KORTE ARTIKELS


door Marjorie Hoefmans
verschenen in Vlotnieuws jrg. 1996 en 1997

PRO OVIDIO - CLASSICA AMERICANA - XENOPHOON IN HET KWADRAAT - STANDARDS FOR CLASSICAL LANGUAGE LEARNING - Een tentoonstelling over de Scythen. De Scythen in de Griekse en de Latijnse les (Ovidius) - SAPPHO EN HADEWIJCH



top

PRO OVIDIO

Hoe zou jij een vleugel maken (om zelf mee te vliegen)? Waar zou jij naar toe vliegen als je Daedalus was? Dit is het soort vragen dat ik aan de klas stel als we met het metamorfoseverhaal van Daedalus en Icarus zo'n zes verzen ver zijn. Predictievragen heet dat in het jargon. En natuurlijk niet op voorhand verklappen wat de oplossing is. Want Ovidius heeft zo zijn verrassingen. Het klasgesprek zou dan langs de hier volgende lijnen kunnen lopen.
Het probleem is, dat er al veel te veel vleugels bestaan waar mensen mee vliegen. Ons innerlijk beeld-archief levert automatisch, en in dit geval misschien ongewenst, een aantal prototypes, die hun deugdelijkheid bewezen hebben. Origineel zijn wordt moeilijk. Maar als we gewoon een antwoord willen geven op de vraag, dan pakken we een naslagwerk en lezen voor wat daar staat.
Het is duidelijk, dat de zaak voor Ovidius heel wat anders lag. In zijn tijd vloog geen mens ooit door de lucht zonder met een smak neer te komen. Naslagwerken over aërodynamica waren er niet en Ovidius' innerlijk beeldarchief bevatte geen kunstvleugels, tenzij...
Tenzij natuurlijk al die vleugels waarmee goden en godinnen zich voortbewogen, en die, in een wereldstad zoals Rome, op alle pleinen en openbare gebouwen te bewonderen waren. En binnen in de huizen, als muurversiering, op vaatwerk, als tuinkabouter. En op de sarcofagen en grafmonumenten, die de openbare wegen aan de rand van de stad flankeerden. Menselijke figuren met vleugels waren in Ovidius' tijd een voortdurend aanwezig onderdeel van de beeldcultuur. O.k., het waren natuurlijk goden. Maar zijn goden niet een soort supermensen?
Ovidius' naslagwerk voor het maken van mensenvleugels waren al die afbeeldingen, waar ook zijn tijdgenoten vertrouwd mee waren. Waarom Daedalus moeilijk origineel laten doen en een vliegtuig laten bouwen? Zelfs al is Daedalus een uitvinder, zijn avonturen zijn maar te genieten als de lezer zich zelf in zijn personage kan inleven. En tenslotte schrijft Ovidius poëzie, geen wetenschappelijke tractaten.
In de loop van het verhaal zal de klas het volgende ontdekken: Daedalus heeft heimwee naar zijn vaderland, Athene, en bouwt vleugels om aan het gehate Kreta te ontsnappen. Waar vliegt hij dan heen? Juist, niet naar Athene.
Moeten we Ovidius daarom brandmerken als de verstrooide en slordige dichter, die na 40 verzen al niet meer weet wat hij in het begin geschreven heeft, of, zoals de commentator van de Metamorphoses, Franz Bömer, het uitdrukt: Es ist aber bekannt, dass Sachangaben bei ihm oft mit der grössten Unbekümmertheit gegeben werden?
Nee!
Ovidius wist integendeel heel precies, wat hij aan het doen was. Het is volgens mij een ernstige misvatting, passend in een modern-romantische opvatting van het dichterschap, te denken dat een klassieke dichter zoals Ovidius feitelijkheden onbelangrijk vond. Zeker een poeta doctus kon zich geen vergissingen permitteren. De vergissing ligt bij ons, de moderne lezer, die denkt dat hij een gewoon verhaaltje voorgeschoteld krijgt, dat eenvoudig genoeg is voor het jeugdige publiek van de 3de Latijnse, en dan vanuit dat verwachtingspatroon geïrriteerd is, omdat er iets niet klopt. Ovidius schreef niet voor kinderen. Trouwens, kinderen zijn onze veertienjarigen niet meer, en als je de klas vraagt zich in te beelden, dat zijzelf een poeta doctus zijn, en dit verhaal gepubliceerd hebben, dan krijg je een heel plausibele verklaring voor de reisroute (mits genoeg voorkennis van de realia), want niemand wil zich toch belachelijk maken tegenover zijn lezers? Voor Ovidius was de lezer een actieve medespeler in dat opwindende spel: literatuur. Literatuur lezen, schrijven, bespreken, was, zoals de gevleugelde figuren, een nadrukkelijk aanwezig element in het Romeinse culturele leven, in een mate, die wij misschien onvoldoende beseffen. Ovidius was scherp van geest, vol dubbele bodems, en wenste als zodanig geapprecieerd te worden door gelijkgezinden. Een oppervlakkige lezer zal hem verwijten, dat hij Daedalus niet naar Athene laat vliegen. Het antwoord van Ovidius kan kort zijn: 'Dat heb ik toch nooit beweerd?' Trouwens, ook al heb je heimwee naar je vaderland, je gaat daar niet naar terug als je weet, dat daar de doodstraf wegens moord wacht. Een Sachangabe die kan tellen.
Wat mij terugbrengt naar Daedalus' vleugels en wat Ovidius daarover schrijft:

(...........) Nam ponit in ordine pennas,
a minima coeptas, longam breviore sequenti,
ut clivo crevisse putes
(Met. VIII, 189-191)

... hij legde veren in volgorde
te beginnen bij de kleinste - een lange, en dan een kortere -
zodat je de indruk kreeg, dat ze in stijgende lijn gegroeid waren.

Dit is een passage waar al heel wat over te doen geweest is. 'Wat zegt Ovidius nu? Te beginnen bij de kleinste - eerst een lange, dan een kortere - stijgende lijn: dit is toch onlogisch?' Er zijn handboeken, die het Latijn 'aangepast' hebben, sommige hebben de passage geschrapt, commentatoren als Böhmer hebben het een 'slordigheid' van Ovidius genoemd. (Dat de tekst van Ovidius is, is wel zeker, gezien de gave overlevering van de manuscripten.) En, eerlijk is eerlijk, ikzelf heb ook jaren niet goed geweten wat met deze tekst aan te vangen, omdat ik onvoldoende besefte hoe visueel men in Ovidius' tijd ingesteld was. (*)
Ik had geleerd, dat literatuur iets 'geestelijks' was, losgekoppeld van de directe werkelijkheid. Stulta ego, want de verklaring is zo vanzelfsprekend, springt letterlijk in het oog, als je maar een paar antieke afbeeldingen met vleugels ziet. Daedalus maakte toch de vleugels naar de natuur? Waarom dan gewoon niet eens even een vogel van dichterbij bekijken? Dat heb ik gedaan, en dat laat ik sindsdien mijn klas altijd doen, om zelf de interpretatie te ontdekken. Daarom, voor de sceptici, voordat u verder leest, kijk eerst eens naar de afgedrukte antieke vleugels en naar die van het winterkoninkje dat zo mooi poseert... (Deze afbeeldingen staan in het tijdschriftje).
De denkfout in de interpretatie is, dat wij ons een platte vleugel voorstellen, met maar één laag veren. Maar een natuurlijke vleugel bezit verschillende lagen, met als 'onderste' laag lange veren, en erbovenop kortere. Op de vaasschilderingen worden traditioneel twee à drie lagen aangebracht, vaak met een scherp aangezette afscheidingslijn. Als je dus driedimensionaal denkt, kun je Ovidius' vleugels logisch mee opbouwen, eerst een lange veer met daarop een kortere, dan weer een lange, en zo verder, terwijl je steeds langere lange veren neemt, zodat er inderdaad een 'groei' te zien valt.
De ablativus absolutus kan uiteraard niet opgevat worden als een verklaring van a minima coeptas, en moet dus een verduidelijking zijn van wat Ovidius met pennas bedoelt. Het ablativus-absolutus-systeem geeft aan het Latijn trouwens een grotere vrijheid van woordplaatsing én interpretatie, iets wat wij met de hierboven voorgestelde gedachtenstreepjes maar gedeeltelijk kunnen opvangen.
Maar de klas heeft aan deze uitleg minder boodschap dan aan een paar eenvoudige plaatjes met gevleugelde mensen of vogels. En ze vinden het leuk om het zelf te vinden, en slim te zijn, samen met Ovidius.
Wie nog niet helemaal gelooft in Ovidius' picturale beschrijvingen moet nog maar eens zijn 'Apollo en Daphne' overlezen. De vluchtende Daphne is als een klassiek beeld in de 'natte' stijl: '...haar ledematen waaiden bloot, haar kleren joegen door de wind in tegenwaartse richting, een zachte bries blies lange lokken van haar schouders op. Door 't vluchten groeit haar gratie...' (M. d'Hane-Scheltema).
Er valt over de mythe van Daedalus en Icarus nog heel wat meer te vertellen dat interessant is, voor ons, maar dat misschien zijn doel voorbijschiet voor de klas. Laat dat stof zijn voor de voetnootrijke artikels.(**) Mijn wens is, dat Ovidius geapprecieerd wordt als de oneindig veelzijdige en boeiende dichter van de Metamorphoses, voor iedereen, en niet verwezen wordt naar de 'simpele' literatuur, omdat hij gelezen wordt in de 'lagere' klassen.

Marjorie Hoefmans

(*) De collega's die de gesuggereerde interpretatie al lang toepassen worden hier natuurlijk niet aangesproken. Het volgende artikel behandelt dit onderwerp uitvoerig: Erwin SONDEREGGER, Die Flügel des Daedalus. Zur Rezeption einer schwierigen Ovidstelle. (Gymnasium 93, 1986)
(**) Marjorie HOEFMANS, Myth into Reality: the Metamorphosis of Daedalus and Icarus (Ovid, Metamorphoses VIII, 183-235). (L'Antiquité Classique LXIII, 1994, p.137-160)




top

CLASSICA AMERICANA

Thomas Jefferson, opsteller van de 'Declaration of Independence' van de Verenigde Staten en derde president van dat land, sprak zes talen, waaronder Latijn en Grieks. Dat was circa 1800. De 20e president, James Abram Garfield, was een classicus, die zijn bezoekers vermaakte door met twee handen tegelijk te schrijven: met de ene hand Grieks, met de andere Latijn. Erg lang heeft hij dit niet kunnen doen in zijn functie van president: na nog geen vier maanden werd hij op het perron van het station van Washington neergeschoten. Dat was in 1881. Hij was de laatste Amerikaanse president die in een blokhut geboren is.

De V.S. zijn nu toe aan hun 42ste president. Circa vijf procent ervan had dus, volgens deze anekdotes, een zeer grondige kennis van Latijn en Grieks. De bovenstaande trivia vond ik in een klein informatief boekje, getiteld: 'Mr. President. A Book of U.S. Presidents'. Wat de cijfers voor de Belgische eerste ministers (of eventueel de Belgische koningen) zijn, zou ik niet kunnen zeggen, want dergelijke publikaties bestaan bij mijn weten niet in België. Het is het essentiële verschil tussen een Amerikaan en een Belg: een Amerikaan houdt van zijn geschiedenis, is er trots op en koestert de anekdotes die bij iedere persoon of ieder feit uit zijn nationale verleden horen. Een Belg, zacht gezegd, 'weet het niet'. Tientallen andere anekdotes zijn in dit boekje te vinden, die voor de vaderlandslievende Amerikaan de stereotiepen van de presidentiële geschiedenis nog eens op een rijtje zetten. De vermelding van de oude talen hierbij geeft aan de besproken personen telkens een aura van hoge intellectuele capaciteiten.
Jefferson werd en wordt algemeen beschouwd als het intellect achter de Amerikaanse onafhankelijkheid, samen met president nr. 2, John Adams. Beiden waren vurige pleitbezorgers van de klassieken in het Amerika van hun tijd.
Garfield was het prototype van de pioniersjongen, die het door harde inspanningen en zelfstudie 'gemaakt' heeft, dus zelfs tot professor in de oude talen, en uiteindelijk tot president.

Wat ons, via de populaire kanalen van bijv. een VTM, vanuit Amerika bereikt, wordt al te gemakkelijk aanzien als het prototype van de Amerikaanse cultuur, en veroordeeld als barbaars. Het is uiteraard maar één aspect van een maatschappij, die heel wat complexer is en uiteindelijk niet heel erg verschilt van de onze. Ook niet wat de positie van de klassieke cultuur betreft, of het onderwijs in de klassieke talen. Accenten kunnen verschillen, cijfers kunnen verschillen, maar de appreciatie van de klassieken blijft merkwaardig gelijk.

Terug naar het prille begin van westers Amerika. De eerste kolonisten waren erfgenamen van de Europese Renaissance. Er zijn bewijzen te over, dat zij in hun persoonlijk leven en voor nationale doeleinden de klassieken overvloedig gebruikten als bron en als voorbeeld. De staatkundige dimensie in de invloed van de klassieke cultuur in de V.S. is een constante door de eeuwen heen. In de 18e eeuw bestond er een echte verering van de oudheid. Jefferson ging in 1787 zelfs zover, dat hij, toen hij hoorde dat een Engelse krant aan een Engelse arbeider de uitvinding toeschreef van een nieuw soort wiel, uitgaande van een Grieks idee (in een Homerische passage), deze uitvinding opeiste voor een boer uit New Jersey, ongetwijfeld gedreven door nationale trots met een flinke dosis propaganda voor de landbouw of gewoon uit polemisch plezier.
(Nee, ik hak de vorige zin niet in hapklare brokken ad usum delphini.)
"Het is veel waarschijnlijker, dat een boer uit New Jersey het idee opgedaan heeft bij de Grieken, want wij hebben de enige boeren, die Homerus kunnen lezen." Jefferson wordt door sommigen beschouwd als de laatste grote humanist. Aan een vriend schreef hij over de klassieken: I thank on my knees him who directed my early education, for having put into my possession this rich source of delight: and I would not exchange it for anything.

De eerste middelbare school in de Nieuwe Wereld was de Boston Latin School, gesticht in 1635. Een bronzen gedenkplaat in het trottoir is alles wat er nu van overblijft. De eerste universiteit was Harvard (1636). In de loop van de zeven jaren middelbaar onderwijs (tot de Boston Latin School zijn programma terugbracht tot vier jaar in 1789), werden de leerlingen hoofdzakelijk door middel van de klassieken voorbereid voor verdere studies. Dit programma was praktisch volledig gedicteerd door de toelatingsvoorwaarden van de universiteiten, die essentieel klassiek gericht bleven tot het einde van de 18e eeuw. Harvard zette de toon.
De Harvard College Laws (1655) stipuleerden: When any Scholler is able to read and understand Tully, Virgil or any such ordinary Classicall Authors, and can readily make and speake or write true Latin prose and hath skill in making verse, and is Competently grounded in the Greeke Language; so as to be able to Construe and Grammatically to resolve ordinary Greeke, as in the Greeke Testament, Isocrates, and the minor poets, or such like, having withall meet Testimony of his towardlinesse, hee shall be capable of admission into the Colledge. In 1745 volgden de Yale Laws nog steeds dezelfde lijn.

Een aantal beroemde bibliotheken uit de 18e eeuw zijn integraal bewaard gebleven, waaronder die van James Logan van Philadelphia ("het unieke intellectuele monument uit koloniaal Amerika, de beste klassieke bibliotheek"), van Thomas Jefferson en van John Adams. Maar ook uit veel andere bronnen is bekend, dat in de 18e eeuw de gecultiveerde Amerikanen fervente lezers van de klassieken waren. Men hield ervan te citeren uit de klassieken. Men gebruikte klassieke pseudoniemen, gaf aan nieuwe steden klassieke namen (bijv. Athens, Georgia), en in het zuiden kregen ontelbare slaven antieke namen ('Homer' was zeer populair). De meeste boeken kwamen uit Europa. In het land zelf werden er geen klassieke uitgaven van betekenis geproduceerd. De Amerikaanse patriot James Otis schreef een werk over Griekse prosodie (1760), maar kon het niet uitgeven, omdat 'er geen Griekse karakters beschikbaar waren, en was het wel zo geweest, dan was er geen drukker die ermee kon omgaan'. De liefde voor de klassieken ging soms wel erg ver. De pas opgerichte openbare bibliotheek van Charleston raakte ca. 1750 een lid van haar Library Society kwijt, die het niet eens kon zijn met de verwerping van zijn voorstel om 70% van het jaarlijks budget te spenderen aan de aankoop van Griekse en Romeinse klassieken! (Aanleiding voor de weigering was het verslag van de bibliothecaris, dat niemand tot dan toe de reeds aanwezige klassieken ontleend had.)

Men las voornamelijk vertalingen, een trend, die vanuit Europa overgewaaid was. De eerste Amerikanen waren onvermoeibaar in hun zoektocht in de onuitputtelijke bron van de klassieken naar tijdeloze voorbeelden voor hun republikeinse ideaal, en voor persoonlijke en burgerlijke deugdzaamheid. Het streven naar nuttige kennis was ook toen al één van de belangrijkste prioriteiten in de mentaliteit van de Nieuwe Wereld. Het nut van de klassieken stond hierbij als een paal boven water: The study of Greek and Latin was eminently practical as preparation for intelligent living. The classics provided not merely ornaments and delight, but useful guidance in the affairs of daily life. Al in 1658 kreeg Peter Stuyvesant een petitie van de burgers van New York, waarin zij voor hun kinderen onderwijs wensten in 'de meest nuttige talen, waarvan de belangrijkste het Latijn is'. De klassieken waren vooral een voorbeeld op moreel en sociaal vlak, een opvatting, die o.a. gekoesterd werd door de Puriteinen. Het meest populair waren de geschiedschrijvers, die leerden wat 'Ethics and Politics' waren, nl. Plutarchus, Tacitus, Sallustius, Polybius, Thucydides, Livius, Dionysius van Halicarnassus en Diodorus Siculus.

Sommige hedendaagse Amerikaanse geschiedschrijvers beschouwen de onderlegdheid in de klassieken van mannen, die sleutelposities bekleed hebben in de vorming van de Amerikaanse staat (de 'Founding Fathers', een Adams, een Jefferson), als een oppervlakkig vernisje op een elite, die behoorde tot de 'gentlemen's culture'. Het merendeel van de Amerikaanse historici laat echter een ander geluid horen: The study of the classics was more than a luxury and a painful task. It was an essential part in the moral foundation of many of the men who framed the American institutions.
"Niets in onze moderne wereld is zekerder en minder betwist, dan het geloof van die mannen van 1787 (sc. die de Amerikaanse onafhankelijkheid uitriepen) in de wijsheid van de antieken."

M. Hoefmans

Voor wie meer hierover wil lezen biedt Classica Americana van Meyer Reinhold (Detroit 1984) zeer grondige informatie.




top

XENOPHOON IN HET KWADRAAT



Het toppunt van verveling, uitgedrukt in dagmarsen en parasangen. Ergens vond ik deze boutade over Xenophoon, en ze komt wel in de buurt van het algemene gevoel, dat wij illo tempore koesterden voor de auteur, waarmee we in september begonnen en die we in juni vaarwel zeiden na het chronologisch verwerken van een groot deel van de Anabasis. 'Hij schrijft zuiver Attisch; met hem leer je pas echt Grieks'. Jawel, maar zo saai...Van dat schooljaar herinner ik me alleen de sneeuwepisode, waarom weet ik niet. Of het zou moeten zijn, dat die voor mijn gevoel anders was, en daarom als een afgerond geheel tussen de eindeloze dagmarsen zijn kop opstak. Misschien omdat Xenophoon hier tegen ons, mensen van alle tijden, sprak over algemeen menselijke belevenissen. De redevoeringen konden mij toen gestolen worden, dat was iets om je doorheen te worstelen.
Nu, met de thematische lectuur, ligt dat allemaal anders. Je kiest een aantal onderwerpen die je leuk vindt, variatie in acht genomen natuurlijk, en weg met de sleur. Zap zap zap. Varietas delectat, en zo, maar...We kunnen blijkbaar nooit tevreden zijn. Soms lijkt het allemaal wat op gehakt stro. Soms, en nu als leraar, verlang ik even terug naar de continuïteit en de veilige, degelijke saaiheid van de parasangen. Op den duur kende je je Xenophoon. Je had inderdaad een basis opgebouwd, vanwaar je de sprong naar Plato kon nemen. Dat was in de tijd van de (voor sommigen) negen uur Grieks per week. Een zee van tijd. Toen hadden we én thematisch kunnen lezen én een grondige auteurkennis opbouwen tegelijkertijd. Nu, met veel minder uren, staan we voor de paradox, dat we een degelijke basis moeten uitbouwen met een methode, die eigenlijk contraproductief werkt, tenminste gezien vanuit het standpunt van de taalverwerving. Vind maar eens taalkundige continuïteit in een aantal 'uitgezochte' teksten van verschillende auteurs of verschillende genres rond eenzelfde thema.
Genoeg gejammerd. Hic et nunc kunnen we het ons niet permitteren ons te beperken tot een tweetal auteurs voor Grieks per jaar. De toch al weinige leerlingen zouden prompt afhaken. Meer en meer evolueert het vak Grieks in de ideeën van de mensen naar een middel tot verrijking van de culturele horizon, en niet een instrument van taalverwerving. Dit in tegenstelling tot het Latijn, waar de bittere plicht van, bijvoorbeeld, het Sallustius lezen voorlopig nog in dat licht aanvaard wordt. Voor het Grieks is het dus meer dan belangrijk
1. interessante teksten te vinden, die
2. qua moeilijkheidsgraad van hetzelfde kaliber zijn,
3. variatie en
4. een taalkundige continuïteit bieden.

Aan deze criteria beantwoorden een aantal teksten, die voor het thema "Huurlingen" enkel uit Xenophoon kunnen komen. Daarmee kunnen we toch al ruim een maand bezig zijn en een zekere auteurkennis opbouwen. Mager, vergeleken met vroeger, maar leuker. En het verrassende is, dat Xenophoon in de Anabasis heel wat meer pijlen op zijn boog heeft dan louter verslaggeving of retoriek. Dat je er zeer korte teksten vindt, die stilistisch 'af' zijn, zo uit het geheel te lichten, zonder dat ze aan betekenis inboeten, terwijl ze toch op het eerste zicht gewoon een stuk verslaggeving zonder meer lijken. We kunnen dus zappen op een beter niveau. Een literaire verhalenbundel samenstellen. Geen verminking van een levenswerk, maar keurbladzijden uit een journalistiek oeuvre.
Xenophoon heeft immers een grondige literaire opleiding gehad. Hij is leerling geweest van Prodikos, en misschien ook van Gorgias. Hij kende Isokrates goed (zij kwamen uit dezelfde demos) en heeft zeker invloed van hem ondergaan; Isokrates verwijst trouwens ook naar Xenophoon. Over de literaire stijl van de Cyropedie is al heel wat meer geschreven dan over die van de Anabasis, maar ook de Anabasis bezit literaire kleinoden(*). Bijvoorbeeld de beroemde passage, waar Xenophoon zijn lezer in het kort zijn aanwezigheid in de tocht van de tienduizend verklaart.

Anabasis III, 1, 4-10
(Neem nu de Griekse tekst ter hand...Of druk dit artikel af. Nog geen Grieks op deze website, sorry.)

Deze tekst leent zich erg goed voor een eerste lezing met beoordelings-, predictie- en terugblikvragen. De leerlingen moeten wel wat voorafgaande kennis van de realia hebben, maar meestal wordt de lezing van de Anabasis toch voorafgegaan door een bespreking van de auteur en zijn leven. Het voordeel van predictievragen is, dat de leerlingen nieuwsgierig blijven voor ieder volgend fragment, omdat ze willen weten of de geopperde vermoedens kloppen. Hoe u de tekst ook leest, volgens de grammaticaal-analytische methode of de functionele, een dergelijke manier van vragen zal het persoonlijk engagement van de leerling tegenover de tekst verhogen.

De ideeën en meningen, die bij een dergelijke lezing van de tekst vastere vorm gekregen hebben, zullen de leerlingen helpen om ook inzicht te krijgen in de structuur van de tekst. De belangrijke boodschap die Xenophoon wil overbrengen is: ik was een jonge dwaas, die in zijn overmoed aan iets begonnen is, dat hij niet heeft kunnen inschatten. Hij was dwaas, want in zijn verlangen om mee te gaan heeft hij de duidelijke waarschuwing van Sokrates genegeerd. Maar als ik al op lange politieke tenen in Athene getrapt heb, besef dan, dat ik daarvoor dubbel en dwars geboet heb. Met een contrasterende, chiastische tekstopbouw wordt deze boodschap ondersteund.
Telkens wordt deze chiastische opstelling ondersteund (voor de leerlingen = 'bewezen'!) door gelijksoortige gegevens, soms antithetisch uitgedrukt: Als er een vraag uit de klas komt, waarom Xenophoon 'ineens' op zo'n manier schrijft, geef ik het volgende antwoord: dit is voor hem persoonlijk een uiterst belangrijke tekst. Het gaat over hemzelf. Hij stelt zichzelf niet zomaar voor aan zijn lezers, maar moet op eieren lopen, nl. een fout toegeven, die hij tegelijkertijd wil verontschuldigen. Het is logisch, dat hij dan heel veel zorg besteedt aan de manier waarop hij het vertelt.

Eigenlijk is dit een eenvoudige analyse, die niet veel lestijd vergt. Maar als zoiets voor de leerlingen de eerste keer is, schrijft de leerkracht het schema best zelf op het bord, en laat de leerlingen alleen de parallellen vinden. Bij een volgende dergelijke anekdote kunnen de leerlingen het dan helemaal alleen doen. Het leent zich goed voor groepswerk. Een ander kortverhaal bijv. in de Anabasis vormt de thalatta-anekdote (IV,7,19-27) met als sluitend element het komen en gaan van de gids (elthoon d' ekeinos - ooicheto apioon). De constructie is niet zo chiastisch als het voorgaande fragment, maar vertoont een aantal sterke structurele en stilistische kenmerken, die opnieuw samenwerken om dit tekstfragment tot een afgerond geheel te maken. Laten we dit echter bewaren voor een volgende keer.

Marjorie Hoefmans

(*) R.Cavenaile geeft een ook voor praktisch gebruik in de klas nuttig overzicht van Xenophoons literaire stijl in Aperçu sur la langue et le style de Xénophon in Les Etudes Classiques, XLIII (1975) p.238-252.




top

STANDARDS FOR CLASSICAL LANGUAGE LEARNING



De onderwijshervorming in de Verenigde Staten startte op een nieuwe koers in 1989 toen men in de regering een consensus bereikte over 6 nationale onderwijsdoelstellingen voor het openbaar onderwijs. In 1994 kwam in het Congres de Goals 2000: Educate America Act erdoor waarbij doelstelling 3 van het kerncurriculum verruimd werd met de foreign languages. De federale wetgeving volgde. In januari 1996 werd dan de 'Standards for Foreign Language Learning: Preparing for the 21st Century' gepubliceerd. Vier nationale moderne-talen-teams hadden het ontwerp opgesteld en de federale regering had de studie bekostigd, met niet aflatende interesse gevolgd door iedereen, die zich in Amerika betrokken voelde bij het taalonderwijs.

Amerika ligt aan de andere kant van de Atlantische Oceaan. Wij in Europa kunnen het gevoel hebben dat wij ten opzichte ervan een culturele splendid isolation kunnen handhaven zoals met het gebied bezuiden de Sahara of ten Oosten van de Oeral. Even nog misschien. Maar wat in Amerika gebeurt, ook op het gebied van onderwijs, kan vroeger of later bij ons zijn kop opsteken. Want de Amerikaanse roots zijn Europees, ook al slepen ze de vertragende oude Europese tradities niet meer als een blok achter zich aan.

Het onderwijs in de klassieke talen is bij ons een eenzaat, wij horen 'nergens' bij. Vroeger gaf dit een comfortabele status, nu een benepen gevoel. Onderwijs-organisatorisch is de Grieks-Latijnse richting een poot die uitsteekt: je kunt hem afhakken zonder dat je een groep vakken daarmee raakt. Wij geven, bijvoorbeeld, geen geschiedenisvak: taal is ons domein; de moderne talen voelen weinig affiniteit met ons: onze didactiek is er een van 'passieve' taalkennis.
De Amerikaanse classici, die even goed, zo niet meer, als wij tegen de stroom van de 'utilitariërs' in moeten roeien, hebben wat dat betreft één pluspunt: de klassieke talen horen, nu officieel, bij de foreign languages. In de nieuwe Standards for Foreign Language Learning bezitten de klassieke talen een positie, die gelijk is aan de andere buitenlandse talen. Dat is het resultaat van de alertheid en het onvermoeibare lobbyen van de American Classical League en de American Philological Association. Classici verkregen sleutelposities in de centrale raad en de werkgroepen die de Standards moesten opstellen. Classici zullen in de komende jaren gesprekspartner zijn als het aankomt op beslissingen die het talenonderwijs in zijn geheel betreffen. Dat is politiek. En dat is heel belangrijk voor het voortbestaan van het klassieke onderwijs daar. De huidige positie van de klassieke talen valt duidelijk af te lezen uit één van deze basisdoelstellingen voor de Amerikaanse leerling: "...proficiency in English and at least one other language, modern or classical...".

Daarmee was de kous niet af. Iedere taal of talengroep was verplicht de eigen specifieke onderwijsdoelstellingen af te bakenen en op schrift te stellen. De ACL/APA-groep werkte dus verder en met trots is het resultaat, 'Standards for Classical Language Learning', voorgesteld op het 50ste congres van de ACL eind juni dit jaar. Wij waren erbij.
Het congres telde een record aantal inschrijvingen van 350 classici. Het is geen academische aangelegenheid waar top-down door experts wordt meegedeeld wat de toehoorders moeten weten. Het is eerder een dynamisch gebeuren, waar naast academische uiteenzettingen ook actuele klaservaringen, ervaringen met methodes en media worden besproken. Men kan zich engageren in werkgroepen over de meest uiteenlopende onderwerpen en de resultaten van zo'n werkgroepjaar worden ook voorgesteld. Voor de promotie van de klassieke talen kan men brieven aan congresleden gaan ondertekenen, of zelf voorstellen, of een geslaagde/mislukte actie in de eigen gemeente bespreken. Allerlei workshops worden ingericht (waaronder de obligate computer-). Promotiecampagnes worden dik in de verf gezet, laureaten worden gevierd, evenals de winnaars van een beurs om naar dit congres te komen. Want in de Verenigde Staten kunnen de kosten van vervoer behoorlijk oplopen. Het is een echte klassieke happening, die door de meeste deelnemers ervaren wordt als 'de moeite waard, een bijtanken van energie, het aanhalen van banden met mensen die dezelfde idealen hebben'.
In zo'n sfeer is de voorstelling van de 'Standards for Classical Language Learning' dan ook een feestelijk gebeuren.

De Standards zijn geen beperking van de onderwijspolitiek van de verschillende staten, maar willen een aanzet geven tot curriculumontwikkeling van het talenonderwijs bij de schoolhervorming, m.a.w. een aanbeveling tot het opnemen van de klassieke talen binnen het talenonderwijs. Vijf doelgebieden van het klassieke talenonderwijs zijn: communicatie, cultuur, connecties, vergelijkingen en gemeenschappen. Telkens gaat het hier om twee inhouden: kennis en vaardigheden. Er worden voor iedere doelstelling 'progress indicators' geformuleerd, die een suggestie willen geven van hoe men vorderingen kan meten. Een soort tussentijdse eindtermen. De meting blijft relatief: sommige scholen hebben een sequentieel programma, op andere scholen kiest de leerling per semester of hij/zij Latijn wil volgen. Wat gemeten moet worden is de kennis en de vaardigheid van de student, niet de tijd waarbinnen het onderwijs is gegeven.

De integratie van de vijf doelstellingen binnen het klassikaal onderwijs is de uiteindelijke bedoeling. In het document worden 15 scenario's voorgesteld waarin deze 5 doelstellingen aan bod komen. Zij komen uit de praktijk en zijn herwerkt tot 'ideale' scenario's. Onderwerpen: The Aeneid, words and pictures; C is for Canis; A Geography Lesson; The Greek and Latin Connection; Greek medicine in Athens and Epidaurus; In principio erat verbum: the verb as key to syntax; Is Vergil's Dido miss Saigon?; Language connections; Market day in a Roman province; Pronoun poems; Quis Caesarem interfecit?; Quis es tu?; Roman drama; A Roman election; The voyage of St. Brendan.
De titels geven een indruk van waarmee men in de Verenigde Staten bezig is. Eén zo'n scenario hebben we op de vorige pagina afgedrukt. (In het tijdschriftje) Waarschijnlijk niet zoveel verschillend van wat wij doen.

Het orale Latijnonderrricht is echter wel iets, dat bij ons niet veel meer voorkomt, en waaraan men daar relatief veel belang hecht: misschien binnen het kader van de 'foreign languages'? De minimale doelstelling, hierboven al aangehaald, van één andere taal, modern of klassiek, kan ons misschien wat meewarig doen lachen, maar ook dit is een Amerikaanse realiteit: een classica uit Iowa legde mij uit, dat een groot aantal Amerikanen in het midden van de Verenigde Staten gewoon het nut niet inzien van het leren van een vreemde taal (en het dus ook niet doen): waar gaan ze die ooit gebruiken? Iedereen spreekt toch Amerikaans? Om dan nog de klassieken te willen promoten moet je echt een rotsvaste overtuiging hebben! Nu, met de National Standards, is tenminste officieel het belang van het vreemde-talen-onderwijs geformuleerd.
Het document besluit met de verklaring, dat het klassieke-talenonderwijs moet kunnen voor alle leerlingen. Een politieke verklaring eigenlijk: ook scholen in sociaal en cultureel achtergebleven buurten moeten Latijn (kunnen) aanbieden. Het Latijn dus als promotie en symbool voor de kansarme kinderen in de Amerikaanse maatschappij.

Marjorie Hoefmans

De Standards for Classical Language Learning (48 blz.) kan aangevraagd worden bij: The American Classical League, Miami University, Oxford, Ohio 45056 (fax 513-529-7742).




top

EEN TENTOONSTELLING OVER DE SCYTHEN.
De Scythen in de Griekse en de Latijnse les (Ovidius)

Niets verruimt de geest zozeer als eens over de grens gaan. Een paar weken geleden poetsten wij ons Duits op en trokken naar Bonn, naar de Museumsmeile. Op deze brede laan tref je naast elkaar een aantal van de betere Duitse musea aan, modern van architectuur, modern van opvatting. Wilden ze daar in Bonn misschien de Mall van Washington imiteren? Feit is, dat de, nu weldra verlaten, gebouwen van de Bundesregierung daar juist tegenover te vinden zijn. Maar dat was niet ons eerste doel. Wij waren gekomen voor dat ene gezicht van de twee van de Hermitage: Die Skythen und ihr Gold.

Was het de architectuur van het gebouw, dat in al zijn witte moderne eenvoud en zuivere lijnen de kwaliteit kreeg van een antiek bouwwerk? Lag het aan de goede smaak en de duidelijke liefde voor de voorwerpen, waarmee de mensen van het museum hun tentoonstelling hadden opgezet? Bij het betreden van de ruimte, die gereserveerd was voor de Scythen, was het, alsof heden en verleden samenvloeiden en alle voorwerpen perfect pasten in deze tijd, alsof er een ononderbroken continuïteit bestond, die mij verbond met deze mensen van vroeger. Wat - om weer nuchter te worden - natuurlijk ook zo is. Maar de betovering van de ruimte (omgebouwd naar de afmetingen van een Scythisch koningsgraf) en het clair-obscur waren hardnekkig genoeg om deze Aha-Erlebnis te doen aanhouden en, onder meer, de teksten van Herodotos en Ovidius, die ik in de klas lees, tot leven te wekken.

Mijn man had de symptomen al vroeg opgemerkt en was na een half uur verdwenen. Ik vond hem terug in de hal op een plaats die zijn voorkeur wegdraagt: voor het scherm van een computer. In dit geval ging het om een knap interactief programma van een jonge archeoloog, die alle gevonden Scythische ketels inventariseerde en ze langs alle kanten kon laten zien, met vindplaats, chronologie, kaartjes, enz. Het was niet de enige 'nevenactiviteit' die men die dag bij de Scythententoonstelling organiseerde. Agil, een vereniging voor toegepaste archeologie, was de Scythische toer opgegaan. Een Scythische begrafeniswagen was in aanbouw, op ware grootte, met de 'echte' spullen erop en eraan. Men demonstreerde hoe de Scythen vilt en kleren maakten. Zadeltassen en tapijtjes waren te koop. Juwelen. Steppenkruiden, verf, pijlen. Kortom, men dacht en deed Scythisch.

We zullen niet al het goud dat er blonk opsommen. Interessant was eerder de impressie van levensechtheid die de sieraden en gebruiksvoorwerpen overbrachten. Jacht en jachtdieren en jagers en nomaden. Kookketels en ruiterspullen. Direct contact met de natuur. Het recht van de sterkste. Dit geldt vooral voor de oudste voorwerpen. Meer gecultiveerd zijn de latere, die verbazingwekkend Grieks van geest zijn (of Perzisch), en waarin geen 'barbarisme' meer te vinden is, afgezien van gestileerde broekdragende ruiters met volle haardos.

Dominant aanwezig was Herodotos, zowel in de rondleiding van de gidsen als in de verklarende teksten tegen de muren. Inderdaad blijkt, dat hij in zijn 4e boek zeer accuraat gewoonten en gebruiksvoorwerpen beschrijft, die in de tentoonstelling te ontdekken waren. De begrafenisronde, die een afgestorven Scythische koning maakt in de Russische steppe, na een mummificatie, en de manier van begraven, in een 'kurgan', een steppegraf, zijn door hem vermeld. Twee jaar geleden was dit het onderwerp van een navormingsdag op de VUB, waarbij prof. Cecilia Saerens ook een televisiereportage toonde van de opgraving van een 'permafrost'-graf van een Scythische prinses in de Mongoolse steppe, die écht laat zien, dat Herodotos gelijk had (de bouw van het graf, het paardenvlees, de tatoeëringen, de kruiden'vulling' van de mummie, enz.). Sindsdien lees ik deze tekst altijd in de klas, met video, en betreur dat ik niet meer tijd heb om het Scythische thema uit te diepen.

Want de Griekse bronnen zitten vol met verwijzingen naar de noordelijke en oostelijke steppenvolkeren. Onze leerlingen kennen min of meer de mythen die zich afspelen rond de Zwarte Zee en de Kaukasus (Orpheus, Argonauten, Theseus, Prometheus, Iphigenia), de verhalen over de Hyperboreeërs en de Amazonen misschien ook, en zij lezen wellicht de teksten van Ovidius en Herodotos, waarin Thraciërs en Scythen vermeld worden (Thraciërs zijn geen Scythen, maar je moet wel hard kijken om het te merken). Maar Hekataios schreef al over hen, en later zal de Scythische samenleving onder invloed van stoïcijnse ideeën het prototype worden van een onbedorven, natuurlijke levenswijze (Strabo, Lucianus, Polyaenus). De Scythische invloedssfeer wekte ook de interesse van een Isokrates, Aeschines en Demosthenes. En Dio Chrysostomos schilderde het leven van alle dag in de steppen van de Borysthenes (Dnjepr).

Heel wat meer leerlingen volgen alleen Latijn. In het G.O. is de ballingschapsliteratuur van Cicero en Ovidius (onder de rubriek 'epistolografie') in het vierde jaar verplicht. Een niet erg gelukkige keuze voor deze leeftijdscategorie, men blijkt in de klas weinig geduld te hebben met de rampspoed van deze schrijvers, die als geen ander in de klassieke letterkunde een kick krijgen van het bejubelen en beklagen van hun eigen persoon (egotripper Plinius is in dat opzicht nog minder op zijn plaats in het 3e jaar). Maar de brieven van Ovidius van de Zwarte Zee worden de moeite waard voor hen, als hij even zijn oeverloos gejammer vergeet en zijn omgeving begint te beschrijven, inbegrepen de mythen die ermee verbonden zijn. Een ideale aanleiding voor een excursie naar de Scythen, met Herodotos in vertaling, en ter illustratie een catalogus van de Scythententoonstelling en een video over de opgraving van een Scythische prinses.

Het is mijn ervaring, dat de meeste leerlingen zelfs niet weten dat er zoiets als Thraciërs of Scythen bestonden (zij denken trouwens ook vaak, dat de Kelten in dierenvellen rondliepen, hen soms wijsgemaakt op de lagere school). Het is ook nuttig voor hun geografische kennis, want een kaart van Azië of Europa blijkt voor velen nog onontgonnen terrein te zijn. En tenslotte grijp ik deze Ovidiusteksten aan om de mythen rond Medea en de Atriden (Iphigenia) grondig te behandelen, want dat zijn tenslotte toch thema's, die in heel wat Westerse cultuuruitingen terug te vinden zijn. Als we ons hier zouden beperken tot het louter lezen van de teksten, denk ik, dat we een ideale gelegenheid laten voorbijgaan. Ter illustratie druk ik hierbij een vrije vertaling van enkele passages van Ovidius af (maar er zijn er meer rond dit onderwerp!).

HET BALLINGSOORD TOMI AAN DE KUST VAN DE ZWARTE ZEE

I - Tristia III,10

Als iemand zich nog daar
de verbannen Naso herinnert,
als mijn naam zonder mij
nog voortleeft in de Stad,
laat hem dan weten dat ik,
onder sterren die de zee nooit raken,
in een barbaarse wereld leef.

Rondom ons wonen de Sauromatae,
(woest is dit volk) en Bessi en Getae,
vreemde namen van mensen die
mijn talent niet op waarde
kunnen schatten.

Toch, als er een warme bries waait,
is de Donau een natuurlijke bescherming:
zolang hij stroomt houdt hij
de oorlog tegen met zijn golven.

Maar als de grimmige winter
zijn hatelijke kop opsteekt en als
de grond marmerwit is door de vorst
en Boreas en de sneeuw het wonen
onder de Beer lastig maken, dan
is het duidelijk dat deze volkeren
zuchten onder het juk van het Noorden.

De sneeuw ligt daar, en blijft,
ondanks zon of regen,
en hard geworden door Boreas
verdwijnt ze niet meer.
Dus, wanneer een vorige laag
nog niet gesmolten is,
komt er een nieuwe bovenop
en op veel plaatsen is het normaal,
dat ze twee jaar blijft liggen.

Met huiden en gestikte broeken
houden ze de grimmige koude af;
van hun lichaam is slechts
het gezicht blootgesteld. Vaak
rinkelen hun haren door ijspegels,
die eraan hangen, en hun baarden
glinsteren door vastgevroren ijs.

Wijn staat bloot rechtop,
in de vorm nog van de kruiken,
zij drinken er dus geen teugen van,
maar delen brokken rond !

Hele horden Sarmaten en Geten
komen en gaan langs de wegen
op hun paarden; onder hen is er niemand,
die geen pijlkoker en boog en geen pijlen,
geel door slangegif, draagt.
Hun stemmen zijn grof, hun gezicht bars,
een spiegel van hun karakter,
haar noch baard geknipt
door een ervaren hand,
hun rechterhand gereed
om toe te steken met de dolk,
die iedere barbaar steeds aan
zijn gordel draagt.

Tussen zulke mensen, ach, leeft nu
jouw zanger, mijn vriend,
de speelse liefdesverhalen vergeten;
hen moet hij horen en zien:
mocht hij toch slechts leven
tussen hen, maar niet sterven,
opdat zijn schim tenminste vrij
zou zijn van deze gehate plaats !



II - (Tristia V,6)

Dus ook hier zijn Griekse steden
(wie zou dat willen geloven?)
tussen de barbaarse namen
in dit gebied. Ook hierheen kwamen
kolonisten in opdracht van Milete
en tussen de Geten stichtten zij
Griekse vestigingen. Maar de oude naam van deze plaats,
ouder dan de nu bestaande stad,
is afgeleid (en dat is zeker) van
de moordgeschiedenis van Apsyrtus.

Want in het schip, vervaardigd onder
de hoede van de krijgsgodin Minerva,
dat als eerste door die onbekende
wateren gevaren was, heeft Medea,
- op de vlucht voor haar vader,
die ze verlaten had - naar deze
ondiepe wateren hier, zegt men,
haar steven gewend.

Toen een wachter hem, vanop
een hoge heuvel, in het oog kreeg,
riep hij: "Er komt een gast uit Colchis,
ik herken de zeilen!"
en terwijl de Argonauten nerveus
de kabel van de kade losmaakten
en met snelle handen het anker
optrokken, sloeg de Colchische,
haar schuld beseffend,
zich op de borsten met de hand,
die veel onnoembare daden had
aangedurfd en nog zou begaan.

Ofschoon de jonge vrouw van binnen
even vermetel bleef zag zij van buiten
bleek van ontzetting. En sprak zij,
bij het zien van de naderende zeilen:
"Wij zitten in de val! Met een list
moeten wij mijn vader ophouden".
Terwijl ze naar een oplossing zocht
en haar hoofd links en rechts draaide,
viel haar blik toevallig op haar broer.

Zij werd zich plots bewust van zijn
aanwezigheid, riep uit: "Ik heb het!
Zijn dood zal onze redding zijn!"
Onmiddellijk doorstak zij met een
onbuigzaam zwaard de argeloze jongen,
die daar stond zonder enig angstig vermoeden.
Dan hakte ze hem in stukken
en de afgehouwen ledematen
verspreidde ze over de velden,
zodat men er op veel plaatsen naar
zou moeten zoeken.

Opdat haar vader het zeker zou opmerken,
plaatste zij, hoog op
een rots, de lijkbleke handen en
het bebloede hoofd.
En zodoende werd de vader
opgehouden door het verse verdriet,
want hij onderbrak zijn reis voor
het verzamelen van de levenloze ledematen.
Daarom werd deze plaats hier Tomi genoemd,
omdat, zoals ze zeggen,
de zuster hier haar broer in stukken hakte.




top

SAPPHO EN HADEWIJCH



De gangbare term 'vakoverschrijdende activiteit' klinkt nogal zwaar voor wat we hierna zullen voorstellen. Het is eerder een suggestie om in de lessen Grieks en Nederlands terzelfdertijd rond eenzelfde onderwerp (dat 'De Hartstocht der Verliefdheid' zou kunnen heten) te werken. Voor de les Grieks kan dit gebeuren binnen het genre lyriek, in de les Nederlands bij de middelnederlandse mystiek. Auteurs: Sappho en Hadewijch.

Wie Sappho leest in de derde graad, in het Grieks, heeft op voorhand ongetwijfeld een blad uitgedeeld, waarin haar Eolische spelling wordt 'vertaald' naar het Attisch. Ofwel komt de uitleg, tijdens het lezen, op het bord. Maar vertragend werkt dit aspect van haar poëzie zeker. Het geeft Sappho's werk ten onrechte de reputatie moeilijk te zijn. Er moet wel eerst gewerkt worden voordat we van haar kunst kunnen genieten. Mutatis mutandis kan hetzelfde gezegd worden van Hadewijch met haar middeleeuws Nederlands. Het is een parallel, die niet wezenlijk significant is, maar in de klas wel degelijk meespeelt in de perceptie van de leerlingen, als we ter vergelijking werk van Hadewijch naast dat van Sappho leggen.

Het is verleidelijk ook met andere parallellen tussen beide schrijfsters een betekenisvol patroon te suggereren. Van zowel Sappho als Hadewijch is zeer weinig met zekerheid bekend; zij bezetten beiden, eeuwen na hun leven, nog steeds een belangrijke plaats in de literatuur; het feit, dat zij dit als vrouw in een mannenmaatschappij presteerden wordt steeds als 'bewijs' voor hun kwaliteit aangehaald; zij konden beiden hun talent ontwikkelen in een bloeiende musische cultuur; zij waren beiden mentor van een kring (school?) van jonge vrouwen, tot wie zij hun geschriften richtten...Hoe interessant de details over de persoon en het leven van deze schrijfsters ook zijn - en we moeten ze zeker niet aan onze leerlingen onthouden, want ze zijn een houvast voor het begrijpen van de gedichten -, toch kunnen de overeenkomsten, gezien de schaarsheid van de gegevens, niet echt significant zijn.

Ongetwijfeld is het maatschappelijke verschil tussen Sappho en Hadewijch (Sappho was een getrouwde vrouw, Hadewijch een begijn) van belang voor de situering van hun werk, maar het heeft blijkbaar geen invloed gehad op de - gelijke - intensiteit ervan. Hadewijch zou in Antwerpen geboren zijn en geleefd hebben rond 1250, een periode, waarin het Latijn nadrukkelijk aanwezig was en er zich in de volkstaal 'een nieuwe lyrische en epische kunst had ontwikkeld, die in verfijnder vormen de hoofse idealen der ridderschap bij de hogere standen verheerlijkte en verspreidde' (van Mierlo). Maar zij heeft naar alle waarschijnlijkheid geen Griekse poëzie in het Grieks gelezen en zo ook geen rechtstreeks contact gehad met het werk van haar voorgangster.

Wat een vergelijking tussen Sappho en Hadewijch meer dan rechtvaardigt en zo fascinerend maakt, is de geest, de sfeer, de stijl, en bovenal de kwaliteit van hun werk, dat enerzijds geheel past binnen het literair-artistieke klimaat van hun tijd, en anderzijds uniek en tegelijk universeel is. Hier kunnen we onze leerlingen laten zien, hoe twee vrouwelijke auteurs, met een tijdsverschil van achttien eeuwen, op bijna dezelfde manier hun hartstochtelijke verliefdheid en de lichamelijke beleving ervan verwoorden. Hoe gelijklopend de menselijke uitdrukking van gevoelens kan zijn, ongeacht de tijd ertussen.

Dat Sappho's verliefdheid gericht is op een vrouw en die van Hadewijch op God zijn 'pikante' details, die niet wezenlijk van belang zijn voor de beleving van de gevoelens, maar wel als dankbaar uitgangspunt kunnen dienen voor een discussie in de klas. Geen van beide gerichtheden zijn, ook voor een jongere van nu, vanzelfsprekend. Daarbij vertoont ook Hadewijch diepe gevoelens van vriendschap tegenover haar vriendin, die ze steunt in haar religieuze aspiraties, en viceversa vereert Sappho bovenal één godheid, Aphrodite, voor haar geen fictie zoals voor de hellenistische dichters. Uit al haar verzen spreekt een bijzondere en bijna exclusieve verering voor deze godin van liefdesverrukking en schoonheid, de beschermster van de kring waarvan de dichteres de leiding had. Zo'n kring is zeker niet te vergelijken met een hedendaagse onderwijsinstelling, maar kreeg in een tijd waarin de religie het dagelijkse leven doordrenkte, bijna noodzakelijk cultische trekken. (Paul Claes, 1985)

En het hoeft niet bij vertaalactiviteit alleen te blijven. Ook luisteren naar hoe anderen Sappho interpreteren is mogelijk. De BRT (Radio 3, Zegge en Schrijve) heeft op 30 oktober 1996 een knappe impressie van Sappho's liefdeslyriek uitgezonden onder de titel 'Eros ontwortelt mijn hart', een inzending voor de radioprijs Premios Ondas Barcelona. Het is een geslaagde compilatie van gedichtfragmenten, zeer gevoelig door Sabine Mahieu in het Nederlands voorgedragen. Tussendoor krijgt de luisteraar biografische gegevens en muziek (van Angélique Ionatos) te horen. Zowel in de les Grieks als in de les Nederlands kan deze opname zinvol ingeschakeld worden. Voor onze leerlingen betekende het een twintigtal minuten wegdromen in een andere, poëtische, wereld, weg van het nuchtere klaslokaal. Ze vonden het prachtig.
Ter illustratie plaatsen we hier bij elkaar de bekende tekst van Sappho (phainetai moi ...) en een fragment van Hadewijchs 9e visioen (vertaling Imme Dros 1996) en van een brief van haar aan een jonge vrouw, waarin de parallellen qua beelden, sfeer en gevoelsintensiteit zeer goed tot uiting komen.

Marjorie Hoefmans

De hartstocht der verliefdheid

Sappho

(tot mijn spijt nog geen Grieks op deze website.
Wij werken eraan.)

Voor mij lijkt hij wel een god, die man tegenover jou, die daar zit en en aan je lippen hangt, één en al oor voor je zoete stem en je smachtende lach, - ja, dat bracht mijn hart binnenin van slag, want één blik op jou en ik heb geen zinnig woord meer kunnen uitbrengen, mijn tong, verstomd, licht lam, een brandende tinteling trekt terstond door mijn huid, met mijn ogen zie ik gewoon niets, mijn oren bonzen, het koude zweet breekt me uit, ik sta te trillen op mijn benen, ik sla nog valer uit dan gras: het voelt aan alsof ik op sterven na dood ben...


Hadewijch


(Zevende visioen)

Te enen cinxendage wart mi vertoont inde dageraat, ende men sanc mettenen inde kerke ende ic was daar; ende mijn herte en mijn aderen ende alle mine leden schudden ende beveden van begerten; ende mi was alst dicke heeft geweest, so verwoedeleke ende so vreseleke te moede, dat mi dochte, ic en ware minen Lieve genoech ende mijn Lief en vervulde minen nied, dat ic sterven soude ende al verwoedende sterven. Doen was mi van begerliker Minne so vreseleke te moede ende so wee, dat mi alle die lede die ic hadde sonderlinge waanden breken ende alle mine aderen waren sonderlinge in arbeiden. Die begerte daar ic doen in was die es onseggeleke eneger redennen ocht iemens die ic kinne. (-)
Aldus magicker af seggen: ic begerde mijns Liefs ten vollen te gebrukene ende te bekinnenne ende te gesmakene in allen vollen gereke...

Op een pinksterdag kreeg ik in alle vroegte een verschijning; men zong de metten in de kerk en ik was daarbij. En mijn hart en mijn aderen en al mijn leden bonkten en beefden van verlangen. En ik was voor de zoveelste keer zo vervuld van hartstocht en van angst dat ik dacht, dat als ik niet voldeed aan het verlangen van mijn liefste en mijn liefste niet aan dat van mij, dat ik al stervend nog zou razen en al razend nog zou sterven. Ik was door dat hartstochtelijk verlangen in zo'n staat van angst en pijn dat al mijn leden leken te breken in een uitzonderlijke verkramping en dat al mijn aderen op een uitzonderlijke manier opzwollen. De begeerte die me toen beheerste is niet uit te drukken in welke taal van wie dan ook. (-) Laat ik het zo zeggen: ik verlangde in opperste verrukking een te zijn met mijn liefste, hem volkomen te doorgronden en te voelen...


(Negende brief)

...ende hoe wonderleke soeteleke dat een lief in dat ander woont, ende so dore dat ander woont, dat hare en geen hem selven en onderkent. Mer si gebruken onderlinge ende elc anderen mont in mont, ende herte in herte, ende lichame in lichame, ende ziele in ziele, ende ene soete godlike nature door hen beiden vloeiende, ende si beide een dore hen selven, ende al eens beide bliven, ja ende blivende.

...en hoe wonderlijk zoet een lief in de ander woont, zo door en door, dat zij niet meer weten wat 'zelf' is. Maar zij genieten wederzijds van elkaar, mond in mond, en hart in hart en lichaam in lichaam en ziel in ziel en een zoete goddelijke natuur vloeit door hen heen en in elkaar zijnde zijn zij één en zij blijven dat, ja, zij blijven het.






Terug naar CyCADE hoofdpagina