Het bestuur en het leger

luipaard

Het Azteekse volk

De keizer   De keizer was de leider van de Azteken. Hij verscheen zelden in het openbaar en werd behandeld als een god. Als de keizer stierf wees een kleine groep edelen en priesters een lid van de konklijke familie als opvolger aan. Keizers werden meestal gekozen om hun ervaring en moed in de oorlog.

De adviseurs van de keizer   De belangrijke adviseurs van de keizer was een man met een vreemde titel: Cihuacoatl, wat "slangenvrouw" betekent. De "slangenvrouw" was plaatsvervanger van de keizer en opperrechter en zorgde voor het dagelijks bestuur van het  keizerrijk. Onder de  "Slangenvrouw" stonden vier generaals die het bevel voerden over de soldaten in de vier districten van Tenochtitlan. Daaronder stond de raad  van adviseurs van de keizer.

De edelen   Onder de bestuurder stond de hoge adel, de tlatoani,  die aan het hoofd van de provincies stond. Daaronder stond de lagere adel, de tecuhtlis. Dat waren de rechters, de generaals en de ambtenaren die het dagelijks bestuur over de steden voerden.
De meeste edelen waren behoorlijk rijk. De keizer schonk hen stukken land als er nieuwe gebieden waren veroverd en bovendien hoefden ze geen belastingen te betalen. Gewone mensen konden in de adelstand worden verheven door hun bedrevenheid en moed in de oorlog, maar de meeste edelen erfden hun titels en landgoederen.

Het volk De maceualtin, "het gewone volk", vormde de grootste bevolkingsgroep. Ze waren verdeeld in families of clans, die calpulli heetten. Iedere calpulli had een stuk land dat door de leden werd bebouwd. Elk jaar kwam de raad van de calpulli bijeen om het land onder de familieleden te verdelen. Sommige gewone mensen hadden zoveel land dat ze rijker waren dan sommige leden.

De slaven De slaven vormden de laagste klasse in de Azteekse samenleving. Sommige slaven waren in de oorlog gevangen genomen, anderen waren Azteken die aan lager wal geraakten. De inwoners van Tenochtitlan konden als slaaf worden verkocht alls ze grote schulden hadden, of als ze werden betrapt op diefstal. Sommige mensen verkochten zichzelf als hun oogst mislukt was als slaaf om aan hun eten en onderdak te komen.
Over het algemeen werden slaven goed behandeld, maar als drie eigenaars hen wegens slecht gedrag hadden moeten verkopen, konden ze worden geofferd.
De slavenmarkt slaven werden verhandeld op slavenmarkten. De grootste was die van Azcapotzalco. De slaven werden soms in de prachtigste kleren tentoongesteld, zodat ze er op hun best uitzagen, maar zodra ze waren verkocht werden ze uitgekleed en in houten kooien gestopt tot hun nieuwe  eigenaars hen kwamen ophalen. Sommige vooral de luie en de agressieve slaven en de dieven, droegen een houten juk, waarmee ontsnappen een stuk moeilijker werd. Nadat de koop was gesloten, hadden slaven nog een laatste kans op vrijheid. Als ze van het marktplein konden ontsnappen en het paleis konden bereiken, waren ze vrij. Op de nieuwe eigenaar of zijn zoon na mocht niemand een vluchtende slaaf tegenhouden. Slaven worden verkocht op het marktplein


top

Het leven aan het hof

De koninklijke familie De keizer werd door een raad gekozen, maar het was altijd een lid van de "koninklijke familie", vaak de broer of soms de neef van de laatste keizer. Azteekse edelen konden met meerdere vrouwen trouwen, dus aan kandidaten was zelden gebrek. Belangrijke functies in het rijk werden vaak door familieleden van de keizer vervuld, dus nieuwe keizers hadden al bestuurservaring.
Veel Europese keizers en koningen van die tijd beschouwden alle grond en alle inwoners van hun land als hun eigendom, maar de Azteekse keizer niet. Het Azteekse volk bestond uit clans, die elk een eigen leider hadden om de dagelijkse zaken te regelen. De keizer beschikte echter over aanzienlijke macht en het volk vereerde hem als een god. Hij was hogepriester, opperbevelhebber van het leger en het hoogste gezag in het onmetelijke rijk.

De keizer en het volk De keizer leefde in een erg groot paleis waarin men verschillende kamers kan onderscheiden met verscheidene functies. Zo waren er slaapkamers, eetzalen, bibliotheken, een schatkamer en een gerechtshof. Rondom het paleis waren prachtige tuinen aangelegd en er was ook een koninklijke dierentuin.

De koninklijke familie was heel uitgebreid. De heerser kon beschikken over zeer veel mooie vrouwen en er waren ongeveer 3000 bedienden. Dan zijn er nog gasten. Soms kwamen er wel 600 leiders en edelen per dag op bezoek.
De keizer leefde geheel gescheiden van zijn onderdanen en verscheen zelden in het openbaar. Als de keizer zich aan het volk vertoonde, ging dat gepaard met groot ceremonieel. Hij werd door groepen vooraanstaande edelen in een draagstoel door de straten gedragen. De mensen die zich in tegenwoordigheid van de keizer begaven moesten hun dure mantels uittrekken en eenvoudige kleren aandoen. Ze droegen geen schoenen en werden geacht drie keer voor hem te buigen. Gewonen mensen mochten de keizer niet in zijn gezicht kijken.
De keizer wordt door de straten gedragen op een draagstoel

Montezuma Ten tijde van de Spaanse verovering was Montezuma II keizer. Toen Montezuma in 1502 keizer werd, brak hij met een oude Azteekse traditie en verwijderde iedereen die niet van adellijke afkomst was uit het paleis. In de eerste 15 jaar van zijn bewind was hij vaker weg om oorlog te voeren dan thuis in Tenochtitlan.

top

Het bestuur van het rijk

De veroverde gebieden De Azteken veroverden geen dorpen en steden om het dagelijks leven van de inwoners er te gaan regelen. Ze wilden maar drie dingen: ten eerste moesten alle onderdanen van het rijk naast hun eigen stamgoden de Azteekse god Huitzilpochtli vereren. Bovendien moest elke stad schatting, een soort belasting, aan Tenochtitlan afdragen. De derde eis was dat elke stad onvoorwaardelijk trouw en gehoorzaam aan de Azteken moest zijn, vooral door in tijden van oorlog soldaten te leveren.
De meeste steden in het rijk vonden het vreselijk om de Azteken schatting te betalen. Ze konden er echter weinig aan doen vanwege het sterke Azteekse leger. Als de Azteken een stad veroverden, namen ze vaak duizenden mensen gevangen, en dan vooral gezonde jonge mannen. De gevangenen werden naar Tenochtitlan gestuurd om geofferd te worden. De veroverde steden bleven verzwakt achter en de Azteken hoefden voorlopig geen aanvallen te verwachten.
Een paar volkeren werden nooit door de Azteken overwonnen. In het Westen woonden de Tarascanen, die een invasie van de azteekse koning Axayacatl afsloegen. Veel dichterbij zaten de Tlaxcalanen, die een grote hekel aan de Azteken hadden. De Tlaxcalanen sloten zich aan bij de Spaanse indringers en speelden een belangrijke rol bij de omverwerping van de Azteken.

Wetten De Azteken hadden tientallen wetten voor bijna elk onderdeel van het dagelijks leven, waaronder misdaad, scheiding en grondbezit. Er was niet één vast wetboek dat voor hele rijk gold, dus de wet kon van plaats tot plaats verschillen.
Veel wetten dienden om het klassenstelsel in stand te houden. Gewone burgers mochten bijvoorbeeld niet de katoenen kleding van de edelen dragen. Andere wetten beschermeden de middelen van bestaan van de mensen. het stelen van gewassen werd beschjouwd als een zware misdaad en dronkenschap was helemaal uit den boze.

De rechtbank Eenvoudige strafzaken werden door plaatselijke rechtbanken behandeld, met oudere krijgers als rechter. Ernstiger vergrijpen dienden in Tenochtitlan bij de teccalo rechtbank, waar meer ervaren rechters zetelden. de echte halszaken en zaken waarbij edelen betrokken waren, werden door een nog hogere rechtbank gehoord, die zitting hield in het keizerlijk paleis. In één daarvan was de keizer zelf opperrechter.

Straffen De Azteken kenden geen gevangennisstraf. Misdadigers konden op twee manieren worden gestraft. Bij kleine vergrijpen moest de overtreder de schade van de benadeelde partij in natura vergoeden of door er voor te werken. Als je schuldig werd bevonden aan het aanstichten van vechtpartij moest je betalen voor de medische behandeling en alles wat beschadigd was vervangen. De andere soort straf was slavernij: de misdadiger werd als slaaf aan de benadeelde partij gegeven en moest net zolang voor hem werken tot de schade dubbel was terugbetaald.
Op zwaardere misdaden als moord, stelen op de markt, struikroverij of openbare dronkenschap kon de doodstraf staan. De misdadiger werd hetzij naar het altaar gestuurd, hetzij ter plekke gestenigd. Als je nog geen strafblad had, kreeg een lichtere straf: je hoofd werd kaalkgeschoren of je huis werd gesloopt. De edelen werden veel strenger voor hun misdaden gestraft dan gewone mensen.

top

Tenochtitlan

De toegangswegen De Azteken hadden het modderige eilandje waar ze waren begonnen aanzienlijk uitgebreid door duizenden houten palen als fundament in de bodem van het meer te slaan. Daarop stortten ze stenen en aarde voor een ondergrond om de stad op te bouwen.
de stad op het eiland was met het vasteland verbonden door drie dammen die zo breed waren dat er 10 soldaten naast elkaar op konden marcheren. Hier en daar zaten doorgangen zodat de kano's erdoor konden. Deze openingen werden overbrugd door houten bruggen die bij een anval op de stad konden worden opgehaald.

De watervoorziening Twee aquaducten voorzagen de stad van water. Elk aquaduct had twee leidingen, zodat er altijd één gebruiksklaar was als de andere werd schoongemaakt of gerepareerd. Het water kwam uit in openbare reservoirs her en der in de stad. Ten oosten van de stad hadden de Azteken een 16 kilometer lange dijk aangeleg. Door de sluisdeuren in de dijk kon bij overstromingen het waterniveau in het meer worden geregeld en werd voorkomen dat het ziltige water van, de oostkant van het meer het zoeten water rond Tenochtitlan verontreinigde.
De stad was aangelegd in een patroon van rechthoeken, gescheiden door de grachten die de kano's als "weg" gebruikten, en door de brede, geplaveide lanen die in het centrum bij het Tempelplein samenkwamen. Alle straten waren brandschoon; ze werden regelmatig geveegd en met water besproeid. Er waren openbare toiletten, waarvan het afval dagelijks door grote kano's werd opgehaald om op de velden als mest te worden gebruikt.

De markt De stad had minstens 100.000 inwoners. De stad was verdeeld in vier wijken, met elk hun eigen tempels, scholen en markten. Aan de rand van de stad lagen de drijvende tuinen en stonden de eenvoudige, lage huizen van de armen. Meer naar het centrum stonden de imposantere woningen van de vooraanstaande burgers. In het midden van de stad lag het grote plein met de Grote Tempel, de centrale markt en Montezuma's paleis.
Er was elke vijf dagen markt, waar de mensen van kilometers uit de omtrek op af kwamen om spullen te verhandelen en om nieuws en roddels uit te wisselen. De marktpleinen hadden verschillende afdelingen waar de koopwaar per soort lag uitgestald. Alles wat je je maar kan voorstellen was er te koop: etenswaren, kleding, huiden, koperen bijlen,... . Er liepen ambtenaren rond om te controleren of de marktkooplui hun stageld wel ahdden betaald, om de kwaliteit van de goederen te keuren, en te zorgen dat er geen te hoge prijzen werden gevraagd. Dieven en oplichters werden ter plekke door 12 rechters berecht- als straf voor hun misdaden konden ze worden doodgeknuppeld.

top

Het Azteekse leger

De aanvoerders De keizer was opperbevelhebber van het Azteekse leger. Elke stad onder zijn gezag moest desgevraagd soldaten leveren om ten strijde te trekken. Zo kon de keizer voor een campagne een leger van ruim 100.000 man op de been brengen. De Azteken verpletterden hun vijanden vaak alleen al vanwege hun getalsterkte.
De krijgers van elke stad vormden een legereenheid onder bevel van eigen officieren, maar de keizer had het opperbevelhebber. De keizer voerde het leger persoonlijk aan, of stuurde zijn betrouwbaarste familielid als plaatsvervanger.

De officieren De meeste officieren waren ridders, beroepssoldaten die al op jonge leeftijd uit de groep beste krijgers werden gekozen. Er waren drie ridderorden: De orde van de Pijl, de Adelaar en de Jaguar. belangrijke officieren droegen hun vaandels van veren in een soort tuig op hun rug, zodat ze hun handen vrij hadden om te vechten. Azteekse officieren met veren vaandels als teken van gezag

De krijgers Elke gezonde azteekse man werd geacht te vechten als er op de grote oorlogstrom werd geslagen. Op school leerden de jongens hoe ze met wapens om mosten gaan en zodra ze 15 waren konden ze worden opgeroepen voor de oorlog. De meesten waren blij om te mogen vechten, want succes als krijger was één van de weinige manieren waarop je als arme Azteek hogerop kon geraken. Soldaten kregen niet betaald, maar soms werden degenen die zich in de oorlog onderscheidden beloond met land, slaven en kleding. Iedere krijger die vier gevangenen kon overdragen werd in de adelstand verheven. Wie in de strijd gewond raakte, verwierf het recht een lange mantel van eer te dragen die de littekens bedekte. De getroffen gezinnen kregen een schadeloossteling. Lafaards liepen de kans om gestenigd te worden.

Het hoofd van een Azteekse krijger Een Azteekse krijger van de orde van de Adelaar

 

Wapens en wapenuitrusting De wapens van de Azteken werden bewaard in de tlacochcalco, het wapenarsenaal, en werden alleen tevoorschijn gehaald als het sein voor oorlog werd gegeven. De krijgers vochten met slingers, bogen en pijlen met een punt van been of obsidiaan. Bovendien hadden ze lange speren, die ze wierpen met behulp van een houten speerwerper, de zogenaamde atatl. Het favoriete wapen voor gevechten van man tot man was een kruising tussen een knots en een zwaard en werd een maquahuitl genoemd. Het was ongeveer een meter lang en de randen waren afgezet met vlijmscherpe stukken obsidiaan. Volgens de Spanjaarden kon je met één klap van een maquahuitl een paard onthoofden.
Azteekse soldaten droegen geen echt uniform, maar de meeste krijgers droegen pakken van doorgestikte katoen, die in zout water waren gedrenkt om ze stijf te maken. Er zat een verticale opening op de rug die met veters werd dichtgemaakt. Deze pakken boden prima bescherming tegen pijlen en speren en werden vaak versierd met veren en verf. Veel krijgers hadden een veren hoofdtooi en een gevlochten rieten schild, bedekt met leer en versierd met veren.

Belang van de oorlog De Azteken voerden bijna voortdurend oorlog. Veroverde steden leverden de schatting waar de Azteken hun rijkdom aan te danken hadden, en oorlog zorgde voor een stroom kandidaten voor de offers die volgens het Azteekse geloof onmisbaar waren voor hun welzijn.

Strategie Zodra de Azteken hadden besloten een bepaalde stad te veroveren, stuurden ze gezanten met de vraag of men handel wilde drijven met de Azteken in ruil voor een cadeau van goud of edelstenen voor de keizer. Indien ze hiermee niet akkoord gingen, volgden er verdere onderhandelingen, die gepaard gingen met dreigementen.
Als de stad bleef weigeren zich bij de Azteken aan te sluiten, brak er oorlog uit. Op de dag die door de priesters was aangewezen als de gunstigste dag om de campagne te beginnen, vertrok het gigantische leger, compleet met priesters, kookvrouwen, dragers en technici. De steden die het leger onderweg aandeed, moesten de troepen te eten geven.
Als het leger bij de vijandelijke stad aankwam, gingen de ridders van de Jaguar op verkenningstocht. Ze gaven elkaar berichten door met vogelgeluiden. Bij zonsopgang openden de ridders van de Adelaar met veel kabaal de aanval. Ze stampten met hun voeten, zongen en floten uit alle macht om de vijand de stuipen op het lijf te jagen. Dan sloten de ridders van de Jaguar de vijand in. er werd fel gevochten, maar de Azteken zorgden ervoor meer vijanden te verwonden of gevangen te nemen dan te doden. Zodra de generaal van de Azteken besloot dat de veldslag gewonnen was, werden er boodschappers gestuurd die de vijand opriepen zich over te geven.
Als de vijand zich had overgegeven werd er een vredesverdrag opgesteld, waarin de schatting werd vastgesteld die de overwonnen stad kreeg opgelegd. Soms werd er een Azteekse edelman aangesteld als bestuurder van de veroverde stad. de gevangenen (mannen, vrouwen en kinderen) werden in triomf naar de zegevierende steden gevoerd en bleven daar tot ze werden geofferd.

Bloemenoorlog Soms bleef het een tijdje vrede. De steden van het Drievoudig Verbond organiseerden dan een "Bloemenoorlog" tegen naburige steden Tlaxcala, waarvan de bevolking zeer gewild was als offer. Deze veldslagen waren een soort ceremoniële toernooien. Als beide partijen genoeg gevangenen hadden verzameld, werd de veldslag beëindigd en namen de legers hun buit mee naar huis.

top

Ga sporten met de Azteken

ga wandelen in Tenochtitlan

En toen kwamen de Spanjaarden...