI ATQVE MVLIERES SACRA NE QVISQVAM

20.FECISE VELET NEVE INTER IBEI VIREI PLOVS DVOBVS MVLIERIBVS PLOVS TRIBVS

21.ARFVISE VELENT NISEI DE PR VRBANI SENATVOSQVE SENTENTIAD VTEI SVPRAD

22.SCRIPTVM EST. HAICE VTEI IN COVENTIONID EXDEICATIS NE MINVS TRINVM

23.NOVNDINVM SENATVOSQVE SENTENTIAM VTEI SCIENTES ESETIS EORVM

24.SENTENTIA ITA FVIT SEI QVES ESENT QVEI ARVORSVM EAD FECISENT QVAM SVPRAD

25.SCRIPTVM EST EEIS REM CAPVTALEM FACIENDAM CENSVERE ATQVE VTEI

26.HOCE IN TABOLAM AHENAM INCEIDERETIS ITA SENATVS AIQVOM CENSVIT

27.VTEIQVE EAM FIGIER IOVBEATIS VBEI FACILVMED GNOSCIER POTISIT ATQVE

28.VTEI EA BACANALIA SEI QVA SVNT EXSTRAD QVAM SEIQVID IBEI SACRI EST

29.ITA VTEI SVPRAD SCRIPTVM EST IN DIEBVS X QVIBVS VOBEIS TABELAI DATAI

30.ERVNT FACIATIS VTEI DISMOTA SIENT. IN AGRO TEVRANO


(1) Quintus Marcius, zoon van Lucius, en Spurius Postumius, zoon van Lucius, consuls, hebben de senaat geraadpleegd op de Nonae van oktober, in de tempel (2) van Bellona. Bij de opstelling van het senaatsbesluit waren aanwezig Marcus Claudi(us), zoon van Marcus, en Lucius Valeri(us), zoon van Publius, en Quintus Minucius, zoon van Caius. Wat betreft degenen die zich verenigd hebben in de Bacchanalia (3) heeft men geoordeeld zich als volgt te moeten uitspreken: niemand van hen mag een Bacchanaal houden. Als er personen (4) zijn, die beweren dat het voor hen noodzakelijk is om een Bacchanaal te houden, dan moeten zij naar de praetor urbanus (5) in Rome gaan. Zodra hun verklaring over deze zaken gehoord is ligt de beslissing bij onze senaat, (6) als er tenminste 100 senatoren aanwezig zijn wanneer er over die zaak gedelibereerd wordt. (7) Niemand mag als bacchant fungeren, noch een Romeins burger, noch een burger volgens Latijns recht, noch een bondgenoot, (8) tenzij zij zich hebben aangediend bij de praetor urbanus en tenzij deze, op autoriteit van de senaat, (9) na een overleg waarbij ten minste 100 senatoren aanwezig waren, daartoe toestemming gegeven heeft. Dat is hun beslissing. (10) Geen man mag priester zijn, geen enkele man of vrouw mag mentor zijn. (11) Geen van hen mag een gemeenschappelijke kas houden of een magistratuur bekleden. (12) Geen enkele man of vrouw mag een promagistratuur uitoefenen. (13) Vanaf nu mag niemand nog een gezamenlijke gemeenschappelijke eed zweren, noch een gemeenschappelijke gelofte afleggen of een gemeenschappelijke verplichting aangaan (14) of een gemeenschappelijke overeenkomst treffen, noch elkaar zijn woord van trouw geven. (15) Niemand mag riten uitvoeren in het geheim noch in het openbaar, noch (16) privé; niemand mag riten uitvoeren buiten de stad, tenzij (17) hij zich heeft aangediend bij de praetor urbanus en tenzij deze, op autoriteit van de senaat, na een overleg waarbij ten minste (18) 100 senatoren aanwezig waren, daartoe toestemming gegeven heeft. Dat is hun beslissing. (19) Niemand mag met alles tesamen meer dan 5 personen, mannen en vrouwen, riten (20) uitvoeren en hierbij mogen er niet meer dan twee mannen en drie vrouwen (21) aanwezig zijn, tenzij volgens de beslissing van de praetor urbanus en de senaat, zoals hierboven (22) is beschreven. Jullie moeten dit in een volksvergadering bekend maken gedurende tenminste drie (23) marktintervallen, met de bedoeling, dat jullie de beslissing van de senaat hierover zullen kennen. (24) Het besluit is als volgt: als er iemand is, die in tegenstrijd gehandeld heeft met wat hierboven (25) beschreven is, dan hebben zij besloten, dat dezen ter dood gebracht moeten worden. En (26) het leek de senaat redelijk, dat jullie dit op een bronzen plaat zouden laten aanbrengen. (27) Jullie moeten deze daar bevestigen, waar men het bericht zo gemakkelijk mogelijk kan lezen. (28) Als er nog van die Bacchanalen bestaan buiten de aanvaarde riten, (29) dan moeten jullie, zoals hierboven beschreven is, binnen de 10 dagen vanaf de ontvangst van deze platen, (30) ervoor zorgen, dat zij opgeheven worden. Te Ager Teuranus.

naar boven

COMMENTAARTEKSTEN BIJ LIVIUS' BACCHANALIA-AFFAIRE:
DE LIVIAANSE EXEMPLA IN HUN SOCIALE EN HISTORISCHE CONTEXT.

1. Het exemplum

Livius zet personages en situaties graag voor als moreel voorbeeld voor zijn lezers. Zij moeten vooral 'leren' van hun vaderlandse geschiedenis, zodat zij in hun eigen tijd de echte waarden weer kunnen invoeren. Livius' Bacchanaliatekst is op zich eigenlijk één groot exemplum van Romeinse godsdienstpolitiek.

Een goed exemplum is

- Aebutius, omdat hij een gevaar voor de staat niet verborgen houdt; hij kiest, door naar de consul te gaan, voor de Romeinse orde, en tegen het Bacchische gevaar voor de staat;

- Hispala, om dezelfde reden, maar ook om haar edele karakter, zo onverwacht bij een vrouw van haar beroep. Zij mag dan ook de bescherming genieten van de eigen schoonmoeder van de consul;

- Tante Aebutia, een Romeinse van de oude stempel, die haar neef aanzet om het juiste te doen;

- Schoonmoeder Sulpicia, een voorname adellijke matrona, op wier oordeel de consul vertrouwt;

- Postumius, die zeer discreet en later vastberaden te werk gaat in het belang van de staat, als het prototype van de Romeinse consul.

Een slecht exemplum is

- moeder Duronia, die haar eigen zoon in zoiets verderfelijks als de Bacchanalia wil inwijden en hem het huis uitgooit, als hij tegen haar ingaat; zij is het prototype van de on-Romeinse moeder, die haar zoon trouw wil laten zweren aan een staatsvijandige rite;

- stiefvader Sempronius, die zich heeft gedragen als een onwaardige tutor, een suspectus;

2. Het Romeinse huwelijk

In Livius' tekst is er tweemaal sprake van een huwelijk. Aebutius' moeder Duronia is hertrouwd en heeft blijkbaar samen met de stiefvader het hoederecht; de senaat verleent Hispala Faecenia als dank het recht om met een 'goede partij' te trouwen (Aebutius misschien? Livius zegt niet hoe het afloopt tussen de twee geliefden). In deze context is het nuttig een paar elementen van het Romeinse huwelijksrecht te vermelden (voor een grondige bespreking, zie Didactica Classica Gandensia 28).

Voor een geldig huwelijk waren drie voorwaarden vereist: een bepaalde leeftijd, toestemming van de betrokkenen en het recht om te huwen, het conubium.

1. Beide huwelijkspartners moesten volwassen zijn (de pubes): veertien jaar voor de man, twaalf voor de vrouw.

2. Toestemming moesten geven: de partners en de personen in wier patria potestas ze zich bevonden. Vanaf de klassieke tijd ligt de beslissing bij de partners.

3. Het conubium is de bevoegdheid om een geldig huwelijk aan te gaan; dit hield in, dat beide partners het conubium moesten bezitten. Alle Romeinse burgers bezaten het als een onderdeel van de civitas Romana, maar het werd ook verleend aan niet-Romeinen.

Het conubium was beperkt tot een aantal regels die huwelijken tussen bepaalde personen uitsloten: de twee belangrijkste beletselen waren standenverschil en verwantschap. Tot in 445 v.C. waren huwelijken tussen patriciërs en plebejers verboden. Dit verbod werd opgeheven dank zij C. Canuleius, maar huwelijken tussen ingenui en libertini (Aebutius behoort tot de eerste groep, Faecenia tot de tweede), waren tot ver in de republiek verboden; later werden ze beschouwd als - geldige - huwelijken van mindere rang. De beperking van het conubium bleef lange tijd strenger voor senatoren en andere personen van hoge stand, waarbij ze nog het strengst was voor de vrouwen.

3. De voogdij

De voogdij, of tutela, is een oeroude Romeinse instelling. (Tutela est vis ac potestas in capite libero ad tuendum eum, qui propter aetatem sua sponte se defendere nequit, iure civili data ac permissa) De voogd heeft tot taak zijn pupil te beschermen en diens vermogen veilig te stellen. De staat wijst een tutor aan als er geen van rechtswege aangewezen voogden voorhanden zijn. Zijn onderworpen aan de tutela: vrije minderjarige kinderen en vrouwen. Zodra de kinderen puberes geworden zijn, gaat de tutela in principe over in de cura, die duurt tot de leeftijd van 25 jaar (voor de mannen). In de praktijk zijn beide begrippen vaak met elkaar verward.

4. Het probleem van de wezen.

In het jaar van de Bacchanalia-affaire (186 v.C.) waren er waarschijnlijk zeer veel wezen: de 2e Punische oorlog, met Hannibal, was nog niet lang voorbij en veel vaders waren gesneuveld. In 191 was de lex (P)laetoria gestemd, waarin bepaald werd, dat jongemannen pas op hun 25e het volledige burgerrecht kregen, met de bedoeling de nog onervaren wezen te beschermen tegen erfenisjagers. Bij Plautus, een tijdgenoot, vinden we een verwijzing naar de speciale bepalingen voor wezen (Pseud., 303-304):

Cal. Perii, annorum lex me perdit quinavicenaria. metuont credere omnes. Bal. Eadem est mihi lex: metuo credere.

C. Ik ben eraan, de 25 jaar-wet doet me de das om. Niemand durft me geld lenen. B. Dat is ook mijn wet: dat ik geen crediteur durf te zijn.

Niemand wilde blijkbaar krediet verlenen aan iemand, van wie het vermogen nog onder curatele stond. Vermoedelijk doelt Plautus hier op de lex (P)laetoria. Op de leeftijd van 17 jaar kregen de adulescentes normaal gezien de toga virilis, na het zweren van de eed van trouw aan de staat. Dit was de overgang van kind naar burger. De voogd moest dan rekenschap geven van zijn beheer. In Aebutius' geval was de voogd 'suspectus'. Sommigen zijn van mening, dat de voogd de erfenis van Aebutius al lang in de kas van de Bacchussekte gestort had. De moeder en de stiefvader hebben op twee manieren geprobeerd een aanklacht van wanbeheer te ontwijken:

- als ze erin geslaagd waren Aebutius in te wijden, had die door zijn eed van trouw aan de sekte geen aanklacht meer kunnen indienen tegen zijn ouders, sekteleden;

- nu Aebutius weigert, roept zijn moeder uit, dat hij geen respect heeft voor zijn ouders, en zet hem met veel misbaar op straat. Hiermee proberen zij Aebutius verdacht te maken, want gebrek aan respect voor de ouders (en mishandeling van ouders) werd door de wet als een ernstig misdrijf beschouwd. Deze aanklacht zou een aanklacht wegens wanbeheer misschien hebben kunnen verijdelen. De ouders zouden Aebutius furiosus hebben kunnen doen verklaren, wat hem weer onder voogdij zou plaatsen. En volgens de wet zijn de naaste familieleden dan voogd...

5. De staatsgevaarlijkheid van de Bacchussekte

In Rome waren er erkende mysteriecultussen, die als ongevaarlijk beschouwd werden, bijv. van Ceres en Proserpina of de Bona Dea. Hier ging het altijd om rijpere vrouwen, matronae, die jonge meisjes inwijdden. Ook de Bacchanalia waren oorspronkelijk een zuivere vrouwenaangelegenheid. Maar toen het mannelijke element erbij kwam, met inwijdingen van mannen onder de 20 jaar, kreeg de ritus twee staatsgevaarlijke aspecten:

- het verval van de zeden (zowel sexueel als crimineel), een geliefkoosd thema van Livius.

- het zweren van een eed van trouw (sacramentum of sacrarium) door de nieuwelingen. Deze eed bond hen aan de groep en mocht nooit geschonden worden op straffe van vervloeking en wraak van de Bacchus-gemeenschap. (Denk aan de angst van Hispala wanneer zij alles moet opbiechten: zij smeekt de consul het land te mogen verlaten.) Deze eed stond in rechtstreekse concurrentie met de eed, die de 17-jarigen aan de staat zwoeren. De Bacchusriten namen a.h.w. de wijding van de overgang van jongen naar man van de staat over. De Romeinse staat is in dit verband steeds beducht geweest voor privémilities en jeugdbenden.

De consul is hierover dus duidelijk in zijn toespraak tot het volk (cap.15): "Quidquid his annis scelere peccatum est, ex illo uno sacrario scitote ortum esse." (Weet, dat de oorzaak van wat er de afgelopen jaren aan misdadigs gebeurd is, zijn oorsprong heeft in die ene eed.)

Dit alles verklaart dan ook ten dele de onverbiddelijkheid, waarmee de senaat en de consul tegen de Bacchanalia optreden. Livius dacht bij het schrijven van dit exemplum van godsdienstpolitiek ongetwijfeld aan Augustus' pogingen om de elite van Rome terug te brengen naar de oude moraal. Zijn tijdgenoten zullen niet nagelaten hebben deze parallel te trekken.

6. Het tijdsklimaat

De Bacchanalia-affaire is uiteraard geen op zichzelf staand feit in de Romeinse geschiedenis. Er gebeurden al enkele jaren verontrustende zaken; de Bacchanalia waren, in 186, een voorlopig eindpunt van een gestage reeks van beproevingen voor het staatsbestel (althans, zo suggereert Livius in de loop van boek 38 en 39):

- natuurlijke rampen, zoals aardbevingen, een zonsverduistering, een zware brand, en de pest in 187;

- op economisch gebied zijn er problemen met de geldwoekeraars. Er wordt een actie tegen hen ondernomen;

- er moeten maatregelen genomen worden tegen speculerende graan-handelaars, die de voorraad in de opslagplaatsen houden;

- in 187 komen de Latijnse bondgenoten met de klacht, dat al de Latijnen, die in Rome wonen, ook alleen daar belasting betalen. 12.000 Latijnen worden terug naar huis gestuurd.

In het verleden is ook al gebleken, dat bij zware beproevingen voor de staat er steeds een vreemd religieus element een rol speelt:

- in de conflicten met de Aequi, met Fidenae en Veii ontstond er een droogte; sterfte van dieren en mensen; migratie van het platteland naar de stad; uitbreken van de pest; ontstaan van bijgeloof en vreemde riten, die onderdrukt moeten worden (430 v.C.);

- in 293 behaalt Rome haar grote overwinning op de Samnieten. Bij de beschrijving van de voorbereiding van de Samnieten tot de strijd vermeldt Livius een vreemd element: de voorbereiding lijkt meer op een mysterie-inwijding, met al de typische elementen ervan;

- 213: Hannibal teistert nog steeds Zuid-Italië. Rome heeft zich gedeeltelijk hersteld. Maar het aanslepen van de oorlog doet allerlei bijgeloof opflakkeren. De magistraten moeten ingrijpen...

7. De Romeinse godsdienstpolitiek en -strategie.

Niet typisch Romeins of ouderwets, maar van alle tijden is de hevige reactie van het establishment op wat het als vreemd, als 'niet-eigen' beschouwt, zoals we dat kunnen lezen in de Bacchanalia-tekst. Het is als een biologisch afweermechanisme, en even radicaal in het verwijderen van het vijandig lichaam.

Een aantal terugkerende elementen in de zienswijze, de argumentatie en de handelwijze van gevestigde machten bij het uitroeien van sekten kunnen in de teksten teruggevonden worden.

1..De sekte wordt geïntroduceerd door een buitenstaander (geen landgenoot, een 'verknipt' iemand, een Griek);

2..De sekteleden moeten een eed zweren, een gelofte afleggen;

3. .Sekteleden zijn mannen, vrouwen én kinderen.

4. .De rituelen worden beschouwd als een negatie, een afzweren van de gevestigde morele waarden.

5. .De aanhang van de sekte groeit aan als een epidemie; het is een soort besmetting.

6. .Communicatie is niet meer mogelijk, de sekteleden hebben als het ware een hersenspoeling ondergaan.

7. .De sekte wordt beschuldigd van misdaden, sexuele aberraties, beslag leggen op geld en goederen van de sekteleden, het afzweren van de gevestigde godsdienst.

8. .De sekte is een gevaar voor de gevestigde orde.

9. .De sekte wordt meedogenloos uitgeroeid.

Een instrument voor het bewaren van de gevestigde Romeinse orde is het senatus consultum. Het is dan ook niet verwonderlijk, dat we heel wat van het hierboven aangehaalde terugvinden in het senatus consultum De Bacchanalibus van Tiriolo. Staatscontrole is de norm. Kenmerkend is ook de juridische gedetailleerdheid waarmee de verschillende bepalingen worden geformuleerd, alsof het gaat om een rituele vervloeking. Bij een ontsmetting mag men dan ook geen plaatsje overslaan...

Samenvattend vinden we in het senaatsbesluit:

1. .Dat geen sektelid een bacchanaal mag houden zonder officiële toestemming;

2. .Dat geen mannelijk persoon als bacchant een bacchanaal mag bijwonen zonder officiële toestemming;

3. .Verboden is:

- dat een man priester is van de sekte;

- een voorganger te zijn van de sekte;

- een sektekas erop na te houden;

- sekteleden een staatsambt te laten bekleden;

- een hecht verbond te sluiten, op welke manier dan ook:

CONIVRASE, COMVOVISE, CONSPONDISE, CONPROMESISE, FIDEM INTER SE DEDISE;

- een rituele plechtigheid te houden, noch openbaar, noch in het privé, noch in Rome, noch daarbuiten.

4. .Er mogen, mits officiële toestemming, maximum slechts 5 personen aan de riten meedoen, twee mannen, drie vrouwen.

5..Overtreders worden gestraft met de doodstraf.

6..Als, na 10 dagen na de officiële afkondiging van dit besluit, er nog altijd groepen bestaan zonder autorisatie, dan moeten deze uitgeroeid worden.

 

naar boven

LIVIUS, DE OERCONSERVATIEVE ROMEIN

Exempla: de goede Romeinen

9.5 Scortum nobile libertina Hispala Faecenia, non digna quaestu, cui ancillula adsuerat, etiam postquam manumissa erat, eodem se genere tuebatur. Huic consuetudo iuxta vicinitatem cum Aebutio fuit, minime adulescentis aut rei aut famae damnosa: ultro enim amatus appetitusque erat, et maligne omnia praebentibus suis meretriculae munificentia sustinebatur. Quin eo processerat consuetudine capta, ut post patroni mortem, quia in nullius manu erat, tutore ab tribunis et praetore petito, cum testamentum faceret, unum Aebutium institueret heredem.

11.3 Adulescens inde ad Aebutiam se amitam contulit, causamque ei, cur esset a matre eiectus, narravit, deinde ex auctoritate eius postero die ad consulem Postumium arbitris remotis rem detulit. Consul post diem tertium redire ad se iussum dimisit; ipse Sulpiciam gravem feminam, socrum suam, percunctatus est, ecquam anum Aebutiam ex Aventino nosset. Cum ea nosse probam et antiqui moris feminam respondisset, opus esse sibi ea conventa dixit: mitteret nuntium ad eam, ut veniret. Aebutia accita ad Sulpiciam venit, et consul paulo post, velut forte intervenisset, sermonem de Aebutio fratris eius filio infert. Lacrimae mulieri obortae, et miserari casum adulescentis coepit, qui spoliatus fortunis, a quibus minime oporteret, apud se tunc esset, eiectus a matre, quod probus adulescens - dii propitii essent - obscenis, ut fama esset, sacris initiari nollet.

Exempla: de slechte Romeinen

9.2 P. Aebutius, cuius pater publico equo stipendia fecerat, pupillus relictus, mortuis deinde tutoribus sub tutela Duroniae matris et vitrici T. Sempronii Rutili educatus fuerat. Et mater dedita viro erat, et vitricus, quia tutelam ita gesserat, ut rationem reddere non posset, aut tolli pupillum aut obnoxium sibi vinculo aliquo fieri cupiebat. Via una corruptelae Bacchanalia erant.

Exemplum: mos maiorum

15.1 Ad haec officia dimissis magistratibus consules in rostra escenderunt, et contione advocata cum sollemne carmen precationis, quod praefari, priusquam populum adloquantur, magistratus solent, peregisset consul, ita coepit. 'Nulli umquam contioni, Quirites, tam non solum apta sed etiam necessaria haec sollemnis deorum comprecatio fuit, quae vos admoneret hos esse deos, quos colere venerari precarique maiores vestri instituissent, non illos, qui pravis et externis religionibus captas mentes velut furialibus stimulis ad omne scelus et ad omnem libidinem agerent.

Exemplum: de eed een gevaar voor de staat

16.1 Minus tamen esset, si flagitiis tantum effeminati forent - ipsorum id magna ex parte dedecus erat - a facinoribus manus, mentem a fraudibus abstinuissent: numquam tantum malum in re publica fuit, nec ad plures nec ad plura pertinens. Quidquid his annis libidine, quidquid fraude, quidquid scelere peccatum est, ex illo uno sacrario scitote ortum esse.

Exemplum: het gevaar voor de religie

16.8 Quotiens hoc patrum avorumque aetate negotium est magistratibus datum, uti sacra externa fieri vetarent, sacrificulos vatesque foro circo urbe prohiberent, vaticinos libros conquirerent comburerentque, omnem disciplinam sacrificandi praeterquam more Romano abolerent. Iudicabant enim prudentissimi viri omnis divini humanique iuris nihil aeque dissolvendae religionis esse, quam ubi non patrio sed externo ritu sacrificaretur.

naar boven

DE SEKTE

Tot 4 maal toe beschrijft Livius de sekte van Bacchus en hoe het eraan toegaat in de riten: in cap. 8 in de inleiding tot zijn verhaal; in cap. 10 vertelt Hispala het aan Aebutius; in cap. 13 beschrijft Hispala de sekte uitgebreid aan de consul; en in cap. 15-16 licht de consul de volksvergadering erover in. Niet alle elementen worden herhaald, maar er is een patroon te herkennen:

1. De sekte wordt geïntroduceerd door een buitenstaander (geen landgenoot; een 'verknipt' iemand): Graecus ignobilis in Etruriam primum venit nulla cum arte earum, quas multas ad animorum corporumque cultum nobis eruditissima omnium gens invexit, sacrificulus et vates.

2. De sekteleden moeten een eed zweren, een gelofte afleggen: Hoc sacramento initiatos iuvenes milites faciendos censetis, Quirites? His ex obsceno sacrario eductis arma committenda? Hi cooperti stupris suis alienisque pro pudicitia coniugum ac liberorum vestrorum ferro decernent?

3. Sekteleden zijn mannen, vrouwen én kinderen.

4. De rituelen worden beschouwd als een negatie, een afzweren van de gevestigde morele waarden.

5. De aanhang van de sekte groeit aan als een epidemie; het is een soort besmetting: Huius mali labes ex Etruria Romam veluti contagione morbi penetravit.

6. Communicatie is niet meer mogelijk, de sekteleden hebben als het ware een hersenspoeling ondergaan: Optare igitur unusquisque vestrum debet, ut bona mens suis omnibus fuerit. Si quem libido, si furor in illum gurgitem abripuit, illorum eum, cum quibus in omne flagitium et facinus coniuravit, non suum iudicet esse.

7. De sekte wordt beschuldigd van misdaden, sexuele aberraties, beslag leggen op geld en goederen van de sekteleden, het afzweren van de gevestigde godsdienst.

8. De sekte is een gevaar voor de gevestigde orde: Adhuc privatis noxiis, quia nondum ad rem publicam opprimendam satis virium est, coniuratio sese impia tenet. Crescit et serpit quotidie malum. Iam maius est, quam ut capere id privata fortuna possit: ad summam rem publicam spectat.

9. De sekte wordt meedogenloos uitgeroeid (cap. 17 en 18, inscriptie van Tiriolo).

naar boven

LIVIUS, EEN MODEL VOOR TACITUS EN PLINIUS?

...het verderfelijke bijgeloof, voor een tijdje onderdrukt, kende een nieuwe opleving, niet alleen in Judea, waar dit verderf ontstaan is, maar zelfs ook in de stad, waar steeds van overal alles wat smerig of onterend is bijeenkomt en beoefend wordt. Dus werden eerst diegenen opgepakt, die er openlijk voor uitkwamen, daarna werd een enorme menigte, op hun aanwijzing, niet zozeer schuldig bevonden aan de misdaad van brandstichting, maar eerder aan weerzinwekkend gedrag ten opzichte van het mensdom. (Tacitus, Annales 15,44)

Zij bevestigden echter, dat alleen dit hun hele schuld of dwaling geweest was, dat zij gewoon waren geweest om op een vaste dag, voor het licht werd, samen te komen en onderling in beurtzang een gebed te reciteren voor Christus als voor een god; dan verplichtten zij zich door een bezwering, niet tot een of andere misdaad, maar juist tot het niet begaan van diefstal, struikroverij, echtbreuk en tot het niet plegen van woordbreuk en het niet ontkennen, bij een maning, dat ze goederen in bewaring gekregen hadden. (Plinius, Ep. 10,96)

Velen immers, van elke leeftijd, van iedere stand, van beiderlei kunne ook, worden al gedagvaard en er komen er meer. De besmetting van dat bijgeloof is niet alleen geïnfiltreerd in de steden, maar ook in de dorpen en op het platteland; het lijkt tot staan gebracht en bestraft te kunnen worden. Maar het is een vaststaand feit, dat men opnieuw begonnen is om geregeld naar verlaten tempels te komen en rituelen, die lang onderbroken waren, opnieuw in te voeren. (Plinius, Ep. 10,96)

naar boven

DE PROSTITUEE ALS EXEMPLUM

Ik getuig, dat ik als adviseur aan de consuls was toegevoegd, toen men, na de inname van Capua, onderzocht wie van de Campaniërs zich verdienstelijk gemaakt hadden voor onze republiek. Het bleek, dat slechts twee vrouwen in dat geval waren, Vestia Oppia Atellana, een inwoonster van Capua, en Pacula Cluvia, die vroeger met haar lichaam in haar levensonderhoud voorzien had. De eerste had dagelijks offers gebracht voor het behoud en de overwinning van het Romeinse volk; laatstgenoemde had de gebreklijdende krijgsgevangenen heimelijk voedsel verschaft. Al de overige Campaniërs bezaten tegenover ons dezelfde negatieve mentaliteit als de Carthagers. (Livius, AUC 26,33)

Toen ze de volgende dag naar een herhaling van deze foltering teruggesleept werd in een draagstoel - want ze kon niet meer steunen op haar ontwrichte ledematen - wikkelde ze het lint van haar b.h. van haar borst af, vormde er een soort strik mee, bond deze als een strop vast aan de boog van de draagstoel en stak er haar hoofd door. Dan liet ze zich met haar volle gewicht vallen en blies zo haar laatste, toch al zwakke, adem uit. Wat een voorbeeld bood deze vrijgelatene, een vrouw, door in zo'n vreselijke beproeving vreemden en bijna onbekenden te beschermen! Een heel wat prachtiger voorbeeld dan die vrijgeboren burgers, die daarbij nog mannen waren, én Romeinse ridders én senatoren, en die, onberoerd door enige foltering, ieder hun allerdierbaarsten verrieden. (Tacitus Annales 15,57)

naar boven

VIDEO: 'I CLAUDIUS', AFLEVERING 8, REIGN OF TERROR

Aandachtspunten: het exemplum van de echte Romein(se), het Romeinse huwelijk, geschiedschrijving.

De laatste jaren van keizer Tiberius' regering worden beheerst door de achterdocht van de keizer en de vele executies en verbanningen van echte of vermeende samenzweerders tegen zijn persoon. Tiberius laat het beulswerk over aan zijn rechterhand Seianus, hoofd van de keizerlijke garde. Totdat Antonia ingrijpt, een matrona van de echte oude Romeinse stempel. Zij is de schoonzuster van de keizer én de moeder van Claudius, de stotterende hoofdpersoon van de serie, de latere keizer, die hier als geschiedkundige ten tonele gevoerd wordt. Nog twee exempla van wat een echte Romein(se) zou moeten zijn vormen Agrippina, de vrouw van Claudius' broer Germanicus, en een senator, die de machthebbers durven tegenspreken, helaas tot hun eigen ongeluk. Onderwerp van deze aflevering zijn ook de huwelijksperikelen van verschillende personages: Seianus wil met Livilla, de zuster van Claudius trouwen; Apicata, Seianus' gescheiden vrouw, wil de kinderen toegewezen krijgen; Aelia, de zuster van Seianus, is aan Claudius uitgehuwelijkt, maar beiden zien elkaar zo weinig mogelijk.

Let ook op de materiele zaken in de aflevering: interieurs, architectuur, gebruiksvoorwerpen zijn zeer getrouw weergegeven.

naar boven

DIDACTISCHE WERKVORMEN : ENKELE SUGGESTIES

1..Klasdiscussie na lezing van de tekst, of van de korte inhoud, over de vraag: wat is Livius' bedoeling met het verhaaltje van Hispala en Aebutius in het geheel van zijn relaas over de Bacchanalia? (Elementen waar men rekening mee moet houden: Livius is een geschiedschrijver met een bepaalde zienswijze; objectiviteit / subjectiviteit; beïnvloeding van de lezer). (Analyse)

2..Schrijf een flaptekst voor een jeugdboek over de Bacchanalia-geschiedenis, gezien vanuit het standpunt van de 17-jarige Aebutius. (Synthese)

3..Lees Latijnse teksten over pleegvoogdij, vergelijk met de Belgische wetgeving en trek je conclusies. (Begrip - analyse)

4..Klasdicussie over Aebutius' en Hispalas verhouding. Hoe zouden jouw ouders reageren als je geregeld bij een bekende prostitué(e) zou overnachten? Wat is Livius' houding hiertegenover? Wat is jouw opinie? (Waardebepaling)

5..Klasproject: Zet een psychologische typering van de voornaamste karakters op papier. Improviseer daarmee een toneelstuk over de geschiedenis van Aebutius en Hispala. (Analyse - synthese - waardebepaling)

6..Lees de teksten over de Romeinse godsdienstpolitiek en bespreek het mos maiorum. Kondig daarna een discussie aan over: 'De Romeinse maatschappij is fundamentalistisch: waar of niet waar?' De leerlingen worden bij een pro- en een contra-kamp ingedeeld en moeten zich een week bezinnen en documenteren voor de discussie. (Toepassing - waardebepaling)

7..Rondvraag: wat weten de leerlingen over sekten? Kennen ze een sektelid? Weten ze hoe men tegenover sekten optreedt? Herkennen ze hiervan iets in Livius' relaas? Heeft iemand een video van een praatprogramma met (ex-)sekteleden? Is een sekte goed of slecht? (Kennis - begrip - waardebepaling) Na de rondvraag worden de teksten van Tacitus en Plinius over de christenen gelezen. Daarna vergelijking met het voorgaande. (Toepassing - analyse) Aan de hand hiervan algemene sektekenmerken formuleren. (Synthese)

8..Klaswerk: stel een documentatiemap samen over Bacchus en alles wat daar maar mee samenhangt. Na een eerste opzoekingsperiode verdeelt de klas het opsporen van documentatie over de verschillende aspecten onder de leerlingen. (Attitude)

9..Taalkundige analyse na de lezing van de inscriptie van Tiriolo. Schrijf naast elkaar: oud-Latijnse woorden uit de inscriptie en hun 'klassieke' equivalent. Is er een systeem te vinden in de verandering van schrijfwijze? Wat vind je van de schrijfwijze van dat oude Latijn? (Toepassing - analyse - synthese - waardebepaling)

10..Lees enkele toepasselijke juridische teksten over het Romeinse huwelijk om de draagwijdte van Hispala Faecenias 'beloning' te begrijpen in Romeins perspectief. Kijk er dan met moderne feministische ogen naar en geef commentaar. (Begrip - waardebepaling)

11..Opstel: 'Hoe loopt de geschiedenis van Aebutius en Hispala Faecenia af?' (vanaf het punt waar Livius ermee ophoudt). Documenteer je daarvoor eerst over het verloop van de Romeinse geschiedenis. Gebruik zo authentiek mogelijke elementen in je verhaal. (Synthese)

naar boven

Lectori Salutem

Er zijn weinig classici, die, gevraagd naar wie hun lievelingsauteur is, antwoorden : Livius.

Mijn eigen leraar van Latijn was een man met uitgesproken gevoelens, met het gevolg dat ik mijn diploma middelbaar onderwijs behaald heb zonder ook maar een letter Livius gelezen te hebben, want hij haatte Livius. En, aangezien onbekend onbemind is, ben ik jarenlang met een grote boog om Livius heen gelopen, als ik het enigszins kon regelen. Beschouw mij dus niet als een Livius-expert.

Toch heb ik enkele jaren geleden Livius als hoofdauteur gekozen in het vijfde jaar, daarbij favoriet Vergilius (tenminste, ik denk dat het merendeel van de collega's Vergilius verkiest) naar het volgend jaar doorschuivend.

Wat is er gebeurd?

Iets dat meer voorkomt: iemand, over wie je niets dan slechts gehoord hebt leer je per toeval zelf kennen en waarderen, en zijn eventuele fouten worden tot hun juiste belangrijkheid of onbelangrijkheid herleid.

Dus, beter laat dan nooit, mijn eerste echte ontmoeting met Livius was een 'affaire', de Affaire van de Bacchanalia in boek 39. Een stuk tekst dat mij heeft doen begrijpen waarom die man uit Cadiz helemaal naar Rome kwam om de auteur van de Ab Urbe Condita te ontmoeten.

Het is een schitterend stuk literatuur, zeer direct en actueel van onderwerp, en tegelijk oer-Romeins. We zitten hier in de sociale geschiedenis, dus geen strategische olifanten op een te klein vlotje, maar eerder een zedenschets met een politiek staartje. Als centrale tekst in het vijfde jaar biedt het aanvullende thema's in overvloed.

Alle elementen zijn aanwezig om een voor de leerlingen gevarieerde en aantrekkelijke Livius-unit uit te bouwen. Als extra zijn ook een aantal andere Latijnse teksten met vertaling en beperkt vocabularium, Nederlandse teksten en illustraties opgenomen in nr. 35 van Didactica Classica Gandensia.

M.Hoefmans

naar boven

INHOUDSOPGAVE van de syllabus (Didactica Classica Gandensia 35):

blz.

2. Inleiding

4. CENTRALE TEKST

6. Livius, AUC 39, 8-19 : Korte inhoud

7. Livius, AUC 39, 8-19 : Tekst met vertaling

29. Het senatus consultum De Bacchanalibus : Tekst met vertaling

31 THEMATEKSTEN

32. Romeinse godsdienstpolitiek (Livius)

33. Een verderfelijke sekte: de Christenen (Tacitus, Plinius)

36. Scortum nobile (Livius, Tacitus)

40. Juridische teksten: voogdij, huwelijk en testament

42.VERTALING VAN DE THEMATEKSTEN

50.DOCUMENTATIE

51. De Bacchanalia-affaire: Liviaanse exempla in hun sociale en historische context

57. De Bacchanalia als locus classicus

58. De Bacchische tweeslachtigheid

60. Het subversieve element

63. De Bacchanalia-affaire als toneelstuk

64. Euripides, Bacchanten

67. De sekte van de Katharen

68. Een experiment

75. 'I Claudius', aflevering 8, Reign of terror

76. Pleegvoogdij

77. Krantenknipsels

81.ILLUSTRATIES

93.VOCABULARIUM (bij enkele capita selecta)

naar boven


Terug naar CyCADE hoofdpagina